Egyptische schuit, met de figuur van Rā, die een Ankh vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie.
(Britsch Museum).
In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers, die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs na de komst der Kelten—zij komen het eerst voor in Gallië onder Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen, dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde “Keltische” leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden, waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die leer was typisch Egyptisch.
De “Navetas”.
In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede overeenkomende bouwwerken, die daar door het volk navetas (schepen) genoemd worden, zóó duidelijk is de overeenkomst. “Maar”, voegt hij er aan toe, “reeds lang voordat de holen en navetas van Minorca mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik zoo dikwijls gesproken heb, als van den ‘wigvorm’, die zoo algemeen wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling van een schip. Wij weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn opgegraven uit graftumuli in Scandinavië. In begraafplaatsen uit het IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavië als aan de meer zuidelijk gelegen kusten der Oostzee, was het schip de erkende vorm van een begraafplaats”18. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling, die wij toeschrijven aan de voorstellingen der zon op de teekeningen van een schip der megalithische bevolking.
Het schipsymbool in Babylonië.
Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar 4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar, die den vorm had van een schip. Jastrow19 meent, dat dit zijn oorsprong ontleent aan een tijd, toen de heilige steden van Babylonië aan de Perzische Golf gelegen waren, en toen godsdienstige processies dikwijls op het water werden gehouden.
Het symbool der voeten.
Het symbool der twee voeten.
Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende volken, welke zich uit een thans onbekende bron daarvan meester maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee Voeten. In Egypte vormden de Voeten van Osiris één der deelen, waarin zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool van inbezitneming of van bezoek. “Ik ben op aarde gekomen”, zegt het “Boek der Dooden” (Hoofdstuk XVII), “en heb met mijn twee voeten bezit genomen. Ik ben Tmu”. Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in Indië, als de afdruk van den voet van Buddha20, het wordt gebeeldhouwd op dolmens in Bretagne21 gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in Scandinavië.22 In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken van St. Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit, dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden23. Tyler verwijst in zijn “Primitieve Beschaving” (II blz. 197) naar de plechtigheid der Azteken op den Tweeden Feestdag van den Zonnegod, Tezcatlipoca, wanneer zij maïs strooiden vóór zijn heiligdom, en zijn hoogepriester bleef toezien, totdat hij de goddelijke voetstappen zag, en dan luide verkondigde, “Onze Groote God is gekomen.”
De Ankh op megalithisch beeldhouwwerk.
De Ankh.
Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het, gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk cijfers) gevonden op ivoren platen op het kerkhof te Naqada, en die door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden worden. Verscheidene latere Egyptische hiëroglyphenteekens, met inbegrip van den beroemden Ankh of crux ansata, het symbool der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch beeldhouwwerk gevonden24. Uit die overeenstemming trok Letourneau de gevolgtrekking “dat de bouwers van onze megalithische monumenten uit het zuiden afkomstig waren en verwant waren met de rassen van Noord-Afrika.”25
Bewijzen uit de taal.
Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche oorsprong—ten minste bij benadering—van de oorspronkelijke bevolking van Groot Brittannië en Ierland zeer waarschijnlijk is. Zij toonen aan, dat de Keltische talen in haar woordvoeging het Hamitische en voornamelijk het Egyptische type behouden hebben.26
Egyptische en “Keltische” denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.
De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening, geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk, dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het oude Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat er een zoodanige betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste en meest populaire van al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder en haar kind.27 Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende geesten, die naar de wereld van den dood geleid worden door den God van het Licht.
De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving, stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten, met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd.
Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid, dat naar de Galliërs zeiden, “door de Druïden was ingevoerd en verspreid.” De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar welk een beeld geeft Homerus, de bijbel der Grieken, van de verloren, verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die de gescheiden zielen der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld, de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood zijn, op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt28.
“Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen
Van d’in ’t gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen
Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij betoovert
D’oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt.
Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf, Hermes leiding,
Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in ’t diepste der holen,
Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd zich houden.
Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder
Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den Hades.”
De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid, in al zijn menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt geld wilde leenen op een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost29. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de bijzondere aandacht van Diodorus, toen hij schreef over de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid—het kwam met niets overeen, wat hij buiten Egypte hieromtrent had opgemerkt30.
De leer der zielsverhuizing.
Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger van was. Zoo zegt Caesar: “Het voornaamste punt van hun (de Druïden) leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne lichaam in het andere overgaat.” En Diodorus zegt: “Onder hen is de leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na een nieuw lichaam te hebben aangenomen.” Zeker is het nu, dat sporen van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning, Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta, die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen “Wij waren bij u”, en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat hij verder: “Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen...” “Stil” zegt Morgan, “het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken.” Het geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was.31 Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het kon gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld, dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide, niet in het volle licht mocht worden gebracht.
Menschenoffers in Gallië
Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme.32 Caesar bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Druïden is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken dan om zuiver politieke redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals dit bij de Kelten gevonden werd, is zeker één der krachtigste middelen in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in handen heeft. En nu is het een feit, dat het Druïdisme bestond op de Britsche eilanden, in Gallië, en feitelijk, voor zoover wij weten, overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Gallië, maar daar waren geen dolmens en evenmin Druïden33. Wat absoluut vaststaat is, dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk vonden met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoniën, en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze te zijn, dat het Druïdisme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten is opgelegd—de Kelten met hun “buitengewone geschiktheid” denkbeelden op te nemen—door de oudere bevolking van westelijk Europa, de megalithische bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet in bijzonderheden te volgen betrekking stonden tot de godsdienstige beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel duisters, en dit zal misschien wel altijd het geval blijven, maar als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking eenige stappen verder gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid, die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk “L’Irlande Celtique”34 op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die zóó volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat het werkelijk Druïdische colleges waren, die en masse van bestemming waren veranderd. Caesar deelt ons mede, wat in Gallië de aard en de inrichting van die colleges was. Zij waren zeer talrijk. In weerwil van de ernstige studie en de strenge tucht, die daar werd geëischt, stroomden er een aantal mannen heen, ter wille van de macht, die door de Druïden werd uitgeoefend, en de burgerlijke vrijheden en voorrechten, die hun leden van alle graden daar genoten. Kunsten en wetenschappen werden daar beoefend, en duizenden versregels, waarin de leerstellingen van het Druïdisme waren neergelegd, werden daar uit het hoofd geleerd. Dit heeft veel overeenkomst met wat wij van het Druïdisme in Ierland weten. Een dergelijke organisatie zou met heel weinig moeite kunnen overgaan in het Christendom van het type, zooals het in Ierland was gevestigd. Het geloof in magische gebruiken zou blijven overleven—het oude Iersche Christendom was, zooals de talrijke heilige geschriften duidelijk aantoonen, even diep gedrenkt in magische denkbeelden als ooit met het Druïdische heidendom het geval was geweest. Het geloof in de onsterfelijkheid zou evenals te voren blijven bestaan als het voornaamste godsdienstige leerstuk. En bovenal zou de heerschappij der priesterkaste over de wereldlijke macht ongeschonden bewaard blijven, nog altijd zou waar zijn wat Dion Chrysostomus van de Druïden heeft gezegd, dat zij het zijn, die bevelen, en dat koningen op gouden tronen, die in schitterende paleizen wonen, niets anders zijn dan hun zaakgelastigden en de dienaren van hun gedachten35.
Caesar over de beschaving der Druïden.
De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover de Druïden het toezicht hielden, wordt door Caesar met den grootsten eerbied besproken. “Zij bespreken en behandelen met de jeugd,” zoo schrijft hij, “een aantal dingen over de sterren en haar bewegingen, over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard der dingen, over de macht en de majesteit der onsterfelijke goden” (VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige bijzonderheden konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt beschreven. Maar hoewel de Druïden goed op de hoogte waren van de schrijfkunst, verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want niet alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit krachtig kon worden betwist.
Menschenoffers in Gallië.
In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken, zelfs onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden, en daarin levend verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend een Druïdisch gebruik—het wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een zeker peil van beschaving, en was ongetwijfeld een overblijfsel uit den tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen moet hebben voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken worden met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de onbeperkte overheersching eener priesterkaste.
Menschenoffers in Ierland.
Bertrand tracht aan te toonen dat de Druïden buiten die practijken stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden, zegt “dat er geen spoor” van in Ierland te ontdekken valt, hoewel daar het Druïdisme, zooals in andere streken van het Keltische gebied, oppermachtig was. Er is echter weinig twijfel aan, dat ook in Ierland menschenoffers in zwang waren. In een zeer oude verhandeling, den “Dinnsenchus”, die in het “Boek van Leinster” is bewaard gebleven, vindt men, dat in de Moyslaught “de vlakte der aanbidding” een groot gouden afgodsbeeld stond, Crom Cruach, (de bloedige Halve Maan). Aan dat beeld plachten de Galliërs kinderen te offeren, als zij om schoon weder en vruchtbaarheid baden—“zij vroegen dat beeld om melk en koren in ruil voor hun kinderen—hoe groot was hun ontzetting en hoe luid hun weeklagen!”36
“Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen”
En in Egypte.
In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke opwinding, vinden wij geen berichten omtrent dergelijke plechtigheden op de inscripties en schilderingen op de monumenten, hoewel deze ons anders talrijke mededeelingen doen omtrent alle mogelijke verschijnselen van het nationale leven en den godsdienst37. Manetho immers, de Egyptische geschiedschrijver, die geschreven heeft in de derde eeuw v.C., deelt ons mede, dat menschenoffers waren afgeschaft door Amasis I, in het begin der XVIIIde Dynastie—omstreeks 1600 v.C. Maar het volkomen stilzwijgen hierover der andere historische verhalen bewijst ons, dat, zelfs als wij Manetho mogen gelooven, het gebruik in historische tijden uiterst zeldzaam moet geweest zijn, en dat men er met tegenzin aan herinnerd werd.
De namen van Keltische godheden.
Wat waren de namen en de attributen van de Keltische godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De megalithische bevolking stelde zich hare godheden niet voor onder een concreten persoonlijken vorm. Steenen, rivieren, putten, boomen, en andere natuurlijke voorwerpen waren voor hen de passende symbolen, of waren half symbolen, half verpersoonlijkingen der bovennatuurlijke krachten, die zij aanbaden. Maar de verbeeldingrijke geest der Arische Kelten was daarmede niet tevreden. Caesar verhaalt ons van het bestaan van persoonlijke goden met verschillende titels en attributen; hij vergelijkt ze met verschillende gestalten uit het Romeinsche Pantheon—Mercurius, Apollo, Mars en anderen. Lucanus maakt van een drietal godheden melding, Aesus, Teutates en Taranus;38 en het is de vermelding waard, dat wij bij die namen tegenover een echte Keltische, dat is Arische overlevering staan. Zoo wordt Aesus door Belloguet afgeleid van den Arischen wortel as, die “zijn” beteekent, en die de Perzen den naam Asura-masda (l’Esprit Sage), de Umbriërs den naam Aesun, de Scandinaviërs den naam Asa (Goddelijk Wezen) leverde. Teutates is afgeleid van een Keltischen wortel, die “dapper”, “oorlogszuchtig” beteekent, en drukt een godheid uit, die met Mars overeenkomt. Taranus (Thor?) is volgens de Jubainville de god van den Bliksem (in het Galisch, Cornisch, en Bretonsch is taran het woord voor “bliksemflits”). Opschriften met geloften aan die goden zijn in Gallië en Brittannië gevonden. Andere opschriften en beeldhouwwerken leggen er getuigenis van af, dat er in Gallië een groot aantal godheden van minderen rang en ook plaatselijke godheden zijn, die meestal voor ons niet meer dan een naam zijn, en zelfs nog niet eens dat. In den vorm, waarin wij die hebben, dragen die begrippen de duidelijke sporen van Romeinschen invloed. De beeldhouwwerken zijn ruwe nabootsingen van den Romeinschen stijl der godsdienstige kunst. Maar wij vinden daaronder ook figuren van een veel woester en vreemder uiterlijk—goden met driedubbele gezichten, goden met vertakte geweien op hun voorhoofd, slangen met ramskoppen en andere symbolen van den ouderen godsdienst, die nu niet meer te begrijpen zijn. Zeer opmerkelijk is het herhaaldelijk voorkomen van de houding van “Buddha” met gekruiste beenen, die zoo veel voorkomt in de godsdienstige kunst van het oosten en van Mexico, en daarbij de neiging, die in Egypte zoo goed bekend is, om de goden in drietallen te groepeeren.
Caesar over de Keltische godheden.
Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst der Romeinsche mythologie—wat volkomen hetzelfde was wat de Galliërs zelf na de verovering deden—verhaalt, dat zij Mercurius als den oppersten der goden beschouwden, en in hem den uitvinder zagen van alle kunsten, den god van den handel, en den beschermer der wegen en den gids der reizigers. Men mag vermoeden, dat hij zoowel voor de Galliërs als voor de Romeinen in het bijzonder de gids was der dooden, der reizigers naar de andere wereld. Een aantal bronzen standbeelden van Mercurius, van Gallischen oorsprong, zijn nog steeds in wezen; de Galliërs hebben dien naam overgenomen, zooals blijkt uit een aantal plaatsnamen, aan hem ontleend39. Apollo werd beschouwd als de godheid der geneesmiddelen en der geneeskunde, Minerva was de leermeesteres van kunsten en ambachten, Jupiter heerschte over de lucht en Mars had het bestuur van den oorlog. Caesar rangschikt hier ongetwijfeld onder vijf typen en onder Romeinsche namen een groot aantal Gallische godheden.
De god der benedenwereld.
Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den voorgrond tredende godheid der Galliërs Dis of Pluto, de god der benedenwereld, die door de dooden werd bewoond. Alle Galliërs maken er aanspraak op, dat zij van hem zijn afgestamd, en op dien grond begonnen zij, zooals Caesar verhaalt, de vier en twintig uur van den dag te rekenen van het aanbreken van den avond af40. De naam van die godheid is niet bekend. d’Arbois de Jubainville is van meening, dat hij te zamen Æsus, Teutates, Taranus, en in de Iersche mythologie, Balor en de Fomoriërs, de machten van de duisternis, den dood en het kwaad voorstelt, en de Keltische mythologie wordt dus verklaard als een gewijzigde vorm der overal voorkomende zonnemythe, die de opvatting belichaamt van den eeuwigen strijd tusschen dag en nacht.
De God van het licht.
De god van het Licht komt in Gallië en in Ierland voor als Lugh, of Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal plaatsnamen, zooals Lug-dunum (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als hij zijn leger aantreft vóór den grooten strijd tegen de Fomoriërs, krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien, een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn, de dochter van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.
De Keltische opvatting van den dood.
Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen, en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats van somberheid en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer de godheid van die wereld als van deze. Er waren daar ongetwijfeld ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen door de Iersche Kelten belichaamd waren in hun mythen van Balor en de Fomoriërs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in het bijzonder verbonden waren met het denkbeeld van den dood, is naar mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende vergelijkingen met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen gevolgd, dan die van de Ariërs uit Europa. Alleen als wij er ons voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij die in de geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche Keltische opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische met niet-Arische karaktertrekken, zullen wij tot een juist begrip komen van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van den invloed, dien zij op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.
De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.
Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben, dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren onderscheiden, die ingewerkt hebben op de godsdienstige cultuur der Keltische landen, zooals wij die waarnemen vóór de inwerking van den invloed der classieke volken en van het Christendom. In de eerste plaats hebben wij een aantal populaire vormen van bijgeloof en magische gebruiken voor ons, met inbegrip van menschenoffers. Deze waren meer of minder gewijzigd naar gelang van de plaats, daar zij nauw in verband stonden met locale trekken en eigenschappen, die beschouwd werden als de belichaming of de dragers van goddelijke of duivelsche macht. Ten tweede bestond er zeker een wel doordachte en wijsgeerige geloofsleer, die tot middelpunt van aanbidding de Zon had, als het zinnebeeld der goddelijke macht en bestendigheid, en tot middelpunt van leerstelling de onsterfelijkheid der ziel. Ten derde had men de vereering van gepersonifieerde godheden, Æsus, Teutates, Lugh en anderen, die men zich dacht als vertegenwoordigers van natuurkrachten of als bewakers der maatschappelijke wetten. Ten vierde stonden de Romeinen zeer onder den indruk van het feit, dat er onder de Druïden een geheel van leerstellingen van schijnbaar wetenschappelijken aard bestond over natuurverschijnselen en den bouw van het heelal, van welke leerstellingen wij in bijzonderheden feitelijk ongelukkiger wijze niets weten. En ten slotte hebben wij onze aandacht te vestigen op de ontzaglijke beteekenis van een priesterorganisatie, die het geheele stelsel van godsdienstige en wereldlijke kennis en litteratuur in handen had41, die met zorg die wetenschap beperkte tot een bevoorrechte kaste, en die ten gevolge van zijn verstandelijk overwicht en van de atmosfeer van godsdienstig ontzag, waarmede zij was omgeven, de hoogste macht op maatschappelijk, staatkundig en godsdienstig gebied werd in ieder Keltisch land. Wij hebben van die elementen als van verschillende zaken gewag gemaakt, en wij kunnen ze dan ook inderdaad in gedachten van elkander onderscheiden, maar in de practijk waren zij op niet te ontwarren wijze samengeweven, en de organisatie der Druïden doortrok en regelde alles. Kunnen wij nu, zoo vragen wij, daaronder onderscheiden wat van Keltischen, en wat van prae-Keltischen en waarschijnlijk niet-Arischen oorsprong is? Dit is een lastiger taak; toch meenen wij, lettende op alle analogieën en waarschijnlijkheden, dat wij niet ver van de waarheid afzijn, indien wij aan de megalithische bevolking de eigenaardige leerstellingen, de godsdienstige gebruiken en de priesterorganisatie van het Druïdendom toeschrijven, en aan het Keltische element de gepersonifieerde godheden, met den dorst naar wetenschap en bespiegeling; terwijl het bijgeloof der groote menigte niets anders was dan de plaatselijke vorm, die aangenomen was als gevolg van opvattingen, die even ruim verspreid waren als het menschelijke ras.
