WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Vierde cover

Koning Hendrik de Vierde

Chapter 18: TWEEDE TOONEEL.
Open in WeRead

About This Book

Een verouderende koning worstelt met opstandige edelen terwijl zijn onberekenbare zoon tussen vorstelijke plichten en losbandig gezelschap zwerft, waarvoor een innige kameraad een komische tegenpool vormt. De handeling wisselt tussen hofpolitiek en uitbundige etablissementsscènes, en bouwt naar een conflict waarin eer, leiderschap en loyaliteit worden uitgedaagd. Rebellie en generatieclash raken verweven met vragen over legitimiteit en volwassenwording, terwijl scherpe dialogen en theatrale confrontaties zowel tragische spanning als komisch relief bieden.

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.

Heetspoor, Worcester en Douglas komen op.

Heetspoor.

Braaf, eed’le Schot! Gold waarheidspreken niet

In dezen fraaien tijd voor vleierij,

Zoo groote erkenning zou nu Douglas oogsten,

Dat geen soldaat, in onzen tijd gestempeld,

Zooveel in heel de wereld gelden zou.

Bij God, ik kan niet vleien; gladde tongen

Verafschuw ik, maar in mijns harten liefde

Bekleedt geen mensch een hoogre plaats dan gij.

Ja, houd mij bij mijn woord, beproef mij, heer.

Douglas.

Gij zijt der eere koning!

Er ademt op deze aard geen man zoo machtig,

Wien ik niet staan wil.

Heetspoor.

Wien ik niet staan wil. Doe dat, en wij slagen!

(Een Bode komt op, met een brief.)

Een brief? van wien?—(Tot Douglas). Ik kan u enkel danken.

Bode.

De brief komt van uw vader. 14

Heetspoor.

Een brief van hem? en waarom komt hijzelf niet?

Bode.

Mylord, hij kan niet, hij is ernstig ziek.

Heetspoor.

Vervloekt! hoe heeft hij tijd om ziek te zijn,

In zulk een worsteltijd? Wie voert zijn volk aan?

Wie staat aan ’t hoofd en brengt hen hier naar toe?

Bode.

Zijn brief, Heer, meldt u wat hij doet, niet ik.

Worcester.

Ik bid u, zeg mij, houdt hij ’t bed?

Bode.

Vier dagen reeds, mylord, eer ik vertrok;

En op den tijd, dat ik van daar ging, waren

Zijn artsen om zijn toestand zeer bezorgd.

Worcester.

Hoe wenschte ik onzen staat en tijd genezen,

Eer hij door deze ziekte was bezocht!

Nooit was zijn welzijn zooveel waard als nu.

Heetspoor.

Nu ziek! nu machtloos! deze ziekte stort 28

In ’t levensbloed van onze plannen gift;

Zij steekt ons aan, verbreidt zich in ons kamp.

Hij schrijft mij hier, dat hij, inwendig krank,—

Dat hij zijn vrienden door geen plaatsvervanger

Zoo snel bijeen kan brengen,—en ook huivert,

Een taak zoo vol gevaar en zoo gewichtig,

Aan andren te vertrouwen dan zichzelf.

Toch geeft hij ons den stouten raad, dat wij,

Hoe klein ons bondgenootschap zijn moog’, doorgaan,

En zien, hoe het geluk ons is gezind.

Want, schrijft hij, ’t is geen tijd van angstig dralen,

Daar al, wat wij beraamden, wis den koning

Alreeds bekend is. Wat zegt gij er van?

Worcester.

Ons is uws vaders ziekzijn een verminking.

Heetspoor.

Een booze slag, een afgehouwen arm;—

Doch neen, toch niet! ’t Gemis van hem schijnt erger,

Dan wij ’t bevinden zullen.—Ware ’t goed,

Al ons bezit, al onze hoop te zetten

Op éénen worp? zoo grooten schat te wagen

Aan ’t wuft geluk van één onzeker uur?

Dit waar’ niet goed; dan zouden we onze hoop

Ineens doorzien tot op haar grond en wezen,

Den zoom, de verste grens van onze toekomst

In eens bereiken.

Douglas.

In eens bereiken. Zoo zou ’t zijn; en nu,

Nu hebben wij nog steeds iets schoons te wachten,

En kunnen stout iets spillen, in de hoop

Op wat ons toe zal vloeien;

De troost van een terugweg leeft hierin.

Heetspoor.

Een toevluchtsoord, en een herzamelplaats,

Indien, met ongeluk vereend, de duivel

Het eerste proefstuk onzer kracht begrijnst.

Worcester.

Toch wenschte ik, dat uw vader niet ontbrak.

De kleur en aard van ons ontwerp gedoogt

Geen machtsverdeeling. Wis denkt menigeen,

Die niet de reden van zijn afzijn weet,

Dat wijsheid, onderdanentrouw, en ’t laken

Van wat wij doen, den graaf van hier doen blijven.

Bedenk, hoe zulk vermoeden licht het tij

Doet kent’ren van een huivrig bondgenootschap,

En twijfel tegen onze zaak kan wekken.

Gij weet wel, wij, die de’ aanval doen, wij moeten

Ver blijven van een scherpziend onderzoek,

En ieder kijkgat, alle spleten stoppen,

Waar redes oog ons door begluren kan.

Dit afzijn schuift een voorhang weg, zoodat

Onkundigen een soort van vrees ontwaren,

Te voren nooit vermoed. 75

Heetspoor.

Te voren nooit vermoed. 75 Gij gaat te ver;

Ik zie voor ons eer voordeel in zijn afzijn:

’t Leent hoogren luister en een grootren roem

En meerdre koenheid aan ons grootsch ontwerp,

Dan zoo mijn vader hier was. ’t Volk moet denken,

Dat, als ’t ons zònder zijne hulp gelukt

Dit rijk te schokken, wij dan mèt zijn hulp

Het zeker onderst boven keeren zullen.

’t Gaat goed; nog zijn wij gaaf van lijf en leden.

Douglas.

Naar ’s harten wensch. In Schotland wordt een woord

Gelijk het zeggen “vrees” nooit uitgesproken.

(Sir Richard Vernon komt op.)

Heetspoor.

Neef Vernon! wees hier welkom, op mijn woord!

Vernon.

God geev’, heer, dat mijn nieuws een welkom waard zij!

De graaf van Westmoreland rukt herwaarts op,

Sterk zevenduizend man, met hem, prins John.

Heetspoor.

Niets kwaads. Wat meer?

Vernon.

Niets kwaads. Wat meer? En verder, naar ik hoorde,

Is ook de koning in persoon op weg;

Hij rukt, met groote, welvoorziene macht,

Meê herwaarts op met allen denkb’ren spoed.

Heetspoor.

Ook hij zal welkom zijn. Waar is zijn zoon,

Die spring-in-’t-veld, die dolle prins van Wales,

En heel zijn bent, die met de wereld spotte,

Op zij haar schoof?

Vernon.

Op zij haar schoof? Die allen fier gewapend;

Gepluimd als struisen, wiekend in den wind;

Klepp’rend als aadlaars, komend van het baden;

In gouden dos als heil’genbeelden schitt’rend;

Zoo vol van leven als de Meimaand is;

Zoo stralend als de Juni-zomerzon;

Dartlend als geitjes, wild als jonge stieren.

