WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Vierde cover

Koning Hendrik de Vierde

Chapter 12: DERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

About This Book

Een verouderende koning worstelt met opstandige edelen terwijl zijn onberekenbare zoon tussen vorstelijke plichten en losbandig gezelschap zwerft, waarvoor een innige kameraad een komische tegenpool vormt. De handeling wisselt tussen hofpolitiek en uitbundige etablissementsscènes, en bouwt naar een conflict waarin eer, leiderschap en loyaliteit worden uitgedaagd. Rebellie en generatieclash raken verweven met vragen over legitimiteit en volwassenwording, terwijl scherpe dialogen en theatrale confrontaties zowel tragische spanning als komisch relief bieden.

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Bangor. Een vertrek in het huis van den Aartsdeken.

Heetspoor, Worcester, Mortimer en Glendower komen op.

Mortimer.

’t Verbond is zeker, de beloften schoon,

En heel ons voorspel vol van blijde hoop.

Heetspoor.

Lord Mortimer en neef Glendower, ik bid u,

Neemt plaats!—

Ook gij, oom Worcester!—Wat! de duivel haal’ mij!

Ik heb de kaart vergeten.

Glendower.

Ik heb de kaart vergeten. Neen, hier is zij.

Neem plaats, neef Percy; zet u, beste Heetspoor;

Wel best! want telkenmaal, dat Lancaster

Met dezen naam u noemt,

Verbleekt zijn wang, en met een diepen zucht

Wenscht hij u in den hemel.

Heetspoor.

U in de hel, zoo dikwijls Owen Glendower

Genoemd wordt in zijn bijzijn.

Glendower.

En wel te recht. Des hemels aanschijn was

In mijn geboortenacht vol vuurgestalten

En laaie toortsen; mijn verschijnen deed

Der aarde bouw en zwaren grondslag rillen

Gelijk een lafaard. 17

Heetspoor.

Wel, dat zou op dien zelfden tijd ook gebeurd zijn, als uw moeders kat jongen geworpen had, al waart gijzelf nooit geboren.

Glendower.

Ik zeg, dat de aard bij mijn geboorte rilde.

Heetspoor.

En ik zeg, de aard had niets van mijn natuur,

Als gij gelooft, dat zij, u vreezend, trilde.

Glendower.

De hemel stond in vlammen, de aarde beefde.

Heetspoor.

Dan rilde de aarde, wijl zij heel den hemel

In vuur zag, niet uit vrees om uw geboorte.

Niet zelden breekt een ziekte der natuur

In dolle krampen uit; de zwangere aard

Wordt vaak, als door koliek gekweld, genepen;

Lucht, damp, die woelt en werkt, is in haar schoot

Alsdan bekneld, en schokt, bevrijding zoekend,

Oudmoeder aarde, en stort aloude burgen

En torens neêr in puin. Bij uw geboorte

Werd onze bestemoêr door zulk een aanval

Van pijn geschokt.

Glendower.

Van pijn geschokt. Van vele mannen, neef,

Zou ik dien spot niet dulden. Sta mij toe,

Nog eens te zeggen, dat bij mijn geboorte

Het hemelwelf vol vuurgestalten was;

De geiten holden van ’t gebergt’, de kudden

Verschrikten door haar vreemde kreten ’t veld.

Die teekens stemp’len mij als ongemeen,

En heel de loop mijns levens toont, dat ik

Niet op de rol sta der gewone menschen.

Waar leeft de man,—omsloten door de zee,

Die Englands, Wales’ en Schotlands kusten beukt,—

Die iets mij leerde, mij zijn kweek’ling noemt?

Stel hèm voor mij, die, slechts een vrouwe-zoon,

Mij op de zware baan der kunst kan volgen,

Zich met mij meet in diepe wetenschap.

Heetspoor.

Dat niemand beter Welsch spreekt, neem ik aan.

Ik ga aan tafel.

Mortimer.

Stil toch, neef Percy, zóó maakt gij hem dol.

Glendower.

Ik roep uit woeste diepten geesten op. 52

Heetspoor.

Welnu, dat kan ik ook, dat kan een ieder;

Maar komen ze inderdaad, als gij hen roept?

Glendower.

Nu, ’k leer u, neef, den duivel te bezweren.

Heetspoor.

En ik u, neef, den duivel weg te bannen

Door waarheid; roep hem waarheid toe, hij vlucht.—

Vermoogt gij hem te roepen, breng hem hier,

Ik zweer, ik overmag hem, spot hem weg.

’t Gaat door; zeg hem de waarheid, en hij vlucht!

Mortimer.

Kom, kom;

Staakt dit gepraat, dat ons niet verder brengt.

Glendower.

Driemaal heeft Hendrik Bolingbroke den strijd

Met mijne macht gewaagd, en driemaal zond ik

Hem van de Wye en ’t zandig bed des Severns,

Bij storm, de kousen op den kop, naar huis.

Heetspoor.

Wat! ongeschoeid! en dat bij storm en onweer!

Hoe blijft hij vrij van koorts, in ’s duivels naam?

Glendower.

Komt, neemt de kaart nu. Willen we ons gebied

Alsnu naar ons verdrag in drieën deelen?

Mortimer.

De aartsdeken heeft voor ons het land alreeds

Gedeeld in drie geheel gelijke stukken.

