TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een straat.
De Waardin komt op, met Klauw en zijn Handlanger; Strik volgt.
Waardin.
Sinjeur Klauw, hebt gij de klacht ingeschreven?
Klauw.
Zeker, ingeschreven.
Waardin.
Waar is uw handlanger? is het een flink handlanger? staat hij zijn man?
Klauw.
Jongen, waar is Strik?
Waardin.
O lieve God! Goed, die brave Strik!
Strik.
Hier, hier.
Klauw.
Strik, wij moeten Sir John Falstaff vatten.
Waardin.
Ja, beste Strik, ik heb hem ingeschreven en alles.
Strik.
Het kan aan ettelijken van ons het leven kosten, want hij zal naar ons steken.
Waardin.
O lieve tijd, ja; pas toch voor hem op; hij heeft naar mij gestoken in mijn eigen huis, en op beestachtige manier ook. Waarachtig, als hij eens van leer heeft getrokken, vraagt hij niet, wat kwaad hij doet, dan steekt hij om zich heen als de duivel; dan spaart hij man, vrouw noch kind. 19
Klauw.
Als ik hem maar aan het lijf kan komen, geef ik niets om zijn stooten.
Waardin.
Neen, ik ook niet; ik zal u ter zijde staan.
Klauw.
Als ik hem eens te pakken kan krijgen, als hij maar eens in deze duimschroef komt,—
Waardin.
Als hij weg komt, ben ik gerinneweerd; ik verzeker u, het is innorm, zooals hij bij mij in het krijt staat. Beste baas Klauw, houd hem sikkuur vast;—beste baas Strik, laat hem niet ontsnappen. Hij komt op het monement naar den Pasteihoek (met verlof van uw manbaarheid) om een zadel te koopen en hij is ten eten geïntiveerd in den Luipaardenkop op de Lommerdstraat bij den koopman Gladjes uit den zijdewinkel; ik bid je, nu mijn klacht is ingeschreven en mijn geval zoo openlijk aan de heele wereld bekend is, breng hem op, dat hij antwoord moet geven. Vijftig pond, dat is voor een arme weduwvrouw zwaar om te dragen; ik heb het uitgehouden en uitgehouden, en ik ben gefopt en gefopt en gefopt van den eenen dag op den anderen, dat het een schande is om er aan te denken. Dat is geen eerlijke manier van doen, of een vrouw wordt een ezel en een beest, om iederen schelm zijn schurkerij te verdragen.
(Sir John Falstaff komt op, met zijn Page en met Bardolf.)
Daar komt hij aan, met dien liederlijken malvezijneus, Bardolf, bij hem. Laat nu eens zien, dat je mannen zijt, baas Klauw en baas Strik; laat mij zien, laat mij zien, dat je mannen zijt.
Falstaff.
Nu, wie zijn knol is hier dood? wat is er aan de hand?
Klauw.
Sir John, ik neem u in hechtenis ten verzoeke van vrouw Haastig.
Falstaff.
Weg, rakkers!—Trek, Bardolf! sla mij dien schurk den kop af; smijt dat vrouwmensch in de goot!
Waardin.
Mij in de goot smijten? Wacht maar, ik zal er jou in smijten! Kom maar op, kom maar op, jij schelm van een vrouwenverleider! Moord! moord! O jij schurk van een molligteerder! zou je de beambten van God en den koning willen vermoorden? O jij schelm van een hartenteerder! jij bent een hartenteerder, een manslager en een vrouweslager!
Falstaff.
Jaag hen weg, Bardolf.
Klauw.
Assistentie! assistentie!
Waardin.
Lieve menschen, haalt toch een hattustentie of twee!—kom maar op, kom maar op, ga je gang, ga je gang, jij schelm! ga je gang, jij achterteerder!
Falstaff.
Weg, jij vatenwaschster! jij holle keel! jij mufmadam! ik zal je voor je catastrophe geven! 66
(De Lord Opperrechter komt op, met Gevolg.)
Opperrechter.
Wat is dat hier? Gij allen, rustig daar!
Waardin.
Lieve beste heer, wees goed voor mij! Ik smeek u, sta mij bij!
Opperrechter.
Wat is ’t, Sir John? Vind ik u hier aan ’t twisten? Past zulk een doen uw rang, uw tijd, uw dienst? Gij moest reeds onderweg zijn, lang, naar York.—Terug daar, knaap! Wat hangt gij hem aan ’t lijf?
Waardin.
O mijn hoogwaardige heer, met verlof van uwe genade, ik ben een arme weduwe uit Eastcheap, en hij gaat op mijn aanklacht in de gijzeling.
Opperrechter.
Voor wat voor een som?
Waardin.
Niet voor sommige dingen, Heer; maar voor alles, voor alles wat ik heb. Hij heeft mij mijn huis en hof uitgevreten; hij heeft mijn geheel vermogen in zijn vetten buik daar gestopt.—Maar ik wil er wat van terughebben, of ik zal je ’s nachts drukken als een nachtmerrie.
Falstaff.
Nu, mij dunkt, ik zal nog eer een merrie drukken; ’t is maar de kunst er boven op te komen.
Opperrechter.
Hoe komt dit, Sir John? Foei, welk een rechtgeaard man zou zulk een storm van verwenschingen dulden? Schaamt gij u niet, dat gij een arme weduwe tot zulke middelen dwingt om aan het hare te komen?
Falstaff.
Wat voor een groote som is het dan, die ik u schuldig ben?
Waardin.
Bij mijn ziel, als gij een eerlijk man waart, uzelf en het geld er bij. Gij hebt het mij gezworen op een halfvergulden beker, in mijn Dolfijnenkamer, aan de ronde tafel, bij een steenkolenvuur, op Woensdag na Pinkster, toen de prins u een gat in het hoofd had geslagen, omdat gij gezegd hadt, dat zijn vader op een voorzanger uit Windsor geleek; toen hebt gij mij gezworen, terwijl ik uw wond uitwiesch, dat ge mij trouwen zoudt en mij tot uw mevrouw maken. Kunt ge dat ontkennen? Kwam buurvrouw Ongel, de slachtersvrouw, toen niet binnen en noemde zij mij niet buur Haastig? en wilde zij niet een halve flesch azijn borgen, en zeide zij niet, dat zij een goeden schotel garnalen had? waarop gij lust kreegt er van te eten, waarop ik zeide, dat zij niet goed waren voor een versche wond? en hebt gij niet gewild, toen ze de trap af was, dat ik met zulke minne lieden niet meer zoo familiariteit zou wezen, en gezegd, dat ze mij binnen kort mevrouw zouden noemen? En hebt gij mij toen niet gekust, en gezegd, dat ik u dertig schellingen moest geven? Ik zet u nu eens voor uw eed; ontken het, als gij kunt.
