WeRead Powered by ReaderPub
Kleurig en donker cover

Kleurig en donker

Chapter 6: Eddy.
Open in WeRead

About This Book

Het werk verzamelt korte, vaak aan elkaar verbonden episodes die het alledaagse stadsleven en huishoudelijke arbeid tonen. Personages ontmoeten elkaar bij deuren, in keukens en op straat, waarbij kleine conflicten, keuzes en tekorten naast momenten van humor en tedere observatie staan. De toon wisselt tussen kleurige, levendige scènes en donkerder, ernstiger noten; verhalende fragmenten worden afgewisseld met beschrijvende passages die sociale verhoudingen, morele dilemma's en innerlijke overwegingen schetsen.

The Project Gutenberg eBook of Kleurig en donker

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Kleurig en donker

Author: Willem van Amsterdam

Release date: May 19, 2012 [eBook #39736]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling zijn behouden.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

KLEURIG EN DONKER.

KLEURIG EN DONKER

DOOR

W. VAN AMSTERDAM,
Schrijver van „Marionetten.”


Haarlem
H. D. TJEENK WILLINK & ZOON

INHOUD.


Blz.
Aan de voordeur 1
Het straatorgel 12
Eddy 25
Haar brood 48
Kinderleed 61
Karel Jan Vonk 73
De oudste 84
Het klooster der Witte Vrouwe 94
Haar keuze 103
Blok's Vrouw 113
Geen „Verrajer” 127
De aanspreker 141
Derde Klasse 155

Aan de voordeur.


„Zoo, dikke zus!” zegt Evert—een jonge slagersknecht, een pracht van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft—„zoo, dikke zus! hoe gaat 't met mijn?” En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan de Heerengracht.

„Hoe 't met je gaat,” antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht, „hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te zien, dan gaat 't nogal met je.”

„Ja, 'k zie bleek, hè?” zegt Evert, „dat komt omdat me maag niet in orde is, weet je!”

„Niet?” vraagt Grietje, „lust je geen ete meer?”

„Jawel,” antwoordt Evert, „maar 'k lust te veel.”

„En krijg je niet genoeg?” vraagt Grietje.

„Of 'k 't krijg,” zegt Evert, „dat zou me niet kanne schele, as 'k maar zooveel kon neme as 'k lust.—En daar hei je haar ook,” roept hij uit, als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht mede aan de voordeur verschijnt.

„Zoo, malle! bè je weer an de gang?” vraagt zij.

„Mal-le?” vraagt Evert, „as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te hale, hoor!—Wat zie je 'r weer goed uit!” roept hij uit, een poging doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: „laat je staan!” en een tik op zijn arm, verhindert.

„Ga je van aved 's met me uit?” vraagt Evert haar.

„Ikke niet,” antwoordt Keetje, „want me parresol is in de maak, hoor!”

„Ja,” zegt Evert, „nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook nog niet t'huis is.—Maar 'n Zondag dan?”

„Jonge nee,” antwoordt Keetje,'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis.”

„'t Bessieshuis!—daar heb ik ook nog 'n oome,” beweert Evert.—„Zà je 'm van me groete?”

„Dat zal 'k,” belooft Keetje. „As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals valle.”

„Zeg eris!” roept de keukenmeid uit,—„da 's waar ook!—'k docht dat jij 'n eerlijke jonge was, hè?”

„Ikke niet eerlijk,” zegt Evert, „nou nog mooier! Geef me maar 's 'n zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom.”

„Nee,” zegt Grietje, „dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan mag je 'm wel houwe ook.—Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag luste, en dat hei je niet gedaan.”

„Mijn schuld is 't niet,” verzekert Evert. „De baas zei, da' 'k 't maar vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene—rits...! door me hoofd gegaan.”

„Zei-ie-dat?” vraagt Grietje. „Zei ie, dat je 't maar vergete most?—Hoor je dat, Kee?”

„Zoo'n akelige, schriele kerel,” roept Keetje uit.

„Hoort eris,” zegt Grietje, „zeg jij an je baas, da' 'k haast wel zou denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k zoo'n ideetje van,” verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten mond, verscheidene malen met het hoofd.

„En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen,” verklaart Evert.—„Alla, zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n zweezerikkie of kalfsoesters,—wat mot 'k brenge?”

