WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Vierde cover

Koning Hendrik de Vierde

Chapter 11: VIERDE TOONEEL.
Open in WeRead

About This Book

Een verouderende koning worstelt met opstandige edelen terwijl zijn onberekenbare zoon tussen vorstelijke plichten en losbandig gezelschap zwerft, waarvoor een innige kameraad een komische tegenpool vormt. De handeling wisselt tussen hofpolitiek en uitbundige etablissementsscènes, en bouwt naar een conflict waarin eer, leiderschap en loyaliteit worden uitgedaagd. Rebellie en generatieclash raken verweven met vragen over legitimiteit en volwassenwording, terwijl scherpe dialogen en theatrale confrontaties zowel tragische spanning als komisch relief bieden.

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Rochester. Het binnenhof van een herberg.

Een Voerman komt op, met een lantaren.

Eerste Voerman.

Hola!—Als het niet op slag van vieren is, laat ik me hangen; de Groote Wagen staat al boven den nieuwen schoorsteen, en nog is ons paard niet gepakt. Kom toch, stalknecht!

Stalknecht

(van binnen). Ja, ja, ik kom.

Eerste Voerman.

Zeg, Tom, klop Hans zijn zadel gelijk en steek een paar vlokken wol onder den knop; de arme knol is aan de schoft gedrukt als ik weet niet wat.

(Een tweede Voerman komt op).

Tweede Voerman.

De erwten en boonen zijn hier zoo muf als een hond, en dat is de ware manier om aan de arme knollen wurmen te bezorgen. Dit huis is het onderste boven gekeerd, sinds Jaap de stalknecht dood is.

Eerste Voerman.

Die arme kerel! hij had geen vroolijk uur meer sinds de haver zoo opsloeg; dat was zijn dood.

Tweede Voerman.

Ik geloof, dat dit wel het beroerdste huis is op den geheelen Londenschen weg, wat de vlooien betreft; ik ben zoo gestoken als een zeelt.

Eerste Voerman.

Als een zeelt? Voor den duivel, geen koning in de christenheid kan erger gebeten zijn dan ik, sinds het eerste hanengekraai.

Tweede Voerman.

Wel, zij gunnen ons ook nooit een pot en dan watert elk onder de schouw; en zoo’n kamerloog broeit vlooien als kikkerschot.

Eerste Voerman.

Kom toch, stalknecht! Voor den dag en laat je hangen! kom toch!

Tweede Voerman.

Ik heb een zij spek en twee pakken gember, die ik heel te Charingcross moet afleveren. 28

Eerste Voerman.

God in den hemel! de kalkoenen in mijn korf zijn zoo goed als verhongerd.—Hei, stalknecht!—Haal je de pest! Heb je geen oogen in ’t hoofd? kan je niet hooren? Als het niet een loffelijk werk is, even goed als drinken, je de hersens in te slaan, ben ik een hondsvot.—Kom, en laat je hangen! Is er niets op je te bouwen?

(Gadshill komt op.)

Gadshill.

Goeden morgen, voerluî; hoe laat is het?

Eerste Voerman.

Ik geloof, twee.

Gadshill.

Ik bid je, leen me even je lantaren, om op stal naar mijn ruin te kijken.

Eerste Voerman.

Bedaard wat, bid ik je; ik ken streken, tweemaal zoo goed als die, hoor.

Gadshill.

Leen jij me dan de jouwe, bid ik je.

Tweede Voerman.

Ja, wanneer? tel dat maar op je knoopen af. “Leen me je lantaren!”—waarachtig, eer wil ik je zien hangen.

Gadshill.

Jij voerman, hoe laat denk je te Londen te zijn?

Tweede Voerman.

Vroeg genoeg om met een kaars naar bed te gaan, dat verzeker ik je.—Kom, vriend Joost, wij willen de heerschappen oproepen; zij willen in gezelschap verder, want zij hebben vrij wat bij zich.

(De Voerlieden af.)

Gadshill.

Heidaar, laarzenpoetser!

Laarzenpoetser

(binnen.) Bij de hand, zegt de beurzensnijder.

Gadshill.

Je kunt even zoo goed zeggen: “bij de hand, zegt de laarzenpoetser”, want je bent van het beurzensnijden niet verder af dan het aanwijzen van het uitvoeren af is; je doet de geschiedenis aan de hand.

(De Laarzenpoetser komt op.)

Laarzenpoetser.

Goeden morgen, sinjeur Gadshill. Het blijft zoo, als ik gisteren avond je verteld heb; het is een grondbezitter uit de wouden van Kent, die driehonderd mark in goud bij zich heeft; ik heb het hem gisteren avond aan tafel hooren zeggen tegen een van het gezelschap, een soort van rentmeester, die ook een aardig vrachtje bij zich heeft, God weet wat. Zij zijn al op en verlangen brood met eieren; zij willen dadelijk heen.

Gadshill.

Nu, man, als die niet Sint Nicolaas zijn makkers tegenkomen, mag je mijn nek present hebben. 68

Laarzenpoetser.

Neen, man, ik dank je, bewaar die maar voor den beul, want ik weet, jij dient Sint Nicolaas zoo braaf, als een spitsboef maar doen kan.

Gadshill.

Wat spreek je mij van den beul? als ik moet hangen, maak ik een paar galgen vet; want als ik hang, hangt de oude Sir John er bij en je weet, die is geen hongerlijder. Stil! er zijn nog andere Trojanen, waar je niet van droomt, die voor de grap zich verwaardigen het handwerk eer aan te doen; die zouden, als men ons te nauw op de vingers keek, voor hun eigen goeden naam, alles in het effen brengen. Ik sluit me niet aan bij landloopers te voet, niet bij knuppeldragende schellingafzetters, niet bij dolle, snorrendragende, purperroode moutwurmen: maar bij adel en renteniers; bij burgemeesters en groote hanzen; bij mannen, die hun stand ophouden, die eer zullen toeslaan dan spreken, eer spreken dan drinken, en eer drinken dan bidden; doch neen, hier lieg ik; want ze roepen telkens hun heilige aan: ’s lands welvaren; of liever ze roepen het niet aan, maar houden het aan, en het varen in dat schuitje is hun bestaan.

Laarzenpoetser.

Wat! ’s lands welvaren hun schuitje? en kunnen ze dat waterdicht houden in boos vaarwater?

Gadshill.

Zeker, zeker, geen gevaar; te rechter tijd weten zij te stoppen en te smeren, waar het noodig is. Wij stelen als achter een wal, schootvrij; wij hebben het recept van varenzaadjes, wij zwerven onzichtbaar om.

Laarzenpoetser.

Nu, op mijn woord, ik geloof, dat je het meer aan de nacht dan aan het varenzaad te danken hebt, dat je onzichtbaar rondzwerft.

Gadshill.

Geef me de hand; je zult je deel in onze winst hebben, zoo waar ik een eerlijk man ben.

Laarzenpoetser.

Geef het me liever, zoo waar je een spitsboef bent.

Gadshill.

Loop rondom; homo is een algemeene naam voor alle menschen. Zeg den stalknecht, dat hij mijn ruin uit den stal haalt. Vaarwel, smerige schobbejak!

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

De groote weg bij Gadshill.

Prins Hendrik en Poins konen op; Bardolf en Peto, op een afstand.

Poins.

Kom, wegschuilen, wegschuilen! ik heb Falstaff’s paard ter zijde geleid, en hij knarst als gesteven fluweel.

