KONING HENDRIK DE VIERDE.
TWEEDE DEEL.
-
PERSONEN:
- Koning Hendrik de Vierde.
-
Hendrik, Prins van Wales, zijn zonen. Thomas, Hertog van Clarence, Prins John van Lancaster, Prins Humphrey van Gloster, -
De Graaf van Warwick, aanhangers des Konings. De Graaf van Westmoreland, De Graaf van Surrey, Gower, Harcourt, - De Lord-Opperrechter van de koninklijke rechtbank.
- Een Edelman, toegevoegd aan den Lord-Opperrechter.
-
De Graaf van Northumberland, tegenstanders des Konings. Scroop, Aartsbisschop van York, Lord Mowbray, Lord Hastings, Lord Bardolf, Sir John Coleville, - Travers en Morton, dienstlieden van Northumberland.
- Sir John Falstaff.
- Bardolf, Pistool en een Page.
- Poins en Peto.
- Zielig en Stil, vrederechters ten plattelande.
- David, bediende van Zielig.
- Schimmel, Schaduw, Wrat, Slap en Bulkalf, recruten.
- Klauw en Strik, gerechtsdienaars.
- Een Portier.
- Lady Northumberland.
- Lady Percy.
- Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap.
- Doortje Scheurlaken.
- Het Gerucht, voor den Proloog.
- Een Danser, voor den Epiloog.
- Lords, Officieren, Soldaten, een Bode, Herbergbedienden, Gerechtsdienaars, Stalknechts, Gevolg, enz.
Het tooneel is in Engeland.
PROLOOG.
Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland.
Het Gerucht komt op, geheel met tongen beschilderd.
Gerucht.
Ontsluit uw ooren; want wie uwer stopt
Des hoorens poort, zoo ’t luid Geruchte spreekt?
Van ’t oosten tot het nederzijgend west
Onthul ik, rijdend op den wind als renner,
De daden, op deez’ aardbol aangevangen.
Voortdurend zweeft er laster op mijn tongen,
En dien verkondig ik in elke taal,
Der menschen oor met valsche tijding vullend.
Van vrede spreek ik, als verholen haat,
Schijngoedig lachend, diep de wereld wondt;
En wie, dan het Gerucht, dan ik alleen,
Brengt benden saâm en schrikk’lijk wapentuig,
Wijl ’t jaar, hoog opgezet door ander leed,
Heet groot te gaan bij den aartswoestling Krijg,
Schoon ’t niet zoo zij? Een fluit is het Gerucht,
Waar gissing, argwaan, ijverzucht op blaast,
Met kleppen, zoo gemakk’lijk voor den greep,
Dat zelfs het stomp, ontelbaar-hoofdig monster,
De wisselzieke, steeds verdeelde menigt’ 19
Er op kan spelen. Doch waartoe dient dit,
Dat ik mijn wezen, elk bekend, ontleed,
Voor mijn gezin hier? Wat doet hier ’t Gerucht?
Ik loop hier koning Hendriks zege voor,
Die op het bloedig veld bij Shrewsbury
Den jongen Heetspoor en zijn macht versloeg,
En in der oproerlingen bloed de vlam
Des koenen opstands doofde. Doch wat dwaasheid,
Dat ik met waarheid aanvang? ’t Is mijn taak,
Als nieuws te melden, dat prins Hendrik Monmouth
Voor ’t grimmig zwaard van de’ eedlen Heetspoor viel, 30
En dat de koning zelf voor Douglas’ woede
’t Gezalfde hoofd ten doode heeft geneigd.
Dit heb ik uitgestrooid in stad en vlek
Van ’t vorsten-kampperk af te Shrewsbury
Tot dit verweerde, halfvervallen slot,
Waar Heetspoors vader, graaf Northumberland,
Sluw krank ligt. Moede boden komen aan,
Doch geen brengt ander nieuws dan ik hun leerde,
Elk zoeten schijntroost, komende uit mijn mond,
Veel erger dan een waar bericht, dat wondt.
(Het Gerucht af.)
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland.
Lord Bardolf komt op.
Lord Bardolf.
Wie heeft de wacht hier? hei!
(De Portier opent de poort.)
Wie heeft de wacht hier? hei! Waar is de graaf?
Portier.
Wien heb ik aan te melden?
Lord Bardolf.
Wien heb ik aan te melden? Zeg den graaf,
Dat hier lord Bardolf staat en op hem wacht.
Portier.
Zijn lordschap doet een wand’ling in den tuin;
Gelief, heer, aan den ingang daar te kloppen,
Dan opent hij u zelf.
(Northumberland komt op.)
Lord Bardolf.
Dan opent hij u zelf. Daar komt de graaf.
Northumberland.
Wat nieuws, lord Bardolf, brengt ge? Thans moet elke
Minuut de moeder van een krijgsdaad zijn.
De tijd is woest, de tweedracht als een paard,
Verhit door weeldrig voêr; zij rukt zich los,
En rent nu alles neder. 11
Lord Bardolf.
En rent nu alles neder. 11 Eed’le graaf,
Ik breng u zeker nieuws van Shrewsbury.
Northumberland.
Als God wil, goed.