Falstaff.
Mylord, dit is een arme malende ziel; en ze zegt, de geheele stad door, dat haar oudste zoon op u gelijkt. Zij is in goeden doen geweest, en de waarheid is: armoede heeft haar in de war gebracht. Maar wat die domme gerechtsdienaars betreft, verzoek ik u, mij genoegdoening tegenover hen te verschaffen. 118
Opperrechter.
Sir John, Sir John, ik ken zeer wel uw manier van doen, van de ware toedracht van een zaak te verdraaien. Geen stoutmoedige blik, noch ook de vloed van woorden, die gij met meer dan onbeschaamde driestheid uit, zullen mij van een onpartijdige beoordeeling afbrengen. Gij hebt, naar het mij voorkomt, het toegefelijk hart van deze vrouw bewerkt, tot zij u met haar beurs en met haar persoon ten dienste is geweest.
Waardin.
Ja juist, mylord, ja juist.
Opperrechter.
Ik bid u, stil!—Betaal haar de schuld, die gij aan haar hebt, en maak het kwaad goed, dat gij haar gedaan hebt! het eene kunt gij doen met klinkende munt, het andere met gangbaar berouw.
Falstaff.
Mylord, ik kan mij deze terechtwijzing niet stilzwijgend laten welgevallen. Gij noemt een roemwaardige stoutmoedigheid onbeschaamde driestheid; als iemand een nederige buiging maakt en niets zegt, is hij deugdzaam. Neen, mylord, bij alle plichtmatig ontzag voor u, wil ik geen smeekeling zijn; ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden, daar ik in ’s konings belang een dringende opdracht te vervullen heb.
Opperrechter.
Gij spreekt alsof gij machtiging hadt om onrecht te plegen; maar houd metterdaad uw goeden naam op en stel de arme vrouw tevreden.
Falstaff.
Kom hier, waardin.
(Hij neemt haar ter zijde.)
(Gower komt op.)
Opperrechter.
Gij daar, Heer Gower? wat meldt gij?
Gower.
De koning, heer, en Hendrik, prins van Wales, Zijn reeds dichtbij, het verd’re meldt dit blad.
Falstaff
(tot de Waardin). Zoo waar ik een edelman ben,—
Waardin.
Ja, dat hebt ge vroeger ook gezegd. 149
Falstaff.
Zoo waar ik een edelman ben; kom, geen woord er meer over.
Waardin.
Bij dezen hemelschen grond, waar ik op sta, ik moet er mijn zilver en de gewerkte wandtapijten uit mijn eetkamer voor verpanden.
Falstaff.
Glazen, glazen, dat is het ware drinken! En wat uw wanden betreft, een aardige kleine snakerij, of de geschiedenis van den Verloren Zoon, of de Duitsche Zwijnenjacht in waterverf is meer waard dan duizend van zulke beddebehangsels en mottige tapijten. Laat het tien pond zijn, als je kunt. Kom, als ge die kuren niet hadt, was er geen beter wijf in heel Engeland. Ga, wasch je gezicht af en trek die klacht in. Kom, je moet niet zoo boos tegen mij wezen. Ken je mij niet? Kom, kom, ik weet, dat je er toe opgestookt bent.
Waardin.
Ik bid u, Sir John, laat twintig nobels genoeg zijn; waarachtig, ik zie er tegen op, mijn zilver te verpanden, in vollen ernst, ja!
Falstaff.
Nu, laat het dan; ik zal mij wel ergens anders redden; je bent en blijft toch een zottinnetje!
Waardin.
Nu, gij zult het hebben; al moest ik er mijn rok ook voor verpanden. Ik hoop, dat gij van avond komt eten. Gij wilt mij alles in eens betalen?
Falstaff.
Wil ik in ’t leven blijven?—(Tot Bardolf.) Ga mee, ga mee; haak aan, haak aan!
Waardin.
Wilt gij Doortje Scheurlaken ook bij het avondeten hebben?
Falstaff.
Geen praatjes verder; laat haar komen.
(De Waardin, Bardolf, de Gerechtsdienaars en de Page af.)
Opperrechter (tot Gower).
’k Heb beter nieuws vernomen.
Falstaff.
Wat is het nieuws, mijn waarde heer?
Opperrechter
(tot Gower). Waar was de koning deze nacht gelegerd?
Gower.
Te Basingstoke, mylord.
Falstaff.
Ik hoop, mylord, dat alles wel is; wat is er voor nieuws, mylord?
Opperrechter.
En komt zijn gansche macht terug?
Gower.
Tweeduizend man, waarvan vijfhonderd ruiters,
Zijn naar mylord van Lancaster, en zullen
Northumberland en den prelaat bestrijden. 188
Falstaff.
Komt de koning uit Wales terug, geëerde heer?
Opperrechter
(tot Gower). Ik maak de brieven daad’lijk u gereed.
Kom met mij mede, bid ik u, heer Gower.
Falstaff.
Mylord!
Opperrechter.
Wat is er?
Falstaff.
Mag ik u uitnoodigen, hedenmiddag mijn gast te zijn, heer Gower?
Gower.
Ik moet den edelen lord hier ten dienste staan; ik dank u, goede Sir John.
Opperrechter.
Sir John, gij talmt hier te lang; gij hebt in de streken, die gij doortrekt, soldaten te lichten.
Falstaff.
Wilt gij dan van avond bij mij eten, Heer Gower?
Opperrechter.
Welke dwaze leermeester heeft u die manieren geleerd, Sir John?
Falstaff.
Als zij mij niet goed staan, Heer Gower, dan was het een dwaas, die ze mij leerde.—Dit is schermen naar den eisch, mylord; tik voor tak, en zoo in eere van elkaâr.
Opperrechter.
Nu, de Heere verlichte u! gij zijt een groote zotskap!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een andere straat in Londen.
Prins Hendrik en Poins komen op.
Prins Hendrik.
Geloof mij, ik ben door en door moe.
Poins.
Is het zoo ver met u? Ik heb altijd gedacht, dat moeheid iemand van zoo hoogen bloede niet aan zou durven.
Prins Hendrik.
Nu, inderdaad; zij durft mij aan, al moet mijn hoogheid ook van kleur verschieten, nu het erkend moet worden. Staat het mij niet recht gemeen, dat ik naar dunnebier verlang?
Poins.
Ja, een prins moest niet zoo nalatig gestudeerd hebben, dat hij zich zulke ellendige brouwsels kon herinneren.