England, van Trent en Severn tot hiertoe,

Naar ’t zuiden en naar ’t oosten, is voor mij;

Het westen, Wales, aan gene zij der Severns,

En al het vruchtbre land, aldus begrensd,

Aan Owen Glendower;—aan u, mijn waarde neef,

Al ’t oov’rige, ten noorden van de Trent.

Drievoudig zijn de stukken opgemaakt;

En hebben wij die wederzijds bezegeld,—

Wat heden avond nog gebeuren kan,—

Dan trekken wij, neef Percy, gij en ik

Alsook mylord van Worcester, morgen op,

Om uwen vader en het Schotsche leger

Te Shrewsbury, naar afspraak, aan te treffen.

Mijn vader hier is nog wel niet gereed,

Doch veertien dagen is zijn hulp te missen.—

En in dien tijd hebt gij toch uw vazallen,

Uw vrienden en uw magen wel bijeen?

Glendower.

Een korter tijd brengt mij, mylords, tot u;

En onder mijn geleide ook uwe vrouwen.

Nu sluipt gij weg en zegt haar geen vaarwel;

Want anders zou een vloed van tranen stroomen,

Bij ’t afscheid, dat gij van uw vrouwen neemt.

Heetspoor.

Mij dunkt, dat mijn deel, noord’lijk hier van Burton,

Niet een der uwe in omvang evenaart. 97

Ziet, hoe de stroom, hier in mijn land zich kronk’lend,

Een groote halve maan, een reuzenbrok,

En dat van de’ allerbesten grond, er uit snijdt.

Ik wil, dat hier de stroom worde afgedamd;

En in een nieuwe bedding vloeie hier

Dan vrij en recht de heldre, zilv’ren Trent;

Met zulk een bocht zal die zich hier niet krommen,

Dat zij mij zulk een rijken grond ontkaapt.

Glendower.

Niet krommen? ’t Moet en zal; gij ziet, zij doet het.

Mortimer.

Ja, maar ziet,

Hoe hier de stroom zijn richting neemt, bij mij

In ’t land dringt en geheel ten uwen bate

Van ’t overland zoo veel aan mij ontfutselt,

Als hij aan de’ andren kant aan u ontneemt.

Worcester.

Men graaft hem hier met weinig kosten door

En wint in ’t noorden lichtlijk deze landtong;

Dan zijn de scherpe bochten weg.

Heetspoor.

Ik wil ’t; met weinig kosten is ’t gedaan.

Glendower.

’k Wil niets veranderd hebben.

Heetspoor.

’k Wil niets veranderd hebben. Wilt gij ’t niet?

Glendower.

Neen, en gij doet het niet.

Heetspoor.

Neen, en gij doet het niet. Wie zal ’t verbieden?

Glendower.

Nu, dat zal ik.

Heetspoor.

Nu, dat zal ik. Laat mij u niet verstaan,

En zeg het in het Welsch.

Glendower.

Ik spreek, heer, Engelsch, even goed als gij,

En werd zelfs opgevoed aan ’t Engelsch hof,

Waar ik, nog jong, voor menig Engelsch lied

Een lieflijk tokk’len van de harp ontwierp,

En aan de tong een hulprijk siersel schonk;

Nooit heeft men zulk een gave in u herkend.

Heetspoor.

Daarover, neef, verheug ik mij van harte,

’k Waar’ liever nog een katje en riep miaauw,

Dan een van die kling-klang-balladekramers;

’k Wil liever koop’ren luchters hooren draaien,

Of ongesmeerde wagenraadren knarsen;

Daar klemde ik zoo mijn tanden niet van saâm,

Als van die lisp’lend zoete poëzie;

Die is me, als ’t draven van een stijven knol.

Glendower.

Nu goed, verleg de Trent dan maar.

Heetspoor.

’t Is me onverschillig; driemaal zooveel land

Geef ik den eersten, besten, trouwen vriend;

Maar geldt het een verdrag of koop, let wel,

Dan twist ik om het tiende van een haar.

Zijn onze stukken klaar? en gaan we op weg?

Glendower.

’t Is held’re maan, gij kunt van nacht nog gaan;

Ik zal den schrijver haasten en ga tevens

De vrouwen op uw afreis voorbereiden.

Want, o, ik ducht, mijn dochter wordt waanzinnig

Zoozeer is ze aan haar Mortimer gehecht. 146

(Glendower af.)

Mortimer.

Neef Percy, foei, wat dwarsboomt gij mijn vader!

Heetspoor.

Ik kan ’t niet laten; soms maakt hij mij toornig

Door wat hij mij vertelt, van mier en mol,

Van droomer Merlin en zijn profetieën,

Van draken, van een vinnenloozen visch,

Een raaf, die ruit, een grijp, geknot van wieken,

Een leeuw, die rust, een kat, die sluipt en springt,

En zooveel wirrelwarrig tuig, dat ik

Geheel verheidend word. Denk,—gistren avond

Hield hij mij vast, ten minste negen uren,

Met al de duivels op te noemen, die

Hem dienstbaar zijn; ’k riep: “Hum!” en “goed, ga voort”,

Doch lette op niet één woord. Men wordt hem moede,

Meer dan een struik’lig paard, een kijvend wijf,

Een rook’rig huis. O veel, veel liever zou ik

Op kaas en knoflook zitten, in een molen,

Dan lekker smullen en zijn praatjes hooren

In eenig lustslot van de christenheid.