Prins Hendrik.

Op zijde!

(Falstaff komt op.)

Falstaff.

Poins! Poins! naar de galg met je! Poins!

Prins Hendrik.

Stil toch, gemeste rakker! wat is dat voor een getier, dat je maakt?

Falstaff.

Waar is Poins, Hein?

Prins Hendrik.

Hij is boven op den heuvel geklommen; ik wil hem zoeken.

(Hij houdt zich, alsof hij Poins zoekt.)

Falstaff.

Het is een vloek, in gezelschap van dien spitsboef uit rooven te gaan; de rakker heeft mijn paard verdonkeremaand en ik weet niet waar vastgebonden. Als ik nog vier voet, met den duimstok gemeten, te voet ga, zal ik bersten. Nu ik hoop met dat al een eerlijken dood te sterven, als ik ten minste niet gehangen word om het ombrengen van dien schoft. Ik heb nu sinds twee en twintig jaren ieder dag en uur zijn gezelschap afgezworen, en toch ben ik nog altijd met het gezelschap van dien schoft behekst. Als die schurk me geen drankjes heeft ingegeven, dat ik van hem houden moet, laat ik mij hangen; het kan niet anders, ik heb drankjes ingekregen.—Poins!—Hein!—Loopt alle twee naar den duivel!—Bardolf!—Peto!—Ik wil van honger sterven, eer ik een voet verder ga rooven. Als het niet even verdienstelijk als drinken is, een eerlijke kerel te worden en die schurken te verlaten, ben ik de grootste lomperd, die ooit tanden had om te bijten. Tien ellen oneffen grond te voet zijn voor mij zes dozijn mijlen en meer, en die booswichten met steenen harten weten dat maar al te goed. Naar den duivel er mee, als dieven onder elkaar niet eerlijk kunnen zijn. (Er wordt gefloten.) Wuwu!—Naar den duivel met je allen! Geeft mij mijn paard, schelmen! Geeft mij mijn paard en laat je hangen!

Prins Hendrik.

Stil, dikbuik! leg je neer; leg je oor vlak op den grond, en luister of je niet het stappen van reizigers hoort.

Falstaff.

Heb je hefboomen, om mij weer op te richten, als ik eens lig? Alle duivels, ik wil mijn eigen vleesch nooit meer zoo ver te voet voortsleepen, voor al het geld in je vaders schatkamer niet! Loop naar de weêrgâ, ’t is uit tusschen ons, je hebt het voor goed bij mij verknold.

Prins Hendrik.

Wat reutel je, verknold? ontknold, dat ben je.

Falstaff.

Ik bid je, beste prins Hein, help mij weer aan mijn paard, mijn lieve koningszoon! 44

Prins Hendrik.

Loop, schelm! moet ik je stalknecht zijn?

Falstaff.

Nu dan, hang je zelven op aan je eigen vermoedelijke-troonopvolgers-kousebanden! Als ze mij krijgen, verklik ik alles. Als ik niet zorg, dat ze straatliedjes maken op jullie allen, en die op gemeene deuntjes zingen, mag ik vergiftigd worden met een roemer sek. Als een grap ver gaat, en dat nog wel te voet, heb ik er een afschuw van.

(Gadshill komt op.)

Gadshill.

Sta!

Falstaff.

Dat doe ik, tegen mijn zin.

Poins.

O, het is onze speurhond; ik ken zijn stem.

(Bardolf komt op.)

Bardolf.

Wat is er?

Gadshill.

Gezichten weg, de maskers voor! daar komt geld van den koning den heuvel af, het gaat naar ’s konings schatkamer.

Falstaff.

Dat liegt ge, schelm; het gaat naar ’s konings wijnhuis.

Gadshill.

Het is genoeg, om ons allen—

Falstaff.

Aan de galg te helpen.

Prins Hendrik.

Mannen, jullie vieren valt hen aan in den hollen weg; Poins en ik gaan verder naar beneden; als zij den aanval boven ontsnappen, loopen zij ons in den mond.

Peto.

Met hun hoevelen zijn zij?

Gadshill.

Acht of tien ongeveer.

Falstaff.

Verduiveld, zullen zij òns niet plunderen?

Prins Hendrik.

Wat, een lafaard, Sir John Dikpens?

Falstaff.

Nu, zijn magerheid, Jan van Gent, uw grootvader, ben ik niet, maar toch geen lafaard, Hein.

Prins Hendrik.

Nu, de proef zal ’t leeren.

Poins.

Vriend Hans, je paard staat achter de heg; als je het noodig hebt, vind je het daar. Vaarwel en houd je goed.

Falstaff.

Nu kan ik hem toch niet ranselen, al stond er de galg op.

Prins Hendrik

(ter zijde tot Poins). Edu, waar zijn onze vermommingen?

Poins.

Hier vlak bij, kom hier ter zijde.

(Prins Hendrik en Poins af.)

Falstaff.

Nu mannen, wie waagt, die wint, zeg ik, alle man nu aan ’t werk! 81

(Reizigers komen op.)

Eerste Reiziger.

Kom buurman, de jongen kan onze paarden den heuvel afleiden; wij willen een poos te voet gaan om ons wat te vertreden.

De Roovers.

Staat!

De Reizigers.

Heere Jezus! help ons!

Falstaff.

Slaat toe! op den grond met hen! snijdt aan de schurken den hals af! O dat vervloekte uitzuigersgeboefte! spekvreters! zij verfoeien ons, jong volk! scheert hun de wol af!

De Reizigers.

O, wij zijn verloren, wij en de onzen, voor altijd!

Falstaff.

Laat je hangen, smeerbuikige schoften! Jullie verloren? Neen, vette korenwolven, ik wenschte, dat wij je voorraad hier hadden. Voort, spekkerels, voort! Wat, schelmen! jonge menschen moeten ook leven. Gezworenen ben je ook, niet waar? Nu, wij zullen je bezweren, hoor je!

(Falstaff en de Overigen af, de Reizigers voor zich uit drijvend.)

(Prins Hendrik en Poins komen weer op, verkleed.)

Prins Hendrik.

De dieven hebben de eerlijke lui gebonden. Als wij tweeën nu de dieven konden berooven en lustig naar Londen trekken, zou dat stof tot onderhoud geven voor een week, gelach voor een maand, en een prachtige grap voor altoos.

Poins.

Ter zijde! ik hoor hen komen.

(De Roovers komen weder op.)

Falstaff.

Komt, mannen, laat ons deelen, en dan te paard, eer het dag wordt. (Zij gaan allen op den grond zitten.) Als de Prins en Poins niet twee aartslafaards zijn, dan is er geen gerechtigheid meer op aarde; die Poins heeft niet meer dapperheid in het lijf, dan een wilde eend.

Prins Hendrik

(te voorschijn stortend). Je geld!

Poins.

Schurken!

(Terwijl Falstaff en de zijnen aan het deelen zijn, overvallen hen de Prins en Poins. Allen loopen weg, Falstaff na een paar stooten eveneens, hun buit in den steek latend.)

Prins Hendrik.

Veroverd in een wip! Nu vlug te paard!

De roovers zijn verstrooid en zoo van vrees

Bezeten, dat zij voor elkaar gaan loopen;

Elk hunner houdt zijn makker voor een rakker.

Kom meê, vriend Edu. Falstaff zweet zich dood,

En spekt de magere aarde, waar hij loopt;

’k Zou hem beklagen, kon ik dat van ’t lachen.