Prins Hendrik.
Misschien dan, dat mijn trek niet van vorstelijke afkomst is; want, op mijn woord, ik herinner mij nu dien armen duivel, dat dunnebier. Maar, waarachtig, die nederige overdenkingen doen mij afkeerig zijn van mijn grootheid. Wat schande moet het voor mij zijn, dat ik mij uw naam herinner! of morgen uw gelaat nog ken! of opmerk, hoe veel paar zijden kousen gij hebt, namelijk deze, en die eens uw perzikbloesemroode waren! of de lijst bijhoud van uw hemden, namelijk een voor overdaad en een voor het gebruik! Maar dit weet de kaatsbaanhouder beter dan ik, want het is lage eb in uw linnen, als gij daar het raket niet ter hand neemt, zooals gij in langen tijd niet gedaan hebt, omdat uw Hollandsche bezittingen, bij wijze van redmiddel, door uwe overige lage landen verslonden zijn. En God weet, of de kleine schreeuwers, die nu uit de overblijfselen van uw linnen zich laten hooren, zijn koninkrijk zullen beërven; maar de bakers zeggen, dat de kinderen het niet kunnen helpen; en ondertusschen neemt de menschheid toe en worden de familiën verbazend sterk. 30
Poins.
Hoe kwalijk rijmt die ijdele praat op uw zwaren arbeid van vroeger! Zeg mij, hoeveel jonge prinsen zouden dit wel doen, als hun vaders zoo ziek waren, als de uwe op dit oogenblik is?
Prins Hendrik.
Wil ik u wat zeggen, Poins?
Poins.
Ja, voorwaar, maar laat het iets bijzonder goeds zijn.
Prins Hendrik.
Het zal voor geesten, die niet hooger staan dan gij, zijn dienst kunnen doen.
Poins.
Ga voort, ik zal den schok wel doorstaan van dat iets, wat gij mij zeggen wilt.
Prins Hendrik.
Waarachtig, ik zeg u,—het zou niet goed staan, als ik bedroefd was nu mijn vader ziek is; hoewel ik u zou kunnen zeggen,—als tot iemand, wien ik, bij gebreke van beter, goedvind mijn vriend te noemen,—dat ik bedroefd zou kunnen zijn en oprecht bedroefd bovendien.
Poins.
Moeilijk toch om zulk een reden.
Prins Hendrik.
Bij deze hand, gij denkt, dat ik even boos in ’s duivels boek sta als gij en Falstaff, wat halsstarrigheid en verstoktheid betreft. Het eind zal ’t leeren. Maar ik zeg u: mijn hart bloedt inwendig, dat mijn vader zoo ziek is; en dat ik met zulk slecht gezelschap omga als gij zijt, dit ontzegt mij om goede redenen alle uiterlijke vertooning van smart.
Poins.
Die redenen?
Prins Hendrik.
Wat zoudt gij van mij denken, als ik weende?
Poins.
Ik zou denken, dat gij een echt prinselijke huichelaar waart. 59
Prins Hendrik.
Dat zou iedereens gedachte zijn; en gij zijt een gezegend schepsel, dat gij denkt, zooals iedereen denkt; van geen sterveling houden de gedachten beter den grooten weg dan de uwe. Iedereen zou denken, dat ik een huichelaar was, inderdaad. En wat dringt uw hoogwaardige gedachten om zoo te denken?
Poins.
Wel, dat gij zoo loszinnig zijt geweest en zoo vergroeid met Falstaff.
Prins Hendrik.
En met u.
Poins.
Bij het licht der zon, van mij zegt men alles goeds; ik kan het met mijn eigen ooren hooren. Het ergste, dat zij van mij kunnen zeggen, is, dat ik een jonger broeder ben, en een flinke knaap, die de handen uitsteekt; en ik moet erkennen, die twee dingen kan ik niet veranderen. Bij het sacrament, daar komt Bardolf.
Prins Hendrik.
En de jongen, dien ik aan Falstaff gegeven heb; als een christenjongen heeft hij hem van mij gekregen; en zie nu zelf, of de vette schelm niet een aap van hem gemaakt heeft.
(Bardolf en de Page komen op.)
Bardolf.
God vermeerdere uw genade.
Prins Hendrik.
En de uwe, hoogedele Bardolf.
Bardolf
(tot den Page). Kom, gij deugdzame ezel, gij schaamachtige zotskap, waarom gaat gij blozen? Waarom wordt ge rood? Wat voor een meisjesachtige wapenknecht zijt gij geworden? Is dat zoo’n heldenstuk, den maagdom van een tweemaatsbierkan te veroveren?
Page.
Mylord, hij riep mij zoo even aan, door een rood tralievenster, en ik kon geen enkel deel van zijn gezicht van het venster onderscheiden; ten laatste werd ik zijn oogen gewaar en ik dacht, dat hij in de bierwaardin haar nieuwen rok twee gaten gemaakt had, en daar doorhenen gluurde.
Prins Hendrik.
Heeft de jongen niet geprofiteerd?
Bardolf.
Pak je weg, jij hondsvot van een rechtoploopend konijntje, pak je weg!
Page.
Pak je weg, jij schurkachtige droom van Althea, pak je weg!
Prins Hendrik.
Verklaar ons dat, jongen! welke droom?
Page.
Wel Mylord, Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel; en daarom noem ik hem haar droom.
Prins Hendrik.
Een verklaring, die wel een kroon waard is.—Daar heb je hem, jongen.
(Hij geeft hem geld.)
Poins.
O, dat deze fraaie bloesem van den worm bevrijd mocht blijven!—Nu, daar heb je een halve schelling om je gaaf te houden.
Bardolf.
Als gij met mekaâr hem er niet toe brengt, dat hij gehangen wordt, dan krijgt de galg haar deel niet. 105
Prins Hendrik.
En hoe maakt het je meester, Bardolf?
Bardolf.
Goed, genadige heer. Hij hoorde, dat uwe genade in de stad zou komen; en daar is een brief voor u.
Poins.
Met allen eerbied besteld.—En hoe gaat het dien Sint-Maartens-zomer, je meester?
Bardolf.
Gezond van lijf en leden, heer.
Poins.
Nu, voorwaar, zijn onsterflijk deel behoeft wel een geneesmeester. Maar dat bekommert hem niet; al is dat ziek, het sterft toch niet.
Prins Hendrik.
Ik sta dien vetklomp toe, even gemeenzaam met mij te wezen als mijn hond; en hij is stout op zijn erf, want zie eens, hoe hij schrijft.