Ik zag den jongen Hendrik, ’t helmet op,

Staalplaten aan de dijën, trotsch gewapend,

Als een gevleugelde Mercurius springen

En zich zoo lustig in den zadel slingren,

Als zweefde een engel uit de wolken neêr,

Om op een vuur’gen Pegasus de wereld

Door eed’le, stoute rijkunst te betoov’ren.

Heetspoor.

Genoeg, genoeg; meer dan de zon in Maart,

Wekt zulk een lof een koorts. Laat, laat hen komen;

Zij komen aan, als offers opgesmukt; 113

Wij zullen aan de maagd met vuur’gen blik

Des donkren krijgs, hen warm en bloedend off’ren;

Gepantserd zitte Mars op zijn altaar

Tot aan den hals in bloed. Ik ben ontvlamd

Bij ’t hooren, dat een buit, zoo rijk, nabij is

En nog niet ons.—Kom, ik beproef mijn klepper,

Die als een donderkeg op ’s prinsen borst

Mij botsen doe! Dat Hendrik dra met Hendrik,

En vurig ros met ros dra samenhort’,

Onscheidbaar, tot één onzer nederstort!

O, waar’ Glendower reeds hier!

Vernon.

O, waar’ Glendower reeds hier! Ik breng meer nieuws:

Die heeft, zoo hoorde ik op mijn rit door Worcester,

Nog in geen veertien daag zijn macht bijeen.

Douglas.

Dit is de slechtste tijding nog van alle.

Worcester.

Ja, op mijn eer, zij heeft een killen klank.

Heetspoor.

Hoe sterk is wel de gansche macht des konings?

Vernon.

Een dertigduizend.

Heetspoor.

Een dertigduizend. Laat het veertig zijn!

Mijn vader en Glendower er niet?—nu goed;

Wijzelf zijn mans genoeg door onzen moed.

Komt, ras ter monstring! Koom’ de jongste dag!

Wie sterft, als alles sterft, sterft met een lach

Douglas.

Spreek niet van sterven; dood noch doodsgevaar

Zal mij doen vreezen in het eerst halfjaar.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een openbare weg bij Coventry.

Falstaff en Bardolf komen op.

Falstaff.

Bardolf, ga naar Coventry vooruit; laat een flesch sek voor mij vullen. Onze soldaten moeten doormarcheeren; wij willen van avond naar Sutton Colfield.

Bardolf.

Wilt gij mij geld geven, hopman?

Falstaff.

Schiet maar voor, schiet voor!

Bardolf.

Die flesch maakt een gouden engel.

Falstaff.

Als ze dat doet, houd hem dan voor uw moeite; en al maakt zij er twintig, houd die alle, ik sta voor den muntslag in. Zeg aan mijn luitenant Peto, dat hij aan het eind van de stad mij opwacht.

Bardolf.

Zeer goed, hopman; vaarwel. 11

(Bardolf af.)

Falstaff.

Als ik mij niet schaam over mijn soldaten, ben ik een gezouten knorhaan. Ik heb ’s konings werfbrief schandelijk misbruikt. Ik heb in plaats van honderd-vijftig soldaten, driehonderd en zooveel pond aangeworven. Ik pres niemand dan jongens met huis en hof, rijke boerenzoons; ik spoor me verloofde jonggezellen op, die hun tweede gebod hebben gehad; een voorraad van koûkleumen, die al even graag den duivel hooren als het roeren van een trom; bloeden, die den knal van een donderbus erger duchten dan een vroeger eens getroffen hoen of een aangeschoten wilde eend. Ik heb me geen andere dan zulke wittebroods-kereltjes geprest, met harten in het lijf, niet grooter dan een speldeknop; en die hebben zich van den dienst vrijgekocht; en nu bestaat mijn geheel commando uit vaandrigs, korporaals, luitenants, onderofficiers, schoeljes, die zoo haveloos zijn als Lazarus op wandtapijten, waar de honden van den rijken man zijn zweren likken, en die inderdaad ook nooit soldaten waren, maar afgedankte trouwelooze dienstknechten, jonger zoons van jonger broeders, weggeloopen biertappers en achteruitgegane stalknechts, het ongedierte van een rustigen tijd en een langen vrede, tienmaal schandelijker haveloos dan een oude gelapte standaard. En kerels heb ik, als plaatsvervangers voor die zich losgekocht hebben, dat men zou denken, daar honderd-en-vijftig verloren zoons te zien, zooals zij gekomen zijn van het zwijnenhoeden en het eten van draf en kaf. Een dwaze kerel kwam mij op weg tegen, en zeide mij, dat ik alle galgen geplunderd en de doode lijken geprest had. Geen menschelijk oog heeft ooit zulke vogelverschrikkers gezien. Ik wil niet met hen door Coventry marcheeren, dat spreekt;—neen, maar die schoften marcheeren wijdbeens, alsof zij voetboeien aanhadden; nu, de meesten van hen kreeg ik uit gevangenissen. Er is nauwelijks anderhalf hemd in mijn geheele vendel, en dat halve hemd zijn twee servetten, samengenaaid en over de schouders geworpen, als een herautenrok zonder mouwen; en het hemd is, om de waarheid te zeggen, gestolen van den waard te Sint-Albaans of van den roodneuzigen biertapper te Daventry. Maar dat doet er niet toe; linnen zullen zij genoeg op iedere heg vinden.

(Prins Hendrik en Westmoreland komen op.)

Prins Hendrik.

Hoe is ’t, dikke Hans? hoe is ’t, watten prop?

Falstaff.

Wat, Hein! hoe is het, dolle schalk? wat duivel doe je in Warwickshire?—Mijn waarde Lord van Westmoreland, ik vraag verschooning; ik dacht, dat uw edelheid reeds te Shrewsbury was.

Westmoreland.

Ja, Sir John, ’t is meer dan tijd, dat ik daar kom, en gij ook, maar mijn troepen zijn er reeds. De koning, kan ik u zeggen, ziet naar ons allen uit; wij moeten de geheele nacht marcheeren. 63

Falstaff.

O, wees om mij niet bezorgd; ik ben bij de hand, als een kat om room te stelen.

Prins Hendrik.

Ja waarachtig, om room te stelen, want wat je gestolen hebt, heeft je geheel tot boter gemaakt. Maar zeg eens, Hans, wat zijn dat voor kerels, die daar achteraankomen?

Falstaff.

De mijne, Hein, de mijne.

Prins Hendrik.

Zulke armzalige schooiers heb ik van mijn leven niet gezien.

Falstaff.

O kom, goed genoeg om aangespietst te worden; voêr voor kruid, voêr voor kruid; zij vullen een kuil even goed als beter luî; wel ja, man, sterfelijke menschen, sterfelijke menschen!

Westmoreland.

Maar toch, Sir John, mij dunkt, dat zij er verbazend armoedig en vermagerd uitzien, al te bedelachtig.

Falstaff.

Ja, wat hun armoede betreft, waar zij die vandaan hebben, weet ik niet; en hun magerheid, die hebben zij zeker van mij niet afgekeken.

Prins Hendrik.

Neen, daar wil ik op zweren; tenzij gij drie vingers dik op de ribben mager noemt. Maar kerel, maak haast; Percy is reeds te velde.

Falstaff.

Hoe! is de koning reeds bij ’t leger?

Westmoreland.

Ja zeker, Sir John; en ik vrees, wij talmen reeds te lang.

(Prins Hendrik en Westmoreland af.)

Falstaff.