Mortimer.

Hij is, geloof me, een waardig edelman,

Van veel belezenheid en door-ervaren

In diepe kunsten, dapper als een leeuw,

Gezellig en in mildheid onuitputt’lijk

Als Indiës mijnen. Moet ik ’t zeggen, neef?

Hij koestert eerbied voor uw fieren geest,

En doet zijn eigen aard, als gij zijn wenschen

Zoo dwarsboomt, veel geweld aan, ja, dat doet hij.

’k Verzeker u, op aarde leeft geen mensch,

Die zoo hem tarten mocht, als gij het deedt,

En niet gevaarlijk wierd te recht gewezen;

Doch waag het niet te vaak, dit smeek ik u.

Worcester.

Voorwaar, mylord, uw hoofdigheid is laakbaar;

Gij hebt sinds uwe komst genoeg gedaan,

Om zijn geduld volkomen uit te putten.

Die fout, heer, moet gij leeren overmeest’ren;

Zij geev’ soms blijk van fierheid, adel, moed,—

In zoo ver kan zij u tot sieraad zijn,—

Doch al te vaak verraadt zij felle woede,

Ruwheid van doen, gebrek aan zelfbeheersching,

Trots, nederzien op and’ren, eigenwijsheid;

En zij zelfs met het kleinst gebrek uit deze

Een edelman behept, dit rooft hem steeds

Der menschen hart, en werpt ook op den glans

Van al zijn verd’re deugd een booze vlek,

Die haar van welverdienden lof versteekt. 189

Heetspoor.

Nu, ’k heb mijn les; geluk met hofmanieren!

Ziet, onze vrouwen; laat ons afscheid nemen.

(Glendower komt terug, met de Vrouwen.)

Mortimer.

Dit is voor mij een dood’lijk grievend leed:

Mijn vrouw verstaat geen Engelsch, ik geen Welsch.

Glendower.

Mijn dochter weent; zij wil van u niet scheiden;

Zij wil soldaat zijn, wil met u in ’t veld.

Mortimer.

Mijn vader, zeg haar, dat zij met nicht Percy

Ons onder uw geleide weldra volgt.

(Glendower spreekt met zijn dochter in het Welsch, en zij antwoordt in dezelfde taal.)

Glendower.

Zij is als dol, een lastig, koppig schepsel,

Dat voor geen overreding vatbaar is.

(Zij spreekt tot Mortimer in het Welsch.)

Mortimer.

O, ik versta uw blik, dat lieflijk Welsch,

Dat uit uw zwaar bewolkte heem’len stroomt,

Ken ik te goed; en als ik mij niet schaamde,

Gaf ik u antwoord in dezelfde taal.

(Zij spreekt weder.)

’k Versta ook uwen kus, als gij den mijnen,

En dat is een gevoelvol onderhoud;

Doch nimmer wil ik ledigloopen, lieve,

Eer ik uw taal geleerd heb; want uw tong

Maakt Welsch zoo zoet als hooggestemde lied’ren,

Die bij haar luit een schoone koningin

Verrukk’lijk zingt in ’t zomer-lustprieel.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Glendower.

Als gij ook wegsmelt, wordt zij gansch waanzinnig.

(Zij spreekt weder.)

Mortimer.

Die taal! ’k ben één en al onwetendheid!

Glendower.

Zij wenscht, gij vlijt u op het weeld’rig bies;

En legt uw dierbaar hoofd in haren schoot,

Dan wil zij u uw liev’lingsliedjes zingen,

Den god des slaaps bekronen op uw oogleên,

Uw bloed betoov’rend met een zoete loomheid,

Zóó lieflijk slaap en waken bij u scheiden,

Als tusschen dag en nacht de scheiding is,

Het uur, voordat des hemels zonnespan

In ’t oosten zijnen gouden tocht begint.

Mortimer.

Van harte gaarne zit ik neer en luister;

In dien tijd, hoop ik, komt ons stuk gereed.

Glendower.

Doe dat; de muzikanten,

Die voor u spelen zullen, zweven thans

Op duizend mijlen afstands in de lucht,

Doch zullen daad’lijk hier zijn. Zit en luister.

Heetspoor.

Kom, Kaatje, gij verstaat de kunst

om u neer te vlijen ook; kom, vlug, vlug! ik

wil mijn hoofd in uw schoot leggen. 231

Lady Percy.

Loop, gij malle gans!

(Muziek laat zich hooren.)

Heetspoor.

Nu merk ik, dat de duivel Welsch verstaat;

En ’t is geen wonder, dat hij luimen heeft;

Hij is, bij God, een goede muzikant.

Lady Percy.

Dan moet gij door en door muzikaal wezen, want gij wordt geheel door uw luimen geregeerd. Lig stil, gij schelm, en hoor hoe de Lady Welsch zingt.

Heetspoor.

Ik hoorde liever Lady, mijn brak, Iersch huilen.

Lady Percy.

Wilt gij een gat in uw hoofd hebben?

Heetspoor.

Neen.

Lady Percy.

Wees dan stil.