Poins
(leest). “John Falstaff, ridder,”—dat moet ieder weten, zoo vaak hij gelegenheid heeft om zich te noemen, juist als zij, die met den koning verwant zijn; want die kunnen zich niet in den vinger prikken, of zij zeggen: “daar wordt koningsbloed vergoten;” “Hoe zoo?” zegt iemand, die zich houdt, of hij het niet begrijpt; en het antwoord is even grif bij de hand als de muts van iemand, die borgt: “ik ben een arme neef van den koning, heer.”
Prins Hendrik.
O, zij willen van ons geslacht zijn, al moesten zij het van Jafet afleiden.—Maar, de brief!
Poins.
“Sir John Falstaff, Ridder, aan den zoon des konings, die zijn vader het naast is; aan Hendrik, Prins van Wales, heil!” Zoo, dat is een certificaat.
Prins Hendrik.
Stil!
Poins.
“Ik wil de edele Romeinen volgen, in hun kortheid;”—hij meent zeker in kortademigheid;—“ik zeg u vaarwel, ik zeg vaarwel en ik verlaat u. Wees niet te vertrouwelijk met Poins, want hij maakt zoozeer misbruik van uw gunst, dat hij zweert, dat gij zijn zuster Leen moet trouwen. Doe boete in uw ledige uren, zoo goed gij kunt, en daarmede vaarwel;
De uwe, bij ja en neen,—dat wil zeggen, naarmate gij hem behandelt;—Hans Falstaff voor mijn vertrouwde vrienden; John, voor mijn broeders en zusters; en Sir John voor geheel Europa.”
Mylord, ik wil dezen brief in sek doopen, en hij zal hem weer opeten.
Prins Hendrik.
Dus, dan laat gij hem een paar dozijn van zijn woorden weer opeten.—Maar springt gij zoo met mij om, Edu? moet ik uw zuster trouwen? 151
Poins.
God geve aan de deerne geen slechter partij! maar gezegd heb ik het nooit.
Prins Hendrik.
Ja, zoo springen wij als zotskappen met den tijd om, en de geesten der wijzen zitten in de wolken en bespotten ons.—Is je meester hier in Londen?
Bardolf.
Ja, mylord.
Prins Hendrik.
Waar eet hij van avond? Mest de oude beer zich nog in het oude kot?
Bardolf.
Op de oude plaats, mylord, in Eastcheap.
Prins Hendrik.
In welk gezelschap?
Page.
Met Efeziërs, mylord, van het oude geloof.
Prins Hendrik.
Zijn er ook vrouwmenschen bij?
Page.
Anders niet, mylord, dan de oude vrouw Haastig en juffer Doortje Scheurlaken.
Prins Hendrik.
Wat voor een heidenmensch is dat?
Page.
Een knap vrouwmensch, prins, en een nicht van mijn meester.
Prins Hendrik.
Even zooveel nicht, als de gemeente-koeien het zijn van den stadsbul.—Willen wij hen eens bij hun avondmaal besluipen, Edu?
Prins Hendrik.
Zeg eens, jongen,—en jij, Bardolf;—geen woord aan je meester, dat ik reeds in de stad ben;—daar, voor je stilzwijgen!
(Hij geeft hun geld.)
Bardolf.
Ik heb geen tong, heer.
Page.
En op de mijne, prins, zal ik passen.
Prins Hendrik.
Vaart nu wel, gaat! (Bardolf en de Page af.)—Die Doortje Scheurlaken zal wel de een of andere publieke weg zijn.
Poins.
Dat verzeker ik u, zoo publiek als de weg van Sint Albaans naar Londen.
Prins Hendrik.
Hoe kunnen wij van avond Falstaff eens in zijn ware kleur zien, zonder zelf gezien te worden?
Poins.
Wij doen elk een leêren wambuis aan en een schort voor en bedienen hem aan tafel als knechts.
Prins Hendrik.
Van god tot stier? ’t Is diep gedaald! ’t Was Jupiters geval. Van prins tot leerjongen? Een verandering naar de laagte! ’t Zij mijn deel; want in alle zaken moet de bedoeling de dwaasheid opwegen. Kom mede, Edu.
(Beiden af.)
DERDE TOONEEL.
Warkworth. Voor het kasteel.
Northumberland. Lady Northumberland en Lady Percy komen op.
Northumberland.
Ik bid u, teed’re vrouw en lieve dochter,
Gunt aan mijn ruwe zaak een effen weg;
Plooit niet ook gij ’t gelaat als deze tijden,
En maak mij niet als zij het hand’len zwaar.
Lady Northumberland.
Ik geef het op en zal niet verder spreken;
Doe wat gij wilt; uw wijsheid zij uw gids.
Northumberland.
Ach, beste vrouw, mijn eer is ginds verpand,
En enkel door mijn gaan is ze in te lossen.
Lady Percy.
Toch, trek, om Gods wil, niet naar dezen krijg!
Zie, vroeger, vader, hebt ge uw woord gebroken,
Toen ’t meer een deel was van uzelf dan nu;
’t Was, toen uw eigen Percy, toen mijn alles,
Mijn Hendrik, meen’gen blik naar ’t noorden wierp,
Waar toch zijn vader bleef; ’t was ijdel wachten!
Wie overreedde u toen om thuis te blijven?
Twee eeren trof dit, de uwe, die uws zoons;
Aan de uwe—haar verleen’ de Hemel glans!
De zijne,—o! stond hem, als de zon het doet
Aan ’t blauwe hemelwelf; en door haar glans
Dreef zij de gansche ridderschap van England
Tot dappre daden! Ja, hij was de spiegel,
Waar heel de jeugdige adel zich voor tooide;
Verlamd was hij, die zijnen gang niet had,
En stootend spreken, van natuur hem eigen,
Die feil werd nu de tongval van den moed;
Want zij, die zacht en langzaam konden spreken,
Verruilden voor zijn feil hun schoone gaaf,
Opdat zij hem geleken. Zoo was hij
In taal, in gang, in leefwijs, in vermaken,
In oorlogskunst, in luimen van het bloed,
Het oogwit en de spiegel, ’t boek en ’t voorschrift,
Dat and’ren vormde. En hem,—dat puikjuweel,
Dat wonder van een man,—hem gaaft gij prijs;
Die week voor niemand, werd door u ontweken,
En moest, in ’t nadeel zijnd, den schrikbren krijgsgod
In de oogen zien; hij moest een slag aanvaarden,
Toen niets, dan slechts de klank van Heetspoors naam
Nog weerbaar scheen;—zoo liet gij hem—alleen.
Laad nimmer, nimmer op zijn geest den smaad,
Dat gij uw eere meer nauwlettend hoedt
Bij and’ren, dan bij hem; laat hèn begaan.
