“Ik kom uit veldslag en strijdgewoel
Met een schild in de hand;
Mijn helm is in twee door de stooten der speren.
“Rond gehoefd is mijn paard, de schrik van den strijd,
Fairy20 is mijn naam, Gwyn de zoon van Nudd,
Die Crewrdilad minde, de dochter van Lludd.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
“Ik ben geweest waar Gwendolen gedood werd,
De zoon van Ceidaw, de held van den zang,
Waar de raven krijschten boven bloed.
“Ik ben geweest waar Bran vermoord werd,
De zoon van Iweridd, wijd beroemd,
Waar de raven van het slagveld krijschten.
“Ik ben geweest waar Llacheu gedood werd,
De zoon van Arthur, geprezen in zangen,
Toen de raven krijschten boven bloed.
“Ik ben geweest waar Mewrig vermoord werd,
De zoon van Carreian, met eere bekend,
Toen de raven krijschten boven vleesch.
“Ik ben geweest waar Gwallawg vermoord werd,
De zoon van Goholeth, aan kundigheid rijk,
Die Lloegyr weerstond, den zoon van Lleynawg.
“Ik ben geweest waar Brittanje’s strijdscharen verslagen werden,
Van oost tot noord:
Ik ben het geleide van het graf.
“Ik ben geweest waar Brittanje’s strijdscharen verslagen werden,
Van oost tot zuid:
Ik ben in leven, zij des doods.”
Een godheid genaamd Myrddin neemt in Arthur’s mythologischen cyclus de plaats in van den Hemel- en Zonnegod, Nudd. Een van de Triaden van Wales vertelt ons dat Brittannië, vóór dat het bewoond was, Clas Myrddin werd genoemd, Myrddin’s gebied.21 Dat herinnert aan de Iersche gewoonte een geliefkoosde plek een “kooi van de zon” te noemen—Deirdre geeft dien naam aan haar geliefd Schotsch thuis in Glen Etive. Professor Rhys onderstelt dat Myrddin de godheid was, die in het bijzonder werd vereerd te Stonehenge, dat volgens Britsche overlevering, vermeld door Geoffrey van Monmouth, opgericht werd door “Merlin,” de toovenaar die de gedaante voorstelt waartoe Myrddin onder Christelijke invloeden was ingekrompen. Wij vernemen dat het verblijf van Merlin was een glazen huis, of een bosch bloeiende meidoorn, of een soort rook of mist in de lucht, of “een gebied noch van ijzer, of staal, of hout, of steen, maar van lucht zonder meer, door een betoovering zoo machtig dat zij nooit kan worden ongedaan gemaakt zoolang de wereld blijft bestaan”22. Ten slotte daalde hij neer op het eiland Bardsey, “voorbij het uiterste meest westelijke punt van Carnarvonshire.... hij ging met negen hem volgende barden en nam met zich mee de “Dertien Schatten van Brittannië,” die van toen af voor de menschheid verloren waren.” Professor Rhys wijst er op dat een Grieksch reiziger Demetrius genaamd, die wordt gezegd Brittannië te hebben bezocht in de eerste eeuw v. Chr., gewaagt van een eiland in het westen, waar “Kronos” werd ondersteld gevangen te zijn gehouden met de hem vergezellende godheden, terwijl Briareus de wacht over hem hield in zijn slaap, “want slaap was de boei voor hem gesmeed.” Ongetwijfeld hebben we hier een lezing, gehelleniseerd zooals de gewoonte was van klassieke schrijvers met barbaarsche mythen, van een Britsch verhaal van het afdalen van den Zonnegod in de westelijke zee en zijn gevangenneming daar door de machten der duisternis, met de bezittingen en toovermachten behoorende aan Licht en Leven23.
De twee personages, Nynniaw en Peibaw geheeten, die in de genealogische tabel voorkomen, spelen een zeer kleine rol in de Kimbrische mythologie, maar een verhaal waarin zij optreden, is op zich zelf belangwekkend en heeft een uitmuntende moraal. Zij worden voorgesteld24 als twee broeders, Koningen van Brittannië, die op een helderen sterrenacht samen wandelen. “Zie welk een mooi uitgestrekt veld ik heb,” zeide Nynniaw. “Waar is het?” vroeg Peibaw. “Daar omhoog en zoo ver als je kunt zien,” zeide Nynniaw, naar den hemel wijzend. “Maar zie eens naar al mijn vee, dat op jou veld graast,” zeide Peibaw. “Waar is dat?” vroeg Nynniaw. “Al de gouden sterren,” zeide Peibaw, “met de maan als schaapherder.” “Zij zullen niet grazen op mijn veld,” riep Nynniaw. “En ik zeg dat zij dat wèl zullen doen,” antwoordde Peibaw. “Ik zeg neen.” “En ik zeg ja.” En zoo ging het door; eerst twistten zij met elkander, toen voerden zij oorlog en legers werden vernield en landen verwoest, totdat ten slotte de broeders in ossen werden veranderd als straf voor hun domheid en twistzucht.
Wij komen nu tot het werk waarin de voornaamste schatten van Kimbrische mythen en legenden zestig jaren geleden door Lady Charlotte Guest werden bijeengebracht en aan de wereld gegeven in een vertaling die een der meesterstukken is van de Engelsche literatuur. De titel van dit werk, “Mabinogion,” is het meervoud van het woord Mabinogi, dat beteekent een verhaal behoorend tot hetgeen een leerling-bard in zijn mars had, een verhaal zooals elke bard noodzakelijk te leeren had als deel van zijn opvoeding, wat hij ook later aan zijn répertoire mocht toevoegen. Feitelijk zijn de Mabinogi in het boek niet anders dan de vier verhalen het eerst gegeven in de editie van Alfred Nutt, getiteld de “Vier takken van de Mabinogi” en die een samenhangend geheel vormen. Zij behooren tot de oudste overblijfselen van de mythologische sagen van Wales.