Heetspoor.

Ook niet; dit is een vrouwengebrek.

Lady Percy.

Nu, God help’ u!

Heetspoor.

In het bed der Welsche Lady?

Lady Percy.

Wat zegt gij?

Heetspoor.

Stil! zij zingt.

(Lady Mortimer zingt een Welsch lied.)

Kom, Kaatje, nu moet gij eens voor mij zingen.

Lady Percy.

Ik niet, in vollen ernst niet.

Heetspoor.

“Ik niet, in vollen ernst niet!” Mijn hartje, gij zweert als een banketbakkersvrouw: “Gij niet, in vollen ernst niet!” en “Zoo waar ik leef!” en “Zoo waar mij God helpe!” en “Zoo waar de lieve zon schijnt!”

En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij

Nooit verder weg geweest dan Finsbury.

Zweer als een edelvrouw, zooals gij zijt,

Een vollen eed, die klinkt,—en laat “In ernst”

En zulke peperkoekbetuigingen

Aan fulpgalons en zondagsburgers over.

Kom, zing!

Lady Percy.

Ik wil niet zingen.

Heetspoor.

’t Is de naaste weg naar het snijderworden of roodborstjes africhten.—Als de stukken klaar zijn, wil ik binnen twee uren weg; kom dus binnen, als ge wilt.

(Heetspoor af.)

Glendower.

Kom, kom, lord Mortimer, gij gaat zoo traag,

Als deze heethoofd Percy vurig ijlt.

De stukken zijn nu wis gereed; wij zeeg’len

En dan terstond te paard!

Mortimer.

En dan terstond te paard! Van ganscher harte.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Prins Hendrik en Lords komen op.

Koning Hendrik.

Verlaat ons, Lords; de prins van Wales en ik

Wij hebben een vertrouw’lijk onderhoud;

Doch blijft nabij, straks zullen we u behoeven.

(De Lords af.)

Ik weet niet, of het God zoo heeft beschikt

Voor ongevall’ge diensten, die ik deed,

Dat hij, naar zijn verborgen raad, een geesel

En straf mij uit mijn eigen bloed verwekt;

Doch gij doet mij, door heel uw levenswandel,

Gelooven, dat gij uitgelezen zijt

Tot heete wraak, als strenge roê, des hemels,

Om mijne schuld te straffen. Zeg mij anders,

Hoe zulke bandelooze, lage driften,

Een zoo armzalig, voos, onwaardig streven,

Een zoo onvruchtb’re lust en woest verkeer,

Als waar gij aan verknocht zijt, mee vergroeid,

De hoogheid van uw bloed verzellen konden,

Ooit konden reiken tot uw vorstenhart?

Prins Hendrik.

Veroorloof, uwe hoogheid! ’k Wenschte, dat ik

Van iedre smet mij zoo bevrijden kon,

Als ik mij buiten twijfel rein kan wasschen

Van meen’ge zonde, mij te last gelegd;

Doch laat mij toch om die verschooning smeeken,

Dat ik, eerst tal van sprookjes logenstraffend,—

Zooals het oor van grootheid vaak moet hooren

Van plasdankzoekers en van nieuwtjesventers,—

Voor enkle ware zaken, die mijn jeugd

Loszinnig, buiten ’t spoor geraakt, beging,

Vergiff’nis vind om mijn oprechte erkenning.

Koning Hendrik.

Vergeve u God!—doch ik verbaas mij, Hendrik,

Dat uw begeerten zoo de wieken uitslaan,

Ver van de vlucht van heel uw voorgeslacht.

Door ruwheid hebt ge uw zetel in den staatsraad

Verbeurd; uw jong’re broeder nam dien in;

Een vreemdling zijt gij schier voor alle harten

Van ’t hof en van de prinsen van mijn bloed.

De hoop en de verwachting van uw tijd,

Vervlogen zijn ze, en iedre menschenziel

Voorspelt zichzelf profetisch uwen val.

Was ik met mijn aanwezigheid zoo gul,

Zoo uitgestald voor ieders oog, zoo glansloos

En voor gemeen verkeer te koop geweest,—

Die meening, die de kroon mij heeft verschaft,

Ware aan het troonbezit getrouw gebleven,

Had mij een roemloos balling laten blijven,

Als een, die niets was, niets verwachten liet.

Ik kwam zeer zelden voor den dag, maar dan

Werd ik ook aangegaapt als een komeet;

Dan riep de vader tot zijn kroost: “Dat is hij!”

Een ander vroeg: “Waar, wie is Bolingbroke?”

Dan was de hoflijkheid des hemels mijn, 50

En kleedde ik mij in zulk een need’righeid,

Dat ik verknochtheid afdwong van hun hart,

En groet en jubelkreten aan hun mond,

Zelfs aan de zijde des gekroonden konings.

Zoo hield ik mijn persoon steeds frisch en nieuw;

Zij werd, gelijk een hoogepriesterskleed,

Bewond’rend slechts aanschouwd; en heel mijn praal,

Zeldzaam, doch kostbaar, was gelijk een feest,

En zoo, door ongewoonte, een plechtigheid.