Nu goed;

Het laatst in ’t veld, en de eersten bij een feest,

Lijkt tragen vechters, gragen gasten ’t meest.

(Af.)

DERDE TOONEEL.

Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.

Heetspoor, Worcester, Douglas en Vernon komen op.

Heetspoor.

Wij grijpen deze nacht hem aan.

Worcester.

Wij grijpen deze nacht hem aan. Dat niet.

Douglas.

Dan brengt gij hem in ’t voordeel.

Vernon.

Dan brengt gij hem in ’t voordeel. Niet in ’t minst.

Heetspoor.

Hoe kunt gij ’t zeggen? wacht hij geen versterking?

Vernon.

Wij ook.

Heetspoor.

Wij ook. De zijne is zeker, de onze niet.

Worcester.

Laat, neef, u raden; val van nacht niet aan.

Vernon.

Dat raad ik ook, mylord.

Douglas.

Dat raad ik ook, mylord. Uw raad is slecht;

Zoo spreekt ge uit vrees of wankelmoedigheid.

Vernon.

Douglas, geen lastertaal; want bij mijn leven,— 8

En met mijn leven maak ik dit u waar,—

Als welbegrepen eer mij voorwaarts drijft,

Ga ik zoo min met laffe vrees te rade,

Als gij, mylord, of eenig Schot, die leeft;

Het blijke morgen in den slag, wie onzer

Vrees koestert.

Douglas.

Vrees koestert. Ja, of heden nacht.

Vernon.

Vrees koestert. Ja, of heden nacht. Bedaar!

Heetspoor.

Van nacht, zeg ik.

Vernon.

Kom, kom, dit moet niet zijn. Ik sta verbaasd,

Dat mannen, van zoo groot beleid als gij,

Toch niet voorzien, wat groote hindernissen

Den veldtocht ons vertragen. Mijn neef Vernon

Is met zijn ruiters nog niet aangekomen;

Die van Lord Worcester kwamen heden eerst;

Nu zijn hun fierheid en hun vuur in slaap,

Hun krijgslust van vermoeinis traag en mak;

Geen paard is half de helft nu van zichzelf.

Heetspoor.

Zoo is ’t ook met de paarden van den vijand;

Schier alle afgemat en zonder vuur;

En ’t meerendeel der onze is uitgerust.

Worcester.

De koning is veel talrijker dan wij;

Wacht, neef, om Gods wil, tot al de onzen hier zijn.

(Trompetgeschal voor een mondgesprek.)

(Sir Walter Blunt komt op.)

Blunt.

Ik breng, zoo ge achting en gehoor mij gunt,

Voorslagen vol genade van den koning.

Heetspoor.

Sir Walter Blunt, wees welkom! Gave God,

Dat gij met ons van één gezindheid waart!

Hoog schatten hier u velen, doch ook dezen

Misgunnen u uw hoogen naam en waarde,

Wijl gij van onze kleur en soort niet zijt,

Maar als een vijand tegen ons u stelt.

Blunt.

En God behoede mij voor andre keus,

Zoolang gij, orde, recht en wet miskennend,

U tegen den gezalfden koning kant!

Doch hoort mijn last.—De koning vraagt door mij,

Wat uwe klachten zijn, en op wat grond

Gij uit den boezem van den burgervrede

Zoo drieste vijandschap bezweert, zijn land,

Hem trouw, zoo woeste wreedheid leert? Heeft ooit

Op een’ge wijs de koning uwe diensten,

Die, dit erkent hij, vele zijn,—vergeten,

Zoo vraagt hij: noemt uw grieven; en terstond

Zult gij met rente ontvangen, wat gij wenscht,

En ook vergiff’nis voor uzelf, voor allen,

Die gij tot dit verzet hebt overreed. 51

Heetspoor.

Een vriend’lijk koning! O, hij kent zijn tijd,

Tijd van beloven, ja, en van betalen!

Mijn vader en mijn oom en ook ikzelf,

Wij schonken hem de kroon, die hij nu draagt.

En toen hij nog geen dertig mannen sterk was,

Krank in der menschen achting, arm, ellendig,

Als onbemerkte balling huiswaarts sluipend,

Bracht hem mijn vader ’t welkom toe aan ’t strand;

En toen die hem bij God betuigen hoorde,

Dat hij slechts kwam als hertog Lancaster,

Zijn leen kwam heffen en om vrede vragen,

Met onschuldtranen, op den toon der trouw,

Zwoer hem mijn vader, met zijn lot bewogen,

Goedhartig bijstand toe, en hield zijn woord.

Toen nu de lords en rijksbaronnen zagen,

Hoe hem Northumberland genegen was,

Toen kwamen groot en klein, blootshoofds en buigend,

Begroetten hem in vlek en dorp en stad,

En wachtten hem bij brug en landweg op,

En brachten giften, boden hem hun eeden,

En gaven hem hun zoons voor pages, volgden

In gouden schaar hem op de hielen na.

Fluks, als de grootheid, die zichzelf bewust wordt,

Stijgt hij een weinig hooger dan dien eed,

Dien hij op ’t naakte strand van Ravenspurg

Met armer bloed mijn vader had gedaan.

En dra, voorwaar, verstout hij zich, besluiten

En enkle stipte wetten te herzien,

Die zwaar ’t gemeene welzijn drukten, schreeuwt

Van wangebruiken, houdt zich, of hij weent

Om ’t wee des lands, en wint door dezen schijn,

Die voorgewende zucht tot recht, het hart

Van allen, die hij vangen wil; en gaat

Nu verder, door het hoofd te laten vallen

Van al de gunstelingen, die de koning

Te zijner plaatsvervanging achterliet,

Toen hij persoonlijk de’ Ierschen krijg ging voeren.

Blunt.

Ik kwam niet hier, om dit te hooren.

Heetspoor.

Ik kwam niet hier, om dit te hooren. Nu dan,

Ter zake. Dra beroofde hij den koning,

Eerst van de kroon, en kort daarop van ’t leven;

Belastte onmidd’lijk zwaar het gansche rijk;

En liet, nog schand’lijker, zijn neef van March,—

Die toch, als elk zijn rechte plaats bekleedde,

Zijn koning wezen moest,—in Wales in gijz’ling,

Opdat, niet losgekocht, zijn recht daar sliep;

Vergold mijn zegepralen met beschimping;

Ja, zocht mij door verspieders te betrappen;

Verjoeg door hooning uit ’s rijks raad mijn oom;

Verdreef, in woede, van het hof mijn vader;

Brak eed op eed, beging onrecht op onrecht,

En drong ons, eindlijk, onze veiligheid 102

In dit verzet te zoeken, en, daarbij,

Zijn koningsrecht te toetsen, dat ons waarlijk

Te weinig geldig blijkt voor langen duur.

Blunt.

Moet ik dit antwoord aan den koning brengen?

Heetspoor.

Dat niet, Sir Walter; dat wij ons beraden!

Ga tot den koning en verwerf voor ons

De zekerheid van veil’ge wederkomst;

Alsdan komt hem op morgen vroeg mijn oom

Voorslagen van ons doen; en nu, vaarwel!

Blunt.

O, naamt gij vrede en vriendschap van hem aan!

Heetspoor.

’t Is moog’lijk, dat wij ’t doen.

Blunt.

’t Is moog’lijk, dat wij ’t doen. Dit geve God!

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

York. Een vertrek in het paleis van den Aartsbisschop.

De Aartsbisschop van York en Sir Michaël komen op.