Het eerste er van is de geschiedenis van Pwyll, Vorst van Dyfed, en verhaalt hoe die Vorst zijn titel kreeg van Pen Annwn, of “Hoofd van het Schimmenrijk”—met Annwn wordt namelijk in de literatuur van Wales het Keltische Land der Dooden, of Tooverland aangeduid. Het is een verhaal met een mythologischen grondslag, maar dat den zuiversten geest van ridderlijke eer en adel ademt.
Pwyll, zoo heet het, was op zekeren dag aan het jagen in de bosschen van Glyn Cuch, toen hij een troep honden, niet de zijne, een hert zagen achterna zetten. Deze honden waren sneeuwwit met roode ooren. Als Pwyll eenige ervaring had gehad in deze dingen, zou hij dadelijk hebben geweten wat voor jacht er aan den gang was, want dit zijn de kleuren van Tooverland—de roodharige man, de hond met roode ooren gaan steeds met hekserij gepaard25. Maar Pwyll joeg de vreemde honden weg en wilde zijn eigen honden het wild achterna zenden, toen een ruiter met een edel voorkomen opdaagde en hem verwijten deed wegens zijn lompheid. Pwyll bood aan hem genoegdoening te geven en het verhaal gaat nu over in het veel voorkomend onderwerp, de bevrijding van het Tooverland. De naam van den vreemdeling is Arawn, een koning in Annun. Hij wordt bemoeilijkt en met onttroning bedreigd door een mededinger, Havgan, en hij zoekt de hulp van Pwyll, en vraagt hem over een jaar Havgan in tweegevecht te ontmoeten. Inmiddels zal hij Pwyll zijn eigen gedaante doen aannemen. Pwyll zal in zijn koninkrijk heerschen tot den gewichtigen dag, terwijl Arawn in de gedaante van Pwyll in Dyfed zal gaan regeeren. Hij leert Pwyll hoe hij met den vijand moet omgaan. Havgan moet met eén enkelen slag worden geveld—wordt hem een tweede slag gegeven dan herleeft hij weer onmiddellijk zoo sterk als ooit te voren.
Pwyll stemde toe in het avontuur en ging diensvolgens in Arawn’s gedaante naar het koninkrijk Annwn. Hier bevond hij zich in een onvoorziene moeilijkheid. De schoone vrouw van Arawn begroette hem als haar echtgenoot. Maar toen het tijd voor hem werd ter ruste te gaan, keerde hij het gelaat naar den muur, en zeide hij geen woord tot haar en raakte hij haar niet aan totdat het morgen werd. Toen stonden zij op, en Pwyll ging op de jacht en regeerde zijn rijk en deed alles alsof hij de vorst was over het land. En hoeveel genegenheid hij de koningin ook bij dag in het openbaar betoonde, hij bracht elken nacht door als de eerste.
Eindelijk brak de dag van het tweegevecht aan, en evenals de hoofden in Galische verhalen, ontmoetten Pwyll en Havgan elkander midden in een wadde van de rivier. Zij vochten en bij de eerste botsing werd Havgan de lengte van een speer over het kruis van zijn paard geslingerd en viel doodelijk gewond26 “In ’s hemels naam,” zeide hij, “dood mij en voltooi uw werk.” “Dat zou mij nog rouwen,” zeide Pwyll. “Doode u wie wil, ik wil niet.” Toen wist Havgan dat zijn einde daar was en hij gelastte zijn edelen hem weg te dragen; en Pwyll bezette met zijn leger de twee rijken van Annwn en maakte zich meester van al het land en ontving de hulde van zijn vorsten en edelen.
Toen reed hij alleen weg om te Glyn Cuch met Arawn samen te komen, zooals zij hadden afgesproken. Arawn dankte hem voor al wat hij gedaan had en voegde er bij: “Wanneer ge naar uw eigen rijk gaat, zult gij zien wat ik voor u heb gedaan.” Zij verwisselden andermaal van gedaante en elk reed in zijn eigen gedaante om van zijn eigen land bezit te nemen.
Aan het hof van Annwn werd de dag in vreugde feestelijk doorgebracht, hoewel niemand dan Arawn wist dat er iets ongewoons had plaats gehad. Toen de nacht kwam kuste en liefkoosde Arawn zijn vrouw als van ouds en zij peinsde lang over de oorzaak van zijn omkeer tegenover haar en over zijn vroegere verandering een jaar en een dag tevoren. En terwijl zij over deze dingen nadacht sprak Arawn twee of drie maal tot haar, maar kreeg geen antwoord. Hij vroeg haar toen waarom zij bleef zwijgen. “Ik zeg u”, sprak zij, “dat ik in een jaar niet zooveel gesproken heb op deze plaats.” “Spraken we niet voortdurend?” vroeg hij. “Neen”, zeide zij, “gedurende het geheele jaar dat verloopen is, was er tusschen ons noch gesprek, noch gemeenschap”. “Goede hemel!” dacht Arawn, “nooit vond ik een vriend zoo trouw en standvastig”. Toen vertelde hij zijn koningin wat er gebeurd was. “Gij hebt inderdaad de hand gelegd op een trouwen vriend”, zeide zij.