De Kelten uit onzen tijd.
Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken, die in onze dagen “Keltisch” genoemd worden, heeft men dikwijls beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Gallië en in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet meer—zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van Alesia tot aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen de echte Kelten alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van Perthshire en het noordwesten van Schotland, en in enkele families van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland en in Wales zijn overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die opvattingen heel wat waarheid steekt. Toch moet niet worden vergeten, dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat hun physieke eigenschappen betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische overleveringen en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong daarvan, ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij men eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn een deel van de levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar; zij hebben verborgen mogelijkheden met een rijkdom van oorzaken, zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet te zeer afwijkenden stam, of—om een ander gebied te betreden—zooals het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal die op ieder oogenblik kan openen en in werking kan brengen.
Van één zaak zijn wij persoonlijk overtuigd—en wel dat aan het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling van het volk, dat men den “Keltischen zoom” in Europa zou kunnen noemen moet gewerkt worden langs Keltische lijnen; door het in stand houden der Keltische overlevering, de Keltische litteratuur, de Keltische taal—in één woord, de aanmoediging van al die Keltische eigenaardigheden, waarvan dat gemengde ras nu de eenige bewuste erfgenaam en bewaker is. Daaraan zal het ras gehoor geven, daardoor zal het diep bewogen worden; en de oogst heeft nooit iemand in den steek gelaten, die met moed en geloovig vertrouwen den ploeg door dit rijke veld heeft getrokken. Aan den anderen kant moet dit werk, zal het met vrucht verricht worden, niet in een pedanten, kleingeestigen, onverdraagzamen geest geschieden; men moet zich niet angstvallig vastklampen aan de uitwendige vormen van het verledene, eenvoudig omdat de Keltische geest daarin eertijds uiting heeft gevonden. Laat men in het oog houden, dat in het begin der Middeleeuwen Kelten uit Ierland de meest bekende ontdekkingsreizigers waren, de meest bekende baanbrekers op het gebied van godsdienst, wetenschap en bespiegelende gedachten in Europa42. Moderne onderzoekers hebben hun lichtende voetsporen getrokken over de helft van het heidensche vasteland, en de Iersche scholen waren overstroomd met leerlingen, die nergens anders de gelegenheid hadden onderwezen te worden. Toen speelde de Keltische geest zijn ware rol in het werelddrama, en nooit heeft hij een grootere rol gespeeld. Wat die mannen ons hebben nagelaten, moet in eere gehouden worden, maar niet als een in een museum opgeborgen merkwaardigheid; niets zou meer in strijd zijn met hun vrijen, vermetelen, avontuurlijken geest dan het erfdeel te laten versteenen in de handen van hen, die aanspraak maken op de erfenis van hun naam en hun faam.
De mythische literatuur.
Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo echt mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten. Wij hebben ons hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is voortgebracht—zooals in de Arthurlegende—op het gebied van mythen en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is, en hoeveel niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij dus geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal niets in zijn, dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat niet thans nog in de één of andere verscheidenheid der Keltische taal, zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.
1 Van het Grieksche megas, groot, en lithos, steen.
2 Zie Borlase, “Dolmens van Ierland,” blz. 605, 606, waar dit onderwerp wordt besproken.
3 Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal sprak; anders zouden, zoo meende hij, meer sporen van haar invloed overgebleven zijn in het Keltisch, dat daarvoor in de plaats is gekomen. Zoowel het gezag der grootste geleerden als de directe bewijzen, die wij bezitten, schijnen tegen die opvatting te pleiten.
4 Zie Holder, “Altceltischer Sprachschatz” sub voce “Hyperboreoi.”
5 Men lette op het Grieksche woord pharmakon = geneesmiddel, vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika het woord voor toovermiddel mankwala, wat ook geneesmiddel beteekent.
6 Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de opvattingen, waarop de toovenarij berusten, zijn in haar wezen over de geheele aarde verspreid en onheugelijk oud.