Aartsbisschop.

Haast u, Sir Michaël, en breng vliegensvlug,

Aan den Lord-Maarschalk dit verzegeld stuk;

Dit aan mijn neef, lord Scroop; en al die and’re

Aan wie zij zijn gericht. Indien gij wist,

Van welk belang zij zijn, groot ware uw spoed.

Sir Michaël.

Mijn goede Lord,

Ik gis hun inhoud.

Aartsbisschop.

Ik gis hun inhoud. Moog’lijk, dat gij ’t doet.

Het is op morgen, waarde heer, een dag,

Waarop ’t geluk van ruim tienduizend mannen

Den toets doorstaan moet. Want, bij Shrewsbury,—

Zoo melden zeekre bronnen,—zal de koning,

Met groote, in allerijl gelichte macht,

Zich met Lord Percy meten; en ik vrees,

Deels om de ziekte van Northumberland,

Wiens macht de grondslag was van ’t krijgsontwerp,

Deels om het niet verschijnen van Glendower,

Die mede een hechte steun moest zijn, en nu;

Door profetieën afgeschrikt, niet opdaagt,—

Ik vrees, dat Percy’s macht te zwak zal zijn,

Om met den koning nu den strijd te wagen.

Sir Michaël.

Mijn waaide Lord, er is geen grond tot vrees;

Denk, Douglas is er, en Lord Mortimer. 22

Aartsbisschop.

Neen, Mortimer is niet er bij.

Sir Michaël.

Daar zijn toch Mordake, Vernon, Hendrik Percy,

Daar is mylord van Worcester, en een macht

Van wakk’re krijgers, dappere edellieden.

Aartsbisschop.

Dat is zoo, ja; maar bij den koning is

Een heldenschaar uit heel het rijk vereenigd:

De prins van Wales, Lord John van Lancaster,

De wakk’re Westmoreland, de dapp’re Blunt,

Met nog veel andre medestanders, allen

Van grooten naam en duchtig krijgsbeleid.

Sir Michaël.

Zij zullen sterken weerstand vinden, heer.

Aartsbisschop.

Dit hoop ik ook, maar duchten is wel noodig;

Spoed u, Sir Michaël, om het ergst te keeren;

Want slaagt Lord Percy niet, dan zoekt de koning,

Vóór hij zijn leger afdankt, ons wis op.

Hij kent ons deelgenootschap in ’t verbond;

En wijsheid eischt, dat wij ten strijde ons rusten.

Dus haast u. ’k Heb aan meen’gen andren vriend

Alsnog te schrijven; vaar dus wel, Sir Michaël.

(Beiden af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het legerkamp van den Koning bij Shrewsbury.

Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John van Lancaster, Sir Walter Blunt en Sir John Falstaff komen op.

Koning Hendrik.

Hoe bloedig gluurt de zon daar over ’t bosch

Van gindschen heuveltop; de dag ziet bleek

Van hare krankheid.

Prins Hendrik.

Van hare krankheid. En de zuidenwind

Speelt voor trompet, die ons haar plannen meldt;

Zijn stootend fluiten door de blaadren spreekt

Ons van een ruwen dag, van storm, die komt.

Koning Hendrik.

Zoo uite hij zijn leed aan wie ’t verliezen,

Want aan wie winnen dunkt geen weder slecht.

(Trompetgeschal.)

(Worcester en Vernon komen op.)

Gij daar, mylord van Worcester? ’t Is niet goed,

Dat gij en ik elkander dus ontmoeten 10

Als nu. Bedrogen hebt gij ons vertrouwen,

Het lenig vredekleed ons af doen leggen,

En ’t oude lijf in ’t harde staal doen knellen;

Dit is niet goed, mylord, dit is niet goed.

Wat hebt gij voor? Wilt gij dien boozen knoop

Van den alom verfoeiden krijg ontknoopen,

Uw vasten loop hervatten in de baan,

Waar gij met schoon en rustig licht in straaldet,

En verder nu geen luchtverheev’ling zijn,

Een schrikverspreidend wonder en een voorspook

Van onheil voor nog ongeboren tijden?

Worcester.

Hoor mij, mijn vorst.

Ik, voor mijn deel, ik kan er in berusten,

Het slepend eind mijns levens door te brengen

In kalme rust; want dit betuig ik u,

Ik zocht den dag van dezen haat niet op.

Koning Hendrik.

Gij zocht hem niet? hoe is hij dan gekomen?

Falstaff.

De muiterij lag op zijn weg; hij vond die.

Prins Hendrik.

Stil, spekpastei, zwijg stil.

Worcester.

’t Behaagde u, vorst, de blikken uwer gunst

Van mij en heel ons huis gansch af te wenden;

En toch,—ik moet het u herinn’ren, heer,—

Wij waren de eerste, trouwste van uw vrienden.

Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken

In Richards tijd, en reisde dag en nacht

Om u te ontmoeten, u de hand te kussen,

Toen gij op verre na in rang en aanzien

Zoo machtig en geëerd niet waart als ik. 38

Ikzelf, mijn broeder en zijn zoon, wij waren ’t,

Die hier u wederbrachten, stout des tijds

Gevaren trotsend. Toen hebt ge ons gezworen,

En dezen eed zwoert gij te Doncaster,—

Niets tegen ’t rijk in ’t schild te voeren, niets

Te vord’ren dan ’t u pas vervallen erfrecht,

Gents zetel, ’t hertogdom van Lancaster.

Toen zwoeren wij u bijstand toe; maar dra

Daalde op uw hoofd geluk in stroomen neer;

Ja, zulk een vloed van grootheid viel op u,

Dank onzer hulp, dank ook des konings afzijn,

Dank ook het onrecht van een dart’len tijd,

De krenking, u zoo blijkbaar aangedaan,

En dank den tegenwinden, die den koning

Vasthielden, al te lang, aan ’t Iersche strand,

Zoodat heel England hem gestorven waande;—

En in dien zwerm van gunsten van het lot

Vondt gij dra ’t middel, dat men u verzocht

Om zelf het roer des staats ter hand te nemen,

Vergat uw eed aan ons te Doncaster,

En loondet ons, de voeders van uw grootheid,

Zooals de ondankb’re guit, de jonge koekoek,

De musch beloont: gij hebt ons nest verdrukt,

En werdt door onze voeding ras zoo groot,

Dat onze liefde u niet meer durfde naad’ren,

Beducht ook zelf te worden opgeslokt; 64

Met vlugge wieken moesten wij ons redden,

U uit het oog, en deze macht verzaam’len;

Zoodat we ons enkel met die midd’len weren,

Die gij, gijzelf gesmeed hebt tegen u,

Door krenkende bejeeg’ning, dreigend blikken

En ’t roekloos schennen van de trouw en vriendschap,

Die gij bij de’ aanvang van uw tocht ons zwoert.

Koning Hendrik.

Dit hebt gij stuk voor stuk reeds vaak ontvouwd,

Op markten afgelezen en in kerken,

Om het gewaad des oproers af te zetten

Met fraaie kleur, en zoo van wankle zielen

En arme onvergenoegden ’t oog te streelen,

Die, wijdmonds gapend, zich den elboog wrijven

Bij ’t hooren van onstuimige’ ommekeer.

Nu, zulke waterverven zijn door oproer

Altijd tot kleuring van zijn zaak te vinden,

En wreev’le beedlaars ook, die steeds naar tijd

Van woesten moord en van verwarring snakken.

