Dolmen te Proleek, Ierland.
Dolmen te Proleek, Ierland.
(Naar Borlase).
Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen oorsprong waren; dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat, terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een afzonderlijk ras was, het ten slotte niet een ras, maar een bepaalde cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die graven zijn gevonden, met hun groote verschillen in den vorm van den schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs.2 Deze en andere overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een hoogstaand en goed ontwikkeld type waren, op de hoogte van landbouw, veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die dikwijls indrukwekkende afmetingen hebben en het bewijs leveren van veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw, wijzen ontwijfelbaar aan, dat in die periode een priesterdom bestond, dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat geschikt was groote menschenmassa’s te beheerschen. Hun dooden werden in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere monumenten wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen, terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan geen sporen meer bestaan.
Praehistorische Tumulus te New Grange
Praehistorische Tumulus te New Grange
De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen—de Kelten en de megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk werk “La Religion des Gaulois” onderscheid tusschen twee elementen onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog twee groepen van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van den Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in Gallië. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland, in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde van die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking, spraken zij een Keltische taal,3 hoewel het schijnt, dat Bertrand hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren misschien langzamerhand Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig volk van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting van hen, te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen enkele begrafenis, waar het lijk niet vooraf verbrand was.
Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt “onder de Kelten oprijst.” Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking, waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen, die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van godsdienst en van de bardenpoëzie.
Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen.
De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats, die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie—zij speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige Kelten der oude geschiedenis—de plunderaars van Rome en van Delphi, de huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij teruggebracht; “plebs paene servorum habetur loco,” zooals Caesar ons verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende klasse.
En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden, die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk ridderlijk, uiterst gevoelig voor poëzie en muziek, en hadden zin voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en omstreeks twee honderd jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde, met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden, door de Kelten op een eiland in het westen—waarschijnlijk Groot-Brittannië—gevierd ter eere van hun god Apollo4. Als meest Arische der Ariërs, hadden zij de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het Druïdische stelsel—niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft, maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie—was hun verderf, en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen.
Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac
Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac
De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij als een schande beschouwden), maar begraven.
De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten, maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.
Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen hij met zijn verovering begon: “zij verschillen onderling in taal, gebruiken en wetten”. Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen, de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch is het de aandacht waard,—en dat is volkomen in overeenstemming met de opvattingen van Bertrand,—dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.
Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden, zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken, die door de megalithische bevolking werden gevolgd—denkbeelden, die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne woord “toovenarij.” Wij moeten thans den aard van dien godsdienst der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn inaugureele redevoering te Cambridge in 1903:
“Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen, dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden.”
De eigenlijke wortel van het woord “magie” is onbekend, maar het is onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers waren van dat stelsel van denkbeelden, dat zoo eigenaardig vermengd is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De fundamenteele opvatting der magie is die van de geestelijke levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd niet, zooals bij het polytheïsme, van de natuur gescheiden gedacht in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in en innerlijk vastgehecht aan de natuur; zij was duister, onbepaald en bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en de aard in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten schijnen aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en als een bekleeding met onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht, die vroeger belichaamd was in den concreten, begrensden, handelbaren, en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke persoonlijkheid. Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen, om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den één of anderen aard behoorden tot één der eerste behoeften van den mensch. En de kracht van zekere aan de natuur ontleende stoffen, hetzij uit het delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het lichaam als op den geest, en wel op een wijze, die dikwijls schrik en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als een duidelijk bewijs van wat wij de “magische” opvatting van het heelal zouden kunnen noemen.5 De eerste toovenaars waren zij, die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige kruiden; maar daar de één of andere kracht werd toegeschreven aan ieder voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van magische wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde plaatsen en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk, dat wij om het groote belang uitvoerig aanhalen:
“De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen, dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste plaats uit de geneeskunde is ontstaan—een feit dat door niemand kan worden betwijfeld—en onder den schijn van bezorgdheid voor onze gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen, over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken, en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan.
“Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden—in Perzië en door Zoroaster6. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar is er niet meer dan één Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt, dat men reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen roem hebben gevonden—ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en Plato zijn de zeeën overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij daarna in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij de Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen7 en andere monumenten, zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst in het jaar 657 na de stichting van Rome, onder het consulaat van Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een senatus consultum verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt, dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht. De Galliërs zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze dagen, immers was het keizer Tiberius, die de Druïden afschafte en de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut heeft het, verbodsbepalingen uit te vaardigen tegen een kunst, die den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur is doorgedrongen?” (Hist. Nat. XXX).
Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen de Grieken, en die de “kiemen van zijn gedrochtelijke kunst” heeft verbreid overal waar hij in Europa kwam.
De magie was—zoo meende Plinius—noch inheemsch in Griekenland, noch in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt, dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.
De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen tumulus van Mané-er-H’oeck, in Bretagne. Dat monument was in het jaar 1864 door René Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden beschrijft—de oppervlakte van den grond was nog onaangeroerd, en alles was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten8. Aan den ingang der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een geheimzinnig teeken was gegraveerd, misschien wel de totem van een der voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen oorhanger van groen jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een grooteren ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op den ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk in rotsen, uit het Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hiëroglyphen, Minoïsch snijwerk, enz. Op korten afstand daar vandaan lagen twee groote oorhangers van jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet9, en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren met een blijkbare bedoeling op een rij gerangschikt, en vormden een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met één der diagonalen van de kamer, van het noordwesten naar het zuidoosten. In één der hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet en fibroliet. Er waren geen sporen van beenderen of asch, en evenmin vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. “Staan wij,” zoo vraagt Bertrand, “hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid, die met de magie samenhangt?”
Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.
Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.
(Sergi.)
In verband met het groote grafmonument te Gavr’inis was een zeer merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar—zooals gewoonlijk bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland—een aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt, zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat—een magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in het Christelijke symbolisme—zooals bij voorbeeld de groote hand, gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van Muiredach te Monasterboice.
Dolmen te Trie, Frankrijk.
Dolmen te Trie, Frankrijk.
(Naar Guilhabaud.)
Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening, die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden, die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de geslachten in verband staat.
Dolmens in Dekan, Indië.
Dolmens in Dekan, Indië.
(Naar Meadows-Taylor.)
Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen, bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor; zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als de vereering, bewezen aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien kan een verklaring voor de vereering, verbonden met groote, op zich zelf staande massa’s van ongehouwen steen, gevonden worden in haar gelijkenis met de kunstmatige dolmens en cromlechs10. Geen enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt, dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen bedreigde, die “boomen, putten en steenen aanbaden,” en die bedreiging werd herhaald door Karel den Groote en door een aantal Synodes en Concilies tot op onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en die enkele jaren geleden op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne nog in volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke organisatie der Christenheid thans in den dienst zijn gesteld van dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid met veel tegenzin deel aan die plechtigheden, maar wordt zij daartoe gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen, waarvan het water volgens de openbare meening ziekten geneest, zijn nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het water van Lourdes, kan, in weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland worden beschouwd.
Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.
Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.
(Naar Sir J. Simpson.)
Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne
Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne
Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn holten gemaakt in den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische ringen, en van den schotel loopen één of meer lijnen van het middelpunt naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een stelsel van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor, dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen eindigen. Die vreemde teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittannië en Ierland en in Bretagne, maar ook in verschillende plaatsen van Indië, waar zij mahadéos11 heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld—want dit schijnt het inderdaad te zijn—gevonden in Dupaix “Monumenten van Nieuw Spanje.” Het is weergegeven in “de Oudheden van Mexico,” deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van een cilindervormigen steen, bekend als de “Steen van het Zegevieren” is in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische cirkels daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve dat het patroon hier rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op een typisch Europeesch teeken. Men kan er nauwelijks aan twijfelen, dat die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden worden ook hetzelfde beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien is de gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke plaats van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de lijn of gang, die van het midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang van het graf voor. Dat die “gang” inderdaad den toegang bedoelt, blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson ontleenen. Daar het graf tevens een heilige plaats of tempel was, is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk van gewijden aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen, in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is.
Verschillende vormen van schotels en ringen.
Verschillende vormen van schotels en ringen.
Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden worden, komen in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend is. Zij worden eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der Sidhe, of feeën, die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen der Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd omtrent den Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk in Ierland door St. Patrick was gepredikt, en die verbood, dat men hem zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan heidensche overleveringen waren verbonden, wijst er op, dat die plaats het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich sloot dan eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden; zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen12, maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband stonden met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste van deze, de tumulus van New Grange, is geheel en al onderzocht en beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van Keltische oudheden in het Nationale Museum te Dublin13. Aan den buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn is 280 Engelsche voet en hij is ongeveer 44 voet hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan, vijf en dertig in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd, die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken is uit losse steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid zijn met gras en struiken. Doch het groote belang van dat monument is gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van de zeventiende eeuw kwamen enkele werklieden, die van die aardhoogte materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een gaanderij naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit, dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van ongehouwen steen, gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks 5 tot 6 Engelsche voet in hoogte; zij is 3 voet breed, en loopt over een lengte van 62 voet tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van 20 voet, waarvan de zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen, die alle naar het midden gericht zijn, waar zij elkander bijna aan den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In ieder der drie inhammen van de kruisvormige kamer staat een groote steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van eenige begrafenis daar overgebleven.
De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd door platen te hakken uit de oorspronkelijke steengroeven, worden de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken van dat vreemde monument. Met uitzondering van den grooten steen met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk niet de bedoeling gehad te hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en primitieven zin. Er is volstrekt geen poging bij, om een bepaalde oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in overeenstemming is met haar grootte en vorm. De patronen zijn als het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige plaatsen.14 Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken op de steenen te Gavr’inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten en zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een blad van een varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd is te doen, als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een “haringgraat.”15 Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt, vindt men in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar in de Pyreneën, voorgesteld door Bertrand.
Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.
Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.
Zonneschip van Locmariaker, Bretagne
Zonneschip van Locmariaker, Bretagne
(Naar Ferguson).
Ingang van den Tumulus te New Grange
Ingang van den Tumulus te New Grange
Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift, een groep cijfers, en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een ruwe voorstelling van een schip met mannen aan boord en met volle zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is, die blijkbaar een deel van het patroon vormt. Een tweede voorbeeld vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen zien, zeer groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne16 een aantal figuren voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan één den cirkel doet zien op een overeenkomstige plaats als te New Grange. De bijl, een Egyptische hiëroglyph voor de godheid en een zeer bekend magisch zinnebeeld, is eveneens op dien steen voorgesteld. Zoo vindt men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk op de rotsen van Zweden17, een reproductie (die ook voorkomt in “Het Viking-Tijdperk” van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots, die ons een aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen als kruis geteekend zijn—onmiskenbaar een zonnezinnebeeld—vlak boven hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld, dikwijls zóó ruw en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel niet gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter als tijdverdrijf of met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk toe. In de dagen der megalithische bevolking zou een grafmonument, het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt zijn met nuttelooze en nietsbeteekenende krabbels. “De mensch heeft,” zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, “altijd heilige dingen en dingen die met graven in betrekking staan, met elkander verbonden.” En die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem van een decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling hadden, waarvan waren zij dan een symbool?
Zonneschip van Halland, Zweden.
Zonneschip van Halland, Zweden.
(Naar Montelius).
Schip (met Zeil?) van Ryxö.
Schip (met Zeil?) van Ryxö.
(Naar Du Chaillu).
Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.
Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.
(Naar Du Chaillu).
Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen, met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden, Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland, hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden.
Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.
Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.
(Britsch Museum).
Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven betreft. Het staat in verband met den dienst van Rā, die 4000 jaar vóór Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip, waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De zonnegod Rā wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum, zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen vinden van de levenwekkende stralen, die Rā op de boot en hare bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is, figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend.
Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.
Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.
Britsch Museum.