Poins.

Dat brullen van dien deugniet!

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Warkworth. Een vertrek in het slot.

Heetspoor komt op, een brief lezende.

Heetspoor.

—“Doch, wat mijzelf betreft, mylord, zou ik er mij in kunnen verheugen, daar te zijn, uit hoofde van de liefde, die ik uw huis toedraag.” Hij zou er zich in kunnen verheugen,—waarom doet hij het dan niet? Uit hoofde van de liefde, die hij ons huis toedraagt;—intusschen toont hij, dat zijn eigen schuur hem liever is, dan ons huis. Laat mij verder zien: “De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk;” nu, dat is zeker; het is gevaarlijk kou te vatten, te slapen, te drinken; maar ik zeg u, Mylord Zotskap, van dien netel, het Gevaar, plukken wij de bloem Veiligheid. “De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk; de vrienden, die gij noemt, zijn onzeker; de tijd zelf is slecht gekozen en geheel uw plan te licht voor het tegenwicht van zulk een grooten wederstand.”—Zegt gij dat? Zegt gij dat? Ik zeg op mijn beurt tot u, dat gij een bekrompen, laffe boerenkinkel zijt, en dat gij liegt. Wat is dat voor een hersenloos wezen! Bij God, ons plan is zoo goed, als er ooit een plan beraamd is; onze vrienden trouw en standvastig: een goed plan, goede vrienden, en veelbelovend; een uitmuntend plan, zeer goede vrienden! welk een bevroren hart heeft die schavuit in het lijf! Wat! Mylord van York keurt het plan en het algeheele beloop van den aanslag goed. Verdoemd, als ik nu bij dien schurk was, kon ik hem met zijn vrouws waaier de hersens inslaan. Is mijn vader er niet bij, en mijn oom, en ikzelf? Lord Edmund Mortimer, mylord van York en Owen Glendower? En is bovendien Douglas er niet bij? Heb ik niet al hun brieven, dat zij zich gewapend met mij zullen vereenigen op den negenden der volgende maand? En zijn zij niet, enkelen van hen, reeds opgerukt? Wat voor een ongeloovige schurk is hij! een heiden! Ha! gij zult zien, in de volle openhartigheid van zijn angst en zijn kleinmoedigheid gaat hij naar den koning om hem al onze aanstalten bloot te leggen. O, ik kon mij splitsen en mijzelf afranselen, dat ik zulk een schotel afgeroomde melk tot zulk een edel werk heb willen bewegen! Aan de galg met hem; hij mag het den koning mededeelen; wij zijn gereed. Ik wil van avond op weg gaan. 38

(Lady Percy komt op.)

Hoe gaat het, vrouw? ik moet u binnen twee uren verlaten.

Lady Percy.

O mijn gemaal, wat zijt gij zoo alleen?

Om welke schuld ben ik sinds veertien dagen

Een vrouw, verbannen uit mijn Hendriks bed?

Zeg, lieve man, wat is het? wat ontrooft

U eetlust, vreugde en uwen gulden slaap?

Waarom slaat gij uw oogen zoo ter aard

En schrikt zoo vaak, als gij alleen zit, op?

Waarom verloort gij ’t frissche bloed der wangen,

En schonkt mìjn rijk bezit, mijn recht op u,

Aan dofziend peinzen en verfoeilijk zwartzien?

Ik heb u in uw halven slaap bespied,

En hoorde steeds van ijz’ren krijg u momplen,

Uw steigrend ros met ruiterwoord en sporen,

En roepen: “Op! ten strijde!” Telkens spraakt gij

Van uitval, van terugtocht, schansen, tenten,

Redoeten, halve manen, parapets,

Veldslangen, gotelingen en kanonnen,

Gevangnen-vrijkoop en verslagen krijgers,

Van heel de wiss’ling van een heeten strijd.

Uw geest in u was zoozeer bij den krijg,

En heeft u zoo in uwen slaap verhit,

Dat parels zweet u op het voorhoofd stonden,

Als blazen op een pas verwoeden stroom;

En uw gelaat verried een vreemde ontroering,

Gelijk een man zijn adem inhoudt, als hem

Een grootsch bevel verrast. Wat teek’nen zijn dit?

Een zware taak nam mijn gemaal zich voor,

En weten moet ik ’t, of hij mint mij niet.

Heetspoor.

Heidaar!

(Een Bediende komt op.)

Heidaar! Is Gilliams weg met het pakket?

Bediende.

Sinds ruim een uur, mylord.

Heetspoor.

En Butler,—bracht hij paarden van den sheriff?

Bediende.

Één paard, mylord, bracht hij zoo even hier.

Heetspoor.

Welk paard? een vos, een kortoor, zoo ik hoop?

Bediende.

Die is ’t, mylord.

Heetspoor.

Die is ’t, mylord. Dien vos kies ik tot troon.

Goed, ik bestijg hem daad’lijk. Espérance!

Zeg Butler, dat hij in het park hem voorbreng’.

(De Bediende af.)

Lady Percy.

Maar hoor toch, mijn gemaal!

Heetspoor.

Wat is ’t, mijn gemalin?

Lady Percy.

Wat voert u toch van hier?

Heetspoor.

Wat anders, lieve, dan mijn paard, mijn paard? 79

Lady Percy.

Och kom, wat apenfratsen!

Een wezel zelfs heeft zooveel grillen niet,

Als die ù plagen. Op mijn woord, ik wil

Uw plannen weten, Hendrik; ja, ik wil ’t.

Mijn broeder Mortimer, dit vrees ik, roert zich,

En maakt weer aanspraak, en zond u zijn boden,

Dat gij zijn plannen stijft. Doch gaat gij, lieve,—

Heetspoor.

Zoo ver te voet, dan, lieve, word ik moede.

Lady Percy.

Kom, kom, gij papegaai, geef op die vraag,

Die ik u heb gedaan, mij rondweg antwoord.

Ik zeg u, ’k zal de pink u breken, Hendrik,

Als gij niet alles eerlijk mij vertelt.

Heetspoor.

Weg, weg,

Speelsch kind!—Wat, lieve!—Lief heb ik u niet,

Zie thans niet naar u om. Dit is geen tijd

Voor poppenspel, voor stoeien met de lippen;

Neen, neuzen deuken, koppen klieven, kronen

Inkerven en toch in betaling nemen

Voor schuld, dat is ons spel.—Vervloekt, mijn paard!—

Wat zegt gij, kind, wat wilt gij nog van mij?

Lady Percy.

Hebt gij mij niet meer lief? niet lief meer, waarlijk?

Goed, laat het. Maar, hebt gij mij niet meer lief,

Ik ook mijzelf niet. Hebt gij mij niet lief?

O, zeg, spreekt gij in scherts nu, of in ernst?

Heetspoor.

Kom, wilt gij mij zien rijden?

Zit ik te paard, dan wil ik zweren, vrouw,

Dat ik u eindloos liefheb. Doch, hoor dit:

Ik wil niet, dat gij in ’t vervolg mij uitvraagt,

Waarheen ik ga, of raden wilt, waartoe.

Waarheen ik gaan moet, moet ik, en, kortom,

Ik moet van avond u verlaten, beste.