Prins Hendrik.

In beide legers is er meen’ge ziel,

Die duur ons samentreffen zal betalen,

Wanneer wij ons gaan meten. Meld uw neef:

De prins van Wales stemt in met heel de wereld,

Tot Hendrik Percy’s lof; ja, bij mijn heil,

Deze onderneming nu niet meegerekend,

Zeg ik: er leeft geen beter edelman,

Zoo kloek-heldhaftig, zoo heldhaftig-jeugdig,

Zoo onversaagd en stout, om onzen tijd

Door grootsche, fiere daden roem te schenken.

Ikzelf,—en tot mijn schande zij ’t erkend,—

Was bij de ridderschap een ledigganger,

En hij ook, hoor ik, houd mij voor niets meer;

Toch zeg ik hier voor ’s konings majesteit,

Dat ik hem gaarne ’t gansche voordeel laat,

Hem door zijn grooten naam en glans verleend,

En, zoo der andren bloed dan wordt gespaard,

Met hem den strijd, man tegen man, aanvaard.

Koning Hendrik.

En, prins van Wales, dùs wagen wij uw leven;

’t Zij zoo, hoe talloos de bezwaren zijn,

Die huiv’ren doen.—Neen, goede Worcester, neen,

Ons is ons volk geliefd, zelfs die zijn ons

Nog lief, die met uw neef een dwaalspoor volgen;

En is hun mijn genade welgevallig,

Dan wordt èn hij, èn zij, èn gij, ja ieder

Op nieuw mijn vriend; ik zal de zijne zijn.

Zeg dit uw neef, en breng mij ras bericht,

Wat hij beslist! Doch, geeft hij thans niet toe,

Weet, ons verzellen straf en tuchtiging; 111

Die zullen dan haar plicht doen. Gaat nu heen.

Niets meer; want wederwoorden zijn wij moe!

Wij bieden vriendlijk aan, grijpt wijslijk toe!

(Worcester en Vernon af.)

Prins Hendrik.

Zij nemen het niet aan, zoo waar ik leef.

Douglas en Heetspoor zijn bijeen; die twee

Trotseeren zelfs een wereld in de waap’nen.

Koning Hendrik.

Van hier dus, ieder krijger naar zijn post;

Wij vallen daad’lijk na hun antwoord aan;

Zij God met ons, aan onze zijde is ’t recht.

(De Koning, Blunt en Prins John af.)

Falstaff.

Hein, als gij mij in den slag op den grond ziet, en u schrijdelings over mij heen stelt, dan doet gij wel; ’t is vriendenplicht.

Prins Hendrik.

Alleen een colossus kan u die vriendschap doen. Doe uw gebed en vaarwel.

Falstaff.

Ja, ik wenschte het wel slapenstijd, Hein, en alles goed.

Prins Hendrik.

Nu, gij zijt God een dood schuldig.

(Prins Hendrik af.)

Falstaff.

’t Is nog de vervaldag niet; ik zou hem ongaarne betalen voor den tijd. Wat behoef ik zoo voorkomend te wezen jegens iemand, die mij niet maant? Nu, het doet er niet toe; de eer roept mij voorwaarts. Ja, maar hoe, als de eer mij afroept bij het voorwaarts gaan? hoe dan? Kan de eer een been aanzetten? Neen. Of een arm? Neen. Of de pijn stillen van een wond? Neen. De eer is dus niet bedreven in de heelkunde? Neen. Wat is eer? Een woord. Wat is het woord eer? Lucht. Een fraaie rekening!—Wie heeft haar? Die Woensdag gestorven is. Voelt hij ze? Neen. Hoort hij ze? Neen. Is ze dus niet waar te nemen? Neen, door den doode niet. Maar leeft ze dan nooit bij de levenden? Neen. Waarom niet? De afgunst duldt dit niet.—Daarom wil ik niets van haar weten. De eer is niets dan een wapenschild; en daarmee is mijn catechismus ten einde.

(Falstaff af.)

TWEEDE TOONEEL.

Het kamp der opstandelingen.

Worcester en Vernon komen op.

Worcester.

O neen, Sir Richard, nimmer mag mijn neef

’t Genadig aanbod van den koning kennen.

Vernon.

Dit waar’ toch goed.

Worcester.

Dit waar’ toch goed. Dan waren wij verloren.

Het is volstrekt onmoog’lijk, kan niet zijn,

Dat ons de koning woord houdt, ooit mag lijden;

Wij blijven hem verdacht, hij speurt den tijd

Om dit vergrijp in andre schuld te straffen.

Ons leven lang blijft argwaan duizendoogig;

Verraad wordt nooit vertrouwd dan als de vos,

Die nooit, hoe mak, geliefkoosd, opgesloten,

Den wilden aard van zijn geslacht verzaakt.

Kijk hoe ge wilt, blijmoedig of bedrukt,

Een leven hebben we als een os op stal, 14

Hoe meer verzorgd, hoe nader bij den dood.

Mijns neefs vergrijp, ja, kan vergeten worden,

Zijn jeugd, zijn ziedend bloed is zijn verschooning,

En zelfs zijn bijnaam wordt hem tot een voorrecht:

De dolkop Heetspoor, door zijn luim beheerscht.

Zijn zonden worden mij op ’t hoofd gestapeld,

Mij en zijn vader: wij verlokten hem,

En, wat ooit hèm besmette, ’t komt van ons;

Dies boeten wij, als bron van alles, alles.

En daarom, beste neef, dat Hendrik nimmer,

Wat ook gebeur’, des konings aanbod kenn’.

Vernon.

Meld gij dan wat gij wilt; ik zal ’t beamen.

Daar komt uw neef.

(Heetspoor en Douglas komen op, achter hen Officieren en Soldaten.)

Heetspoor.

Mijn oom is weer terug;—laat dus den graaf

Van Westmoreland weer vrij.—Nu, oom, wat meldt gij?

Worcester.

De koning biedt terstond den slag u aan.

Douglas.

Daag door mylord van Westmoreland hem uit.

Heetspoor.

Lord Douglas, ga, en zeg hem dit.

Douglas.

Voorwaar, dat wil ik, en van harte gaarne.

(Douglas af.)

Worcester.

Geen schijn zelfs van genade toont de koning.

Heetspoor.

Gij vroegt er om? verhoede ’t God!

Worcester.

Zachtmoedig sprak ik hem van onze grieven,

En van zijn eedbreuk, dien hij door den meineed,

Dat hij geen meineed pleegde, nu verschoonde;

Verraders, muiters noemt hij ons, en wil

In ons dien naam met trotsche waap’nen gees’len.

(Douglas komt terug.)

Douglas.

Te wapen, heeren, vlug! ’k Heb koning Hendrik

Een uitdaging, die klinkt, naar ’t hoofd geworpen,

En Westmoreland, die gijz’laar was, brengt ze over;

Zij wekt onfeilbaar hem terstond ten strijd.

Worcester.

De prins van Wales trad voor des konings zetel,

En daagde, neef, u tot een tweestrijd uit. 47

Heetspoor.

O, dat aan ons het strijden waar’ vertrouwd,

En dat geen enkel man van daag moest hijgen,

Dan ik en Hendrik Monmouth! Zeg mij, zeg mij,

Hoe was zijn taal? minachtend? overmoedig?

Vernon.