En Pwyll riep, toen hij in zijn eigen land terug was, zijn edelen bijeen en vroeg hun hoe hij het, naar hun meening, in het afgeloopen jaar, als koning had gemaakt. “Heer”, zeiden zij, “uw wijsheid was nooit zoo groot en gij waart nooit zoo vriendelijk en vrijgevig, en uw rechtvaardigheid kwam nooit zoo treffend uit als dit jaar”. Toen deed Pwyl hun het verhaal van zijn avontuur. “Voorwaar, Heer”, zeiden zij, “breng dank aan den hemel voor zulk een makker en onthoud ons niet het bestuur dat wij in het afgeloopen jaar genoten.” “Ik neem den hemel ten getuige, dat ik dat niet doen zal”, zeide Pwyll.
En de beide koningen versterkten de vriendschap die tusschen hen bestond en zonden elkander rijke geschenken van paarden en honden en juweelen; en tot herinnering aan het avontuur voerde Pwyl voortaan den titel van “Heer van Annwn”.
Dicht bij het kasteel van Narberth, waar Pwyll zijn hof hield, was een berg, genaamd de Berg van Arberth; wie er op zat, zoo werd geloofd, zou een vreemd avontuur hebben; òf hij zou slagen en wonden krijgen, òf hij zou een wonder zien. Op zekeren dag toen al zijn edelen te Narberth bijeen waren voor een feest verklaarde Pwyll, dat hij op den berg zou gaan zitten en afwachten wat er zou gebeuren.
Hij deed aldus en na een poos zag hij op den weg die naar den berg voerde, een vrouw naderen, gekleed in gewaden die als goud glansden en gezeten op een zuiver wit paard. “Is er onder u iemand, die deze vrouw kent?” vroeg Pwyll aan zijn mannen. “Daar is er geen”, zeiden zij. “Gaat haar dan te gemoet en vraagt wie zij is!” Maar toen zij naar de vrouw toe reden, ging zij terug, en hoe snel zij ook reden, zij bleef steeds op denzelfden afstand van hen, hoewel zij nooit van den rustigen gang scheen af te wijken, dien zij in den beginne al naderend had aangenomen.
Herhaaldelijk trachtte Pwyll de vrouw te laten inhalen en ondervragen, maar het was alles te vergeefs—niemand kon dicht bij haar komen.
Den volgenden dag beklom Pwyll weer den berg en andermaal naderde de schoone vrouw op haar wit ros. Nu zette Pwyll zelf haar achterna, maar zij wendde zich voor hem om, zooals zij voor zijn dienaren had gedaan, totdat hij ten slotte riep: “O jonkvrouw, ter wille van hem dien gij het meest lief hebt, blijf”. “Ik zal gaarne blijven”, zeide zij, “en het zou beter zijn geweest voor uw paard, indien gij het lang geleden hadt gevraagd”.
Pwyll ondervroeg haar toen aangaande de oorzaak van haar komst en zij zeide: “Ik ben Rhiannon, de dochter van Hevydd Hēn27 en men wilde mij aan een echtgenoot geven tegen mijn zin. Maar ik wilde geen echtgenoot hebben en dat wel omdat ik u lief heb; en ik wil er ook nog geen hebben indien ge mij afwijst.” “Bij den hemel!” zeide Pwyll, “als ik kon kiezen onder al de vrouwen en jonkvrouwen van de wereld, u zou ik kiezen.”
Zij komen nu overeen dat Pwyll haar over een jaar zou komen opeischen in het paleis van Hevydd Hēn.
De Boetedoening van Rhiannon
De Boetedoening van Rhiannon
Pwyll hield zijn afspraak en kwam met een gevolg van honderd ridders en vond een prachtig maal voor hem in gereedheid en hij zat naast zijn dame, met haar vader aan den anderen kant. Terwijl zij aten en praatten kwam een lange jongeling met bruin haar en koninklijke houding, in satijn gekleed, die Pwyll en zijn ridders begroette. Pwyll noodigde hem uit te gaan zitten. “Neen, ik ben gekomen om u een gunst te vragen:” “Wat gij verlangt, zult gij hebben,” zeide Pwyll argeloos, “als het in mijn macht is.” “O,” riep Rhiannon, “waarom gaaft gij dat antwoord?” “Gaf hij het niet ten aanhoore van al deze edelen?” zeide de jongeling; “en nu is de gunst die ik vraag uw bruid Rhiannon te hebben en het feestmaal dat hier is aangerecht.” Pwyll zweeg. “Zwijg zoolang ge wilt,” zeide Rhiannon. “Nooit gebruikte een man zijn verstand slechter dan gij hebt gedaan.” Zij vertelt hem, dat de bruinharige jonge man Gwawl is, zoon van Clud, en dat hij de minnaar is voor wien zij was gevlucht naar Pwyll.
Pwyll is door zijn woord gebonden en Rhiannon verklaart, dat het feestmaal niet aan Gwawl kan worden gegeven, want dat is niet in Pwyll’s macht, maar dat zij zelf over een jaar zijn bruid zal zijn; Gwawl zal haar dan komen opeischen en er zal dan weer een feestmaal worden gereed gemaakt. Inmiddels beraamt zij een plan met Pwyll en geeft hem een tooverzak, waarvan hij gebruik zal maken als de tijd daar is.