De maarschalk, met den aartsbisschop, is sterk;
O, had mijn Hendrik half hun macht gehad,
Dan zou ik, aan mijn Heetspoor’s hals nu hangend,
Van ’t graf van Monmouth spreken! 45
Northumberland.
Van ’t graf van Monmouth spreken! 45 God vergeve u,
Mijn dierbaar kind! Ge ontrooft mij allen moed
Door nieuwe klacht om de oude plichtmiskenning.
Gaan moet ik, ginds ’t gevaar in de oogen zien,
Of anders zoekt het elders mij, en vindt mij
Veel slechter toegerust.
Lady Northumberland.
Veel slechter toegerust. O, vlucht naar Schotland,
En wacht, tot de eed’len en ’t gewapend volk
Ten minste een proefje gaven van hun macht.
Lady Percy.
En winnen zij den koning voordeel af,
Voeg dan u bij hen als een rib van staal,
Die hunne sterkte sterkt. Doch laat hen eerst,
Ja, om ons aller wil, hun kracht beproeven.
Zoo deed uw zoon; zoo liet men hem begaan,
Zoo werd ik weeuw, en leef nooit lang genoeg
Om tot herinn’ring aan mijn eed’len gâ
’t Herinn’ringskruid met tranen te besproeien,
Zoodat het tot den hemel groeit en spruit.
Northumberland.
Kom mede in huis. ’t Is nu in mijn gemoed,
Als met den vloed, die tot zijn hoogte zwol,
Tot stilstand komt en her- noch derwaarts vliet
Den aartsbisschop ging ik volgaarne helpen,
Doch duizend gronden houden mij terug.—
Het zij; ik ga naar Schotland, waar ik wacht,
Tot tijd en voordeel roepen: breng uw macht!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd”, in Eastcheap.
Twee Tapperknechts komen op.
Eerste Tappersknecht.
Wat duivel heb je daar gebracht? pippelingen? Je weet, dat Sir John geen pippelingen kan uitstaan.
Tweede Tappersknecht.
Sakrement, dat is waar ook. De Prins zette eens een schotel met pippelingen voor hem neer, met het zeggen, dat daar nog vijf andere pippelingen waren; en, terwijl hij zijn hoed afnam, zeide hij: “ik neem hiermede afscheid van deze zes droge, ronde, oude, gerimpelde pippelingen”. Het ergerde hem in zijn ziel, maar hij is het nu wel weer vergeten.
Eerste Tappersknecht.
Nu, dek dan maar, en zet ze neer; en zie, of je Sluipert zijn muziektroep vinden kunt; juffrouw Scheurlaken wilde graag wat muziek hebben. Maak voort; de kamer, waar ze gegeten hebben, is snikheet; ze komen zoo dadelijk hier naar toe.
Tweede Tappersknecht.
Kerel, straks komt de Prins hier en Sinjeur Poins, en zij willen twee van onze kielen en schorten aandoen en Sir John moet er niets van weten; Bardolf heeft de boodschap gebracht. 120
Eerste Tappersknecht.
Sakrement, dat zal een ouwerwetsche grap zijn; het zal een heerlijke hinderlaag wezen.
Tweede Tappersknecht.
Ik ga zien, of ik Sluipert vinden kan.
(Tweede Tappersknecht af.)
(De Waardin en Doortje Scheurlaken komen op.)
Waardin.
Waarachtig, mijn hartje, mij dunkt, je bent nu in een overheerlijke temperamentuur, je pols slaat zoo innorm, als het hart maar kan wenschen, en je kleur, ik verzeker je, is zoo rood als er één roos is; maar wezenlijk, je hebt wat veel kanariesek gedronken en dat is een wonderlijk opzetterige wijn en die gaat in het bloed zitten, eer men zeggen kan: “wat is dat?”—Hoe gaat het je nu?
Doortje.
Beter dan straks, hum!
Waardin.
Nu, dàt doet goed. Een gezond hart is goud waard. Zie, daar komt Sir John aan.
(Falstaff komt op, zingend.)
Falstaff.
“Toen Arthur pas ten hove kwam”,—Gooi den nachtspiegel uit!—
(Eerste Tappersknecht af.)
“En een wakker koning was”,—
Hoe gaat het, juffer Doortje?
Waardin.
Ze is niet wel; zij is schrikkelijk gecalmeerd, ja waarachtig.
Falstaff.
Zoo zijn alle vrouwen, als zij eerst gecalmeerd zijn, worden zij ziek.
Doortje.
Jij vette modderschelm, is dat al de troost, dien je mij geeft?
Falstaff.
Jij sleept ons door de modder, juffer Doortje.
Doortje.
Doe ìk dat? Slemperij en ziekten doen dat, ik niet.
Falstaff.
Als de kok ons aan het slempen helpt, dan help jullie ons aan de ziekte, Doortje; wij nemen wat van jullie mee; erken dat, lieve maagd, erken dat.
Doortje.
Nu, zeker, onze kettingen en juweelen.
Falstaff.
Ja “robijnen en karbonkels”;—want je weet, wie wakker dient, komt hinkend thuis; dapper uit de bres met gevelde piek en dapper naar den heelmeester; dapper op de geladen kanonnen af,—
Doortje.
Laat je hangen, jij modderaal, laat je hangen!
Waardin.
Op mijn woord, het oude liedje, jullie tweeën komt niet bij elkaâr, of je hebt het aan den stok. Jullie beiden bent waarachtig zoo raspig als twee sneden geroosterd brood; de een kan de confirmiteiten van den ander niet verdragen. Wel lieve tijd, een van beiden moet dragen en (Tot Doortje.) dat moet jij zijn; jij bent het zwakke vat, om zoo te zeggen, het leêge vat. 66
Doortje.
Kan een zwak, leêg vat zulk een reusachtig, vol okshoofd dragen? Hij heeft een geheele Bordeauxlading in ’t lijf; geen scheepsruim kan beter volgestuwd zijn.—Kom, ik wil goede vrienden met je zijn, Hans; je trekt in den oorlog; en of ik je ooit weer zien zal, daar bekommert zich geen sterveling om.
(De Tappersknecht komt weer op.)
Tappersknecht.
Heer, vaandrig Pistool is beneden en wil u spreken.
Doortje.
Naar de galg met dien schoft van een blaaskaak! laat hem niet binnenkomen; hij zet den grootsten schurkenmond op in heel Engeland.
Waardin.