Neen, bij mijn heil! in heel mijn leven hoorde ik

Geen vijand ooit bescheid’ner uitgedaagd;

Een broeder kan een broeder aldus nooden

Tot edele oef’ning en tot wapenspel.

Hij kende u iedre mannenhulde toe,

En tooide uw lof met rijke vorstentong;

Hij somde als een kroniek uw deugden op,

En noemde u altijd beter dan zijn lof,

Als waar’ die bij uw waarde schimp te reek’nen.

En,—wat als prins hem wel het schoonste stond,—

Schaamrood vermeldde hij zichzelf, en laakte

Zijn lediggaande jeugd zoo schoon en waar,

Als waar’ hij meester van een dubb’len geest,

Die, leering gevend, zelf ook leerling was.

Toen zweeg hij. Maar, dit zeg ik aan de wereld:

Spaart hem de nijd van dezen dag, dan heeft

Nooit England zulk een schoone hoop bezeten,

Om de’ overmoed der jeugd zoozeer miskend.

Heetspoor.

Gij zijt, neef, dunkt mij, door en door verliefd

Op al zijn dwaasheid; nooit heb ik gehoord

Van een’gen prins, die zulk een losbol was.

Maar zij hij wat hij wil, nog voor de nacht

Wil ik hem met een krijgsmansarm omhelzen,

Dat hij ineenkrimpt van mijn heuschen groet.

Op, op, ten strijd!—En, krijgers, vrienden, broeders,

Bedenkt gij beter, wat gij hebt te doen,

Dan ik, die niet de gaaf van ’t woord bezit,

Uw bloed kan wekken door welsprekendheid.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Heer, daar zijn brieven voor u.

Heetspoor.

Die kan ik nu niet lezen.—

O, heeren, ’s levens duur is kort; die kortheid

Op lage wijs te spillen, waar’ te lang,

Al reed ook ’t leven op een uurwerkwijzer,

Zoodat het uit was, als een uur verscheen.

Wij treden, levend, koningen in ’t stof;

En sneven,—schoon is ’t!—als ook vorsten sneven!

En ons geweten,—rein zijn onze waap’nen,

Wanneer het doel gerecht is, dat ze voert.

(Een tweede Bode komt op.)

Bode.

Heer, wees gereed; de koning rukt daar aan. 90

Heetspoor.

Ik dank hem, dat hij mij tot zwijgen noopt,

Want praten is mijn zaak niet. Nog slechts dit:—

Doe elk wat hij vermag! En hier trek ik

Een zwaard, dat ik op heden verven wil

Door ’t beste bloed, dat ik kan tegentreden

Bij ’t hach’lijk spel van dezen heeten dag.

Nu:—Espérance! Percy! en vooruit!—

Klinkt, oorlogs edele instrumenten, lustig!

Laat ons bij die muziek elkaar omarmen!

Want, hemel tegen aarde! er zijn er hier,

Die nooit meer zulk een groet elkander brengen.

(Trompetgeschal. Zij omarmen elkander. Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een vlakte bij Shrewsbury.

Aanvallen; vechtende troepen; krijgsgedruisch. Daarop komen Douglas en Blunt, van verschillende zijden, op.

Blunt.

Hoe heet gij, die aldus mij in den strijd

Den weg versperren komt? Wat eere zoekt gij

Dus op mijn hoofd?

Douglas.

Dus op mijn hoofd? Verneem, mijn naam is Douglas,

En ik bestook u in den strijd aldus,

Omdat ik hoor, dat gij een koning zijt.

Blunt.

Dan hebt gij goed gehoord.

Douglas.

Duur heeft Lord Stafford heden zijn gelijk’nis

Op u gekocht; in ùw plaats, koning Hendrik,

Heeft hèm dit zwaard geveld; zoo doet het u,

Tenzij gij u aan mij gevangen geeft.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Vierde Tooneel.

Blunt.

Geen lage geest leeft in mij, trotsche Schot;

Hier zult ge een koning vinden, die den dood

Wreekt van lord Stafford.

(Zij vechten, en Blunt wordt verslagen.)

(Heetspoor komt op.)

Heetspoor.

Hadt gij te Holm’don zoo gekampt, o Douglas,

Ik had geen enklen Schot ooit overmocht!

Douglas.

De zege is ons! ontzield ligt hier de koning!

Heetspoor.

Waar?

Douglas.

Hier.

Heetspoor.

Daar, Douglas? Neen, die trekken ken ik wel;

Een dapper ridder was ’t, zijn naam was Blunt,

Gelijk geharnast als de koning zelf.

Douglas.

Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat!

Voor hoogen prijs kocht ge uw geleenden titel;

Waartoe gaaft gij u voor een koning uit?

Heetspoor.

Meer zijn er in des konings wapenrok. 25

Douglas.

Nu, bij mijn ziel, ik dood hem al zijn rokken,

En moord zijn kleerkas, stuk voor stuk, hem uit,

Tot ik den koning tref.

Heetspoor.

Tot ik den koning tref. Op! voort, met spoed!

De dag is ons, al de onzen zijn vol moed.

(Beiden af.)

(Krijgsgedruisch. Falstaff komt op.)

Falstaff.

In Londen ben ik er niet beducht voor, eens aangeschoten te zijn, hier wel; hier kerven zij iemand het gelag op zijn schedel.—Stil! wie zijt gij daar? Sir Walter Blunt;—daar hebt gij nu uw eer; en dat zou geen ijdelheid zijn!—Ik ben zoo heet als gesmolten lood, en even zwaar ook;—God houde mij lood uit het lijf; ik heb genoeg te dragen aan mijn eigen ingewanden.—Ik heb mijn schoeljes gebracht, waar het hun ingepeperd is; er zijn er nog maar drie van mijn honderdvijftig over, en die zijn goed genoeg voor de stadspoorten, om levenslang te bedelen. Maar wie komt daar?

(Prins Hendrik komt op.)

Prins Hendrik.

Wat! staat gij nietsdoend hier? leen mij uw zwaard;

Zoo menig edelman ligt koud en stijf,

Vertrapt door ’t strijdros van zijn trotschen vijand;

Hun dood is nog te wreken, leen me uw zwaard.

Falstaff.

O Hein, ik bid u, laat mij een oogenblik op adem komen. De Turk Gregorius heeft nooit zulke wapenfeiten volbracht als ik vandaag. Ik heb Percy zijn deel gegeven; hij kan het er mee doen.

Prins Hendrik.

Dat kan hij inderdaad, en hij leeft, om u te dooden. Ik bid u, leen mij uw zwaard.

Falstaff.

Neen, bij God, Hein, als Percy nog leeft, krijgt gij mijn zwaard niet, maar neem mijn pistool, als gij wilt.

Prins Hendrik.

Geef het! steekt het daar in den holster?

Falstaff.

Ja, Hein; ’t is heet, ’t is heet, goed om sektenmakers ten onder te brengen.

(De Prins trekt er een flesch sek uit te voorschijn.)

Prins Hendrik.

Wat! is het nu een tijd van scherts en beuz’len?

(De Prins werpt hem de flesch voor de voeten en gaat heen.)

Falstaff.

Nu, als Percy nog leeft, pers ik hem dood. Als hij mij in den mond loopt, ’t zij; als hij het niet doet, mag hij een carbonade van mij maken, zoo ik hem vrijwillig in den mond loop. Ik ben niet gesteld op die grijnzende eer, zooals Sir Walter heeft. Geef mij leven; kan ik dat er afbrengen, ’t zij; zoo niet, dan komt de eer ongevraagd, en daarmee uit.