Een jaar verstreek. Gwawl kwam overeenkomstig de afspraak en wederom werd een groot maal aangericht, waaraan hij en niet Pwyll de eereplaats had. Maar terwijl het gezelschap pret maakte kwam een bedelaar, gekleed in lompen en met oude zware schoenen, in de zaal: hij droeg een zak zooals bedelaars plegen te doen. Nederig vroeg hij een gunst van Gwawl. Het was alleen dat men hem van het maal eten zou geven, zijn zak vol. Vroolijk stemde Gwawl toe en een dienaar ging den zak vullen. Maar hoeveel er ook werd in gestopt, hij werd niet voller—gaandeweg waren al de goede dingen op tafel er in gegaan; en Gwawl riep ten slotte: “Bij mijn ziel, zal die zak nooit vol worden?” “Dat zal hij niet, dat zweer ik,” antwoordde Pwyll—want hij was natuurlijk de vermomde bedelaar—“tenzij de een of andere man rijk aan land en geld in den zak met zijn voeten stampt en zegt: “Genoeg is hierin gedaan.” Rhiannon drong bij Gwawl aan, dat hij een eind zou maken aan de vraatzucht van den zak. Hij stopte zijn beide voeten er in, onmiddellijk trok Pwyll de randen van den zak over het hoofd van Gwawl en bond hem vast. Toen blies hij op zijn hoorn; de ridders, die hem waren gevolgd en die zich buiten hadden verborgen, snelden toe en namen de volgelingen van Gwawl gevangen. “Wat is in den zak?” riepen zij en anderen antwoordden. “Een das” en nu speelden zij het spel van “Das in den zak,” sloegen er op en schopten hem door de zaal.
Eindelijk hoorde men een stem uit den zak. “Heer,” riep Gwawl, “hoor mij toch; ik verdien niet in een zak te worden gedood.” “Hij spreekt de waarheid,” zeide Hevydd Hēn.
Men kwam nu overeen, dat Gwawl aan Pwyll de middelen zou verschaffen om al de smeekelingen en minstreels, die op de bruiloft zouden komen, te voldoen en dat hij van Rhiannon zou afzien en nimmer wraak zou zoeken voor hetgeen hem was aangedaan. Dit werd door borgtochten bevestigd, Gwawl en zijn mannen werden in vrijheid gesteld en gingen naar hun eigen gebied. En Pwyll huwde Rhiannon en gaf aan allen vorstelijke geschenken; en ten slotte, toen het maal was afgeloopen, reisde het paar naar het paleis van Narberth in Dyfed, waar Rhiannon aan al de edelen en hun vrouwen in haar nieuw land een ring, of een armband, of een kostbaren steen schonk; en zij regeerden over het land in vrede, zoowel dat jaar als het volgende. Maar zooals de lezer zal zien, hebben we nog niet afgedaan met Gwawl.
Nu was Pwyll nog zonder een erfgenaam voor den troon en zijn edelen drongen er op aan dat hij een andere vrouw zou nemen. “Geef ons nog een jaar,” zeide hij, “en als er dan nog geen erfgenaam is, zal geschieden naar uw wensch.” Voor dat het jaar om was werd hun te Narberth een zoon geboren. Maar hoewel zes vrouwen waakten om op moeder en kind te passen, gebeurde het tegen den morgen dat zij allen in slaap vielen, en Rhiannon sliep ook, en toen de vrouwen wakker werden, ziet, toen was het kind weg! “Wij zullen daarvoor verbrand worden,” zeiden de vrouwen en in hun angst beraamden zij een vreeselijk plan: zij doodden het pas geworpen jong van een jachthond en legden de beenderen bij Rhiannon, wier gelaat en handen zij, in haar slaap, met bloed besmeerden; en toen zij wakker werd en naar haar kind vroeg, zeiden zij dat zij het ’s nachts had verslonden en hen met woeste kracht had bedwongen toen zij het haar hadden willen beletten—en wat zij ook zeide en deed, de zes vrouwen hielden hun verhaal vol.
Toen het Pwyll ter oore kwam wilde hij Rhiannon niet verstooten, zooals zijn edelen hem nu weer verzochten te doen, maar een boete werd haar opgelegd—namelijk dat zij elken dag zou zitten bij de afstijgplaats van de poort van het kasteel, het verhaal doen aan elken vreemdeling die kwam, en aanbieden hen op haar rug naar het kasteel te dragen. En dat deed zij een deel van het jaar.
Nu leefde er in dien tijd een man genaamd Teirnyon van Gwent Is Coed, die de mooiste merrie van de wereld had, maar zij had een ongeluk, dat hoewel zij elken eersten Meinacht een veulen wierp, niemand ooit wist wat er van de veulens werd. Ten laatste besloot Teirnyon achter de waarheid te komen en den eersten nacht, dat de merrie zou werpen, wapende hij zich en waakte in den stal. De merrie wierp en het veulen ging staan en Teirnyon bewonderde de grootte en de schoonheid er van, toen hij buiten een groot geraas hoorde en een lange arm in een klauw eindigend werd door het stalraam gestoken en pakte het veulen. Teirnyon sloeg dadelijk met zijn zwaard op den arm, dien hij van den elleboog scheidde zoodat hij naar binnen viel met het veulen, en men hoorde buiten groot gejammer en rumoer. Hij snelde naar buiten, de deur achter zich open latend, maar door de duisternis van den nacht kon hij niets zien en hij volgde een poos het rumoer. Toen kwam hij terug en ziet, bij de deur vond hij een kind gewikkeld in luren en in een mantel van satijn. Hij nam het kind op en bracht het naar zijn slapende vrouw. Zij had geen kinderen en zij had het kind lief zoodra zij het zag en maakte haar dienstmaagden wijs dat zij zelf het gebaard had. En zij noemden het Gwri met het gouden haar, want zijn haar was goudgeel; en het groeide zoo sterk dat het na twee jaren zoo groot en stevig was als een kind van zes jaren; en weldra werd het veulen, dat dien nacht was geworpen, gezadeld en hem te berijden gegeven.
Terwijl dit plaats had, hoorde Teirnyon het verhaal van Rhiannon en haar straf. En toen de knaap opgroeide, bekeek hij zijn gelaat aandachtig en hij zag dat het kind de trekken had van Pwyll, Vorst van Dyfed. Hij vertelde dit aan zijn vrouw en zij kwamen overeen het kind naar Narberth te brengen, en dat Rhiannon van haar boete zou worden ontheven.