Ik weet wel, gij zijt wijs, maar toch, niet wijzer

Dan Hendrik Percy’s vrouw; standvastig zijt gij,

Maar toch een vrouw; wat zwijgen aangaat, acht ik

Geen edelvrouw meer dicht, want ik geloof,

Dat gij niet klappen zult, wat gij niet weet;

En zoover wil ik u vertrouwen, beste.

Lady Percy.

Zoo ver? niet verder?

Heetspoor.

Geen duimbreed verder. Doch verneem nu, Kaatje:

Waar ik naar toe ga, volgt gij mij welras;

Ik ga vandaag vertrekken, morgen gij.

Nu zijt gij toch tevreden?

Lady Percy.

Nu zijt gij toch tevreden? ’k Moet het zijn.

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Eastcheap. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd”.

Prins Hendrik komt op.

Prins Hendrik.

Om ’s hemels wil, Edu, kom uit die smerige kamer, en help mij eens wat lachen.

(Poins komt op.)

Poins.

Waar zijt gij geweest, Hein?

Prins Hendrik.

Met drie of vier ezelskoppen tusschen drie of vier dozijn okshoofden. Ik heb op de allerlaagste snaar van nederigheid gespeeld. Mensch, ik ben nu gezworen broeder van een’ koppel tappersknechts en kan ze allen bij hun doopnamen noemen: Tom, Frits en Frans. Zij verpanden er reeds hun zaligheid voor, dat ik, hoewel slechts kroonprins, toch de koning der wellevendheid ben, en zeggen mij ronduit, dat ik geen hoogmoedige Hans ben, zooals Falstaff, maar een Corinthiër, een brave kerel, een goede jongen,—bij God, zoo noemen zij mij,—en als ik eens koning van Engeland ben, zal ik alle wakkere kerels in Eastcheap tot mijn beschikking hebben. Sterk drinken noemen zij scharlaken verven, en als iemand bij het doorspoelen even ademhaalt, roepen zij: “hum, hum!” en zeggen u door te gaan. Kortom, ik heb het in een kwartier uur zoo ver gebracht, dat ik mijn leven lang met elken ketellapper in zijn eigen taal drinken kan. Ik zeg u, Edu, veel eer is u ontgaan, dat gij niet met mij bij deze heldendaad geweest zijt. Maar, mijn zoetelief, mijn Edu,—om dien naam van Edu te zoeten, geef ik je dit stuiverszaksken suiker, dat mij zoo even een ondertapper in de hand gedrukt heeft, zoo een, die van zijn leven geen ander Engelsch gesproken heeft dan:—“acht schellingen, zes stuivers,” en—“goeden avond,” met het uitgegilde vervolg:—“dadelijk, Heer, dadelijk! Een pint muskaat voor de Halvemaanskamer opschrijven”, of zoo iets. Maar Edu,—om ons den tijd te verdrijven, totdat Falstaff komt,—ga gij eens in een kamer hierbij, terwijl ik mijn kleinen tappersjongen afvraag, waarom hij mij de suiker gegeven heeft, en roep gij onophoudelijk “Frans!”, zoodat hij bij mij niets anders kan uitbrengen, dan—“dadelijk!” Ga ter zijde en ik laat u een toonbeeld zien.

(Poins gaat in een zijvertrek.)

Poins

(van binnen). Frans!

Prins Hendrik.

Gij zijt volleerd.

Poins

(van binnen). Frans!

(Frans komt op.)

Frans.

Dadelijk, heer, dadelijk!—Ralf, help gij beneden in de Granaatkamer.

Prins Hendrik.

Kom hier, Frans.

Frans.

Mylord?

Prins Hendrik.

Hoe lang heb je hier te dienen, Frans? 45

Frans.

Om de waarheid te zeggen, vijf jaar, en zoolang, tot—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, heer, dadelijk!

Prins Hendrik.

Vijf jaar! Bij onze lieve Vrouwe, een langen tijd om met tinnen kroezen te klepperen! Maar zeg eens, Frans, zou je wel het hart hebben, om tegenover je verbintenis voor lafaard te spelen, en haar een fraai paar hielen te laten zien, en voor haar op den loop te gaan?

Frans.

Heere mijn tijd, mylord, ik zou op alle boeken in Engeland durven zweren, dat ik het hart zou hebben,—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, Heer, dadelijk!

Prins Hendrik.

Hoe oud ben je, Frans?

Frans.

Laat zien;—komenden Sinte Michiel zal ik—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, heer!—Een amerijtje geduld, mylord!

Prins Hendrik.

Neen, maar hoor eens, Frans! Die suiker, die je straks gegeven hebt,—het was voor een stuiver, niet waar?

Frans.

O, prins, ik wenschte, dat het er voor twee geweest was!

Prins Hendrik.

Ik wil er je duizend pond voor geven; vraag er mij om, wanneer je wilt, en je zult het hebben.

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, dadelijk!

Prins Hendrik.

Dadelijk, Frans? Neen, Frans; maar morgen, Frans; of, Frans, Donderdag; of, wezenlijk, Frans, wanneer je wilt. Maar, Frans,—

Frans.

Mylord?

Prins Hendrik.

Wil je hèm bestelen, hèm met leêren wambuis, kristallen knoopen, met ronden knikker, agaten ring, vlookleurige kousen, gekeperde kniebanden, gladde tong, dikke pens,—

Frans.

Hemelsche goedheid, wien meent gij, Heer? 81

Prins Hendrik.

Zie, daarom is bruine muskaat je eenige drank; want, zie je, Frans, je wit linnen kamizool zal smerig worden. In Barbarije, vriend, kan het zoo duur niet wezen.

Frans.

Wat, Heer?

Poins

(van binnen). Frans!

Prins Hendrik.

Weg, deugniet! Hoor je niet, dat er geroepen wordt?

(Terwijl Frans weggaat, roepen hem beiden; hij staat verbluft, en weet niet, welken kant hij uit zal gaan.)

(De Tapper komt op.)

Tapper.

Wat, sta je hier te kijken, terwijl je zoo hoort roepen? Ga, zie naar de gasten binnen. (Frans af.) Mylord, de oude Sir John en nog een half dozijn staan voor de deur, zal ik ze binnenlaten?

Prins Hendrik.

Laat hen nog een oogenblik staan en doe dan de deur open. (De Tapper af.)—Poins!

(Poins komt weer op.)

Poins.

Dadelijk, Heer, dadelijk.

Prins Hendrik.

Jongen, Falstaff en die andere spitsboeven staan voor de deur. Willen wij ons eens recht vroolijk maken?

Poins.

Zoo vroolijk als krekels, kerel. Maar hoor, welk een kostelijk spel heb je daar met dien jongen gespeeld! Maar wat nu verder?

Prins Hendrik.

Ik ben nu gestemd tot alle kluchten, die ooit kluchtig gebleken zijn van de stokoude dagen van bestevaâr Adam af tot den zuigelingsleeftijd van ditzelfde middernachtsuur toe. (Hij roept.)

Hoe laat is het, Frans?

(Frans komt weer op.)

Frans.

Dadelijk, Heer, dadelijk.

(Frans af.)

Prins Hendrik.