De koning was een spring-in-’t-veld, verzelschapt

Van dwaze fratsenmakers, strooien geesten,

Snel vlammend, snel verbrand; zijn waardigheid

Versneed hij, mengde ’t hooge koningschap

Met luchtsprongnarren, liet zijn grooten naam

Ontheil’gen door hun spot, en gaf zijn aanzien,

Zijn naam ten trots, den lach van knapen prijs,

Den moedwil van elk ijdel, baardloos gekje;

Hij werd een klant der openbare straat,

En maakte zich tot leenman van de volksgunst,

Totdat, wijl de oogen daag’lijks hem verslonden,

Het volk van honing was verzaad, de smaak

Hun tegenstond van ’t zoet, waarvan een weinig

Meer dan een weinig veel te veel reeds is.

Kwam nu een dag, dat hij zich moest vertoonen,

Dan werd hij, als de koekoek is in Juni,

Gehoord, niet opgemerkt; gezien, met oogen,

Die, door gewoonte stomp en moe, niet meer

Voor ’t staren vatbaar zijn, dat met bewondring

Den zonneschijn der majesteit begroet,

Haar zelden zichtbren glans eerbiedig huldigt;

Zij knikkebolden met geloken oogleên,

Recht voor zijn oog, en gunden hem een blik,

Als wreev’le mannen aan hun vijand doen,

Van overdaad, die walgde van zijn bijzijn.

En, Hendrik, op diezelfde lijn staat gij,

Want gij ook hebt uw vorstlijkheid versmeten,

Door laakbaar, laag verkeer. Geen enkel oog,

Dat niet, te vaak u ziend, u moede werd;

Alleen het mijne wenschte u meer te zien,

En doet nu iets, wat ik mijzelf verwijt,

Het maakt zich blind door dwaze teederheid.

Prins Hendrik.

Ik wil voortaan, genadig heer en vader,

Mijzelf meer zijn.

Koning Hendrik.

Mijzelf meer zijn. In ieder opzicht zijt gij,

Voorwaar, te dezer stond, wat Richard was,

Toen ik te Ravenspurg uit Frankrijk landde;

En juist wat ik toen was, is Percy nu.

Ja, bij mijn scepter en mijn zieleheil,

Hij heeft veel hooger aanspraak op den troon,

Dan gij hebt door de schaduw van uw erfrecht;

Want zonder recht, ja zonder zweem van recht,

Vult hij ’s rijks velden met zijn wapenmacht,

Houdt stand voor de’ open muil des leeuws, en brengt, 102

Niet meer dan gij zijn jaren dankend, achtb’re

Bisschoppen en vergrijsde lords in ’t veld,

Tot schilden-splijten en tot bloedig strijden.

En wat onsterfelijken roem verwierf hij

Zich tegen Douglas, dien geprezen held,

Wiens stoute tochten, grootsche wapenfeiten

Bij elken krijger hem den eersten rang,

Den hoogsten oorlogsroem verworven hadden,

In alle rijken, waar men Christus eert!

Driemaal heeft deze Heetspoor, Mars in winds’len,

Die zuig’lingheld, in ’t veld den grooten Douglas

Verslagen, ééns gevangen hem gemaakt,

Hem weer geslaakt en toen als vriend gewonnen,

Om diepe vijandschap den mond te stoppen,

En onzen troon te schokken, dat hij vall’.

En hoor nu toe: “Percy, Northumberland,

Yorks hooge kerkvoogd, Douglas, Mortimer,

Zijn tegen ons verbonden, staan in ’t veld.”

Doch wat heb ik die tijding u te melden,

U, Hendrik, u mijn vijanden te noemen,

U, die mijn naaste en ergste vijand zijt?

U, die wellicht uit onderdaan’ge vrees,

Uit lagen lust, of als een luim u drijft,

Mij zult bevechten in soldij van Percy,

Den voet hem likken, voor zijn fronsblik kruipen,

Om recht te toonen, hoe ontaard gij zijt.

Prins Hendrik.

Neen, denk dit niet, gij zult het zoo niet vinden;

Vergeev’ God hun, die bij uw majesteit

Mij zoo van uwen goeden dunk beroofden!

Ik maak dit alles goed op Percy’s hoofd,

En zal aan ’t einde van een dag vol roems

Met fierheid tot u zeggen: “’k ben uw zoon”;

Als ik in een gewaad van bloed u nader,

Mijn trekken met een masker kleur van bloed,

Dat, weggewasschen, ook mijn schande wegspoelt.

Dat zal de dag zijn,—koom’ hij als hij wil!—

Waarop eenmaal dat kind van eer en roem,

De dapp’re Heetspoor, de geprezen ridder,

En uw vergeten Hendrik samentreffen.

O waar’ elke eer, die op zijn helmet troont,

Een menigt’, en op mijn hoofd elke schimp

Verdubbeld! want de dag genaakt, hij komt,

Dat ik dien noordschen jong’ling dwing, zijn schat

Van roem te ruilen voor mijn oogst van schande.

Percy, mijn vorst, is slechts mijn zaakwaarnemer;

Zijn heldendaden stapelt hij voor mij;

En dra roep ik hem op tot rekenschap;

Uitleev’ren zal hij mij zijn ganschen roem,

Ja, ook het nietigst eerbetoon der wereld,

Of ik rijt hem de reek’ning uit zijn hart.