„'k Mot niks van je hebbe,” antwoordt Grietje. „We ete vandaag 'n stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong.”

„Verdikke, mens, houw op!” roept Evert uit, „daar zou je 't water van over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is, hè?”

„Of ie lekker is!” zegt Grietje, „nee”—en met de vingertoppen tegen de wang wiegt zij het hoofd—„dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege Kee—is 't niet waar meid—„Kee,” zeg 'k, „'k heb me eigen verhuurd voor de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt.” Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie, maar de saus,—die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't aldoor. Dan mot 'k hier nog 's 'n eitje meer in perbeere, of daar kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge, je boezelaar of—en 't hem om ze dikke lijf zou doen.—En as 't niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!—'t Is dat 'k hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders....”

„Dan ha' je 'm al gesmeerd?” vraagt Evert.

„Al lang,” verklaart Grietje, „want an al dat putlut daar he' 'k 'n hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's 'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van je werk ook. „Griet,” zei meneer dikkels, „je mot niet zoo lekker koke, mens; 'k kan 's middags niet uitscheije.” En as mevrouw, die er zoo'n hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie—omdat ze nooit niks kon bedenke, zei ze—'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: „Kijk, dat hei je goed geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben.” Och ja,” zegt Grietje met een zucht, „'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze best nog 's doet ook. Nee”—en ze schudt het hoofd tegen een koopman in bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst—„niet noodig.”

„Mot je geen bwommetje?” vraagt hij.

„Nee,” antwoordt Grietje, „ik mot geen blommetje hebbe.”

„Koop 's 'n mooi ghoozie van me?” vraagt de koopman, „of 'n potje met ghesida.”

„Ga nou maar gerust deur,” zegt Grietje, „want 'k koop toch niks van je.”

„'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie,” zegt de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende.

„Och, ga nou weg, hè!” roept Evert uit.

„Nà,” zegt de koopman, „la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot.”

„Ja,” zegt Evert, „'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de klandisie, hoor.”

„Wat zou 't,” roept de koopman uit, „as datte gebeugd, dan rentenieg 'k à tien jaag! En jij, juff,” vraagt hij aan Keetje, „mo' je niet 's 'n potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?”

„Nee,” antwoordt Keetje, „ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever,” en zij ginnegapt achter haar hand, „ik ruik liever gebraje spek.”

„Ja,” zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, „nou je 't zeit, ruik ik ook liever 'n bankethammetje.”

„Of 'n varkensrib,” zegt Evert, „dat mot je ook niet uitvlakke, dat ruikt heerlijk, hoor!”

En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk uitroept: „toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse ze stout binne.—Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje mot hebbe, hè?”

„Nee,” zegt Grietje, „dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik ben alleenig voor de pot.”

„Nà,” zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, „da's ommes ook 'n pot.—Doe je 't niet? Jij dan?” vraagt hij aan Keetje,—„'k het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om.”

„Dat zou 'k nou wel voor je wille doen,” zegt Keetje, „maar daar hoef 'k niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?”

„Alla!” zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende, „'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar,” en zij reikt den koopman twee dubbeltjes over—want een keukenmeid heeft altijd en een werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee stuivers voor, „daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,—'n Zaterdag of zoo.”

„Nee,” zegt Keetje, „want dan houwe we groote verschoondag, hoor!”

„Schoon za' je bwijve kind,” zegt de koopman, de stoep af gaande, „'t zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg.”

„Ze-eg!” roept Evert uit, „jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te bange, hoor je!”

„Laat 'm maar gaan,” zegt Keetje, „want gelijk het ie.—Wil jij nou ook liever dat roosie hebbe?” vraagt zij aan haar kameraad, „dan geef mijn dat andere dingie maar.”

„Wel nee meid,” antwoordt Grietje, „dit ruikt immers ook goed!”

„Dat doet 't,” bevestigt Evert. „Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?”

„Weet je dat niet?” vraagt Grietje, „en 'k dacht nog al, dat jij uit Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met „ghesida” zegt zij, den koopman nadoende. „Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r nog geen?”

„Ikke geen meissie!” roept Evert uit; „alle Zondagge 'n ander, hoor!”

„Dat binne d'r een en vijftig te veel,” beweert Grietje.—„Maar jij bent er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?”