Hoe kan die knaap minder woorden hebben dan een papegaai, en toch de zoon wezen van een vrouwmensch? Zijn bezigheid is—trap op, trap af,—zijn welsprekendheid, het optellen van verteringen.—Ik ben nog niet gestemd als Percy, de Heetspoor van het noorden, die je zijn zes of zeven dozijn Schotten voor zijn ontbijt ombrengt, zijn handen wascht en tot zijn vrouw zegt: “Foei, wat een stil leventje! ik verlang naar werk.” “O, mijn lieve Hendrik,” zegt zij, “hoe velen hebt gij er vandaag omgebracht?” “Geef mijn roodvos te drinken;” zegt hij, en antwoordt “een stuk of veertien,” een uur later, “een kleinigheid, een kleinigheid.”—Ik bid u, roep Falstaff binnen; ik zal Percy spelen, en die vervloekte paaschos moet voor Dame Mortimer, zijn vrouw, spelen. “Rivo”, zegt de dronkaard. Roep het ribbenstuk, roep den vetklomp binnen. 25

(Falstaff, Gadshill, Bardolf en Peto komen op, en ook Frans.)

Poins.

Welkom, Hans, waar ben je geweest?

Falstaff.

Haal’ de pest alle laf bekken, zeg ik, en sla hen de donder bovendien! Ja en amen!—Geef mij een beker sek, jongen!—eer ik langer zoo’n leven leid, wil ik liever kousen breien en ze mazen en verhielen ook. Haal’ de pest alle lafbekken!—Geef mij een beker sek, schelm!—Is er in ’t geheel geen deugd meer op aarde?

(Frans brengt hem wijn; hij drinkt.)

Prins Hendrik

(tot Poins). Heb je nooit gezien, hoe Phoebus een schaal boter kuste,—de weekhartige Phoebus,—en hoe de boter bij de zoete woordjes van den Zonnegod smolt? Heb je het wel eens gezien, zie dan nu deze massa eens aan.

Falstaff.

Jij schelm, daar is nu ook kalk in deze sek; niets dan schurkerij is er te vinden bij booze menschen. (Frans af.) Maar een lafaard is nog erger dan een beker sek met kalk; zulk een schurkachtige lafaard!—Ga voort op uw weg, oude Hans; sterf als gij wilt. Als manhaftigheid, echte manhaftigheid niet van het aangezicht der aarde verdwenen is, ben ik een ijle haring. In heel England leven geen drie echte mannen, die niet gehangen zijn, en een van hen is vet en wordt oud. God beter’ ’t! een slechte wereld, zeg ik. Ik wenschte, dat ik een wever was; ik zou psalmen kunnen zingen of wat ook. De pest hale alle lafbekken, zeg ik nog eens.

Prins Hendrik.

Komaan, wolbaal, wat brom je daar zoo in je baard?

Falstaff.

Een koningszoon! Als ik je niet uit je koninkrijk jaag met een houten zwaard, en al je onderdanen voor je uitdrijf als een zwerm wilde ganzen, wil ik nooit meer een haar op mijn gezicht dragen. Gij een prins van Wales!

Prins Hendrik.

Nu, jij schandalige rolpens, wat heb je dan?

Falstaff.

Ben je niet een lafaard?—geef daar eens antwoord op,—en Poins daar ook?

Poins.

Alle duivels, jij vetklomp, als je mij een lafaard noemt, steek ik je dood.

Falstaff.

Ik je een lafaard noemen! Ik wil jou verdoemd zien, eer ik je een lafaard noem; maar ik gaf wel duizend pond, als ik zoo hard kon loopen als jij. Je bent recht genoeg in de schouders en het kan je niet schelen, wie je rug ziet; noem je dat, je vrienden den rug dekken! De pest haal’ zulke ruggevrienden! geef er mij, die mij het gelaat toekeeren!—Geef mij een beker sek; ik ben een schelm, als ik vandaag iets over mijn lippen heb gehad. 169

Prins Hendrik.

O schurk, je hebt ze nog niet afgeveegd na den laatsten dronk.

(Frans brengt wijn en gaat weer heen.)

Falstaff.

Het komt op hetzelfde neer. (Hij drinkt.) De pest hale alle lafaards, zeg ik nog eens.

Prins Hendrik.

Wat is er dan toch?

Falstaff.

Wat er is? er zijn er hier vier onder ons, die van morgen vroeg een duizend pond hebben buitgemaakt.

Prins Hendrik.

Waar is het, Hans? waar is het?

Falstaff.

Waar het is! ons afgenomen is het; omtrent honderd tegen onze armzalige vier.

Prins Hendrik.

Wat! een honderd, mensch?

Falstaff.

Ik ben een schelm, als ik niet met een dozijn van hen op een halve degenlengte geweest ben, twee uren aan één stuk. Door een wonder heb ik er het leven afgebracht. Ik heb acht stooten door mijn wambuis gekregen, vier door mijn hozen; mijn schild is door en door gehouwen, mijn zwaard ingehakt, als een handzaag; ecce signum. Sinds ik man ben, heb ik mij nooit beter gehouden; maar het mocht niet baten. De pest hale alle lafaards!—Laten zij spreken! als zij aan de waarheid iets toe- of afdoen, zijn zij schurken en zonen der duisternis.

Prins Hendrik.

Spreekt, mannen; hoe ging het toe?

Gadshill.

Wij met ons vieren overvielen een goed dozijn—

Falstaff.

Zestien ten minste, mylord.

Gadshill.

En knevelden ze.

Peto.

Neen, neen, zij werden niet gekneveld.

Falstaff.

Jij schelm, ze werden gekneveld, man voor man, of ik wil een jood wezen, een Hebreeuwsche jood.

Gadshill.

Toen wij aan het deelen waren, overvielen ons zes of zeven versche kerels,—

Falstaff.

En maakten de andren los, en toen kwamen de overigen.

Prins Hendrik.

Wat! hebt ge met die allen gevochten?

Falstaff.

Allen? ik weet niet, wat je allen noemt, maar als ik niet met een vijftig van hen gevochten heb, wil ik een bosje radijs wezen. Als de arme oude Hans er niet twee of drie en vijftig op den hals had, ben ik geen tweebeenig creatuur. 208

Prins Hendrik.

God geve, dat gij er niet enkelen naar de andere wereld gestuurd hebt.

Falstaff.

Ja, daar helpt geen bidden meer voor; ik heb het twee van hen ingepeperd; twee, dit weet ik zeker, heb ik het betaald gezet, twee schelmen in stijflinnen plunje. Ik zal je wat zeggen, Hein;—als ik je iets voorlieg, spuw me dan in het gezicht, noem mij een paard. Je kent mijn oude parade: zoo lag ik, en zoo hield ik mijn kling. Vier schelmen in stijflinnen drongen op mij aan;—

Prins Hendrik.

Wat, vier! Zoo op ’t oogenblik zei je twee.

Falstaff.

Vier, Hein; ik sprak van vier.

Poins.

Ja, ja, hij zei vier.

Falstaff.

Die vier kwamen allen recht op mij af en deden als één man een uitval tegen mij. Ik maakte er mij niet druk mee, maar ving hun zeven spitsen alle met mijn schild op,—zóó.

Prins Hendrik.

Zeven? Daar pas waren het er nog maar vier.

Falstaff.

In stijflinnen?

Poins.

Ja, vier, in stijflinnen plunje.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Falstaff.

Zeven, bij dit gevest, of ik wil een schelm zijn.

Prins Hendrik.

Ik bid je, laat hem begaan; op ’t oogenblik krijgen wij er nog meer.

Falstaff.

Luister je, Hein?

Prins Hendrik.

Ja, en ik let goed op, Hans.

Falstaff.

Doe dat; het is het luisteren wel waard. Die negen in stijflinnen, waar ik van sprak,—

Prins Hendrik.