Lord Bardolf.
Zoo goed het hart kan wenschen.
De koning is schier tot den dood gewond,
En, door het goed geluk uws zoons, Prins Hendrik
Op ’t slagveld zelf gedood, de beide Blunts
Door Douglas’ hand verslagen; voorts: Prins John
En Westmoreland en Stafford zijn gevloden;
Prins Hendriks spekbuik, ’t loggerschip Sir John,
Gevang’ne van uw zoon. O, zulk een dag,
Zoo schoon bevochten, doorgezet, gewonnen,
Heeft nooit, sinds Caesars glorievollen tijd,
Een eeuw vereeuwigd. 23
Northumberland.
Doch hoe weet gij ’t? komt gij
Van Shrewsbury? hebt gij den strijd aanschouwd?
Lord Bardolf.
Ik sprak, mylord, een ooggetuige, een man
Van stand en goeden naam; hij kwam van daar,
En stond volkomen voor de waarheid in.
Northumberland.
Daar komt mijn dienaar Travers, dien ik Dinsdag
Heb uitgezonden om mij nieuws te brengen.
Lord Bardolf.
Mylord, ik reed hem onderweg voorbij;
Geen andre zekerheid verschaft hij u,
Dan die hij mij misschien kan navertellen.
(Travers komt op.)
Northumberland.
Nu, Travers, welk een goed bericht brengt gij?
Travers.
Mylord, Sir John Umfrevile deed mij keeren
Met blijde tijding, en reed door, veel beter
Dan ik bereden. Weldra kwam mij spoorslags
Een heer op zij, schier uitgeput van ’t jagen,
En liet zijn bloedig ros op adem komen.
Hij vroeg den weg naar Chester, en ik vorschte
Bij hem, wat nieuws er was van Shrewsbury.
Hij zeide: de opstand had daar geen geluk,
Des jongen Hendrik Percy’s spoor was koud.
Toen vierde hij zijn edel ros den teugel,
En stiet, vooroverbuigend, ’t arme dier
De scherpe hielen in het hijgend lijf
Tot aan den spoorknop; ijlings vloog hij heen,
En scheen den weg al rennend te verslinden,
Geen verder vragen wachtend.
Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel.
Northumberland.
Geen verder vragen wachtend. Wat!—Nog eens!
Des jongen Hendrik Percy’s spoor was koud?
Werd Heetspoor Koudspoor? en het oproer had
Daar geen geluk?
Lord Bardolf.
Daar geen geluk? Mylord, laat mij u zeggen,
Heeft niet de dag zich voor uw zoon verklaard,
Voorwaar, dan geef ik voor een gouden nestel
Mijn baronie en al; geen woord er van!
Northumberland.
Doch waarom zou die heer, dien Travers sprak,
Zoo bondig dan een neêrlaag melden?
Lord Bardolf.
Zoo bondig dan een neêrlaag melden? Hij?
Een schooier was hij wis, en had het paard,
Waarop hij reed, gestolen;—bij mijn ziel,
Hij sprak slechts wat hem inviel.—Zie, meer tijding! 59
(Morton komt op.)
Northumberland.
Ja, ’t voorhoofd van dien man spelt, als de titel
Eens treurzangs, reeds den aard van zijn bericht.
Zoo is het strand, waarop de onstuim’ge zee
De sporen van haar inbraak achterliet.—
Spreek, Morton, spreek, komt gij van Shrewsbury?
Morton.
Ik rende weg van Shrewsbury, mylord;
Daar deed de dood haar gruwlijkst mom, tot schrik
Der onzen, voor.
Northumberland.
Spreek, leeft mijn zoon, mijn broeder?—
Gij siddert, en de bleekheid uwer wang
Meldt beter uwe boodschap dan uw mond.
Juist zulk een man, zoo mat, zoo moedeloos,
Zoo strak, zoo doodsch van blik, zoo diep geknakt,
Schoof Priamus’ gordijn in ’t holst der nacht
Ter zijde, als bode, dat half Troje brandde;
Eer dan hij ’t woord, vond Priamus de vlam;
Zoo ik mijn Percy’s dood, eer gij dien meldt.
Gij wildet zeggen:—dit, dit deed uw zoon,
Uw broeder dit, en zoo streed de eed’le Douglas,
Om met hun roem mijn gretig oor te vullen;
Maar in het eind, ja, stopt gij ’t dan voor goed,
En slaakt ge een zucht, die al dien lof verwaait;
Uw slot is: broeder, zoon en allen dood.
Morton.
Uw broeder leeft, alsnog, en Douglas ook;
Maar van mylord uw zoon—
Northumberland.
Maar van mylord uw zoon— Ja, die is dood.—
Zie, wat is kwaad vermoeden vlug van tong!
Hij, die iets ducht, wat hij niet weten wil,
Weet bij instinct, uit andrer blikken reeds,
Dat waar is, wat hij ducht. Toch Morton, spreek:
Zeg aan uw graaf, dat zijn voorspelling liegt;
Recht welkom zal mij die beschimping zijn,
En ’k maak u rijk, zoo gij aldus mij smaadt.
Morton.
Gij zijt te groot, dan dat ik mag weerspreken;
Uw geest spelt al te waar, uw vrees te juist.
Northumberland.
Dit zij zoo; zeg toch niet, dat Percy dood is.—
Ik lees een vreemde erkent’nis in uw oog;
Gij schudt het hoofd en acht het zonde of schrikk’lijk,
Waarheid te spreken. Is hij dood, zoo zeg het;
Die tong misdoet niet, die zijn dood bericht;
Hij zondigt, die van dooden leugens spreekt,
Niet hij, die van een doode zegt: hij leeft niet;
Toch, de eerste brenger van onwelkom nieuws
Heeft een ondankb’ren post, en later klinkt
Zijn tong steeds als een doffe klank en doet
Ons de uitvaart eens verscheiden vriends herdenken.
Lord Bardolf.
’k Sla geen geloof, heer, aan den dood uws zoons. 104
Morton.
Het smart mij, dat ik u moet doen gelooven,
Wat God gaav’, dat ik nooit had moeten zien;
Maar ’k zag het met deze oogen, hoe hij bloedend,
Mat, ademloos, slechts zwakken wederstand
Aan Hendrik Monmouth bood, wiens rassche gramschap
Den nooit versaagden Percy sloeg ter aard,
Van waar hij nimmer levend op zou rijzen.
Genoeg, de dood van hem, wiens geest en moed
Den laagsten knecht in ’t leger vuur verleende,
Ontnam, eens ruchtbaar, allen gloed en vuur,
Zelfs aan des legers bestgestaalden moed;
Want zijn metaal verstaalde zijn partij,
En toen dat meegaf, keerden al die andren
Weer tot hun aard, tot zwaar en vadzig lood.
Gelijk elk ding, dat zwaar is uit zijn aard,
Door felle kracht gedreven, ’t snelste vliegt,
Zoo leende ons volk, bezwaard door Heetspoors val,
Aan dien last door hun vrees zoo snelle vaart,
Dat nooit een pijl zoo snel naar ’t doelwit vloog,
Als de onzen, met hun veiligheid tot doel,
Van ’t slagveld vloden. Toen werd de eed’le Worcester
Welras gevangen, en de wilde Schot,
Douglas, de man des bloeds, wiens ijv’rend zwaard
Driemaal des konings evenbeeld versloeg,
Versaagde en leende een glimp van eer aan hen,
Die schand’lijk vloden; onder ’t vluchten struik’lend
Door haastige angst, werd hij gevat. Kortom,
De koning heeft de zege, en zond reeds, heer,
Een vliegend leger, om u aan te grijpen;
’t Bevel is aan den jongen Lancaster
En Westmoreland vertrouwd. Nu weet gij alles.
Northumberland.
’k Zal lang genoeg hierover kunnen treuren.
In gift schuilt artsenijkracht; en dit nieuws,
Dat, ware ik wel, mij krank gemaakt zou hebben,
Maakt, nu ik krank ben, bijna mij gezond;
Gelijk in koorts de lijder, wiens gewrichten
Als slappe hengsels knikken onder ’t lijf,
Wild door den aanval, aan der wakers handen
Zich als een vuur ontwringt, zoo zijn mijn leden,
Door smart verzwakt, maar nu, door smart versterkt,
Driemaal zichzelf. Dus weg, gij week’lingskruk!
Een schubbehandschoen dekk’ met staalgewrichten
Nu deze hand! En weg, gij ziekenhoofddoek!
Gij zijt een schuts, te weeldrig voor het hoofd,
Waar vorsten, dronken van hun zege, op doelen!
Brengt ijzer voor mijn slapen, en dan nake
’t Ruwst uur, dat tijd en haat mij brengen durft,
En dreig’ den woedenden Northumberland!
Kus, hemel, de aard, en gij, natuur, laat vrij
De wildste stroomen los! Gij, orde, sterf;
Niet langer zij de wereld een tooneel, 155
Dat burgerkrijg vertoont met slepend leven;
Neen, heersche één geest des eerstgeboren Kaïns
In aller borst, opdat, als ieder hart
Zijn bloedpad volgt, de schrikvertooning eindig’,
En duisternis de dooden dan begraav’!
Travers.
Die heftigheid doet u geen goed, mylord.
Lord Bardolf.
Uw eer breek’ niet met wijsheid, eed’le graaf.
Morton.
Het leven van uw trouwe vrienden hangt
Gansch van uw welzijn af; dit moet bezwijken,
Wanneer gij toegeeft aan den storm der smart.
Gij hebt het krijgsgeluk gewogen, heer,
De kansen nagegaan, aleer gij spraakt:
“Nu stand gehouden!” Gij voorzaagt en wist:
Uw zoon kon vallen in het strijdgewoel; zijn pad,
Een smalle kant was ’t over doodsgevaren,
Waar elk eer in stort dan er over komt;
Gij hebt geweten, dat voor stoot en houw
Zijn vleesch ontvanklijk was, en dat zijn strijdlust
Hem midden in het felst gevaar zou drijven;—
Toch zeidet gij: “trek op!” Niets van dit alles,
Hoe zorglijk het ook wezen mocht, vertraagde
Het plan, dat doorging;—wàt dus is gebeurd,
Wàt heeft dit koene waagstuk nu gebracht,
Dan dat geschied is, wat vermoed kon worden?
Lord Bardolf.
Wij allen, wien ’t verlies meê aangaat, wisten,
Dat wij op zulk een booze zee ons waagden,
Dat ons behoud als tien was tegen een;
Toch waagden wij het, want de hoop op winst
Deed ons ’t gevaar, hoe dreigend ook, niet achten.
Wij sloegen om, maar wagen ’t gaarne op nieuw,
En zetten alles, lijf en goed, op ’t spel.
Morton.
’t Is meer dan tijd; en, mijn hoogeed’le heer,
Ik hoor als zeker en ik spreek de waarheid,
Dat de aartsbisschop van York alreeds gereedstaat
Met welvoorziene macht; hij is een man,
Die met een dubble macht zijn aanhang bindt.
Uw eed’le zoon had slechts den vorm, de schaduw,
De lichamen van mannen voor den strijd;
Dat ééne woord, ’t woord oproer, hield hun zielen
Vervreemd van alles, wat hun lichaam deed;
Met tegenzin slechts vochten zij, gedwongen,
Zooals men drankjes slikt; hun waap’nen stonden,
Niet zìj, aan onzen kant; hun geest, hun ziel
Was in hen, door ’t woord oproer, stijf bevroren,
Als visschen in een vijver. Maar de bisschop
Verkeert thans oproer in godsdienstigheid; 201
Hem acht men als oprecht en vroom van zin;
Hij schaart met lichaam en met ziel hen om zich,
En voedt met Richards dierbaar bloed zijn opstand,
Dat bloed, dat hij van Pomfret’s steenen krabt;
Noemt zìjne klacht en zaak des hemels zaak;
Noemt zich beschermer van een bloedend land,
Dat zieltoogt onder koning Bolingbroke;
En groot en klein stroomt naar zijn standaard saam.
Northumberland.
Dit wist ik reeds, doch,—waarheid zij erkend,—
’t Was door dit leed mij uit de ziel gewischt.
Komt met mij binnen; ieder uwer rade
Den besten weg tot wraak en veiligheid.
Werft vrienden, werft ze ras, met brief en bode;
Nooit waren zij zoo schaarsch, en zoo van noode.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Londen. Een straat.
Falstaff komt op, met zijn Page, die hem zwaard en schild nadraagt.
Falstaff.
Wel, jongen, gij reus, wat zegt de dokter van mijn water?
Page.
Hij zeide, heer, dat het water zelf een goed en gezond water was, maar dat de persoon, van wien het was, allicht meer kwalen kon hebben, dan hijzelf wist.
Falstaff.
Menschen van allerlei slag stellen er een eer in, met mij te gekscheren. Het brein van die dwaas samengestelde klei, die mensch heet, is niet in staat iets uit te denken, wat tot lachen dient, dan wat ik uitdenk, of wat over mij wordt uitgedacht; ik heb niet alleen geest in mijzelf, maar ben ook oorzaak, dat andere menschen geestig zijn. Ik ga hier voor u uit als een zeug, die al haar biggen heeft doodgedrukt op één na. Als de Prins u om eenige andere reden bij mij in dienst heeft gegeven, dan om bij mij af te steken, nu, dan ben ik een onnoozele bloed. Gij verwenscht alruintje, gij deugt veel beter om op mijn muts gestoken te worden, dan om mijn hielen te volgen. Nog nooit heb ik een agaatmannetje tot dienaar gehad, maar ik zal u niet zetten in goud of in zilver, maar in voddige kleedingstukken en u zoo aan uw meester terugzenden, als een juweel voor dezen juvenis, dezen prins, uw meester, wiens kin nog niet vlug is. Mij zal eer een baard in het holle van mijn hand groeien, dan hij er een op de wangen krijgt, en toch heeft hij het hart te beweren, dat zijn gezicht een kronengezicht is. Nu, de lieve God kan zijn gezicht afmaken als hij wil, er is nog geen haar aan bedorven; voor hem mag zijn gezicht een kroon of zoo waard zijn, voor een barbier niet; die zal er nooit een paar oortjes aan verdienen. En toch kraait hij, alsof hij aldoor zich man had genoemd, sinds zijn vader jonggezel was. Een prinselijke genade kan hij zijn en blijven, maar bij mij is hij bijna uit de genade, dat kan ik hem verzekeren.—Wat zeide baas Dombledon van het satijn voor mijn korten mantel en mijn pofbroek? 34
Page.
Hij zeide, heer, dat gij hem een beteren borg moest stellen dan Bardolf; zijn schuldbekentenis en de uwe wilde hij niet aannemen; die waarborg beviel hem niet.
Falstaff.
Dat hij verdoemd zij als de rijke man! en dat zijn tong nog heeter brande!—Zoo’n hondsvot van een Achitofel! zoo’n schoftige ja-waarachtig-schelm! een man van stand aan den praat te houden, en dan op een borgtocht te staan! Die kortharige hondsvotten dragen tegenwoordig niet anders dan hooge schoenen, en sleutelbossen aan den gordel, en als een man zich verwaardigt, eerlijk bij hen te borgen, dan komen zij en eischen een borgtocht. Ik liet mij al zoo lief rattenpoeder in den mond steken, dan dat zij mij dien stoppen met een borgtocht. Ik wachtte, zoo waar ik ridder ben, dat hij mij vijfendertig ellen satijn zou sturen, en hij stuurt mij een borgtocht! Nu, laat hem maar gerust slapen met zijn borgtocht; want hij heeft den hoorn des overvloeds en de lichtheid van zijn vrouw schijnt er doorheen; en toch, hij kan niet zien, al heeft hij zijn eigen lantaarn om hem te lichten.—Waar is Bardolf?
Page.
Hij is naar Smithfield, om voor uw edelheid een paard te koopen.
Falstaff.
Ik kocht hèm in de Paulskerk, en hij wil mij een paard te Smithfield koopen; als ik nu nog een vrouw uit een knip kon krijgen, was ik bediend, beknold en bewijfd.
(De Lord Opperrechter komt op, met een Dienaar.)
Page.
Heer, daar komt de Lord, die den Prins liet inrekenen, omdat hij hem ter zake van Bardolf geslagen had.
Falstaff.
Stil, achter mij aan; ik wil hem niet zien.
Opperrechter.
Wie is het, die daar gaat?
Dienaar.
Falstaff, om uw edelheid te dienen.
Opperrechter.
Die in den straatroof betrokken was?
Dienaar.
Dezelfde, Mylord; maar sedert heeft hij zich bij Shrewsbury goed gekweten, en nu; naar ik hoor, gaat hij met een commando naar den prins John van Lancaster.
Opperrechter.
Wat! naar York? Roep hem terug.
Dienaar.
Sir John Falstaff!
Falstaff.
Jongen, zeg hem, dat ik doof ben.
Page.
Gij moet harder spreken; mijn meester is doof. 79
Opperrechter.
Ja, dat geloof ik, doof voor al wat goed is.—Ga, trek hem aan de mouw; ik moet hem spreken.
Dienaar.
Sir John,—
Falstaff.
Wat! een jonge kerel, en bedelen! Zijn er geen oorlogen? is er geen dienst te nemen? kan de koning geen onderdanen gebruiken? hebben de oproerlingen geen soldaten noodig? Al is het een schande, ergens anders dan aan de eene zijde te staan, bedelen is nog erger schande dan aan de slechtste zijde te staan, al ware die ook nog slechter, dan de naam oproer uitdrukken kan!
Dienaar.
Gij vergist u in mij, heer.
Falstaff.
Wel, kerel, heb ik dan gezegd, dat gij een eerlijk man zijt? Mijn ridderschap en soldateneer ter zijde gezet, zou ik een logen verteld hebben om aan te stikken, als ik dit gezegd had.
Dienaar.
Ik bid u, heer, zet dan uw ridderschap en soldateneer ter zijde, en laat ik u zeggen, dat gij een leugen vertelt om aan te stikken, als gij zegt, dat ik iets anders ben dan een eerlijk man.
Falstaff.
Ik u zoo iets laten zeggen? Ik ter zijde zetten, wat met mij vergroeid is? Als ik u toelaat zoo iets te zeggen, hang mij dan op; en als gij het uzelf toeliet, dan zou het beter voor u wezen, al opgehangen te zijn. Gij jaagt op ’t valsche spoor! pak je voort!
Dienaar.
Mylord wil u spreken, heer.
Opperrechter.
Sir John Falstaff, een woord met u.
Falstaff.
Mijn waarde heer!—God beware uwe lordschap in goede gezondheid! Het verheugt mij, uwe lordschap buitenshuis te zien; ik had hooren zeggen, dat uwe lordschap ziek was; ik hoop, dat uwe lordschap niet zonder verlof uitgaat. Uwe lordschap is wel is waar de jeugd nog niet geheel voorbij, maar heeft toch reeds een kleinen bijsmaak van ouderdom, een zweem van de pekel des tijds, en ik smeek dus need’rig uwe lordschap, uw gezondheid allerzorgvuldigst in acht te nemen. 119
Opperrechter.
Sir John, ik heb om u gezonden vóór uw tocht naar Shrewsbury.
Falstaff.
Als uwe lordschap het vergunt,—ik hoor, dat zijne majesteit in eenigszins gedrukte stemming uit Wales is teruggekomen.
Opperrechter.
Ik spreek niet van zijne majesteit.—Gij hebt niet willen komen, toen ik om u zond.
Falstaff.
En ik hoor bovendien, dat zijne majesteit een tikje heeft gehad van die oude hondsche apoplexie.
Opperrechter.
God schenke hem beterschap!—Ik bid u, ik wensch met u te spreken.
Falstaff.
Als uwe lordschap het vergunt, die apoplexie is, als ik het wel heb, een soort van lethargie, een soort van slaperigheid in het bloed, een hondsche tinteling.
Opperrechter.
Wat praat gij mij daarvan? laat het zijn wat het wil.
Falstaff.
Het heeft zijn oorsprong in veel kommer, in diep denken en overspanning van de hersens. Ik heb de oorzaak van die uitwerkselen in Galenus gelezen; het is een soort van doofheid.
Opperrechter.
Ik geloof, dat gij met die kwaal behept zijt, want gij hoort niet, wat ik u zeg.
Falstaff.
O zeer goed, mylord, zeer goed; veeleer ben ik, met uw verlof, geplaagd met de ziekte van niet te luisteren, de kwaal van niet op te letten.
Opperrechter.
Een tuchtiging aan uw enkels zou de oplettendheid van uw ooren beter maken; en ik zou er niet tegenop zien, uw arts te worden.
Falstaff.
Ik ben zoo arm als Job, mylord, maar zulk een lijdzaam lijder zou ik niet zijn. Uwe lordschap kan mij den drank der gevangenschap opdringen; maar of ik als lijder uw voorschriften zou opvolgen, daarover kan de wijze wel een grein van een scrupel koesteren, ja geheel scrupuleus zijn.
Opperrechter.
Ik heb om u gezonden, dat ik u wilde spreken, toen er dingen waren, die uw lijf en leden raakten.
Falstaff.
Op raad van een in de wetten van het land doorkneden raadsman ben ik niet gekomen.
Opperrechter.
Nu, de waarheid is, Sir John, dat gij in groote losbandigheid leeft.
Falstaff.
Die een gordel als de mijne moet omgespen, kan hem niet strak aanhalen.
Opperrechter.
Uw middelen zijn zeer klein en uw vertering is zeer groot.
Falstaff.
Ik wenschte wel, dat het andersom was. Ik wenschte, dat mijn inkomsten zeer groot waren, en mijn middel middelmatig.
Opperrechter.
Gij hebt den jongen prins op den verkeerden weg gebracht. 163
Falstaff.
De jonge prins heeft mij op den verkeerden weg gebracht; ik ben de dikke blindeman en hij is mijn hond.
Opperrechter.
Nu, ik wil een pas gesloten wond niet openscheuren. Uw diensten op den dag van Shrewsbury hebben uw streken in de nacht bij Gadshill een weinig verguld. Gij moogt het aan de onrustige tijden danken, dat men u in rust laat met die aanklacht.
Falstaff.
Mylord,—
Opperrechter.
Wij willen het er bij laten, maar laat gij het er ook bij! maak geen slapenden wolf wakker!
Falstaff.
Een wolf wakker te maken, is al even erg als een vos te ruiken.
Opperrechter.
Denk, gij zijt als een kaars, waar de beste helft van is opgebrand.
Falstaff.
Een groote feestkaars, mylord, van louter vet; ik kan ook zeggen van was, want mijn wasdom zou het bevestigen.
Opperrechter.
Ieder wit haar op uw gezicht moest getuigenis afleggen van waardigheid.
Falstaff.
En het getuigt van baardigheid, baardigheid, baardigheid.
Opperrechter.
Gij vergezelt den prins overal als zijn kwade engel.
Falstaff.
Dat niet, mylord; een kwade engel is te licht; en ik hoop, dat ieder, die mij ziet, mij voor volwichtig zal aannemen; en toch, ik moet het erkennen, ben ik in sommige opzichten niet geldig genoeg, niet genoeg in tel. De deugd is in deze kruidenierstijden zoo weinig in aanzien, dat echte dapperheid berenhoeder moet worden. Scherpzinnigheid wordt tot een tapper gemaakt en moet haar vlug vernuft aan het optellen van rekeningen verspillen; en alle andere gaven, die den mensch verleend zijn, worden door de boosaardigheid dezer tijden zoo verknoeid, dat zij geen kruisbezie meer waard zijn. Gijlieden, die oud zijt, hebt geen oog voor de talenten van ons, die jong zijn; gij meet de hitte van onze lever naar de bitterheid van uw gal af; en wij, die in de vaag zijn der jeugd, zijn, ik moet het erkennen, aartsguiten.
Opperrechter.
Durft gij uw naam op de lijst der jeugd zetten, gij, die met alle kenmerken van ouderdom geteekend zijt? Hebt ge niet een vochtig oog, een droge hand, gele wangen, een witten baard, een afnemend been en een toenemenden buik? Is uw stem niet gebroken, uw adem kort, uw kin dubbel, uw verstand simpel, en alles om en in u aan het verouderen? en wilt gij toch nog jong heeten? Foei, foei, foei, Sir John! 209
Falstaff.
Mylord, ik werd, tegen drie uren na den middag, met een wit hoofd en een tamelijk rond buikje geboren. Wat mijn stem betreft, die heb ik door toejuichingen en het zingen van lofzangen bedorven. Verder mijn jeugd bewijzen wil ik niet; de waarheid is, dat ik alleen oud ben in verstand en doorzicht, en wie met mij om een duizend mark luchtsprongen wil maken, moge mij het geld leenen en dan toezien. Wat de oorveeg betreft, die de Prins u gegeven heeft, die gaf hij als een ruwe prins, en gij hebt die ontvangen als een verstandig edelman. Ik heb hem er duchtig over onderhouden, en de jonge leeuw doet boete, wel is waar niet in zak en assche, maar in oude sek en nieuw atlas.
Opperrechter.
Nu, God geve den Prins een beter makker!
Falstaff.
God geve den makker een beteren prins! Ik kan niet van hem afkomen.
Opperrechter.
Nu, de koning heeft u en prins Hendrik gescheiden. Gij trekt, naar ik hoor, met prins John van Lancaster tegen den aartsbisschop en den graaf van Northumberland op.
Falstaff.
Ja, dat heb ik aan uw lieve zoete wijsheid te danken. Maar gij moogt wel bidden, gij allen, die jonkvrouw Rust te huis blijft kussen, dat onze legers niet een heeten dag samen te doorstaan hebben; want bij God in den hemel, ik neem slechts twee hemden mee, en ben niet van plan, mij buitengewoon in het zweet te vechten. Als het een heete dag wordt en ik zwaai dan iets anders dan mijn flesch, dan wil ik nooit meer met blaasjes spuwen. Geen gevaarvolle onderneming kan het hoofd opsteken, of ik word er op afgestuurd. Nu, ik kan niet eeuwig duren. Maar het is altijd een gril van ons Engelsch volk geweest, als zij iets goeds hebben, het voor alles te gebruiken. Als gij volstrekt wilt volhouden, dat ik een oud man ben, dan moest men mij rust gunnen. Gave God, dat mijn naam bij den vijand niet zoo geducht ware als hij is, ik wierd liever van roest geheel verteerd, dan tot niets afgeschuurd door eeuwigdurende beweging.
Opperrechter.
Nu, houd u goed, houd u goed, en God zegene uw onderneming!
Falstaff.
Wil uwe lordschap mij een duizend pond leenen voor mijn uitrusting? 251
Opperrechter.
Geen penning, geen penning! Gij staat niet vast genoeg op uw beenen, om zooveel pond te dragen. Vaarwel; breng mijn groeten over aan mijn neef Westmoreland.
(De Opperrechter met zijn Dienaar af.)
Falstaff.
Eer ik dat doe, laat ik mij liever met een driemansmoker een knip voor mijn neus geven. Een mensch kan even zoo weinig ouderdom en gierigheid van elkander houden, als iemand jonge leden en liederlijkheid; maar de jicht plaagt den een, en de Fransjesziekte knijpt die anderen, en zoo komen beide levenstrappen mijn verwenschingen voor.—Jongen!
Page.
Heer?
Falstaff.
Hoeveel geld is er in mijn beurs?
Page.
Zeven groot en twee penningen.
Falstaff.
Ik weet geen middel tegen die uittering van de beurs; borgen rekt en rekt de ziekte, maar de kwaal is ongeneeslijk.—Ga, breng dien brief aan mylord van Lancaster, dezen aan den Prins en dien aan de oude juffrouw Ursula, aan wie ik beloofd heb, dat ik haar zou trouwen, week op week, sinds ik het eerste witte haar op mijn kin bespeurde. Vlug! je weet, waar je mij kunt vinden. (De Page af.)—Dat de Fransjesziekte die jicht knijpe! Of de jicht die Fransjesziekte! want één van beide speelt den schelm met mijn grooten teen. Het doet er niets toe, of ik hink; ik heb den oorlog, om er een kleurtje aan te geven, en mijn pensioen wordt er des te rechtmatiger door. Een goede kop maakt van alles gebruik, en ik wil met mijn kwalen zaken doen.
(Falstaff af.)
DERDE TOONEEL.
York. Een kamer in het paleis van den Aartsbisschop.
De Aartsbisschop van York, de Lords Hastings, Mowbray en Bardolf komen op.
Aartsbisschop.
Thans kent gij onze taak en onze middelen;
En, eed’le vrienden, nu bid ik u allen,
Zegt vrij, wat gij van ons vooruitzicht denkt;—
Vooreerst, lord maarschalk, wat zegt gij er van?
Mowbray.
Dat onze krijg gegrond is, geef ik toe;
Doch gaarne ontving ik meerder zekerheid,
Dat wij, met onze midd’len, ’t kunnen wagen,
Met stout en dreigend voorhoofd en met kracht,
De macht des konings te gemoet te treden.
Hastings.
Wij hebben naar de monsterrollen reeds
Een vijfentwintigduizend flinke krijgers,
En hoop op veel versterking, door den steun
Des machtigen Northumberland’s, wiens borst
Van vuur, door krenkingen ontstoken, gloeit.
Lord Bardolf.
Dus is, Lord Hastings, nu de ware vraag,
Of onze vijfentwintigduizend man
Volstaan, ook zonder Lord Northumberland.
Hastings.
O, mèt hem stellig. 18
Lord Bardolf.
O, mèt hem stellig. 18 Dit is juist de zaak;
Want, achten wij ons zonder hem te zwak,
Dan raad ik, dat wij niet te verre gaan,
Aleer zijn bijstand werkelijk ons gewordt;
Want bij een plan van zulk een bloedig uitzicht
Moet reek’nen, bouwen op onzeek’re hulp,
Moet hopen, gissen uitgesloten zijn.
Aartsbisschop.
Zeer juist, Lord Bardolf; want de jonge Heetspoor
Was juist in dit geval bij Shrewsbury.