Als hij een blaaskaak is, laat hem dan niet binnen; neen, bij mijn ziel niet; ik moet met mijn buren leven; ik moet van blaaskaken niets hebben. Ik sta te goeder naam en faam bij de beste luî.—Sluit de deur toe;—hier komen geen blaaskaken binnen. Ik ben niet zoo oud geworden, om hier nu leven te hebben.—Doe de deur toe, bid ik je.
Falstaff.
Wil je hooren, waardin?
Falstaff.
Maar hoor dan toch; het is mijn vaandrig.
Waardin.
Larifari, Sir John, spreek er mij niet van; uw vaandrig-blaaskaak komt mijn deur niet in. Voor een dag of wat was ik bij den heer Spichtig, den heer van de buurt; en die zeide,—het is niet langer dan verleden Woensdag,—“Buurvrouw Haastig”, zeide hij; onze heeroom Stom was er ook bij;—“Buurvrouw Haastig”, zei hij, “neem alleen fatsoenlijke lieden op, want”, zeide hij, “je staat in een slechten naam”,—nu, dat zeide hij, en ik weet wel waarom;—“want”, zeide hij, “je bent een brave vrouw en men denkt goed over je; let daarom wel op, welke gasten gij opneemt; neem” zeide hij, “geen levenmakers op”.—Ik laat er geen binnen;—ge zoudt een kruis slaan, als ge gehoord hadt, wat hij zeide.—Neen, geen blaaskaak in mijn huis.
Falstaff.
Hij is geen blaaskaak, waardin; een makke zwendelaar is hij, waarachtig; hij laat zich van je zoo geduldig streelen als een schoothondje; hij zou niet blazen tegen een kalkoensche hen, wanneer zij haar veêren maar even opzet, alsof zij hem wil aanvliegen.—Roep hem boven, man. 109
Waardin.
Een zwendelaar zegt gij? Voor een fatsoenlijk man wil ik mijn huis niet sluiten, en voor een zwendelaar ook niet; maar een blaaskaak mag ik niet lijden. Waarachtig, ik krijg het te kwaad, als iemand maar spreekt van een blaaskaak. Voelt maar eens, vrienden, hoe ik sidder; ziet gij? ik verzeker het u.
Doortje.
Dat doe je, waardin.
Waardin.
Niet waar? Ja, wis en zeker doe ik het, als een espeblad. Ik kan blaaskaken niet uitstaan.
(Pistool, Bardolf en de Page komen op.)
Pistool.
God zegen u, Sir John!
Falstaff.
Welkom, vaandrig Pistool. Hier, Pistool, ik laad u met een glas sek; trek gij af op onze waardin.
Pistool.
Ik zal op haar aftrekken, Sir John, met twee kogels.
Falstaff.
Zij is tegen pistoolkogels bestand, man, uw kaliber zal haar geen leed doen.
Waardin.
Loop, ik drink geen bestands en geen kalibers. Ik drink niet meer dan mij dient, om niemands wil, ik niet.
Pistool.
Dan geldt het u, juffer Dorothea; dan is de lading voor u.
Doortje.
Voor mij? Loop heen, jij smerige hondsvot! Wat! Zoo’n arme, gemeene, schelmachtige, zwendelende sinjeur Zonderhemd! Weg, jij beschimmelde schavuit, weg! Ik ben een lekkerbeetje voor uw meester.
Pistool.
Ik ken u, juffer Dorothea.
Doortje.
Pak je weg, jij gauwdief, jij smerige schelm van een beurzensnijder! Bij dezen wijn, ik stoot je mijn mes tusschen je schimmelige kinnebakken, als je bij mij wilt kapen. Loop heen, jij bierslungel, jij versleten stompdegentrekker, jij!—Sinds wanneer? dat zou ik wel willen hooren, man!—Wat weerlicht! met twee nestels op den schouder! ’t is wat moois!
Pistool.
Dat kost aan je halskraag het leven!
Falstaff.
Niet verder, Pistool; pas op, zeg ik, dat je hier niet afgaat: trek af, Pistool, buiten ons gezelschap.
Waardin.
Neen, beste hopman Pistool, niet hier, lieve hopman. 150
Doortje.
Hopman? jij afschuwelijke, vervloekte gauwdief, schaam jij je niet, dat men je hopman noemt? Als hoplieden er over dachten zooals ik, dan knuppelden zij je de deur uit, omdat jij hun namen aanneemt, voor je die verdiend hebt. Jij een hopman, jij vlegel! waarvoor? omdat je een arme deerne in een bordeel haar kraag durft afscheuren?—Hij een hopman! hang hem op, den schelm! hij leeft van beschimmelde gestoofde pruimen en oudbakken koeken. Een hopman! zulke spitsboeven zullen het woord “hopman” even zoo gehaat maken als het woord “onderhouden”, dat een kostelijk goed woord was, eer het in slecht gezelschap kwam; daarom moeten hoplieden er het oog op houden.
Bardolf.
Ik bid je, ga naar beneden, goede vaandrig.
Falstaff.
Hoor eens hier, juffer Doortje.
Pistool.
Naar beneden, ik! ik zal u wat zeggen, korporaal Bardolf, ik zou haar kunnen verscheuren; ik wil wraak op haar nemen.
Page.
Ik bid u, ga naar beneden.
Pistool.
Eer zie ik haar verdoemd
Tot Pluto’s jammermeer en hellepoel,
Met Erebus en schand’lijke tortuur.
Houdt lijn en hoek gereed, zeg ik.
Daalt, honden, diep! verzinkt, gij schikgodinnen!
Is hier Irene niet?
Waardin.
Beste hopman Pistool, wees bedaard; het is al recht laat; ik smeek u, inflammeer uw drift!
Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.
Waardin.
Bij mijn ziel, hopman, dat zijn recht harde woorden.
Bardolf.
Ga toch heen, beste vaandrig, anders komt hier nog een kloppartij van.
Pistool.
Slaat menschen dood als honden! geeft vrij kronen
Als spelden weg! Is hier Irene niet?
Waardin.
Op mijn woord, hopman, zoo iemand is hier niet. Wel, mijn lieve tijd! denkt gij, dat ik haar zou verloochenen? Om Gods wil, wees bedaard.
Pistool.
Zoo eet dan en word vet, mijn gâ Calipolis!
Kom, geef wat sek.
(Hij bekijkt het lemmet van zijn zwaard.)
“Si fortune me tormente, sperato me contente.”
Wij bang voor kruit? Laat vrij den duivel vuren!
Geef mij wat sek; en gij, mijn lief, lig hier.
(Hij legt zijn zwaard af.)
Zijn wij aan ’t eind? blijft elk “et cet’ra” weg?
Falstaff.
Pistool, ik wil rust hebben.
Pistool.
Ik kus de knuist u, beste ridder mijn.—
Och kom, wij hebben samen het zevengesternte gezien. 201
Doortje.
Om ’s hemels wil, gooit hem de trap af! ik kan zulk een snoevenden schoft niet uitstaan.
Pistool.
De trap af? Nu, huurknollen kennen we ook!
Falstaff.
Smijt hem de trap af, Bardolf, als een keisteentje. Als hij niets doet, dan wat niets is spreken, zal hij hier ook niets wezen.
Bardolf.
Kom, scheer je de trap af.
Pistool.
Wat! moeten we aderlaten? vloeren drenken?
(Hij neemt zijn zwaard op.)
Dood, wieg me in slaap dan! kort mijn jammerdagen!
Welaan dan, wonden, grievend, gruw’lijk, gapend,
Ontboeit der Zust’ren trits! kom, Atropos, zeg ik!
Waardin.
Wat! dat is een fraaie vertooning!
Falstaff.
Geef mij mijn rapier, jongen.
Doortje.
Ik bid je, Hans, ik bid je, trek niet.
Falstaff.
De trap af, jij daar!
(Hij trekt.)
Waardin.
Dat is een fraai tumult! Ik wil het herberghouden afzweren, liever dan in zulke angsten en terreuren leven.—Nu, dat geeft nog moord, zeg ik u.—Ach, ach, steekt uw naakte wapens op!
(Bardolf en Pistool af.)
Doortje.
Ik bid je, Hans, wees bedaard; de schoft is weg. O, jij vervloekte kleine dappere hondsvot, jij!
Waardin.
Ben je niet gewond in de lies? mij docht, hij deed een leelijken stoot naar uw buik.
(Bardolf komt weder op.)
Falstaff.
Heb je hem de deur uitgezet?
Bardolf.
Ja, heer; de schoft is dronken. Gij hebt hem gewond, heer, aan den schouder.
Falstaff.
Welk een schoft, mij te trotseeren!
Doortje.
O jij allerliefste kleine schelm, jij! Ach, arm aapje, is dat zweeten! Kom, laat mij je gelaat eens afwisschen;—komaan, jij liederlijk stuk vleesch!—O, schelm, waarachtig, ik bemin je. Je bent zoo dapper als Hector van Troje, vijf Agamemnons waard, en tienmaal beter dan de negen Londensche optochthelden.—O die spitsboef!
Falstaff.
Die schavuitige vlegel! Ik wil den schoft op een deken jonassen.
Doortje.
Ja, doe het, als je het hart hebt; als je het doet, zal ik je tusschen twee lakens er over hooren. 244
(Er komen Muzikanten op.)
Page.
Heer, daar zijn de muzikanten.
Falstaff.
Laat hen spelen.—Speelt, mannen.—Kom op mijn knie zitten, Doortje.—Wat een ellendige pochvlegel! De schoft liep voor mij weg als kwikzilver.
Doortje.
Ja, waarachtig en je zat hem achterna als een kerk. Jij liederlijk, klein, fijn Bartholomeus-biggetje, wanneer zul je ophouden overdag te vechten en ’s nachts te schermutselen, en eens beginnen je oud lijf voor den hemel op te flikken?
(Op den achtergrond verschijnen Prins Hendrik en Poins, als tappersknechts verkleed.)
Falstaff.
Stil, lieve Door, spreek niet als een doodshoofd; vermaan mij niet aan mijn einde te denken.
Doortje.
Zeg mij eens, wat voor een soort van mensch is de Prins?
Falstaff.
Een goed beperkt jongmensch; hij zou wel voor broodmeester gedeugd hebben; hij zou het brood goed hebben voorgesneden.
Doortje.
Maar Poins, zegt men, heeft nog al geest.
Falstaff.
Hij nog al geest? aan de galg met den baviaan. Zijn geest is zoo dik als Tewksburger mosterd, hij heeft niet meer vernuft, dan er in een wilden woerd zit.
Doortje.
En waarom mag de Prins hem dan zoo graag lijden?
Falstaff.
Omdat hun beenen van één dikte zijn, en omdat hij goed kan keilen; en hij eet zeepaling en venkel; en hij slikt brandende stompjes kaars met den wijn in, en speelt haasje-over met de tappersknechts, en springt op vouwstoelen, en vloekt met gratie, en hij draagt zijn laars zoo glad als een schoenmakers-uithangbeen; en hij bezorgt hem geen twist door het uitbrengen van fraaie geschiedenissen; en meer zulke hansworsttalenten bezit hij, die van een zwakken geest en een kloek lichaam getuigen, en daarom laat de Prins zich met hem in. Want de Prins is geheel als hij; het gewicht van een haar zal op de weegschaal aan den een of den ander den doorslag geven.
Prins Hendrik.
Zou men dien spekklomp er de ooren niet voor afsnijden!
Poins.
Laat ons hem afrossen voor de oogen van zijn slet.
Prins Hendrik.
Kijk, laat de rimpelige oude kerel zich den kop niet krauwen als een papegaai?
Poins.
Is het niet vreemd, dat de begeerte het volbrengen zoo veel jaren overleeft?
Falstaff.
Kus mij, Doortje. 285
Prins Hendrik.
Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. Wat zegt de almanak daarvan?
Poins.
En zie eens, zijn knecht, de vurige triangel, staat die daar niet te fluisteren met het oude register van zijn heer, zijn schrijflei, zijn geheimboek?
Falstaff.
Je geeft mij innige zoentjes.
Doortje.
Ja waarlijk, ik kus je met een recht bestendig hart.
Falstaff.
Ik ben oud, ik ben oud.
Doortje.
Ik houd meer van jou dan van al dat jong geboefte bij elkaâr.
Falstaff.
Van wat voor stof wil je een schortje hebben? Aanstaanden Donderdag krijg ik geld; morgen zul je een muts van mij hebben. Kom, een vroolijk lied; het wordt laat, wij willen naar bed. Je zult me vergeten, als ik weg ben.
Doortje.
Bij mijn ziel, je brengt me aan het schreien, als je dat zegt; let maar op, of ik me ééns mooi zal aankleeden, tot je terug bent.—Kom, luister naar het slot.
Falstaff.
Wat sek, Frans!
Prins Hendrik en Poins
(vooruittredend). Dadelijk, heer, dadelijk.
Falstaff.
Ha! een basterdzoon van den koning!—En ben jij niet een broertje van Poins?
Prins Hendrik.
O jij aardbol van zondige landen, wat is dat voor een leven, dat je leidt?
Falstaff.
Een beter dan gij; ik ben een edelman en gij een tapper.
Prins Hendrik.
Zeer juist, Sir, en ik kom om je den tap toe te doen en je de ooren te wasschen.
Waardin.
O, de hemel beware uwe lieve genade! Op mijn woord, welkom in Londen.—Nu, de Heer zegene dit liefelijk gelaat van u! O Jezus, komt gij uit Wales?
Falstaff.
Gij liederlijk en verdwaasd stuk majesteit,—bij dit licht (Hij legt de hand op Doortje.) vleesch en verdorven bloed, gij zijt welkom.
Doortje.
Wat, jij vette zotskap? je kunt me gestolen worden.
Poins.
Mylord, hij zal u van uw wraak afbrengen, en alles in een grap verkeeren, als gij niet de eerste hitte waarneemt.
Prins Hendrik.
Jij liederlijke smeerkaarsmijn, jij, hoe schandelijk spraakt gij daareven van mij tot deze eerzame, deugdzame, fatsoenlijke juffer!
Waardin.
God zegene uw goed hart! dat is ze ook, bij mijn ziel. 330
Falstaff.
Hebt gij het gehoord?
Prins Hendrik.
Ja, en je kende mij, zooals je deedt, toen je bij Gadshill op den loop gingt; je wist, dat ik achter je stond en spraakt opzettelijk zoo, om mijn geduld op de proef te stellen.
Falstaff.
Neen, neen, neen, dat niet; ik dacht niet, dat je mij hooren kondt.
Prins Hendrik.
Dan zal ik er je toe drijven, dat je den opzettelijken laster erkent; en dan weet ik, hoe ik met je te doen heb.
Falstaff.
Geen laster, Hein; op mijn eer, geen laster.
Prins Hendrik.
Niet! mij te beschimpen, en mij broodmeester, en voorsnijder en ik weet niet wat te noemen?
Falstaff.
Geen laster, Hein.
Poins.
Geen laster!
Falstaff.
Geen laster, Edu, ter wereld niet; neen, brave Edu, volstrekt niet. Ik beschimpte hem bij de goddeloozen, opdat de goddeloozen niet op hem zouden verlieven;—en door zoo te doen heb ik gehandeld als een bezorgd vriend en getrouw onderdaan, en uw vader is er mij dank voor schuldig. Geen laster, Hein;—in het minst niet, Edu;—neen, jongens, waarachtig, niet in het minst.
Prins Hendrik.
Zie nu eens, brengt loutere vrees of algeheele lafhartigheid er je niet toe, van deze deugdzame juffer kwaad te spreken, om je met ons te verzoenen? Is zij van de goddeloozen? Is de waardin hier van de goddeloozen? Of is de jongen van de goddeloozen? of de eerlijke Bardolf, wiens geloofsijver in zijn neus gloeit, van de goddeloozen?
Poins.
Antwoord, jij afgestorven olm, antwoord!
Falstaff.
De Booze heeft Bardolf onherroepelijk aangekalkt; en zijn gezicht is Lucifers bijzondere keuken, waar hij niets doet dan moutwurmen roosteren. Wat den jongen aangaat,—er is een goede engel om hem heen, maar de duivel blijft ook boven dezen aan ’t bod.
Prins Hendrik.
En de vrouwen?
Falstaff.
De een van haar, die is reeds in de hel en verbrandt arme zielen. Wat de ander betreft; ik ben haar geld schuldig, en of zij daarvoor verdoemd is of niet, weet ik niet.
Waardin.
Neen, waarachtig niet.
Falstaff.
Neen, ik geloof het ook niet; ik geloof, daar ben je vrij van. Maar er is nog een andere aanklacht tegen je, dat je tegen de wet in je huis vleesch laat eten; en daarvoor, geloof ik, zul je eens huilen. 374
Waardin.
Dat gebeurt in alle gaarkeukens. Wat wil een schapebout of twee zeggen in een heele vasten?
Prins Hendrik.
Gij, mejuffer,—
Doortje.
Wat zegt uwe genade?
Falstaff.
Zijne genade zegt iets, waartegen zijn vleesch in opstand komt.
(Er wordt geklopt.)
Waardin.
Wie klopt daar zoo hard op de deur? kijk eens aan de deur, Frans!
(Peto komt op.)
Prins Hendrik.
Zoo Peto! spreek, wat is er?
Peto.
De vorst, uw vader, is te Westminster;
Een twintig moede, matte boden kwamen
Van ’t noorden aan; en onderweg haalde ik
Hoplieden in, wel een dozijn; die klopten
Blootshoofds, bezweet, aan elke herberg aan,
En vroegen iedereen naar Sir John Falstaff.
Prins Hendrik.
Bij God, Poins, laakbaar is het, dit erken ik,
Dat ik den eed’len tijd zoo wuft ontwijd,
Terwijl, als zuiderstorm, des oproers onweer
Met zwarte wolken nadert, smelten gaat,
En neerdrupt op ons naakt, nog weerloos hoofd.
Mijn zwaard en mantel hier!—Falstaff, goê nacht!
(Prins Hendrik, Poins, Peto en Bardolf af.)
Falstaff.
Nu komt het lekkerst hapje van den geheelen avond en wij moeten weg, en het onaangeroerd laten. (Er wordt geklopt.) Nog al meer geklop op de deur!
(Bardolf komt terug.)
Nu, wat is er?
Bardolf.
Gij moet naar ’t hof, heer, daad’lijk; een dozijn
Hoplieden staan u aan de deur te wachten.
Falstaff
(tot den Page). Betaal de muzikanten, jongen.—Vaarwel, waardin; vaarwel, Doortje. Gij ziet, mijn lieve vrouwtjes, hoe mannen van verdiensten gezocht zijn; de verdienstelooze kan blijven slapen, terwijl de man van daden wordt opgeroepen. Vaartwel, lieve vrouwtjes. Als ik niet op staanden voet weg moet, zie ik je nog, voor ik ga. 408
Doortje.
Ik kan niet spreken;—als mijn hart niet tot berstens toe vol is!—nu, mijn Hans, neem je in acht!
Falstaff.
Vaarwel, vaarwel!
(Falstaff en Bardolf af.)
Waardin.
Nu, vaarwel! negen en twintig jaar heb ik je gekend, als de jonge erwten komen; maar een braver kerel, een trouwer hart,—nu vaarwel!
Bardolf
(buiten). Juffer Scheurlaken!
Waardin.
Wat is er?
Bardolf
(buiten). Zeg aan juffer Scheurlaken, dat zij bij mijn meester komt.
Waardin.
O! loop, Doortje! loop, lieve Doortje!
(Beiden af.)