Zoo, alweer twee meer.

Falstaff.

Toen ik er met mijn kling goed op had losgeveterd,—

Poins.

Zakten hun hozen af.

Falstaff.

Begonnen ze te wijken; maar ik hen achterna, ik overviel hen en in een ommezien had ik het er zeven van de elf betaald gezet.

Prins Hendrik.

O ontzettend, elf stijflinnen kerels uit twee gegroeid!

Falstaff.

Maar, alsof de duivel in het spel was, vielen er drie misbakken spitsboeven in groen laken mij in den rug en hieuwen er op in;—want het was zoo donker, Hein, dat men geen hand voor oogen zien kon;— 248

Prins Hendrik.

Die leugens zijn even als de vader, die haar verwekt, groot en breed als een berg, in het oog vallend, tastbaar. Zeg eens, jij onthersende rolpens, jij knoestkoppige dwaas, jij afschuwelijk, glibberig, smerig talkvat,—

Falstaff.

Wat ben je dol? ben je dol? wat waar is, is waar.

Prins Hendrik.

Wel, hoe kon je die kerels in groen laken onderscheiden, als het zoo donker was, dat je geen hand voor oogen kondt zien? Kom aan, verklaar dat eens, geef je gronden eens op.

Poins.

Kom, je gronden, Hans, je gronden!

Falstaff.

Wat! gedwongen? Neen; al ware ik aan de wipgalg of op alle pijnbanken ter wereld, gedwongen zou ik niets zeggen. Gronden geven bij dwang! Al waren er gronden zoo overvloedig als bramen, van mij zou niemand een grond door dwang vernemen, van mij niet.

Prins Hendrik.

Ik wil niet langer deel hebben aan deze zonde; deze volbloedige lafaard, deze bedplatdrukker, deze paarderugbreker, deze verbazende vleeschberg,—

Falstaff.

Stilgezwegen, jij hongerlijder, jij aalshuid, jij gedroogde kalfstong, jij bullepees, jij stokvisch,—O, had ik maar adem genoeg om te zeggen, waar je op gelijkt!—jij snijdersel, jij degenscheê, jij boogfoedraal, jij erbarmelijk, rechtopstaand rapier,—

Prins Hendrik.

Wacht even, kom op adem. en begin dan weer; en als je uitgeput bent van, slechte vergelijkingen, luister dan eens naar wat ik zeg.

Poins.

Let op, Hans.

Prins Hendrik.

Wij tweeën zagen jullie vieren vier man aanvallen en knevelen, en je waart meester van hun goed. Let nu op, hoe een eenvoudig verhaal je te schande zal maken!—Toen overvielen wij tweeën jullie vieren, en snauwden je met een enkel woord van je buit weg, en hebben dien, ja, en kunnen je dien hier in huis toonen.—En jij, Falstaff, hebt daarbij je pens zoo vlug meegesleept, met zulk een snelle behendigheid, en om genade gebulkt, en in eens doorgeloopen en gebulkt, als ik ooit een bulkalf heb hooren doen. Wat voor een deugniet ben je, je zwaard in te hakken, zooals je gedaan hebt, en dan te zeggen, dat het van ’t vechten is gekomen! Wat voor een streek, wat uitvlucht, wat schuilhoek kun je nu uitvinden; om je voor deze openlijke en klaarblijkelijke schande te versteken?

Poins.

Komaan, laat hooren, Hans! wat voor een streek heb je nu? 294

Falstaff.

Bij God, ik kende je zoo goed als hij, die je gemaakt heeft. Nu, hoort gij mij aan, mannen! Kon het in mij opkomen, den vermoedelijken troonopvolger om te brengen? Kon ik mij tegen den echten prins te weer stellen? Je weet, ik ben zoo dapper als Hercules;—maar heb ontzag voor het instinct; de leeuw roert den echten prins niet aan. Instinct is een groote zaak; ik was lafaard uit instinct. Ik zal levenslang nu des te beter van mijzelf en van jou denken, van mij als een dapperen leeuw, van jou als een echten prins.—Maar, bij God, jongens, ik ben blij, dat je het geld hebt.—Waardin, de deuren toe! heden, gewaakt, morgen gebeden!—Brave kerels, broeders, jongens, harten van goud, alle titels van goede kameraadschap voor je! Hoe is het? willen we pret maken? willen we voor de vuist een komedie spelen?

Prins Hendrik.

Aangenomen;—en het onderwerp zal wezen: je wegloopen.

Falstaff.

O, niets meer daarover, Hein, als je mij liefhebt.

(De Waardin komt op.)

Waardin.

O Jezus! genadige heer prins,—

Prins Hendrik.

Hoe is het, mevrouw de waardin? Wat heb je mij te zeggen?

Waardin.

Genadige heer, daar is een edelman van het hof aan de deur, die u wil spreken; hij zegt, dat uw vader hem iets opgedragen heeft.

Prins Hendrik.

Dan is het een koninklijk maal; zend hem terug, dat hij mijn moeder er op vraag’.

Falstaff.

Wat soort van een man is het?

Waardin.

Een oud man.

Falstaff.

Wat doet de deftigheid te middernacht uit haar bed?—Zal ik hem te woord staan?

Prins Hendrik.

Ja, doe dat; gaarne, Hans.

Falstaff.

Op mijn woord, ik zal hem wel afschepen.

(Falstaff af.)

Prins Hendrik.

Nu, bij onze lieve vrouw, kerels, jullie hebt wakker gevochten,—jij ook, Peto,—jij ook, Bardolf; je bent ook leeuwen, je liep weg uit instinct, je zoudt den echten prins niet willen aanroeren, vooral niet,—o foei!

Bardolf.

Op mijn woord, ik liep, omdat ik de anderen zag loopen.

Prins Hendrik.

Kom aan, biecht mij nu eens oprecht, hoe kwam Falstaff’s degen zoo geschaard?

Peto.

Wel, hij hakte er op met zijn dolk, en zeide, dat hij de waarheid Engeland uit zou zweren, maar hij zou u doen gelooven, dat het van ’t vechten gekomen was, en hij haalde ons over hetzelfde te doen. 339

Bardolf.

Ja, en onze neuzen met scherp gras te kittelen om ze aan het bloeden te brengen, en er dan onze kleederen mee te besmeren, en te zweren, dat het bloed was van eerlijke luî. Ik deed, wat ik in zeven jaar niet gedaan had,—ik bloosde, toen ik zijn afschuwelijke invallen hoorde.

Prins Hendrik.

O jij spitsboef! jij hebt achttien jaar geleden een beker sek gestolen en werdt op heeter daad gegrepen, en sedert heb je altijd ex tempore gebloosd. Je hadt vuur, en aan je zijde een zwaard, en toch liep je weg; welk instinct hadt je daartoe?

Bardolf

(op zijn gelaat wijzende). Mylord, ziet gij die verschietende sterren, ziet gij die vuurvlammen?

Prins Hendrik.

Ja zeker.

Bardolf.

Wat denkt gij wel, dat zij aanduiden?

Prins Hendrik.

Een heete lever en een koude beurs.

Bardolf.

Gal, genadige heer, als men ’t naar eisch vat.

Prins Hendrik.

Een galg, man, als men je naar eisch vat.

(Falstaff komt weder op.)