Toen zij het kasteel naderden, Teirnyon met twee ridders en het kind op zijn veulen, zat Rhiannon bij de afstijgplaats. “Mannen”, zeide zij, “gaat niet verder aldus: ik zal ieder van u het paleis binnen dragen, en dat is mijn boete, omdat ik mijn eigen zoon doodde en opat.” Maar zij wilden niet gedragen worden en gingen naar binnen. Pwyll was blijde Teirnyon te zien en bereidde hem een maal. Later vertelde Teirnyon aan Pwyll en Rhiannon het avontuur van den man en het veulen en hoe zij het kind hadden gevonden. “En zie, hier is uw zoon, vrouwe”, zeide Teirnyon, “en wie die leugen over u vertelde deed verkeerd.” Allen aan tafel herkenden den knaap onmiddellijk als het kind van Pwyll, en Rhiannon riep: “Ik zweer, dat als dit zoo is, er een eind is aan mijn onrust.” En een der hoofden Pendaran zeide: “Terecht hebt gij uw zoon Pryderi (onrust) genoemd en hem past wel de naam van Pryderi, zoon van Pwyll, Heer van Annwn.” Men kwam overeen dat het kind Pryderi zou heeten en zoo werd hij voortaan genoemd.
Teirnyon reed naar huis, overladen met betuigingen van dank, liefde en blijdschap; en Pwyll bood hem rijke geschenken aan van paarden en juweelen en honden, maar hij wilde geen enkel aannemen. En Pryderi werd opgevoed zooals het voor een koningszoon paste, in alle edele gebruiken en kundigheden, en toen zijn vader Pwyll stierf, regeerde hij in zijn plaats over de Zeven Staten van Dyfed. En hij breidde die uit met vele schoone gebieden en hij nam ten slotte tot vrouw Kicra, dochter van Gwynn Gohoyw, die afstamde van het geslacht van Vorst Casnar van Brittannië.
Bendigeid Vran, of “Bran de gezegende”—met dezen laatsten naam zullen wij hem hier noemen—bevond zich eens, toen hij Koning was geworden van het Eiland der Machtigen (Brittannië), in zijn hof te Harlech. En hij had bij zich zijn broeder Manawyddan zoon van Llyr, en zijn zuster Branwen, en de twee zonen, Nissyen en Evnissyen, die Penardun, zijn moeder, aan Eurosswyd had gebaard. Nu was Nissyen een zachtaardig jongeling, die vrede placht te stichten onder zijn verwanten en hen er toe bracht bevriend te worden wanneer hun toorn het hevigst was; maar Evnissyen hield van niets zoozeer dan vrede in twist en strijd te doen verkeeren.
Op zekeren namiddag, toen Bran, zoon van Llyr, op de rots van Harlech naar de zee zat te kijken, zag hij dertien schepen bij gunstigen wind snel van den kant van Ierland naderen. Zij waren vroolijk opgetuigd, van de masten wapperden gekleurde vlaggen en toen zij dichtbij waren, kon men op het voorste schip een man zien staan die een schild met de punt naar boven droeg, ten teeken van vrede28.
Toen de vreemdelingen landden, begroetten zij Bran en legden zij de reden van hun komst uit. Matholwch29, Koning van Ierland, bevond zich bij hen; de schepen waren de zijne en hij was gekomen om de hand te vragen van Bran’s zuster, Branwen, opdat Ierland en Brittannië samen zouden zijn verbonden en beiden machtiger zouden worden. “Nu was Branwen een van de drie voornaamste vrouwen van het eiland en zij was de schoonste jonkvrouw van de wereld.”
De Ieren werden gastvrij onthaald en, na zijn edelen te hebben geraadpleegd, kwam Bran overeen zijn zuster aan Matholwch te geven. De bruiloft zou te Aberffraw worden gehouden en het gezelschap kwam voor het feest in tenten bijeen, omdat in geen huis plaats was voor de reuzengestalte van Bran. Zij dronken en waren vroolijk in vrede en vriendschap en Branwen werd de vrouw van den Ierschen Koning.
Den volgenden dag kwam Evnissyen bij toeval daar waar de paarden van Matholwch op een rij stonden en hij vroeg van wien ze waren. “Het zijn de paarden van Matholwch, die met uw zuster is getrouwd.” “En heeft men aldus gehandeld met een maagd zooals zij”, sprak hij, “en bovendien mijn zuster, haar uithuwelijkend zonder mijn toestemming? Zij konden mij geen grooter beleediging aandoen.” Hierop snelde hij naar de paarden, sneed hun de lippen af, de ooren en de staarten, en waar hij de oogleden kon beet krijgen, sneed hij die af tot op het been.
Toen Matholwch vernam wat er gebeurd was, was hij zoowel vertoornd als verbijsterd en hij gelastte zijn mannen zee te kiezen. Bran zond boden om te vernemen wat er was voorgevallen en toen hij was ingelicht zond hij Manawyddan en twee anderen om verontschuldigingen aan te bieden. Matholwch zou voor elk mishandeld paard een gaaf paard krijgen en bovendien een zilveren staf zoo groot als hij zelf en een gouden schotel zoo groot als zijn gezicht. “En laat hij bij mij komen”, voegde hij er bij, “en wij zullen vrede maken op de wijze zooals hij dat verlangt”. Maar wat Evnissyen aangaat, hij was de zoon van Bran’s moeder en Bran kon hem daarom niet ter dood brengen, zooals hij verdiende.