Lord Bardolf.
Geheel, mylord; hij voedde zich met hoop,
Met de’ ijdlen klank van toegezegden bijstand,
Zich vleiend met het droombeeld eener macht,
Die minder bleek zelfs dan zijn minste raming;
Zoo, met des waanzins stouten overmoed,
Bracht hij zijn krijgers in den dood, en sprong
Zelf met gesloten oogen in ’t verderf.
Hastings.
Maar, met verlof, waarschijnlijkheid te wegen,
En hoop te voeden, heeft nog nooit geschaad.
Lord Bardolf.
Toch wel, indien de krijg, zooals ’t nu is,
Een reeds begonnen zaak, een werk op gang,
Van hoop moet leven; ’t is, alsof we in Maart
De knoppen zien verschijnen; voor hun rijpen
Geeft hoop min zekerheid, dan vrees het doet,
Dat vorst ze dooden zal. Vóór wij gaan bouwen,
Bezien wij eerst het erf, en teek’nen ’t plan;
En, als wij de gedaante zien van ’t huis,
Dan ramen wij de kosten van den bouw;
En zijn die al te hoog voor onze midd’len,
Wat doen wij dan? Op nieuw een plan ontwerpen,
Met minder kamers, of, in ’t ergst geval,
Zien wij van ’t bouwen af. Zoo moeten wij
Veel meer in dit groot werk, dat schier een rijk
Moet nederrijten en een nieuw rijk stichten,
De plaats, de ligging en het plan beschouwen,
Het eens zijn, hoe wij alles stevig gronden,
Bouwmeesters vragen, onze midd’len kennen,
Of zij volstaan om zulk een werk te wagen,
Elk tegenstander kunnen keeren; anders
Versterken wij ons met papier en cijfers,
Met menschennamen slechts en niet met menschen,
Als iemand, die een plan maakt van een huis,
Ver boven zijn vermogen, ’t bouwt ter helfte,
Het opgeeft, en zijn stukwerk-kostlijkheid
Aan ’t weenend zwerk als naakte speelpop laat,
Aan ’s barren winters will’keur als een buit.
Hastings.
Gesteld, de hoop, die nu zooveel belooft, 63
Bleek doodgeboren, en wij hadden nu
Den laatsten man reeds, die te wachten is,
Dan acht ik onze macht nog sterk genoeg,
Om, zonder meer, den koning ’t hoofd te bieden.
Lord Bardolf.
Zijn macht is ook slechts vijfentwintigduizend?
Hastings.
Voor ons niet meer, zelfs niet zooveel, lord Bardolf.
Hij moet die, om der tijding woeling, deelen
In drieën: één deel moet de Franschen staan;
Eén Owen Glendower; en dus, één derde slechts
Kan ons bestrijden. Dit dus splitst den koning,
Reeds zwak, in drieën; en zijn koffers klinken
Van bedelarmoê en van leegheid hol.
Aartsbisschop.
Dat hij die drie gedeelten samentrekt,
En met zijn gansche macht op ons zich werpt,
Valt niet te duchten.
Hastings.
Valt niet te duchten. Deed hij dat, dan ware
Zijn rug ontbloot, en dit, nu Welsch- en Franschman
Hem aan de hielen bast;—neen, ducht dit niet.
Lord Bardolf.
Wie, denkt gij, voert zijn leger tegen ons?
Hastings.
De prins van Lancaster, met Westmoreland;
Hijzelf rukt op naar Wales met Hendrik Monmouth;
Doch wie voor hem de Franschen tegentrekt,
Kwam ik nog niet te weten.
Aartsbisschop.
Kwam ik nog niet te weten. Voorwaarts dan;
En luid verkondigd, wat ten strijde ons drijft!
Reeds walgt het land van wat het zelf zich koos;
Zijn liefde, steeds te gulzig, at te veel.—
Een duiz’lig en onveilig huis bewoont
Wie op het harte van de menigt’ bouwt.
O stikziend volk! Wat deed uw luid gejubel
Met “Heil u, Bolingbroke!” den hemel daav’ren,
Eer hij, wat gij hem hebben wildet, was!
En nu hij u bereid is naar uw wensch,
Hebt ge u, vraatzuchtig vee, zoo volgebrast,
Dat gij u kittelt om hem uit te spuwen.
Zoo, lage hond, hebt ge uit uw slempersborst
Den koninklijken Richard uitgeworpen;
En nu zoudt gij het doode braaksel eten,
En huilt er naar. Wie kan deze eeuw betrouwen?
Die, toen hij leefde, Richards dood begeerden,
Zijn nu verliefd geworden op zijn graf.
Gij, die hem ’t edel hoofd met stof bewierpt,
Toen hij door ’t fiere Londen Bolingbroke’s
Gevierde hielen zuchtend volgen moest,
Roept nu: “O aard, geef ons dien koning weer;
Neem dezen!” Booze vloek, dat wij ’t verleden
En ’t morgen prijzen, ’t heden stâag vertreden!
Mowbray.
Dus trekken we op, den vijand te gemoet?
Hastings.
De tijd beheerscht ons, en de tijd eischt spoed.
(Allen af.)