Daar komt schrale Hans, daar komt Klapperbeen.—Nu, mijn allerliefste watten popje! hoe lang is het geleden, Hans, dat je je eigen knie gezien hebt?

Falstaff.

Mijn eigen knie? toen ik van uw jaren was, Hein, was ik om het lijf niet zoo dik als een adelaarsklauw; ik had kunnen kruipen door den duimring van iederen alderman. Naar den duivel met kommer en zuchten, dat blaast een mensch op als een blaas.—Er is schurkachtig nieuws in omloop; Sir John Bracy was daar van uw vader; gij moet morgen vroeg naar het hof. Die bewuste dolle kerel in het noorden, Percy, en hij uit Wales, die eens den boozen geest Amaimon stokslagen gaf, en Lucifer horens opzette, en den duivel als echten vazal in den eed nam op het kruis van een Wallisische hellebaard,—wat weêrgâ, hoe heet hij ook?

Poins.

O! Glendower.

Falstaff.

Owen, Owen, dezelfde;—en zijn schoonzoon Mortimer, en de oude Northumberland, en die vurige Schot der Schotten, Douglas, die in snellen loop te paard een loodrechten berg opgaat,—

Prins Hendrik.

Die in sterken galop met zijn pistool een musch in de vlucht doodschiet.

Falstaff.

Je hebt het getroffen. 381

Prins Hendrik.

Maar hij nooit de musch.

Falstaff.

Nu, die schelm heeft een hart in ’t lijf; die gaat niet loopen.

Prins Hendrik.

Wat voor een schelm ben je dan, die hem om zijn snellen loop zoo roemt?

Falstaff.

Te paard, jij uilskuiken; te voet wijkt hij geen voet van zijn plaats.

Prins Hendrik.

Toch wel, Hans, uit instinct.

Falstaff.

Dat geef ik toe, uit instinct. Nu, die is er ook bij, en een zekere Mordake, en nog wel een duizend blauwmutsen bovendien. Worcester heeft zich bij nacht uit de voeten gemaakt; uws vaders baard is op de tijdingen wit geworden; gij kunt land nu even goedkoop koopen als stinkende makreelen.

Prins Hendrik.

Nu, dan, als er een heete Juni komt en deze burger-kloppartij aanhoudt, zullen wij waarschijnlijk maagdommen koopen als hoefnagels, bij het gros.

Falstaff.

Sacrament, jongen, je hebt gelijk; in dat opzicht zullen wij denkelijk goede zaken doen.—Maar zeg mij, Hein, zit je niet schrikkelijk in den brand? Je bent troonopvolger, en kan nu de heele wereld je nog eens drie zulke tegenstanders uitpikken als dien duivel Douglas, dat hellekind Percy, en dien boozen geest Glendower? Zit je niet verschrikkelijk in den brand? rilt je bloed er niet van?

Prins Hendrik.

In het minst niet, op mijn eer! daartoe zou ik iets van dat instinct van jou moeten hebben.

Falstaff.

Nu, je zult er morgen verschrikkelijk langs krijgen, als je bij je vader komt; als je mij lief hebt, bedenk dan te voren een antwoord.

Prins Hendrik.

Goed, stel jij dan mijn vader voor, en neem mij over mijn levenswandel in ’t verhoor.

Falstaff.

Moet ik?—Het zij zoo.—Deze stoel zal mijn troon zijn, deze dolk mijn scepter en dit kussen mijn kroon.

Prins Hendrik.

Je troon is niet beter dan een vouwstoel, je gouden scepter dan een looden dolk, en je kostelijke, rijke kroon dan een armzalige kale kruin.

Falstaff.

Wacht maar, als er nog een sprankje genade in je leeft, zult ge nu geroerd worden.—Geef mij een beker sek, opdat mijn oogen rood zien, en men denke, dat ik geweend heb; want ik moet diep bewogen spreken, en dat wil ik doen, op de manier van koning Cambyses.

(Hij drinkt.)

Prins Hendrik.

Goed; hier is mijn strijkvoet.

Falstaff.

En hier mijn toespraak.—Treedt ter zijde, bloem van mijn adel! 429

Waardin.

O Jezus! dat is een kostelijke grap!

Falstaff.

Ween niet, o koningin! vergeefsch is tranendropp’ling.

Waardin.

Jezus Maria! wat neemt hij een houding aan!

Falstaff.

Lords, leidt mijn droeve koningin ter zij; Want leed verstopt de sluizen van haar oogen.

Waardin.

O Jezus! hij doet als die minnekoozerijspelers zoo goed als ik ooit maar zien kan!

Falstaff.

Stil, goede pintkan! stil, vrouw Spraakwater!—Hendrik, mij verbaast niet alleen, waar gij uw tijd doorbrengt, maar ook met wie gij omgaat; want ofschoon de kamille, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit, is toch de jeugd, hoe meer men ze verspilt, des te sneller versleten. Dat gij mijn zoon zijt, daarvoor heb ik deels de verzekering van uw moeder, deels mijn eigen meening, maar voornamelijk een schurkachtigen trek in uw oog, en een onnoozel hangen van uw onderlip als borg er voor. Als gij dus mijn zoon zijt,—nu kom ik tot mijn doel,—waarom wordt gij, als gij mijn zoon zijt, het doelwit van ieders vinger? Moet de roemrijke zon des hemels een struikdief worden en bramen eten? Een vraag, die niet gedaan mag worden. Moet de zoon van Engeland een nachtdief worden en beurzen snijden? Een vraag, die wel gedaan moet worden. Er is één ding, Hendrik, waar gij meermalen van gehoord hebt, en het is aan velen in ons land bekend onder den naam van pik; dit pik pleegt, zooals oude schrijvers berichten, te besmetten; zoo doet ook het gezelschap, waar gij meê verkeert; want, Hendrik, nu spreek ik tot u, niet in mijn dronk, maar in tranen, niet in vermaak, maar in droefenis, niet enkel in woorden, maar ook in zorgen.—En toch is er een deugdzaam man, dien ik meermalen in uw gezelschap heb opgemerkt, maar ik weet zijn naam niet.

Prins Hendrik.

Wat voor een soort van man, als het uwe majesteit belieft? 463

Falstaff.

Een welgemaakt, deftig man, dat moet ik zeggen, en wat zwaarlijvig; met een opgeruimden blik, een innemend oog en een zeer waardige houding; en, naar ik vermoed, in de vijftig, of, als God wil, bij de zestig; en,—nu valt mij in,—zijn naam is Falstaff. Als die man tot uitspattingen kan overhellen, dan bedriegt hij mij; want, Hendrik, ik lees deugd in zijn oogopslag. Wanneer dus de boom aan zijn vruchten te kennen is, zoowel als de vrucht aan den boom, dan zeg ik bepaald en stellig: er is deugd in dien Falstaff; houd u aan hem en verban de anderen. En zeg mij nu, gij nietswaardige deugniet, zeg mij, waar hebt gij de geheele maand gezeten?

Prins Hendrik.

Spreekt gij als een koning? Ga gij voor mij staan, en ik zal mijn vader spelen.

Falstaff.

Mij afzetten? Als gij het half zoo statig, zoo majestueus doet, zoo in woord als daad, hang mij dan bij de hielen op, als een zuigkonijntje of een gevilde haas.

Prins Hendrik.

Goed, hier zit ik.

Falstaff.

En hier sta ik.—Oordeelt nu, mannen.

Prins Hendrik.

Zoo, Hendrik, van waar komt ge?