Matholwch nam deze voorwaarden aan, maar niet met groote opgewektheid, en Bran bood hem nu nog een schat aan, namelijk een tooverketel, die de eigenschap had dat als een gedood man daarin werd geworpen, hij er levend en gezond weer uitkwam, maar hij zou niet kunnen spreken. Matholwch en Bran onderhielden zich nu over den ketel, die oorspronkelijk, naar het schijnt, uit Ierland kwam. Er was een meer in dat land dicht bij een burcht (zeker een tooverburcht), geheeten het Meer met den Ketel. Hier had Matholwch eens een leelijken langen kerel ontmoet met een vrouw grooter dan hij zelf, en de ketel was aan zijn rug vastgemaakt. Zij traden in dienst van Matholwch. Zes weken daarna bracht de vrouw een zoon ter wereld, die een geheel gewapend krijgsman was. Wij moeten blijkbaar aannemen dat dit elke zes weken gebeurde, want tegen het einde van het jaar, had dit zonderlinge paar, die een oorlogsgod en godin schijnen te zijn, een aantal kinderen, die zich door hun voortdurende twisten en gewelddadigheden in het geheele land gehaat maakten. Om van hen af te komen liet Matholwch ten slotte een huis van ijzer maken en hij lokte hen er in. Toen liet hij de deur grendelen en kolen om de muren opstapelen en witgloeiend maken, in de hoop de familie levend te verbranden. Maar zoodra de ijzeren muren witgloeiend en week waren geworden, drongen de man en de vrouw er doorheen en ontkwamen, maar de kinderen bleven achter en kwamen om. Bran vertelde toen de geschiedenis verder. De man, die Llassar Llaesgyvnewid was geheeten en zijn vrouw Kymideu Kymeinvoll, staken over naar Brittannië, waar Bran hen opnam, en als dank voor zijn vriendelijkheid gaven zij hem den ketel. En sedert dien hadden zij het land bevolkt met hun afstammelingen, die overal voorspoed hadden en in goed versterkte burchten woonden en de beste wapens hadden die men ooit zag.
Zoo kreeg dan Matholwch den ketel tegelijk met zijn vrouw en zeilde terug naar Ierland, waar Branwen de edelen en edelvrouwen van het land onthaalde en elk bij hun vertrek, “een gesp, of een ring, of een vorstelijk juweel schonk, wat deftig stond als men bij het heengaan er mee werd gezien.” En toen het jaar om was baarde Branwen Matholwch een zoon, die Gwern werd geheeten.
Nu komt iets onbegrijpelijks in het verhaal. Eerst in het tweede jaar, naar het schijnt, werden de mannen van Ierland verontwaardigd over de beleediging door Evnissyen hun Koning aangedaan, en zij namen wraak door Branwen tot keukenmeid te degradeeren en zij lieten den slager haar elken dag een klap om de ooren geven. Zij verboden ook alle schepen en veerbooten naar Cambria over te steken en ieder die van daar naar Ierland kwam werd gevangen genomen, opdat geen bericht over de slechte behandeling van Branwen Bran ter oore zou komen. Maar Branwen kweekte een jongen spreeuw op in een hoek van haar baktrog, en op zekeren dag bond zij den vogel een brief onder de vleugels en leerde hem wat hij doen moest. Hij vloog naar Brittannië en toen hij Bran aantrof te Caer Seiont in Arvon, ging hij op zijn schouders zitten, en sloeg met zijn veeren en de brief werd gevonden en gelezen. Onmiddellijk maakte Bran zich gereed tot een grooten strijd met Ierland, en zeilde daarheen met een vloot, terwijl hij zijn land liet onder de hoede van zijn zoon Caradawc en zes andere hoofden.
Weldra kwamen boden Matholwch vertellen van een wonderlijk schouwspel dat zij hadden gezien; op de zee groeide een bosch en naast het bosch een berg met een hoogen rug in het midden en twee meren, een aan elken kant. En bosch en berg bewogen zich naar de Iersche kust toe. Branwen wordt geroepen om zoo zij kon te verklaren wat dit beduidde. Zij vertelt hen dat het bosch is de masten en raas van de Britsche vloot en de berg is Bran, haar broeder, die in ondiep water komt, “want geen schip kan hem bergen”; de rug is zijn neus en de meren zijn beide oogen30.
“Evnissyen legde zijn hand op den zak”
“Evnissyen legde zijn hand op den zak”
De Koning van Ierland en zijn edelen gaan onmiddellijk samen te rade, hoe zij dit gevaar zullen afwenden en zie hier wat zij besloten: Een groote zaal zou worden gebouwd, groot genoeg om Bran te bevatten—dit zou, zoo hoopte men, hem doen bedaren—daar zou een groot feestmaal voor hem en zijn mannen worden aangerecht en Matholwch zou hem het koninkrijk Ierland afstaan en hem huldigen. Dit alles geschiedde op raad van Branwen. Maar de Ieren bedachten er iets listigs bij. Aan elke twee haken van elk der honderd pijlers in de zaal zouden twee leeren zakken worden gehangen, elk met een gewapend krijgsman er in gereed de gasten aan te vallen wanneer het oogenblik zou zijn gekomen.
Evnissyen echter dwaalde door de zaal vóór de overige gasten en de toebereidselen tot het maal “met woeste blikken” bekijkend, zag hij de zakken die van de pylers afhingen. “Wat is er in dien zak?” vroeg hij aan een der Ieren. “Meel, goede heer”, zeide de Ier. Evnissyen legde zijn hand op den zak en tastte met zijn vingers totdat hij kwam aan het hoofd van den man die er in was. Toen “drukte hij het hoofd plat totdat hij voelde dat zijn vingers door de beenderen in de hersens samen kwamen”. Hij ging naar den volgenden zak en deed dezelfde vraag. “Meel”, zeide de Iersche dienaar, maar Evnissyen verpletterde ook het hoofd van dezen krijgsman en zoo deed hij met al de tweehonderd zakken. Zelfs met een krijgsman wiens hoofd was bedekt met een ijzeren helm.