7 Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze “de bron van alle publieke en private recht.” Zij stonden op het forum tot aan de derde eeuw n.C., maar zij zijn nu verloren, behalve enkele fragmenten, die in verschillende commentaren zijn bewaard gebleven.
8 Zie “Revue Archéologique”, Deel XII, 1865, “Fouilles de René Galles.”
9 Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat, gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.
10 Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel van een gezantschap uit Rome naar die stad gezonden ten tijde van den Tweeden Punischen oorlog, daar de Sibyllijnsche boeken de overwinning voorspelden aan de bezitters van dien steen. Hij werd onder groot vreugdebetoon in het jaar 205 naar Rome gebracht. Men zegt, dat hij ongeveer de grootte had van een mansvuist, en hij was waarschijnlijk een meteoorsteen. Men vergelijke hiermede de mythe bij Hesiodus, die verhaalt, hoe Kronos een steen verslond in de meening, dat deze zijn zoon Zeus was. Het was toen mogelijk, een steen voor een godheid aan te zien.
11 Zie “Archaïsch beeldhouwwerk”, 1867 van Sir J. Simpson.
12 Dit feit wordt vermeld in de “Annalen der Vier Meesters” onder het jaar 861 en in de “Annalen van Ulster”, onder het jaar 862.
13 Zie “Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie,” Deel XXX, Afdeeling I, 1892, en “New Grange,” door G. Coffey, 1912.
14 Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat de steenen in den juisten stand waren geplaatst. Dit is eveneens het geval te Gavr’inis.
15 Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, “New Grange,” 1912.
16 “Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie,” Deel VIII, 1863, blz. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.
17 “Les Sculptures de Rochers de la Suède,” voorlezing gehouden op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey, aangehaald werk, blz. 60.
18 “Dolmens van Ierland”, blz. 701–704.
19 “De Godsdienst van Babylonië en Assyrië.”
20 Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij Bertrand, “La Religion des Gaulois”, blz. 389.
21 Sergi “Het Ras aan de Middellandsche Zee,” blz. 313.
22 Te Lökeberget, Bohuslän; zie Montelius in zijn aangehaald werk.
23 Zie Lord Kingsborough “Oudheden van Mexico” op verschillende plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk (weergegeven in Churchwards “Teekenen en Symbolen van den Oorspronkelijken Mensen”).
24 Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh op een Franschen dolmen.
25 “Bulletin de la Société d’Anthropologie,” Paris, April 1893.
26 “De bevolking van Wales”, blz. 616–664, waar het onderwerp volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris Jones. “De prae-Arische taaleigens, die nog bestaan in de talen van Wales en Ierland, waren afgeleid uit een taal, die nauw verwant was met talen van Egypte en van de Berbers.”
27 Flinders Petrie, “Egypte en Israël”, blz. 137, 899.
28 Homerus, Odyssee XXIV, 1–11.
29 Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken melding van dit gebruik.
30 Boek V.
31 De Jubainville, “Iersche Mythologische Cyclus” blz. 191 env.
32 De etymologie van het woord Druïde is niet langer een onopgelost raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte van het woord in verband stond met den Arischen wortel VID, die ook voorkomt in “wijsheid”, in het Latijnsche videre, enz. Thurneysen heeft aangetoond, dat die wortel in verband met het versterkende woordje dru het woord dru-vids vormt, dat in het Gallisch wordt voorgesteld door draoi, een Druïde, evenals een ander versterkend woordje, su, met vids het Gallisch saoi, een wijze (sage) vormt.
33 Zie Rice Holmes “De Verovering van Caesar”, blz. 15 en blz. 532–536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat het Druïdisme de godsdienst was van de oorspronkelijke bewoners van Westelijk Europa, van de Oostzee tot aan Gibraltar (“Keltisch Brittannië” blz. 73). Maar zekerheid hebben wij eerst, waar Kelten en dolmenbouwers vereenigd waren. Caesar merkt omtrent de Germanen op, dat zij geen Druïden hadden en weinig gewicht hechtten aan offerplechtigheden.
34 “La Religion des Gaulois,” leçon XX.
35 Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.
36 “De Iersche Mythologische Cyclus,” door d’Arbois de Jubainville, blz. 61. De genoemde “Dinnsenchus” is een oud Christelijk document. Geen spoor van een wezen als Crom Cruach is tot nu toe gevonden in de heidensche letterkunde van Ierland, noch in de geschriften van St. Patrick, en wij gelooven dan ook, dat zelfs in den tijd van St. Patrick menschenoffers nog alleen slechts in de herinnering bestonden.