Dit zweer ik plechtig, bij den naam van God;

En als het Hem behaagt, dat ik ’t volbreng,

Dan heele dit, zoo smeek ik uwe hoogheid,

Elke oude wond van mijn losbandigheid;

Zoo niet, dan delgt de dood toch alle schuld;

En ik wil honderdduizend dooden sterven,

Eer ik een adem van deze’ eed verbreek. 159

Koning Hendrik.

Dit doodt een honderdduizendtal verraders;

Nu zij bevel en alles u vertrouwd.

(Blunt komt op.)

Spreek, wakkre Blunt! uw blikken zijn vol haast.

Blunt.

Dien heeft de zaak, die ik u melden kom.

Lord Mortimer van Schotland zond bericht,

Dat Douglas zich met de Engelsche oproerlingen

Den elfden heeft vereend te Shrewsbury.

Het wordt een zoo verschrikk’lijk machtig heer,

Indien elk hunner zijn beloften houdt,

Als ooit een staat met onheil heeft gedreigd.

Koning Hendrik.

De graaf van Westmoreland trok heden op,

Met hem mijn zoon, lord John van Lancaster;

“Want dit bericht, vijf dagen is het oud.—

Aanstaanden Woensdag, Hendrik, breekt gij op;

Wijzelf op Donderdag; verzamelplaats

Zal Bridg’north zijn; gij, Hendrik, neemt uw weg

Door Glostershire; naar deze reek’ning zal,

Is alles goed geordend, in twaalf dagen

Te Bridg’north onze macht vereenigd zijn.

Van hier! veel is te doen en haast is goed;

’t Geluk wordt loom, als zich de mensch niet spoedt.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Eastcheap. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd.”

Falstaff en Bardolf komen op.

Falstaff.

Bardolf, ben ik niet schandelijk afgevallen na die laatste geschiedenis? vermager ik niet? slink ik niet weg? Verduiveld, mijn vel hangt om mij heen als het huiskleed van een oude madam; ik ben zoo verschrompeld als een goudpippeling. Nu, ik wil tot mijzelf inkeeren, maar dan terstond, terwijl ik nog wat goed in ’t vleesch ben; binnenkort zal ik zoo min wezen, dat ik de kracht niet heb, om tot mijzelf in te keeren. Als ik niet vergeten ben, hoe een kerk er van binnen uitziet, ben ik een peperkorrel, een brouwerspaard! Een kerk van binnen! Mijn omgang, mijn nietswaardige omgang heeft mij bedorven.

Bardolf.

Sir John, gij zijt zoo neerslachtig, gij hebt niet lang meer te leven.

Falstaff.

Ja, zoo is het.—Kom, zing mij eens een schuinsch liedje, vroolijk mij wat op. Ik was zoo deugdzaam gezind, als een man van stand behoeft te zijn, deugdzaam genoeg; vloekte weinig, dobbelde niet boven de zeven keer in de week, ging in slechte huizen niet meer dan eens in een vierendeel—uurs; betaalde het geld, dat ik borgde, drie- of viervoudig; leefde ordelijk en hield behoorlijk maat,—en nu leef ik recht ordeloos en buiten alle maat. 23

Bardolf.

Nu, ge zijt zoo dik, Sir John, dat ge wel buiten alle maat moet zijn, buiten alle redelijke maat, Sir John.

Falstaff.

Verbeter jij je gezicht, en ik wil mijn leven beteren. Je bent onze admiraal, je draagt de lantaren aan den achtersteven,—neen, ze zit bij je in den neus; je bent de Ridder van de brandende Lamp.

Bardolf.

Kom, Sir John, mijn gezicht doet u geen kwaad.

Falstaff.

Neen, dat wil ik je wel bezweren, ik maak er een even goed gebruik van, als menigeen van een doodshoofd of een memento mori. Ik zie nooit je gelaat, of ik denk aan het helsche vuur en aan den rijken man, die in purper leefde; want daar zit hij al in zijn praal en brandt en brandt. Was je eenigermate aan de deugd verkleefd, dan zou ik zweren bij je gezicht; mijn eed zou wezen: “Bij die vuurvlam, die de engel Gods is.” Maar je bent gansch en al aan de zonde verslaafd, en zoudt inderdaad, zonder dien gloed op je gezicht, de zoon wezen van de buitenste duisternis. Toen je bij Gadshill den heuvel opliept om mijn paard te vangen,—als ik toen niet dacht, dat je een dwaallicht of een bliksemvuurbol waart, dan is er voor geld niets meer te koop. O, je bent een eeuwigdurende fakkeloptocht, een onuitblusschelijk vreugdevuur. Je hebt mij een duizend marken aan toortsen en kaarsen uitgehaald, als ik ’s nachts met je wandelde, de eene herberg uit, de andere in; maar voor de sek, die je mij hebt opgedronken, had ik bij den duursten kaarsenmaker in Europa even zoo goedkoop kaarsen kunnen hebben. Ik heb dien salamander van je nu al twee en dertig jaren van vuur voorzien, God loone ’t mij!

Bardolf.

Verduiveld, ik wenschte, dat mijn gezicht in uw buik zat!

Falstaff.

God beware me! dan had ik den brand in mijn ingewanden.

(De Waardin komt op.)

Hoe is het, mevrouw Koekeloer? Ben je er achter, wie mijn zakken geleegd heeft?