Toen begon het feestmaal en er heerschte vrede en eendracht en Matholwch legde de oppermacht over Ierland neer, die werd overgedragen op den knaap Gwern. En allen liefkoosden het mooie kind, totdat hij bij Evnissyen kwam, die hem eensklaps greep en in het brandend haardvuur wierp. Branwen had hem willen naspringen, maar Bran hield haar tegen. En toen wapende men zich vlug en er was rumoer en geschreeuw en de Iersche en Britsche krijgers werden handgemeen en vochten tot dat het nacht werd.
Maar ’s nachts maakten de Ieren den tooverketel warm en wierpen daarin de lijken van hun dooden, die er den volgenden dag weer gezond uit kwamen, maar stom. Toen Evnissyen dat zag, werd hij door wroeging aangegrepen, omdat hij de mannen van Brittannië in zulk een benarden toestand had gebracht. “Wee mij zoo ik geen uitweg vind”. En hij verborg zich onder de Iersche dooden en werd met de overigen in den ketel geworpen aan het eind van den tweeden dag en hij rekte zich zoo uit dat hij den ketel in vier stukken scheurde, en zijn eigen hart barstte van de inspanning en hij stierf.
Ten slotte werden al de Ieren gedood en al de Britten op zeven na, behalve Bran, die door een giftigen pijl aan den voet werd gewond. Tot de zeven behoorden Pryderi en Manawyddan. Toen beval Bran hen zijn hoofd af te snijden: “En neem het met u”, zeide hij, “naar Londen en begraaf het daar in den Witten Berg31, die naar Frankrijk is gekeerd, en zoolang het daar is zal geen vreemdeling in het land vallen. Op de reis zal het Hoofd met u spreken en even prettig gezelschap zijn als ooit in leven. Te Harlech zult gij zeven jaar feest vieren en de vogelen van Rhiannon zullen voor u zingen. En te Gwales in Penvro zult ge tachtig jaren feest vieren en het Hoofd zal tot u spreken en in goeden staat zijn totdat ge de deur open doet die naar Cornwallis is gekeerd. Daarna moogt ge niet langer toeven, en moet ge naar Londen reizen en het Hoofd begraven.”
Toen sneden de zeven Bran’s hoofd af en vertrokken met Branwen, om zijn bevel op te volgen. Maar toen Branwen te Aber Alaw landde, riep zij: “Wee mij dat ik ooit werd geboren; twee eilanden zijn om mij verwoest.” En zij gaf een diepe zucht en haar hart brak. Zij maakten een vierhoekig graf voor haar aan de oevers van de Alaw en de plek werd Ynys Branwen genoemd tot op dezen dag32.
De zeven bevonden, dat tijdens Bran’s afwezigheid Cawallan, zoon van Beli, Brittannië had veroverd en de zes kapiteins van Caradawc gedood. Door tooverkunst had hij over Caradawc den Sluier der Begoocheling geworpen en Caradawc zag alleen het zwaard, dat steeds doodde, maar niet hem die het voerde, en zijn hart brak van droefheid bij dien aanblik.
Zij gingen toen naar Harlech en bleven daar zeven jaren luisterend naar het gezang van Rhiannon’s vogelen—“al de zangen die zij ooit hadden gehoord, waren in vergelijking daarmee onaangenaam.” Toen gingen zij naar Gwales in Penvro en vonden een mooie en ruime zaal, met het uitzicht op zee. Toen zij die binnentraden vergaten zij al het verdriet van het verleden en al wat hun wedervaren was en zij bleven daar tachtig jaren in vreugde en pret, terwijl het wonderlijke Hoofd met hen sprak alsof het leefde. En barden noemen dit “het Onthaal van het Edele Hoofd.” Er waren drie deuren in de zaal en een er van die naar Cornwallis en Aber Henvelyn was gekeerd, was gesloten, maar de twee andere waren open. Toen de tijd was verstreken, zeide Heilyn, zoon van Gwyn:
“Wee mij, als ik niet de deur open om te zien of waar is wat gezegd werd.” En hij opende de deur en onmiddellijk overvielen hun herinnering en verdriet en zij vertrokken dadelijk naar Londen en begroeven het Hoofd in den Witten Berg, waar het bleef totdat Arthur het opgroef, want hij wilde dat het land alleen door den sterken arm zou worden verdedigd. En dit was “de Derde Noodlottige Onthulling” in Brittannië.
Aldus besluit dit woeste verhaal, blijkbaar vol mythologische elementen, waartoe de sleutel lang verloren is geraakt. De trekken van Noorsche wreedheid die er in voorkomen hebben sommige critici doen vermoeden dat het zijn tegenwoordigen vorm kreeg onder den invloed van de Noorsche of IJslandsche literatuur. Het karakter van Evnissyen kan ongetwijfeld steun geven aan deze gissing. De typische kwaadstoker komt natuurlijk in zuiver Keltische sagen voor, maar gewoonlijk niet met den heldhaftigen trek die bij Evnissyen’s einde uitkomt, ook bereikt de Iersche “giftige tong” lang niet denzelfden graad van demonische boosaardigheid.