37 Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad, Meroë.
38 “Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden geofferd), meent te verzoenen.” (Lucanus, “Pharsalia” I, 444). Een altaar, aan Æsus gewijd, is te Parijs ontdekt.
39 Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii), enz.
40 Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele streken van Frankrijk uitdrukkingen als annuit, o’né, anneue enz., die alle “van avond” beteekenen, in plaats van aujourd’hui (Bertrand, La Religion des Gaules, blz. 356).
41 De fili, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk vermelden, een onderdeel van de kaste der Druïden.
42 Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, Viator “de Reiziger” genoemd, en Fursa in de zevende eeuw; Virgilius (Feargal) van Salzburg, die zich te Rome moest verantwoorden, omdat hij de bolvormige gedaante der aarde leeraarde, in de achtste eeuw; Dicuil “de Aardrijkskundige,” en Johannes Scotus Erigena—de grootmeester van den geest in zijn tijd—in de negende eeuw.
Hoofdstuk III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland.
Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.
Was er onder de geheime leerstellingen omtrent den “aard der dingen”, die, zooals Caesar ons mededeelt, nooit door de Druïden zijn geboekstaafd, iets dat herinnerde aan een cosmogonie, eenige mededeeling omtrent het ontstaan van de wereld en den mensch? Zeker was dit het geval. Het zou immers werkelijk vreemd zijn, als de Kelten het eenige ras zouden geweest zijn, dat geen mythen had, die op dit onderwerp betrekking hadden. Het schouwspel van het heelal met al zijn groote en geheimzinnige verschijnselen in den hemel en op aarde heeft eerst op de verbeeldingskracht gewerkt, en daarna tot bespiegelende beschouwingen geleid bij elk volk, dat voor die dingen vatbaarheid heeft. De Kelten bezaten nu beide eigenschappen in de hoogste mate, en toch weten wij, behalve in één zinsnede omtrent de “onvernietigbaarheid” der wereld, door Strabo tot ons gekomen, niets omtrent hun oudste voorstellingen of bespiegelingen over dit onderwerp. Ierland bezit een uitgebreide litteratuur op het gebied van legenden. Dat alles nam eerst in Christelijke tijden zijn tegenwoordigen vorm aan; toch is er zóóveel, dat in wezen heidensch is, daarin overgebleven, dat het vreemd zou zijn als Christelijke invloeden geleid hadden tot de uitroeiing van alles in die oude teksten, dat wees op een niet-Christelijke opvatting omtrent den oorsprong der dingen—indien Christelijke uitgevers en verspreiders ons zelfs niet het geringste schijnsel hadden gegeven van zulk een opvatting. En toch is het werkelijk het geval, dat zij ons dit niet geven; er is niets in de oudste legendarische letterkunde der Iersche Galiërs, wat de oudste Keltische letterkunde is, die nog bestaat, dat overeenkomt met de Babylonische mythe omtrent de verovering van den Chaos, van de woeste Noorsche mythe omtrent de schepping van Midgard uit het lichaam van Ymir, of de Egyptische mythen der schepping uit het oorspronkelijke Water door Thoth, het woord Gods, of zelfs de oorspronkelijke folklore opvattingen, die bij bijna iederen wilden volksstam gevonden worden. Het is onmogelijk er aan te twijfelen, dat de Druïden de één of andere leerstelling over dit onderwerp hadden. Maar door die met de meeste vastberadenheid verborgen te houden voor de niet-ingewijden en alle leekenbespiegeling over dat onderwerp te beletten, schijnt het, dat zij het mythenmakende instinct onder de groote menigte ten opzichte der cosmogonie hebben verstikt, en er voor hebben gezorgd, dat als hun eigen kaste te gronde ging, hun leerstellingen, wat die ook waren, met hen zouden te gronde gaan.
Wij vinden dan ook in de oudste Iersche verhalen omtrent het begin der dingen, dat de vertellers niet met de Wereld beginnen, maar met hun eigen land, Ierland. Het was wel is waar de gewoonte, aan die verhalen der oudste invallen en kolonisaties het verhaal uit den Bijbel te doen voorafgaan omtrent de schepping van de wereld en van den mensch, en dit bewijst, dat men voelde, dat iets van dien aard werd verlangd; maar wij weten volstrekt niet, wat vóór de dagen van het Christendom de plaats van het Bijbelsche verhaal innam, en het is te betreuren, dat wij waarschijnlijk daaromtrent nooit iets zullen te weten komen.