Waardin.

Wel, Sir John, wat denkt ge, Sir John? Denkt ge, dat ik dieven in mijn huis heb? Ik heb gezocht, ik heb gevraagd, en mijn man ook, man voor man, jongen voor jongen, meid voor meid; geen tiende van een haar is er ooit in mijn huis zoek geraakt. 67

Falstaff.

Gelogen, waardin; Bardolf is er geschoren geworden en heeft er menig haar verloren; en ik durf zweren, dat mijn zakken geleêgd zijn. Loop heen, je bent een vrouwmensch; ga!

Waardin.

Wie, ik? Neen, zeg dat nog eens! God in den hemel! zoo heeft mij nog niemand in mijn eigen huis genoemd.

Falstaff.

Loop heen, ik ken je door en door.

Waardin.

Neen, Sir John; ge kent mij niet, Sir John; ik ken u, Sir John; ge zijt me geld schuldig, Sir John; en nu zoekt ge twist om van mij af te komen. Ik heb u een dozijn hemden op het lijf gekocht.

Falstaff.

Paklinnen, voddig paklinnen; ik heb ze aan bakkersvrouwen weggegeven en die hebben er builen van gemaakt.

Waardin.

Wat! zoowaar ik een eerlijke vrouw ben, Hollandsch linnen van acht schellingen de el! Bovendien zijt gij hier ook nog geld schuldig, Sir John, voor uw eten, en het tusschen in drinken, en geleend geld, vier en twintig pond.

Falstaff

(op Bardolf wijzend). Hij heeft ook zijn deel er van gehad, laat hem betalen!

Waardin.

Hij? lieve, God, hij is arm, hij heeft niets.

Falstaff.

Wat! hij arm? Zie zijn gezicht eens aan; wat noem je dan rijk? laat hem munt slaan uit zijn neus, munt slaan uit zijn wangen. Ik betaal geen duit. Wat, wil je een grasgroenen jonker van mij maken? Zou ik mijn gemak niet kunnen nemen in mijn eigen herberg, zonder dat men mij de zakken leêgt? Ik ben er een zegelring van mijn grootvader mee kwijt geraakt, die zijn veertig marken waard is.

Waardin.

O Jezus! ik heb den prins ik weet niet hoe dikwijls tegen hem hooren zeggen, dat die ring van koper was.

Falstaff.

Wat! de prins is een weerhaan, een uitknijper; verduiveld! als hij hier was, zou ik hem afrossen als een hond, zoo hij dat zeide.

(Prins Hendrik en Poins komen op, marcheerend; Falstaff gaat den Prins, die op zijn commandostaf als op een fluit speelt, te gemoet.)

Falstaff.

Hoe is het, mijn jongen? Waait de wind uit dien hoek? Waarachtig? moeten wij allen marcheeren?

Bardolf.

Ja, twee aan twee, als gevangenen naar Newgate. 104

Waardin.

Mylord, ik bid u, hoor mij.

Prins Hendrik.

Wat is er, vrouw Haastig? Hoe maakt uw man het? Ik mag hem wel; hij is een eerlijke kerel.

Waardin.

Beste mylord, hoor mij aan!

Falstaff.

Ik bid u, laat haar loopen en luister naar mij.

Prins Hendrik.

Wat wil je dan, Hans?

Falstaff.

Kort geleden ben ik ’s avonds hier in slaap gevallen, daar achter het tapijt, en toen zijn mij de zakken geleêgd; dit huis is een spelonk geworden; zij leêgen er iemand de zakken.

Prins Hendrik.

Wat ben je er meê kwijt geraakt, Hans?

Falstaff.

Wil je wel gelooven, Hein, drie of vier schuldbekentenissen van veertig pond elk, en een zegelring van mijn grootvader.

Prins Hendrik.

Een bagatel, een ding van acht stuivers.

Waardin.

Dat heb ik hem ook gezegd, mylord; en ik zeide, dat ik het uwe genade had hooren zeggen; en, mylord, hij spreekt allerschandelijkst van u, zoo’n vuilbek als hij is, en zeide, dat hij u zou afrossen.

Prins Hendrik.

Wat! dat zeide hij toch niet?

Waardin.

Als het niet waar is, is er geen waarachtigheid of eerlijkheid of vrouwelijkheid in mij.

Falstaff.

Je bent niet waarachtiger dan gestoofde pruimen, niet eerlijker dan een opgejaagde vos, en wat de vrouwelijkheid betreft, kan bij vergelijking juffer Marianne van den moorendans voor een buurtmeestersvrouw doorgaan. Loop, schepsel, loop rondom!

Waardin.

Zeg, wat voor een schepsel? wat voor een schepsel?

Falstaff.

Wat voor een schepsel? wel een schepsel, om God voor te danken.

Waardin.

Ik ben geen schepsel, om God voor te danken, onthoud dat maar; ik ben een eerlijken mans vrouw; en, je ridderschap er buiten gelaten, je bent een schelm, dat je mij zoo noemt.

Falstaff.

En, je vrouwelijkheid er buiten gelaten, je bent een beest, dat je het beter wilt weten.

Waardin.

Zeg eens, wat voor een beest, jij schelm? 141

Falstaff.