Falstaff.

Mijn hooge vader, van Eastcheap.

Prins Hendrik.

De klachten, die ik over u hoor, zijn grievend.

Falstaff.

Alle duivels, mylord, ze zijn valsch.—O, ik zal u een lief, jong prinsje laten zien, waarachtig!

Prins Hendrik.

Vloekt gij, goddelooze knaap? kom mij voortaan nimmer meer onder de oogen. Gij laat u met geweld wegsleuren van de genade; er is een duivel, die om u waart in de gedaante van een vetten, ouden man; een ton van een man is uw kameraad. Waarom verkeert gij met die kist vol grillen, dien builtrog van dierlijkheid, die opgeblazen baal waterzucht, dien grooten wijnzak met sek, dat volgepropte darmenvalies, dien gebraden kermisos met den podding in ’t lijf, die eerwaardige ondeugd, die grijze verdorvenheid, dien vader losbol, die ijdelheid op jaren? Waarin is hij goed, dan in het sek proeven en drinken? waarin net en keurig, dan in het kapuinen voorsnijden en eten? waarin knap, dan in list en bedrog? waarin listig, dan in schurkerij? waarin schurkachtig, dan in alles? waarin achtenswaardig, dan in niets?

Falstaff.

Ik wenschte, dat uw genade mij op de hoogte bracht. Wien meent uwe genade?

Prins Hendrik.

Dien schurkachtigen verfoeilijken verleider der jeugd, Falstaff, dien ouden, witbaardigen satan.

Falstaff.

Mylord, dien man ken ik. 510

Prins Hendrik.

Ik weet, dat gij hem kent.

Falstaff.

Maar als ik zeide, dat ik meer kwaad van hem weet, dan van mijzelf, zou ik meer zeggen, dan ik weet. Dat hij oud is, God zij het geklaagd, zijn witte haren getuigen het; maar dat hij, met verlof van uwe genade, een hoerenjager zou wezen, dit ontken ik ten sterkste. Als sek met suiker boos is, dan sta God de zondaars bij! Als oud en vroolijk zijn zonde is, dan is menig oude waard, dien ik ken, verdoemd; als vet te zijn hatenswaardig is, dan zijn Pharao’s magere koeien beminnelijk. Neen, mijn beste heer, verban Peto, verban Bardolf, verban Poins; maar dien lieven Hans Falstaff, dien goeden Hans Falstaff, dien trouwen Hans Falstaff, dien dapperen Hans Falstaff,—en daarom te dapperder, omdat hij de oude Hans Falstaff is, zooals hij is,—verban dien niet uit het gezelschap van uw Hendrik; verban dien dikken Hans, en gij verbant de geheele wereld.

(Er wordt geklopt; de Waardin, Frans en Bardolf af.)

(Bardolf komt weder binnenstormen.)

Bardolf.

O mylord, mylord! de sheriff, met een allervervaarlijkste wacht, staat voor de deur.

Falstaff.

Weg, gij schelm!—Speel het spel ten einde, ik heb nog veel te zeggen ten gunste van dien Falstaff.

(De Waardin komt terug.)

Waardin.

O Jezus! Mylord, mylord!—

Prins Hendrik.

Ho, ho! de duivel rijdt op een strijkstok. Wat is er aan de hand?

Waardin.

De sheriff en zijn geheele wacht staan voor de deur; zij komen hier huiszoeking doen; moet ik ze binnenlaten?

(De Prins schijnt te willen toestemmen.)

Falstaff.

Hoor eens, Hein! Noem een echt goudstuk nooit een valsche munt; gij zijt in waarheid dol, al schijnt gij het niet.

Prins Hendrik.

En gij een geboren lafaard, zonder instinct.

Falstaff.

Uw gevolg wijs ik af; wilt gij dien man met gevolg afwijzen, goed; zoo niet, laat hem binnenkomen. Als ik op de kar niet een even goed figuur maak als eenig ander, dan hale de duivel mijn opleiding! Ik hoop, dat een strop het even kort met mij maakt als met eenig ander.

Prins Hendrik.

Ga, verberg u achter het wandtapijt; de anderen moeten naar boven gaan. Nu, mannen, een eerlijk gezicht en een goed geweten!

Falstaff.

Die heb ik alle twee eens gehad; maar hun tijd is er geweest, en daarom wil ik mij versteken. 553

(Allen af, behalve de Prins en Poins.)

Prins Hendrik.

Roep den sheriff binnen.

(De Sheriff en een Voerman komen op.)

Nu, meester Sheriff, wat is uw verlangen?

Sheriff.

Vooreerst verschooning, eed’le prins. Een oploop

Heeft enkle lieden tot dit huis vervolgd.

Prins Hendrik.

Wie zijn die lieden?

Sheriff.

Één hunner is genoeg bekend, mijn prins;

Een zware, vette man.

Voerman.

Een zware, vette man. Zoo vet als boter.

Prins Hendrik.

Die man, kan ik verzeek’ren, is hier niet,

Daar ik juist zelf hem in mijn dienst gebruik.

Doch, sheriff, ik verpand mijn woord aan u,

Dat ik hem morgen middag tot u zend,

Om u, of wien ook, rekenschap te geven

Van alles, wat men hem ten laste legt;

Dus vraag ik u, dat gij dit huis verlaat.

Sheriff.

Terstond, mylord. Bij dezen straatroof hebben

Twee heeren ruim driehonderd mark verloren.

Prins Hendrik.

Dat moog’ zoo zijn. Als hij dien roof bedreef,

Het worde op hem verhaald;—en nu vaarwel!

Sheriff.

Genadig heer, een goede nacht!

Prins Hendrik.

’t Mag wel reeds “goeden morgen” zijn, niet waar?

Sheriff.

Ja, juist, mylord, ’t is over tweeën, meen ik.

(De Sheriff en de Voerman af.)

Prins Hendrik.

Die schelmachtige olieton is zoo bekend als de Paulskerk.—Ga, roep hem voor den dag.

Poins.

Falstaff!—Vast in slaap achter het tapijt, en snorkend als een paard.

Prins Hendrik.

Ja, hoor, hoe zwaar hij ademhaalt. Doorsnuffel zijn zakken eens. (Poins doet het.)—Wat hebt gij gevonden?

Poins.

Niets dan papieren, mylord.

Prins Hendrik.

Laat zien, wat het is; lees ze voor.

Poins

(leest).

Item, een kapoen 2 schelling 2 stuivers.
Item, saus 4 stuivers.
Item, sek, twee stoop 5 schelling 8 stuivers.
Item, ansjovis, en sek na ’t avondeten 2 schelling 6 stuivers.
Item, brood ½ stuiver.

Prins Hendrik.

Wel ontzettend! voor slechts een halven stuiver brood bij deze verschrikkelijke massa sek!—Wat daar verder nog is, steek het bij u; wij zullen dat bij gelegenheid wel eens lezen. Laat hem daar slapen tot het dag is. Ik wil morgen vroeg naar het hof; wij moeten allen in den oorlog, en gij zult een eervolle plaats krijgen. Ik zal dien vetten schelm een commando te voet verschaffen; en ik weet, dat een marsch van een paar honderd pas zijn dood zal zijn. Het geld zal met een goeden bijslag terugbetaald worden. Kom morgen bijtijds bij mij; en nu, goeden morgen, Poins!

Poins.

Goeden morgen, beste Heer!

(Beiden af.)