Na de gebeurtenissen in de vorige verhalen trokken Pryderi en Manawyddan zich terug in het gebied van eerstgenoemde en Manawyddan nam tot vrouw Rhiannon, de moeder van zijn vriend. Daar leefden zij gelukkig en voorspoedig totdat op zekeren dag toen zij waren op den Gorsedd, of Hoogte, bij Narberth, een donderslag werd gehoord en er viel een dikke mist zoodat niets in de ronde kon worden gezien. Toen de mist optrok, ziet, toen lag het land kaal voor hen—geen huizen en menschen, vee en oogst was te zien, alles was verlaten en onbewoond. Het paleis van Narberth stond er nog, maar ledig en verlaten—niemand was overgebleven dan Pryderi en Manawyddan en hun vrouwen Kicva en Rhiannon.
Zij leefden twee jaren van de voorraden die zij hadden en van de buit die zij doodden en van wilden honing; en toen begonnen zij het moede te worden. “Laat ons naar Lloegyr33 gaan”, zeide toen Manawyddan “en het een of andere werk zoeken om in ons onderhoud te voorzien”. En zij gingen naar Hereford en vestigden zich daar, en Manawyddan en Pryderi begonnen zadels en tuigen te maken en Manawyddan versierde die met blauw email, zooals hij dat geleerd had van een groot ambachtsman, Llassar Llaesgywydd. Na eenigen tijd echter, toen de andere zadelmakers van Hereford merkten dat niemand ander werk wilde koopen dan dat van Manawyddan, spanden zij samen om hem te dooden. En Pryderi had met hen willen vechten, maar Manawyddan vond het beter ergens anders heen te gaan en aldus geschiedde.
Zij vestigden zich nu in eene andere stad, waar zij schilden maakten, zooals men nooit gezien had, en ook hier werden zij door de concurreerende handwerkslieden verdreven. Hetzelfde geschiedde nog in een andere stad, waar zij schoenen maakten; en ten slotte besloten zij naar Dyfed terug te gaan. Zij hielden hun honden bij zich en leefden als tevoren van de jacht.
Eens joegen zij een wit everzwijn op en zetten het te vergeefs na totdat het hen voerde naar een groot en hoog kasteel, geheel nieuw gebouwd op een plek waar zij nooit te voren een gebouw hadden gezien. Het zwijn liep het kasteel binnen, de honden volgden en, tegen den raad in van Manawyddan, die wist dat er tooverij in het spel was, ging Pryderi naar binnen om de honden te halen.
Hij vond in het midden van het binnenplein een marmeren fontein en daarnaast stond op een marmeren plaat een gouden kom. Getroffen door de rijke bewerking van de kom, pakte hij die op om ze te bekijken; hij kon zijn hand niet wegtrekken en geen enkel geluid voortbrengen, maar bleef daar als aan den grond genageld en stom naast de fontein.
Manawyddan ging terug naar Narberth en vertelde Rhiannon wat er gebeurd was. “Een slecht makker zijt gij geweest”, zeide zij, “en een goed makker hebt gij verloren”. Den volgenden dag ging zij zelf het kasteel doorzoeken. Zij vond Pryderi nog altijd de kom vasthoudend en niet in staat te spreken. Nu greep ook zij de kom, waarna haar hetzelfde lot trof, en onmiddellijk daarna kwam een donderslag en er viel een dikke mist en toen die optrok was het kasteel verdwenen met al wat het bevatte, met inbegrip van de twee betooverden.
Manawyddan keerde nu terug naar Narberth, waar nu nog alleen Kicva, Pryderi’s vrouw, was overgebleven. En toen zij zag dat zij en Manawyddan alleen waren, “was zij zoo bedroefd, dat het haar niet schelen kon of zij leefde of stierf”. Toen Manawyddan dat zag, zeide hij tot haar: “Gij doet verkeerd zoo bedroefd te zijn, indien dat uit vrees voor mij is. Ik verzeker u, dat al ware ik in den bloei der jeugd ik den trouw jegens Pryderi zou bewaren en dat zal ik ook jegens u”. “De Hemel beloone u”, zeide zij, “en ik had dat van u verwacht”. En nu vatte zij moed en was blijde.
Kicva en Manawyddan trachtten nu opnieuw zich te onderhouden door in Lloegyr schoenen te maken, maar dezelfde vijandelijkheid dreef hen terug naar Dyfed. Ditmaal echter nam Manawyddan een vracht tarwe mede en hij zaaide die en maakte drie velden gereed voor een tarwe-oogst. Zoo verging de tijd tot de velden rijp waren. En hij keek naar een er van en zeide: “Dat zal ik morgen maaien”. Maar toen hij vroeg in den grauwen dagraad kwam, vond hij niets dan stroo—elke aar was van de schacht afgesneden en meegenomen.
Den volgenden dag geschiedde hetzelfde met het tweede veld. Maar den daarop volgenden dag wapende hij zich en hield de wacht bij het derde veld om te zien wie kwam plunderen. Te middernacht toen hij waakte hoorde hij een groot geraas, en ziet, een talrijk heir van muizen kwam het veld overstroomen; elk klom op een schacht en knabbelde aan de aren en ging er mee van door. Boos joeg hij ze weg, maar zij vluchtten veel sneller dan hij kon loopen, alle op eén na, die langzamer in haar bewegingen was; hij slaagde er in die in te halen, bond haar in zijn handschoen, nam ze mee naar Narberth en vertelde Kicva wat er was gebeurd. “Morgen”, zeide hij, “zal ik den dief dien ik heb gepakt, ophangen”, maar Kicva achtte het beneden zijn waardigheid wraak te nemen op een muis.
Den volgenden dag ging hij naar den Berg van Narberth en stelde op het hoogste punt twee palen op voor een galg. Terwijl hij daarmede bezig was, kwam een arme scholier naar hem toe, en hij was de eerste mensch dien Manawyddan in Dyfed had gezien, zijn eigen makkers uitgezonderd, sedert de betoovering begon.