(Falstaff af.)

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Krijgsgedruisch en aanvallen. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John en Westmoreland komen op.

Koning Hendrik.

Ik bid u, Hendrik,

Verlaat het slagveld, want gij bloedt te sterk.—

Lord John van Lancaster, ga gij met hem.

Prins John.

Ik niet, mylord; dan moet ikzelf eerst bloeden.

Prins Hendrik.

Ik bid uw majesteit, spoed u naar voren;

Licht wekt uw afzijn onrust bij uw vrienden.

Koning Hendrik.

Dat wil ik doen.—

Lord Westmoreland, leid gij hem naar zijn tent.

Westmoreland.

Kom dan, mylord, ik leid u naar uw tent.

Prins Hendrik.

Mij leiden, Heer? Ik heb uw hulp niet noodig;

Verhoede God, dat om een lichte schram

De prins van Wales een veld als dit verlaat,

Waar roodgekleurd in ’t stof onze adel ligt,

En ’t oproer om het bloedbad triumfeert!

Prins John.

Te lang gerust reeds.—Kom, neef Westmoreland;

Plicht roept ons op naar ginds; om Gods wil, kom.

(Prins John gaat met Westmoreland heen.)

Prins Hendrik.

Bij God, gij deedt mij dwalen, Lancaster;

Zoo hoog had ik uw krijgsdeugd niet geschat:

’k Had, John, u vroeger als een broeder lief;

Thans maakt ge deel uit van mijn eigen ziel.

Koning Hendrik.

Ik zag, hoe hij Lord Percy zich van ’t lijf hield,

En dat zoo kloek en rustig, als ik nooit

Van zulk een onvolwassen krijger wachtte.

Prins Hendrik.

O, deze knaap leent allen moed en vuur.

(Prins Hendrik af.)

(Strijdgedruisch. Douglas komt op.)

Douglas.

Alweer een koning!

Zij groeien telkens uit als Hydrakoppen.

Ken mij als Douglas, voor een elk verderflijk,

Die deze kleuren draagt.—Spreek, wie zijt gij,

Die naar den schijn een koning wezen wilt?

Koning Hendrik.

De koning zelf, wien ’t, Douglas, innig grieft,

Dat gij zoo vele van zijn schimmen aantroft,

En niet den koning zelf. Ik heb twee knapen,

Die Percy en uzelf op ’t slagveld zoeken;

Doch nu ’t geluk aan mij u tegenvoert,

Zal ik den strijd beproeven; weer u dus. 34

Douglas.

Ik vrees, dat gij ook weer een namaak zijt,

Schoon gij, voorwaar, u voordoet als een koning;

Doch wie gij zijt, mijn zijt gij, dit bezweer ik;

En zóó maak ik u mijn.

(Zij vechten; terwijl de Koning in gevaar verkeert, komt Prins Hendrik op.)

Prins Hendrik.

Houd thans het hoofd omhoog, gij snoode Schot,

Of nu, of nimmermeer! want in mijn kling

Zijn Shirley’s, Blunt’s en Stafford’s wakk’re geesten;

Het is de prins van Wales, die u bedreigt,

Die nooit belooft, dan als hij wil betalen.

(Zij vechten; Douglas vlucht.)

Houd moed, mijn vorst; hoe gaat het uw genade?—

Sir Nic’laas Gawsey heeft om hulp gevraagd,

En Clifton ook; ik spoed mij nu tot Clifton.

Koning Hendrik.

Neen, blijf en rust een oogwenk!

Herwonnen hebt gij uw verloren achting,

En door de redding, die gij mij daar bracht,

Getoond, dat u mijn leven wel iets waard is.

Prins Hendrik.

O God, zij deden mij te gruw’lijk onrecht,

Die zeiden, dat ik haakte naar uw dood.

Als dit zoo was, behoefde ik Douglas’ hand,

Die u bedreigde, slechts niet af te wenden,

Want die had wis uw levenstijd voleind,

Zoo snel als een’ge moorddrank het vermocht,

En zóó uw zoon verraderswerk bespaard.

Koning Hendrik.

IJl gij naar Clifton; ik wil zelf naar Gawsey.

(Koning Hendrik af.)

(Heetspoor komt op.)

Heetspoor.

Zie ik het wel, dan zijt gij Hendrik Monmouth.

Prins Hendrik.

Gij spreekt, als wilde ik mijnen naam verlooch’nen.

Heetspoor.

Mijn naam is Hendrik Percy.

Prins Hendrik.

Mijn naam is Hendrik Percy. Nu, dan zie ik

Een overdapp’ren muiter van dien naam.

Ik ben de prins van Wales; en waan niet, Percy,

Dat gij nog een’gen roem meer met mij deelt;

Twee sterren loopen niet in éénen kring,

En ’t eenig England duldt geen dubbelrijk

Van Hendrik Percy en den prins van Wales.

Heetspoor.

Dit zal ’t niet doen, want, Hendrik, ’t uur is daar, 68

Dat een van ons bezwijkt; en waar’, God gave ’t!

Uw wapenroem zoo groot nu als de mijne!

Prins Hendrik.

Ik maak hem grooter, eer ik van u scheide,

En iedere eer, die op uw helm ontluikt,

Ik pluk en vlecht ze tot een krans voor mij.

Heetspoor.

Niet langer duld ik zulk een ijd’le taal.

(Zij vechten.)

(Falstaff komt op.)

Falstaff.

Goed zoo, Hein! er op los, Hein!—

Nu, dat is geen kinderspel, dat verzeker ik u.

(Douglas komt weder op; hij vecht met Falstaff, die zich laat vallen, alsof hij dood was; daarna gaat Douglas heen. Heetspoor wordt gewond en valt.)

Heetspoor.

O Hendrik! gij berooft mij van mijn jeugd!

Ik draag ’t verlies van ’t broze leven lichter,

Dan dien mij afgewonnen grootschen roem;

Dit wondt mijn geest, meer dan uw zwaard mijn vleesch;—

Maar, ja, de geest is slaaf van ’t leven, ’t leven

De nar des tijds; de tijd, die alles schouwt,

Loopt zelf ten eind. O, ’k zou als ziener spreken,

Als niet de kille, zware hand des doods

Den mond mij sloot.—Neen, Percy, gij zijt stof,

En spijs voor—

(Hij sterft.)

Prins Hendrik.

Voor wormen, wakk’re held! Vaarwel, groot hart!—

Wat krimpt gij in, gij slechtgeweven eerzucht!

Dit lichaam achtte, toen ’t een geest bevatte,

Zich door een koninkrijk te nauw begrensd;

Nu zijn twee schreden van den minsten grond

Ruim groot; deze aarde, die u, doode, draagt,

Draagt levend geen zoo kloeken edelman.

Als gij mijn vriendlijkheid gevoelen kondt,

Zou ik mijn eerbetoon zoo warm niet uiten:—

Thans dekk’ mijn veldtooi uw verminkt gelaat,

En danken wil ik, namens u, mijzelf,

Dat ik die schoone, teed’re hulde u bracht.

Vaarwel, en neem uw lof met u ten hemel!

Uw schande zij met u ter aard besteld,

En worde ook in uw grafschrift niet vermeld!—

(Hij ontwaart Falstaff op den grond.)

Wat! oude vriend! behield u al dit vleesch

Geen sprankje leven? Arme Hans, vaarwel!

’k Had beter nog een beet’ren man ontbeerd.

Ja, uw verlies waar’ mij een bitt’re smart,

Zat lust tot ijdel doen mij diep in ’t hart.

Hoe menig edel hert vandaag mocht vallen,

Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen.

Lig, tot ik mij om u te ontweien spoed,

Hier naast den eed’len Percy in uw bloed. 110

(Prins Hendrik af.)

Falstaff

(opstaand). Ontweien! als gij mij vandaag ontweidt, geef ik u verlof mij in te zouten, ja, en morgen op te eten ook. Alle duivels! het was tijd een schijn te worden, of die woedende dolkop van een Schot had mij schot en lot laten betalen. Een schijn? Neen, dat is een leugen, ik ben geen schijn; maar sterven, dat is een schijn te worden, want hij is maar de schijn van een mensch, die het leven niet heeft van een mensch; maar de schijn te zijn van den dood, om daardoor in het leven te blijven, dat is niet een schijn zijn, maar inderdaad het ware en volkomen beeld van het leven. Het beste deel van de dapperheid is voorzichtigheid; en door dat beste deel heb ik mijn leven gered.—Verduiveld, ik ben nog bang voor dien buskruit-Percy, al is hij nu dood. Wat! als hij ook eens een schijn was, en weer opstond? Op mijn woord, ik vrees, dat hij de beste schijn van ons tweeën zou blijken. Daarom wil ik hem onschadelijk maken, ja, en ik wil zeggen, dat ik hem verslagen heb. Waarom zou hij niet even zoo goed kunnen opstaan als ik? Niets kan mij logenstraffen dan oogen, en niemand ziet mij; daarom, man, (Hij brengt hem een dolksteek toe.) met een nieuwe wond in de dij gaat gij nu met mij mee.

(Hij neemt Heetspoor op zijn rug.)

(Prins Hendrik en Prins John komen op.)

Prins Hendrik.

Nu, broeder John, gij hebt uw maagdlijk zwaard

Recht dapper ingewijd.

Prins John.

Recht dapper ingewijd. Stil! wie is dat?

Gij zeidet toch, die vette man was dood?

Prins Hendrik.

Ja, zeker, ’k zag hem dood,

Bebloed en ademloos in ’t stof.—

Zijt gij in leven, of is ’t hier verbeelding,

Die met onze oogen spot? Ik bid u, spreek!

Ons oog is onbetrouwbaar zonder ’t oor;

Gij zijt niet wat gij schijnt.

Falstaff.

Neen, dat is zeker, een dubbele man ben ik niet; maar als ik niet Hans Falstaff ben, wil ik Hans Worst heeten. Daar is Percy; (Hij werpt het lijk neder.) als uw vader mij de een of andere eer wil aandoen, goed; zoo niet, dan mag hij den volgenden Percy zelf ombrengen. Ik verwacht graaf of hertog te worden, dit kan ik u verzekeren.

Prins Hendrik.

Wat! Percy doodde ikzelf en zag u dood. 147

Falstaff.

Gij? waarlijk?—Heere, Heere, wat is deze wereld aan den leugen verslaafd!—Ik geef u toe, ik lag op den grond, geheel buiten adem, en hij desgelijks, maar wij stonden beiden op hetzelfde oogenblik op, en vochten een goed uur, op de torenklok van Shrewsbury af. Wil men mij gelooven, goed; zoo niet, dan valle de zonde op het hoofd van hen, die de dapperheid moesten beloonen. Ik sterf er op, dat ik hem deze wond in de dij heb toegebracht; als de man maar in leven was, en dit durfde loochenen, duivels! dan zou ik hem een stuk van mijn zwaard te eten geven.

Prins John.

Dit is het vreemdst verhaal, dat ik ooit hoorde.

Prins Hendrik.

Dat is de vreemdste snuiter, broeder John.—

Kom, neem weer fier uw pakje op den rug;

Voor mijn deel, brengt een leugen u in gunst,

Dan wil ik die met schoone taal vergulden.

(Trompetgeschal tot terugroeping van het slagveld.)

Daar is ’t verzamelsein; de dag is ons.

Kom, broeder, nu naar ’t hoogste deel van ’t veld,

En zien wij, wie der vrienden leeft, wie viel.

(Prins Hendrik en Prins John af.)

Falstaff.

Ik wil hen daar volgen, zooals zij zeggen, voor mijn belooning. Die mij beloont, dien loone God! Als ik grooter word, wil ik kleiner worden; want ik wil purgeeren, en de sek opgeven en ordelijk leven, zooals het een edelman betaamt.

(Falstaff af, met het lijk.)

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John, Westmoreland en Anderen komen op; Worcester en Vernon als gevangenen.

Koning Hendrik.

Zoo vond rebellie nog altoos haar straf.—

Gij boosgezinde Worcester, boden wij

Genadig niet aan allen vrede en vriendschap?

En hebt ge ons aanbod niet geheel verdraaid?

’t Vertrouwen van uw neef geheel misbruikt?

Drie ridders, die aan onze zijde vielen,

Een edel graaf en menig ander krijger

Waar’ tot dit uur in leven,

Zoo ge als waar christen tusschen beide legers

Een ware boodschap over hadt gebracht.

Worcester.

Tot wat ik deed, dreef mij mijn veiligheid,

En ik aanvaard gelaten wat mij wacht,

Daar ’t onafwendbaar op mij nederstort.

Koning Hendrik.

Voert Worcester heen, en Vernon ook, ter dood;—

Der andren schuld zij nader overwogen.

(Worcester en Vernon af, door een Wacht begeleid.)

Hoe staat het op het slagveld?

Prins Hendrik.

Heer, de eed’le Schot, Lord Douglas, toen hij zag,

Dat zich de krijgskans tegen hem gekeerd had,

Dat de eedle Percy dood was, en al ’t volk

Vol schrik aan ’t vluchten, vlood ook zelf, maar werd

Bij ’t vallen van een heuvel zoo gekneusd,

Dat wij hem grepen. Zoo bevindt zich Douglas

Thans in mijn tent, en ik verzoek uw hoogheid:

Geef hem in mijne macht.

Koning Hendrik.

Geef hem in mijne macht. Van harte gaarne.

Prins Hendrik.

Dan, broeder John van Lancaster, zij nu

Deze eervolle edelmoedigheid ùw taak:

Ga tot Lord Douglas, meld hem, dat hij vrij

Kan gaan, waarheen hij wil, en zonder losgeld;

Zijn moed, waar onze helmen van getuigen,

Heeft ons geleerd, hoe zulke grootsche daden

Ook in den vijand te vereeren zijn.

Prins John.

Dank voor dit schoon verleenen van genâ,

Dat ik onmidd’lijk overbrengen ga.

Koning Hendrik.

Dan blijft te doen, dat we onze macht verdeelen.—

Gij, mijn zoon John en neef van Westmoreland,

Trekt op naar York met allen denkb’ren spoed,

Northumberland en den aartsbisschop tegen,

Die ijv’rig, hoor ik, zich ten strijde rusten.

Ikzelf, zoon Hendrik, trek met u naar Wales,

Om met Glendower en Mortimer te kampen.

Gedempt is ras het oproer in dit land,

Als nog een dag als deze ’t overmant;

Schoon werd op heden onze taak begonnen;

Dies niet gerust, eer alles is gewonnen.

(Allen af.)