De verschillende cyclen van Iersche legenden.
De Iersche litteratuur op het gebied van mythen en legenden, zooals die in den oudsten vorm tot ons is overgebracht, valt, naar men mag aannemen, in vier afdeelingen, en daaraan zullen wij in onze bespreking in dit werk vasthouden. In chronologische volgorde zijn het de mythologische cyclus, of die der invallen, de Ulster- of Conorische Cyclus, de Ossian- of Feniancyclus, en een aantal gemengde verhalen en legenden, die moeilijk in een historisch lijstwerk kunnen ingevoegd worden.
De mythologische cyclus.
De mythologische cyclus omvat de volgende afdeelingen:
- 1. De komst van Portholan in Ierland.
- 2. De komst van Nemed in Ierland.
- 3. De komst der Firbolgs in Ierland.
- 4. De inval der Tuatha De Danann, of Volk van den god Dana.
- 5. De inval der Milesiërs (Zonen van Miled) uit Spanje, en hun verovering van het Volk van Dana.
Met de Milesiërs beginnen wij te naderen tot iets, dat op geschiedenis gelijkt—zij vertegenwoordigen in de Iersche legenden het Keltische ras; en men neemt aan, dat de heerschende Iersche families van hen afstammen. Het Volk van Dana zijn blijkbaar goden. De kolonisten of overweldigers uit den prae-Danaïschen tijd zijn kolossale, spookachtige figuren, die slechts flauw voor den dag komen door de nevelen der overlevering, en die weinig duidelijke karaktertrekken hebben. De verhalen, die omtrent hen worden gedaan, zijn talrijk en tegenstrijdig, en uit deze kunnen wij hier alleen de oudste verhalen mededeelen.
De komst van Partholan.
De Kelten geloofden, zooals Caesar ons heeft medegedeeld, dat zij waren afgestamd van den god der onderwereld, den god der dooden. Men verhaalt, dat Partholan in Ierland gekomen was uit het westen, waar aan de overzijde van den uitgestrekten, nooit bevaren Atlantischen Oceaan, het Iersche Tooverland, het land der levenden—dat is het land der gelukzalige dooden—gelegen was. De naam van zijn vader was Sera (het westen?). Hij kwam met zijn koninklijke gade Dalny1 en een aantal makkers van beide geslachten. Ierland was—en dit is een aan de verbeelding ontleende trek, die ten doel heeft een denkbeeld te geven van de ontzaglijke oudheid—in die dagen uit een natuurkundig oogpunt een geheel ander land dan tegenwoordig. Er waren toen slechts drie meren in Ierland, negen rivieren en slechts één vlakte. Langzamerhand kwamen er andere bij tijdens de regeering der dynastie van Partholan. Volgens de verhalen was één meer, en wel het Rurymeer, opengebarsten, toen een graf werd gedolven voor Rury, den zoon van Partholan.
De Fomoriërs.
De mannen van Partholan hadden, zoo loopt het verhaal, te strijden tegen een vreemd ras, de Fomoriërs genaamd, waarvan wij in latere gedeelten van dit werk veel zullen hooren. Zij waren een kolossaal, wanstaltig, heftig en wreed volk, dat naar wij mogen aannemen, de machten van het kwaad vertegenwoordigde. Eén van hen had den bijnaam van Cenchos, wat De Voetlooze beteekent, en schijnt dus verwant te zijn aan Vitra, den god van het kwaad in de Veda mythologie, welke godheid noch voeten noch handen had. Partholan vocht met een aantal van die demons om de heerschappij over Ierland, en joeg ze naar de noordelijke zeëen, vanwaar zij van tijd tot tijd het land onder zijn latere heerschers verontrustten en plunderden.
Het ras van Partholan werd ten slotte door de pest aangetast, en nadat zij zich verzameld hadden op de Oude Vlakte (Senmag) om hun dooden te kunnen begraven, kwamen zij daar allen om; en weer lag Ierland ledig, om later weer opnieuw te worden bezet.
De legende van Tuan mac Carell.
Wie vertelde dan het verhaal? Dit leidt ons er toe, melding te maken van een merkwaardige en belangwekkende legende—één der vele legendarische mededeelingen, waarin die verhalen uit de mythische periode tot ons zijn gekomen. Deze wordt gevonden in het zoogenaamde “Boek der Dun Koe”, een manuscript van omstreeks het jaar 1100 na Christus en dat tot titel draagt “De Legende van Tuan mac Carell”.