Wat voor een beest? wel, een otter.

Prins Hendrik.

Een otter, Sir John! waarom een otter?

Falstaff.

Waarom? Wel, zij is nòch vleesch nòch visch; een mensch weet niet, waar haar toe te brengen.

Waardin.

Je bent een lasteraar, als je dat zegt; gij en iedereen weet, dat ik nergens toe te brengen ben, jij schelm, jij!

Prins Hendrik.

Je hebt gelijk, waardin; en hij belastert je op afschuwelijke manier.

Waardin.

Dat doet hij u ook, mylord; en hij zeide nog kort geleden, dat gij hem duizend pond schuldig waart.

Prins Hendrik.

Wat, man! ik je duizend pond schuldig?

Falstaff.

Duizend pond, Hein! een millioen; je vriendschap is een millioen waard; en je vriendschap ben je mij schuldig.

Waardin.

Neen, maar mylord, hij noemde u een weêrhaan, en zeide, dat hij u zou afrossen.

Falstaff.

Heb ik dat gezegd, Bardolf?

Bardolf.

Zeker, Sir John, dat hebt ge gezegd.

Falstaff.

Ja, als hij zeide, dat mijn ring van koper was.

Prins Hendrik.

Ik zeg, hij is van koper; durft ge zoo goed als je woord nu wezen?

Falstaff.

Wel, Hein, je weet, voor zoover je slechts een man bent, durf ik; maar voor zoover je een prins bent, vrees ik je, als het gebrul van een leeuwenwelp.

Prins Hendrik.

En waarom niet als de leeuw?

Falstaff.

De koning zelf is te vreezen als de leeuw. Denk je, dat ik je zal vreezen, zooals ik je vader vrees? Neen, als ik dat doe, straff’ mij God en moge mijn gordel bersten!

Prins Hendrik.

O, als dat gebeurde, hoe zou je pens om je knieën flodderen! Maar, kerel! voor waarheid, eerlijkheid en oprechtheid is er in je lijf geen plaats; het is volgepropt met darmen en vet. Een eerlijke vrouw van zakkenrollerij te beschuldigen! Wel, jij liederlijke, onbeschaamde, opgezwollen schelm, als er iets in je zak zat dan herbergiersrekeningen, nota’s uit knippen, en voor een armzaligen stuiver kandijsuiker om de keel glad te houden,—als je zakken gevuld waren met andere ongerechtigheden dan deze, dan ben ik een schurk. En toch durf je volhouden, dat je geen onrecht zoudt opsteken! Schaam je je niet? 184

Falstaff.

Laat ik je zeggen, Hein: je weet, in den staat van onschuld is Adam gevallen; wat zou dan de arme Hans Falstaff doen in de dagen der verdorvenheid? Je ziet, ik heb meer vleesch dan andere menschen en daarom ook meer zwakheid. Je erkent dus, dat je mij de zakken geleêgd hebt?

Prins Hendrik.

Dit schijnt wel te blijken.

Falstaff.

Waardin, ik vergeef je. Ga, maak het ontbijt gereed; bemin je man, ga je bedienden na, zorg goed voor je gasten; je zult mij voor alle gezonde redenen toegankelijk vinden; je ziet, ik ben bevredigd.—Nog iets?—Neen, ik bid u, ga heen. (De Waardin af.) Nu, Hein, nu van het nieuws aan het hof; die straatrooverij, jongen,—hoe is dat in het effen gebracht?

Prins Hendrik.

O, mijn lieve rollènde, ik moet altijd je goede engel zijn.—Het geld is terugbetaald.

Falstaff.

Hm! ik houd niet van dat terugbetalen; ’t is dubbel werk.

Prins Hendrik.

Ik ben met mijn vader op goeden voet en kan alles doen.

Falstaff.

Plunder dan vóór alles de schatkist, en wel zonder omslag te maken.

Bardolf.

Ja, doe dat, mylord.

Prins Hendrik.

Ik heb je een commando te voet verschaft, Hans.

Falstaff.

Te paard zou mij liever geweest zijn. Waar kan ik er een vinden, die behoorlijk kan stelen? O, zoo’n knappen dief van twee-en-twintig of daaromtrent! Ik ben schandelijk aan lager wal. Nu, God zij gedankt voor die opstandelingen; zij doen niemand kwaad dan de braven; ik prijs, ik loof hen.

Prins Hendrik.

Bardolf!

Bardolf.

Mylord?

Prins Hendrik.

Breng dit stuk aan Lord John van Lancaster,

Mijn broeder John,—dit aan Lord Westmoreland.—

Kom, Poins, te paard! te paard! Wij hebben saam

Vóór ’t middagmaal een dertig mijl te rijden.—

Gij Hans, kom morgen in de Tempelzaal

Tot mij te twee uur na den middag.

Daar neemt ge uw dienstbrief in ontvangst en geld,

Met last, hoe gij uw volk hebt uit te rusten.

Gansch England brandt, en hoog draagt Percy ’t hoofd;

Het zijne valle, of ’t onze zij gekloofd!

(De Prins, Poins en Bardolf af.)

Falstaff.

Vuurwoorden! dapp’re wereld!—Wijn hier, kom!—

Ha, ’k wenschte mij dit wijnhuis voor mijn trom!

(Falstaff af.)