„Nou,” zegt Evert, 't zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?” vraagt hij aan Keetje.

„Ikke zeg niks,” antwoordt zij. „As jij je mond houwt, zeit me moeder, dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen.” En daar gedraag 'k me eige na; is 't niet waar, Griet?”

„Ja,” antwoordt Grietje, „van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?”

„Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!” verzekert Evert.—„Nee, zeit me moeder, zoo as jij toch ook slape kan—da's gerust 'n mirakel; daar slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.”

„Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?” vraagt Keetje.

„As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor 'k nooit meer wakker,” beweert Evert. „Zeg eris,” roept hij uit, in de gang kijkende, „juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of zoo?—daar legge wel 'n pak of tien op de bank.”

„Da's voor 'n Zaterdag,” zegt Grietje, „dan hebbe we hier diné.”

„Diné?” vraagt Evert. „Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?”

„Alle dage lekker,” zegt Grietje, „maar as we diné hebbe, dan ete we fijn.”

„Hoort eris,” zegt Evert, „as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt hier de restoratie van Van Laar wel.”

„Van Laar,” zegt Grietje, „die mag de oestertjes levere, want daar beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. „Dat zet de maag in ze fatsoen, daar wort ie graag van,” zeit meneer.”

„Nou,” zegt Evert, „dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg, want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de leest geslagen is.”

„Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle,” verzekert Grietje, „want er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan krijgen we twee soepies.”

„Och ga weg!” roept Evert uit. „Twee keer soep!...”

„Daar mag je uit kieze,” zegt Keetje. Ik kom achter je, en vraag wat uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe.”

„En onderwijl,” zegt Grietje, „schenkt de knecht je 'n glaasie serry in.”

„Die kon wel achter me blijve staan,” meent Evert.

„Wel nee,” zegt Keetje, „da' 's nerges voor noodig, want iedere keer krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord nog 'n kraf vol.

„Dat zou niet lang dure,” verzekert Evert.

„Dat denk ik ook niet,” zegt Grietje, en daar mag je dan 'n glaasie uit neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in.”

„En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld,” zegt Keetje, „dan begin je om zoo te zegge pas.”

„Ja!” roept Evert uit, „'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!”

„Jawel,” zegt Keetje, „maar dan komt eigelijk pas wat ze „sta-in-de-maag” noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch met sper...”

„Nee hoor, nou is 't genoeg! roept Evert uit, naar zijn mand grijpende, „da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van te motte hoore, da's al te arremoeïig.”

„En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?” vraagt Grietje.

„Niet?” vraagt Evert. „Hei jij dan zoo'n beroerde maag?”

„Gelukkig niet,” antwoordt Grietje, „maar 'k ben er vies van.”

„Kom”, zegt Evert,—„vies...!”

„Dat ben 'k,” bevestigt Grietje, „en Kee ook. Is 't niet waar, meid?”

„Ba,” roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd afkeerende, „dat vieze gedoe!”

„Daar wor je ziek van,” beweert Grietje. „We zegge zoo dikkels tege mekaar,—is 't niet Kee—as de kok in de keuke bezig is: „dat moste ze binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen mond an.”—Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles; en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan kan ie 't met ze vinger ook wel.”

„En as je dan binne bent om te diene,” zegt Keetje, „dan hoor je meneer tegen mevrouw van hier naast zegge: „wel mevrouw, is dat nou geen lekker sausie?” En dan zeit zij,—met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r magere, bloote hals: „ja”—en Keetje trekt een allerliefst mondje—„dat mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!””

„Nee hoor,” zegt Evert, „as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me moeders pot.”

„En daar doe je wijs an,” verzekert Grietje. Lekker ete is goed, maar zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na buite gaan.”

„Mooi zoo!” roept Evert uit, „dan zà je me baas weer effe hoore moppere.—Gaan jelui al gauw?”

„Dat zal geen zes weke meer dure,” antwoordt Grietje.

„Maar ik ga al gauwer,” zegt Keetje.

„Zoo! wanneer ga jij dan?” vraagt Evert.

„Van aved, hoor!—as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga jij?”

„Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet,” antwoordt Evert; „me moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam”—en hij knipoogt tegen Keetje—„blommetjes genog.”

„As dat dan waar is,” zegt Keetje, „dan ga ik met me blommetje maar gauw weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is.”

„En ik dan!” roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. Ik mot al de klanten nog of.—Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!”

„Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind,” zegt Grietje. „En daarom zegge ze dan ook:

As Adam in 'n appel bijt,
Ofschoon door Eva niet verleid,
Dan weet ie 't toch zóó an te legge,
Dat zij er 't loodje bij mot legge.

En nou atjuus hoor,” zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. „En droom van nacht 's van me. Zal je?”

„'k Hoop er om te denke,” antwoordt Evert. „Maar 'k zal in alle geval an me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.—Adie...!”


Het straatorgel.


„'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie—zoo kom 'k an de kost, sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf been het,” zegt Bet Bos, bij de buren bekend als „orgel-Bet”. „En à je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me man trouwde—dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de Keizersgracht over de Westermart—'n goed mens daarvan niet, maar zij en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en de kindere, zei ze—toe ik me man trouwde,” herhaalt Bet, diep adem halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit haar longen gedreven, „toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie twaalf tot veertien gulde in de week.—Ja mens, zoo benne we begonne, knappies in de meubeltjes, want hij had 'n paar cente overgehouwe en ik had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of 't zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze 'm t'huis! Heere! heere!”—en Bet slaat haar handen in elkander—„zoo goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!—'k Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet van hoore. „Nee,” zeg 'k, „daarvoor is niet getrouwd!” En zoo hieuw 'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat ik in 't vervolg de kost zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer in staat. Och ja,”—en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar voorhoofd glad—„zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens al blij weze, zeg 'k.”

En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert, laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen, stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij haar tijd derhalve verpraat heeft.

En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een aantal van haar vaste klantjes wonen.

Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men, oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien van het orgel te kunnen aanwenden, want „draaie en cente ophale, dat doen 'k zellevers,” zegt ze, „draaie om de haverderij, weet je, en cente ophale,—nou, dat begrijp je wel,” heeft zij een zeventien- of achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd, zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten gehoore brengen der verschillende nummers van het répertoire Bet nog heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien of twaalf „moppies,” als er een ziek kind opgevroolijkt—of de pret in een bruiloft gehouden moet worden, „'n heele karrewei.” Want zoodra zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken, waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, „zoo asse de gowwevies,” zou Mozes zeggen, „zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip.” Eerst draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van haar bovenlijf,—door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen en weer slingeren van haar rechterarm,—niet weinig verhoogt. Door haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen à jour zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt, als de laatste tonen van het lieflijke: „Daisy, Daisy!” zijn weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken, voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht, verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan afwisseling is, het tweede nummer: la dernière pensée van Weber, doet hooren.

Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit „'r doppe,” en een haar toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek, waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk gehuil—veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van het wiel,—wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken, „ofdraait”.

Haar orgel, waarop in goud het woord: „orchestrion” prijkt, is zeker een van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen elkander aanzien, en het „gut!” waarmede de vrouwen haar bewondering te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en gris-perle handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat. Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd, als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken, met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie, ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk, dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande, uitriep: „je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!”

De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen tegenover haar collega's laat verleiden.

„A's 'k weet,” zegt ze, „dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak ik niet, da' 'k er kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da' 'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om 'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was—zoo'n stiekemert! dat doen ik niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan, maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai 'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is.” Door haar kolossaal instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat, dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren.

Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden. „As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te sjanke, 'n doodschop,” verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren, zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken, die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen muziek kon hooren zonder „akelig” te worden, dan zou hij natuurlijk onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in staat is. Maar dit doet hij nooit.—Integendeel! zoodra hij op zijn levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is onwaarschijnlijk. „As ie sjankt, dan mot ie weg,” zegt ze, en nooit verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht, door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen.

Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent, met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet kan vereenigen. „Smerisse,” zegt ze, „daar mot 'k niks van hebbe, en met 'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had—en dat zou zoo'n wonder niet weze—zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme je mee!” roept ze uit. „As je, zonder erg, de een of andere straat van de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je erg bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om. Sekuur!” roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt, „want toe Da Punt....” en dan volgt het waarachtige verhaal van een van haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was gebracht. „Nee, nee,” zegt Bet, „met de pelisie affetuur 'k niks, want dat wil 'k wel wete: ik het me tong ook tot me dienst.” En zoo komt zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan den hemel heeft gestaan, en niet meer, als het een half uur is geleden dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd. Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden gewaardeerd.

Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele entrechat begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een marche-funèbre van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin nez à nez staan—liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat het ook wel—maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij, plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet gegleden is, weer aan te trekken.

Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden, door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide bevalligheid.

Voor Bet is zulk een straatbal—want de bewoners van achterbuurten zijn goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul—een aardig buitenkansje, maar natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er maar één, maar „wat 'n hartepitje is ie, hè?” En als zij hem van den vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden.


Eddy.


Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte, voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar een veld-mutsje of zoo iets—donkerblauw, afgezet met wit—want hij is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen, een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar wel een beetje een uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” aan zijn gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.

Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige, mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal zien en zijn hand nog eens drukken zal.

Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden hebben.

Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe woonplaats zou betrekken—want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik het kamerleven op den duur te „onhuiselijk”—moest zooveel hersteld en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn; en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn nieuwe standplaats moest wezen, besloot ik kamers te huren in een nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken, kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast was.

De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik, dat Cor—zoo heette de zuster van Eddy—als zij binnen kwam, om het een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek, alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op een morgen—waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken—of ik tevreden was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.

Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd, al dravende, zijn overjas aantrekkende.

Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans; maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.

Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.

„Welzeker niet,” antwoord ik. „'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even „stormachtig” was als hij. Gaat hij nog op school, of...?”

„Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad.”

„En leert hij goed?”

„Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht.”

„En wat moet hij worden?”

„Ik hoop,” antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid getuigt, „dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine.” En aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: „Eenige jaren geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig, 't ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij, en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan misschien niet een zou gebeuren. En zoo,” zegt Cor, met een glimlachje, „ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken.”

Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets over het hoofd had gezien.

„En dat is?” vroeg zij, een beetje ongerust.

„Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht,” antwoordde ik.

„Niet om mezelf?” vroeg zij verbaasd.

„Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen.”

„O,” zei zij met een glimlach, „dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn leven niet geven.”

Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde, en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden, maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.

„En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog geen berouw?” vroeg ik.

„Neen,” antwoordde zij beslist. „Tot nog toe is hij ieder jaar overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't Gymnasium, of „'t hok,” zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan ook niet heel lang geduurd,” voegde zij er met een glimlach bij.

Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem aan te moedigen zijn best te doen.

Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.

Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak hem aan.

't Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek, dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus, Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes jaren lang op een Gymnasium te gaan „heel taai,” en derhalve lang genoeg is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde, ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden kerel—„ajasses nee!”

Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.

„Ik geloof,” zei ik tegen Eddy, „dat je 'n beste zus hebt, hè?”

„Ja, hoor!” antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er zoo onmiddellijk bij: „wat 'n mooi tuigie het ie op!” dat hij het blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water koud en vuur heet is.

Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen, of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap, en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.

„Ik vind, Eddy,” zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, „ik vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde met boeken en schriften te doen. Deze twee—en ik wijs naar een paar op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers—heb ik hier een poosje geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en....”

„Vieze dingen!” roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding aannemende.

„Nu goed dan, niet vies, maar—ja kijk nu maar niet zoo woedend—in ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets.”

„Nou ja,” zegt Eddy, „dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was; toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel op te redderen.”

„Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?” vraag ik.

„Of ie!” beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen.

„Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan werken,” zegt Cor, „en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op zijn kamertje bleef zitten.”

„En daarin hebt ge volkomen gelijk,” stem ik toe. „Hoe zoudt ge 't vinden, majoor”—want sedert ik weet, dat hij lid is van de weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een militairen rang toe te kennen—„hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen, daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en Zaterdag-middag hier kwam werken?”

Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar denkende dat dit plan van haar afkomstig is.

Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid, en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft gewerkt.

Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het „dan maar doen zal.”

En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander, hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde te „suffen”, omdat het er toch niets toe deed of „die stomme boer” het kreeg of niet.

Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen, en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt. Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer, die het „ongeluk” heeft geen „klare” te lusten—hetgeen trouwens niet verhindert, dat de ware „kiezerspit” in zijn body zit—dan weet ik wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid, door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het „moppie”, waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel, sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden zal zingen: