WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Vierde cover

Koning Hendrik de Vierde

Chapter 44: VIJFDE TOONEEL.
Open in WeRead

About This Book

Een verouderende koning worstelt met opstandige edelen terwijl zijn onberekenbare zoon tussen vorstelijke plichten en losbandig gezelschap zwerft, waarvoor een innige kameraad een komische tegenpool vormt. De handeling wisselt tussen hofpolitiek en uitbundige etablissementsscènes, en bouwt naar een conflict waarin eer, leiderschap en loyaliteit worden uitgedaagd. Rebellie en generatieclash raken verweven met vragen over legitimiteit en volwassenwording, terwijl scherpe dialogen en theatrale confrontaties zowel tragische spanning als komisch relief bieden.

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een woud in Yorkshire.

De Aartsbisschop van York, Mowbray, Hastings en Anderen komen op.

Aartsbisschop.

Hoe heet dit woud?

Hastings.

Het is het woud van Gualtree, uw genade.

Aartsbisschop.

Zoo houdt hier stand, mylords, en zendt verkenners,

Om zekerheid van ’s vijands macht te erlangen.

Hastings.

Dit is alreeds geschied.

Aartsbisschop.

Dit is alreeds geschied. Zeer goed gedaan.—

Mijn vrienden, broeders bij dit grootsche werk,

Ik moet u melden, dat ik jonge brieven

Van graaf Northumberland ontvangen heb,

Van koelen inhoud, vorm en zin, aldus:—

Hij wenschte zeer, hier in persoon te zijn,

En met een macht, die met zijn aanzien strookt,

Doch kon die nog niet zaam’len, en hij week,

Om zijn geluk, dat aanwast, te doen rijpen,

Naar Schotland; en besluit met vuur’ge beden,

Dat uwe poging ’t waagstuk en den aanval

Des schrikb’ren tegenstanders overleev’.

Mowbray.

Zoo strandt alreeds de hoop, in hem gesteld,

En wordt uiteengeslagen. 18

(Een Bode komt op.)

Hastings.

En wordt uiteengeslagen. 18 Nu, wat wilt ge?

Bode.

De vijand komt daar welgewapend aan,

Een kleine mijl ten westen van dit woud;

En naar de ruimte, die zij dekken, schat ik

Zijn sterkte op dertigduizend man omtrent.

Mowbray.

Het juist bedrag, door ons alreeds vermoed.

Komt, opgerukt, en in het veld hem tegen!

(Westmoreland komt op.)

Aartsbisschop.

Wat zwaargewapend krijgshoofd nadert daar?

Mowbray.

Mij dunkt, het is mylord van Westmoreland.

Westmoreland.

Zijn heuschen groet zendt u ons legerhoofd,

De prins en hertog, John van Lancaster.

Aartsbisschop.

Zeg ons, mylord van Westmoreland, in vrede,

Wat uwe komst bedoelt.

Westmoreland.

Wat uwe komst bedoelt. Welnu, mylord,

Tot uwe genade in de eerste plaats richt ik

Den inhoud mijner rede. Kwam rebellie,

Zichzelf gelijk, met lage snoode rotten,

Door jeugd, die dorst naar bloed, geleid, door woede 34

Omstuwd, gesteund door bedelvolk en knapen,—

Ik zeg, deed zoo zich vloekbaar oproer voor,

In echten, aangeboren, eigen vorm,

Dan, achtbre vader en gij, eed’le lords,

Waart gij niet hier, zoudt gij ’t afzicht’lijk wezen

Van lagen, bloedige’ opstand niet bekleeden

Met uwe glansrijke eer. Gij, lord aartsbisschop,

Wiens stoel beschut wordt door den burgervrede,

Wiens baard de zilvren hand des vredes tintte,

Wiens weten en geleerdheid vrede voedde,

Wiens wit gewaad het zinbeeld is der onschuld,

De duif en zegenrijke geest des vredes,—

Waarom vertaalt gij thans zoo slecht uzelf,

Uit zulk een liefdevolle spraak des vredes

In deze woeste, ruwe taal des krijgs,

Verkeert ge uw inkt en schrift in bloed en graven,

Uw pen in oorlogslans, uw priestermond

In schrille krijgsklaroen en strijdsignaal?

Aartsbisschop.

Waarom doe ik aldus?—zoo luidt de vraag. 52

En bondig zeg ik:—allen zijn wij krank;

Want door ons brassend, dartel leven haalden

Wijzelf een heete koorts ons op het lijf,

Waarvoor wij bloeden moeten; aangestoken

Door deze kwaal, stierf onze koning Richard.

Maar, mijn hoogeed’le heer van Westmoreland,

Ik matig mij de rol van arts niet aan,

En schaar geenszins, als vijand van den vrede,

Mij in ’t gedrang der mannen van den krijg;

’k Hul eer me een poos in ’t schrikbaar krijgsgewaad,

Om wulpschheid, ziek van overdaad, te stuiten,

Verstoppingen te zuivren, die ons dreigend

De levensaad’ren drukken. Klaarder spreek ik.

Ik heb op juiste schalen streng gewogen,

Wat leed onze oorlog brengt, wat leed wij lijden,

En vind de grieven zwaarder dan ’t vergrijp.

Wij zien, waarheen de stroom des tijds zich spoedt,

En uit de kalme rust van onze sfeer

Drijft ons de felle vloed des tijdsgewrichts.

Al onze grieven hebben wij omschreven,

Om te geleeg’ner uur de lijst te ontvouwen;

Ja, boden die reeds lang den koning aan,

Doch geen verzoek verschafte ons ooit gehoor.

Zijn wij gekrenkt en willen we ons beklagen,

Dan wordt door hen juist, die ons grievend krenkten,

De toegang tot den koning ons ontzegd.

Zoowel ’t gevaar der jongst verloopen dagen,

Wier heug’nis nog op de aard geschreven staat

Met zichtb’re plekken bloeds, als de bewijzen

Ons uur op uur geleverd van wat dreigt,

Doen ons die kwalijkstaande waap’nen grijpen,

Niet om den vrede of een’gen tak er van

Te breken, neen, om waarlijk vreê te vesten,

Die vrede zij van naam en van natuur.

Westmoreland.

Wanneer dan werd u ooit gehoor geweigerd,

Waardoor heeft ooit de koning u gekrenkt,

Welk pair werd tegen u ooit opgehitst,

Dat gij hier op dit rechtloos, bloedig boek

Van schendig oproer ’t kerk’lijk zegel drukken,

En ’t vlijmend scherp eens opstands heil’gen wilt?

Aartsbisschop.

Mijn algemeene broeder, onze staat,

Doet in ’t bijzonder mij, wiens eigen broeder

Door wreedheid viel, herstel van onrecht eischen.

Westmoreland.

Niets geeft het recht om zoo dien eisch te doen,

En ware er recht, dan komt dit ù niet toe.

Mowbray.

Waarom voor zijn deel hèm niet, als ons allen,

Die saâm de builen van ’t verleden voelen,

Die lijden, nu de toestand onzes tijds,

Zwaar en partijdig drukkend, op onze eer

De handen legt? 103

Westmoreland.

Mijn waarde vriend, Lord Mowbray,

Bedenk slechts, hoe de tijd steeds nooddwang oefent,

En gij zult zeggen, dat de tìjd het is,

En niet de koning, die u onrecht doet.

En wat uzelf betreft, zie ik niet in,

Dat òf de koning, òf deze onze tijd

U een’gen grond, een duimbreed zelfs, ooit gaf,

Om grieven op te bouwen. Werdt gij niet

Hersteld in al de rechten van uw vader,

Den eed’len, onvergeten hertog Norfolk?

Mowbray.

Wat eere had mijn vader dan verbeurd,

Die weer in mij vernieuwd, verwekt moest worden?

De koning, die hem liefhad, was gedwongen,—

Zoo eischte en drong de staat—hem te verbannen.

Voorwaar, toen Hendrik Bolingbroke en hij,

Te paard en elk in ’t zaâl ten strijd gereed,

Het brieschend ros aandrijvend met de sporen,

De scherpe lans geveld, ’t vizier gesloten,

Het vlammend oog door ’t stalen venster fonk’lend,

En de klaroen gestoken tot den rit,—

Toen, toen er eindlijk niets was, dat mijn vader

Meer afhield van de borst van Bolingbroke,—

O, toen de koning zijnen staf daar neêrwierp,

Hing aan dien neêrgeworpen staf zijn leven;

Hij wierp zichzelven neêr en aller leven,

Die sinds door vonnis en ’t geweld des zwaards

Ten onder gingen onder Bolingbroke.

Westmoreland.

Gij spreekt, Lord Mowbray thans gij weet niet wat.

De graaf van Hereford stond toen bij een elk

Als Englands dapperste edelman bekend;

Wie weet dus, wien Fortuin daar toe zou lachen!

En had uw vader daar gezegepraald,

Wis, Coventry waar’ ’t graf zijns roems geweest;

Want als eenstemmig had voor hèm heel ’t land

Een kreet van haat; al hun gebed, hun liefde

Was Hereford toegewijd; die werd vergood,

Gezegend, hoog vereerd, meer dan de koning.

Doch hiermeê dwaal ik van mijn doelwit af.

Ik kom uit naam mijns hoogen veldheers hooren,

Wat uwe grieven zijn; en zijne hoogheid

Zegt u door mij gehoor toe; en zoo verre

Uw eischen billijk blijken, worden ze u

In gunst verleend, en alles wordt vergeten,

Wat aan uw vijandschap herinn’ren kan.

Mowbray.

Hij noopte ons zelf, dit aanbod af te dwingen;

Bereek’ning slechts, geen liefde geeft het in.

Westmoreland.

Mowbray, het is laatdunkend dit te meenen; 149

Geen vrees biedt dit u aan, genade alleen.

Want zie, ginds ligt voor uwen blik ons leger,

Dat, op mijn eer, vol zelfvertrouwen is,

Te veel, om zelfs een zweem van vrees te voeden.

Ons leger telt meer namen dan het uwe,

Meer oef’ning hebben de onzen; onze waap’ning

Is even goed, en beter onze zaak;

En onze moed, het spreekt van zelf, niet minder;

Daarom, spreek bij ons aanbod niet van vrees.

Mowbray.

Nu, hoort men mij, dan wordt niet onderhandeld.

Westmoreland.

Dit tuigt slechts van de schendigheid uws doens;

Een etterbuil laat geen betasting toe.

Hastings.

En heeft prins John een algeheele volmacht,

Door onbepaalde machtiging zijns vaders,

Om aan te hooren, en op ieder punt,

Door ons gevorderd, afdoend te beslissen?

Westmoreland.

Dit ligt reeds in den naam van generaal;

’k Verbaas mij over zulk een ijd’le vraag.

Aartsbisschop.

Neem dan, mylord van Westmoreland, dit stuk,

Dat kort ons aller grieven samenvat.

Zoo iedre klacht hiervan herstel verwerft,

Al onze medestanders, hier en elders,

Die aan dit werk zich hebben toegewijd,

Vrijspraak erlangen door een wettig stuk,

En spoedige vervulling onzer wenschen

Aan ons en aan ons doel verzekerd wordt,

Dan keeren we in des eerbieds bedding weer

En boeien onze macht in de’ arm des vredes.

Westmoreland.

’k Zal dit den veldheer toonen. Laat ons, heeren,

Ten overstaan der legers samenkomen;

En brengen we, als God wil, den vreê tot stand!

Of roepen we onze zwaarden op ter kampplaats,

Dat zij alsdan beslissen.

Aartsbisschop.

Dat zij alsdan beslissen. ’t Zij zoo, heer.

(Westmoreland af.)

Er is iets in mijn boezem, dat mij zegt,

Dat geen verdrag van vrede stand zal houden.

Hastings.

Vrees dit geenszins! Gelukt het ons den vrede

Zoo hecht te vesten op zoo breeden grondslag,

Als die, waar onze vord’ring zich aan houdt,

Dan is de vrede onwrikbaar als een rots.

Mowbray.

Ja, maar wij zullen zoo gewogen worden,

Dat iedre minste, valsch begrepen oorzaak,

Ja, iedere ijd’le, kleine, dwaze grond

Den koning naar deze’ opstand smaken zal.

Men zal ons, zelfs al maakte ons onze trouw

Tot mart’laars, wannen met zoo ruwen wind,

Dat ook ons koren licht als kaf zal schijnen,

En ’t goede en ’t kwade niet gescheiden wordt.

Aartsbisschop.

Neen, neen, mylord. Bedenk: de koning is 197

Dat vergezocht, spitsvondig wrokken moe;

Hem bleek: wie ééne vrees door dood verdrijft,

Verwekt twee grootere in de levende erven.

Daarom wischt hij zijn tafels gaarne schoon,

En houdt geen klapper aan voor zijn geheugen,

Die telkens hem op nieuw zijn leed vertelt

Tot versche erinn’ring; want hij weet zeer wel,

Dat hij dit land zoo schoon niet wieden kan,

Als hem zijn argwaan telkens zou doen wenschen;

En vriend en vijand wort’len zoo dooreen,

Dat, als hij éénen vijand uit wil trekken,

Hij ook een vriend schier rooit en wagg’len doet,

Zoodat dit land,—als een weerbarstig wijf,—

Wanneer hij dreigt, zijn kind hem tegenhoudt,

En zóó de voorgenomen tuchtiging

Doet zweven in den opgeheven arm.

Hastings.

Ook heeft de koning al zijn roeden reeds

Aan vorige overtreders opgebruikt,

Zoodat hem nu geen werktuig rest ter straffe,

En, als een klauwenlooze leeuw, zijn macht

Wel dreigen, maar niet pakken kan.

Aartsbisschop.

Wel dreigen, maar niet pakken kan. Zeer waar;

En daarom, wees verzekerd, goede maarschalk,

Komt de verzoening goed tot stand, dan wordt

De vrede, als een geheeld gebroken lid,

Juist door de breuk versterkt.

Mowbray.

Juist door de breuk versterkt. Het zij dan zoo.

Daar is mylord van Westmoreland terug.

(Westmoreland komt weder op.)

Westmoreland.

De prins is daar, behaagt het u, mylord,

Halfweg van beide legers hem te ontmoeten?

Mowbray.

Nu, heer aartsbisschop, kom dan in Gods naam!

Aartsbisschop.

Groet gij zijn hoogheid eerst, mylord; wij volgen.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Van de eene zijde komen op: Mowbray, de Aartsbisschop, Hastings en Anderen; van de andere zijde: Prins John van Lancaster, Westmoreland, Officieren en Gevolg.

Prins John.

Ik heet u vriendlijk welkom hier, neef Mowbray.—

Ontvang mijn groet, eerwaardige aartsbisschop;

En zoo ook gij, lord Hastings,—en gij allen.—

Mylord van York, veel schooner kwaamt gij uit,

Als, door de klokken saamvergaard, uw kudde,

Om u geschaard, eerbiedige aandacht schonk

Aan uw verklaring van Gods heilig woord,

Dan nu gij hier verschijnt als man van staal,

Een bende muiters aanvuurt met uw trom,

In ’t zwaard het woord verkeert, in dood het leven.

De man, die in het hart eens konings troont

En in den zonschijn zijner gunst gedijt,—

Als hij des konings steun misbruiken wil,

Wat vloed van onheil, ach, kan hij ontboeien,

Door zulk een macht beschaduwd! Zoo, lord bisschop, 15

Is ’t ook met u. Want wie heeft niet vernomen,

Hoe diep ge in ’t woord van God zijt ingedrongen,

Voor ons de ontvouwer zijt zijns hoogen raads,

De ware tolk en midd’laar, die des hemels

Genade en heiligheden openbaart

Aan onze blindheid? O, wie zal niet meenen,

Dat gij de hoogheid van uw ambt misbruikt,

En u van ’s hemels heil’gen steun bedient.

Als een valsch gunstling van zijns vorsten naam,

Tot boos en eerloos doen? Gij hebt, in schijn

Voor God volijv’rig, van zijn plaatsbekleeder,

Mijn vader, de onderdanen opgehitst,

En tegen ’s hemels en zijns vorsten vrede

Hen hier doen samenzwermen.

Aartsbisschop.

Hen hier doen samenzwermen. Waarde prins,

Mijn komst belaagt uws vaders vrede niet;

Maar,—’k deelde dit lord Westmoreland reeds meê,—

Ons dringt de woeste, ontstemde tijd opeen,

En perst vanzelf ons in deez’ schrik’bren vorm,

Tot onze zekerheid. Ik zond uw hoogheid

De lijst en juiste omschrijving onzer grieven,

Die ’t hof met wreev’len hoon ter zijde schoof,

Waaruit dit Hydramonster, oorlog, sproot;

Diens dreigende oogen zijn, door toe te staan

Wat billijk wordt verlangd, in slaap te toov’ren,

Zoodat gehoorzaamheid, geheeld van dolheid,

Gedwee zich neervlijt aan des vorsten troon.

Mowbray.

Bij weig’ring zullen we ons geluk beproeven

Tot op den laatsten man.

Hastings.

Tot op den laatsten man. En falen wij,

Dan zijn er helpers, die ons streven steunen;

Mislukt het hun, dan staan hen andren bij;

En zoo zal telkens onheil onheil wekken;

Een reeks van erven zet het strijden voort,

Zoolang in England nog gedachten zijn.

Prins John.

Uw doorzicht, Hastings, is te zwak, te zwak,

Om tot der toekomst bodem door te dringen.

Westmoreland.

Wil uw genade hun niet ronduit melden,

Hoe ver ge in elk der eischen treden kunt?

Prins John.

Ik billijk ze alle en stem er dus mee in;

En zweer hier bij den adel van mijn bloed:

Miskend werd, wat mijn vader heeft bedoeld;

En enk’len om hem hebben al te stout

Des konings meening en bevel verdraaid.—

Mylord, aan uwe klachten wordt voldaan, 59

En spoedig, op mijn woord. Voldoet u dit,

Zoo zend uw scharen weg, elk naar zijn graafschap;

Zoo doen ook wij;—dan hier, voor beide legers,

Een dronk gewisseld en elkaar omarmd,

Opdat elks oog die panden huiswaarts neem’

Van onzen zoen en weer hernieuwde vriendschap.

Aartsbisschop.

’k Aanvaard uw vorstlijk woord voor de vervulling.

Prins John.

Ik geef het u en doe mijn woord gestand;

En hierop drink ik uw genade toe.

Hastings

(tot een Officier). Ga, hopman, breng ons heer de vredeboodschap;

Betaal hun loon hun uit en laat hen gaan.

Ik weet, dit is hun welkom; spoed u, hopman.

(De Officier af.)

Aartsbisschop

(den beker toebrengend). Heil, u, mijn eed’le lord van Westmoreland!

Westmoreland.

Heil uw genade; wist gij, hoeveel moeite

Mij ’t stichten der verzoening heeft gekost,

Dan zoudt ge een diepe teug doen; doch ik hoop

Nog nader u mijn vriendschap te bewijzen.

Aartsbisschop.

Ik twijfel niet aan u.

Westmoreland.

Ik twijfel niet aan u. Dit streelt mij zeer.—

Het welzijn van mijn goeden vriend, neef Mowbray!

Mowbray.

Gij wenscht mij juist ter snede welzijn toe;

Want plots’ling voel ik mij wat ongesteld.

Aartsbisschop.

Als onheil naakt, is steeds de mensch blijmoedig;

Zwaarmoedigheid verkondigt goed geluk.

Westmoreland.

Dus vroolijk, neef! daar plotselinge zorgen

Den troost u brengen: “wacht iets goeds op morgen!”

Aartsbisschop.

Geloof mij, ik ben uitermate luchtig.

Mowbray.

Des te erger, zoo uw eigen regel geldt.

(Gejubel achter het tooneel.)

Prins John.

De vrede is uitgeroepen, hoort, welk juichen!

Mowbray.

Schoon zou dit klinken, na een zegepraal.

Aartsbisschop.

Een vrede is één van aard met overwinnen;

De twee partijen zijn met eer bedwongen,

En geen partij verliest. 91

Prins John.

En geen partij verliest. 91 Ga heen, mylord,

En zorg, dat ook òns leger wordt ontbonden.—

(Westmoreland af.)

En, waarde lord, dat hier ons beider scharen

Langs trekken, en wij zien, met welke mannen

Wij ons te meten hadden.

Aartsbisschop.

Wij ons te meten hadden. Ga, lord Hastings,

Vóór ’t scheiden trekken zij hier langs.

(Hastings af.)

Prins John.

Vóór ’t scheiden trekken zij hier langs. Mylords,

Ik hoop, wij leeg’ren deze nacht bijeen.—

(Westmoreland komt terug.)

Waarom, neef, breken de onzen nog niet op?

Westmoreland.

De aanvoerders houden stand; zoo luidde ùw last;

Zij willen niet van hier, eer gij hun zelf

Dien last herroept.

Prins John.

Dien last herroept. Dan kennen zij hun plicht.

(Hastings komt terug.)

Hastings.

Mylord, ons leger is alreeds verstrooid.

Als jonge, ontjukte stieren loopen zij

Oost, west, noord, zuid; als knapen uit de school

IJlt ieder naar de speelplaats en naar huis.

Westmoreland.

Een goede tijding, heer, waarvoor ik u

Om hoogverraad in hecht’nis neem, verrader;

Ook u, lord aartsbisschop, en u, lord Mowbray,

Neem ik om halsverraad hier in arrest.

Mowbray.

Is deze handelwijs gerecht en eervol?

Westmoreland.

Is uw verbond het?

Aartsbisschop.

Gij breekt aldus uw woord?

Prins John.

Gij breekt aldus uw woord? U gaf ik ’t niet.

Ik zeide u toe, verhooring van de klachten,

Die gij mij deedt; en daaraan, op mijn eer,

Zal ik, zoo waar ik christen ben, mij houden.

Doch gij, rebellen, weest bereid te proeven,

Wat uw verraad en heel uw doen verdient.

Lichtvaardig heeft uw krijg den staat beroerd;

Blind kwaamt gij hier, dwaas wordt gij heengevoerd.

Rukt op, en die verstrooiden na! op heden

Heeft God, niet wij, dien veil’gen strijd gestreden.—

Gij daar, bewaakt voor ’t blok die vorstensmaders;

Want dat is ’t rechte doodsbed voor verraders.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Krijgsrumoer; schermutselingen. Falstaff en Coleville komen op, van verschillenden kant.

Falstaff.

Uw naam, heer? van wat rang zijt gij en van welke plaats? Spreek!

Coleville.

Ik ben een ridder, heer; en mijn is naam is Coleville van het dal.

Falstaff.

Dus: Coleville is uw naam, ridder uw titel, en uw plaats het dal. Coleville zal uw naam blijven, verrader uw titel en de kerker uw plaats;—een plaats, diep genoeg; zoo blijft uw naam steeds Coleville van het dal.

Coleville.

Zijt gij niet Sir John Falstaff?

Falstaff.

Een even goed man als hij, Sir, wie ik ook zijn moge. Geef gij u over, heer, of moet ik om u zweeten? Als ik zweet, zijn het de droppels van uw vrienden, die om uw dood weenen; daarom, schud uw vrees en beving wakker, en verdeemoedig u voor mijn barmhartigheid.

Coleville.

Ik geloof, dat gij Sir John Falstaff zijt, en in dat geloof geef ik mij over.

Falstaff.

Ik heb een gansche school van tongen in dezen mijnen buik, en geen van al die tongen spreekt een ander woord dan mijn naam. Als ik maar een buik had van eenige middelmaat, zou ik eenvoudig de flinkste kerel in Europa zijn; mijn pens, mijn pens, mijn pens is mijn ongeluk.—Daar komt onze veldheer.

(Prins John van Lancaster, Westmoreland en Anderen komen op.)

Prins John.

De drijfjacht is gedaan; vervolgt niet verder.—

Roep ’t volk terug, mijn waarde Westmoreland.—

(Westmoreland af.)

Zoo, Falstaff, wat deedt gij den ganschen tijd?

Nu alles uit is, komt gij voor den dag.

Met zulke trage streken breekt gij eens,

Ik zweer ’t u, de eene of andere galg den rug.

Falstaff.

Het zou mij leed doen, heer, maar het moet wel zoo komen; ik heb nooit anders gehoord, dan dat berisping en verwijt het loon der dapperheid waren. Houdt gij mij voor een zwaluw, een pijl of een kogel? heb ik in mijn arme oude beenen de snelheid van de gedachte? Ik ben hierheen geijld tot den uitersten duimbreed der mogelijkheid; ik heb over de honderd-en-tachtig postpaarden te schande gereden; en hier, zoo afgejakkerd als ik ben, heb ik, in mijn zuivere en onbevlekte dapperheid, Sir John Coleville van het dal gevangengenomen, een uiterst woedenden ridder en dapperen vijand. Maar wat zal ik er van zeggen? hij zag mij en gaf zich over, zoodat ik met dien kromneuzigen Romeinschen snaak te recht zeggen kan: “ik kwam, ik zag en overwon.”

Prins John.

Dat was meer zijn hoffelijkheid dan uw verdienste. 48

Falstaff.

Ik weet niet; hier is hij, en hier lever ik hem over. En ik verzoek uwe genade, laat het geboekt worden bij de overige daden van dezen dag: of, bij den hemel, ik laat er mij anders een bijzondere ballade over maken, met mijn eigen beeltenis er boven, hoe Coleville mij de voeten kust. Wanneer ik tot die handelwijs gedwongen word, indien gij allen dan niet als vergulde duiten bij mij afsteekt, en ik aan den helderen hemel van den roem u niet even ver overstraal, als de volle maan het de vonkjes van het firmament doet, die bij haar speldeknoppen schijnen, sla dan nooit meer geloof aan het woord van een edelman. Daarom, laat mij recht wedervaren en verdienste stijgen!

Prins John.

De uwe is te zwaar om te stijgen.

Falstaff.

Laat haar dan schijnen.

Prins John.

De uwe is te dik om te schijnen.

Falstaff.

Laat het dan maar doen, wat ook, mijn beste prins, dat mij goed kan doen, en noem dit, zooals gij wilt.

Prins John.

Uw naam is Coleville?

Coleville.

Uw naam is Coleville? Zoo is ’t, mylord.

Prins John.

Gij, Coleville, zijt een vermaard rebel.

Falstaff.

En die hem ving, is een vermaard trouw onderdaan.

Coleville.

Ik ben, mylord, slechts als mijn hoog’ren zijn,

Die hier mij brachten; hadden zij mijn raad

Gevolgd, dan hadt gij duurder hen gekocht.

Falstaff.

Ik weet niet, waarvoor zij zich verkocht hebben; maar gij hebt, als een goedhartige kerel, uzelf voor niet weggegeven, en ik dank u voor u.

(Westmoreland komt terug.)

Prins John.

Nu, de vervolging is gestaakt?

Westmoreland.

Al de onzen keeren reeds; de waap’nen rusten.

Prins John.

Zend Coleville, met al zijn eedgenooten,

Naar York tot onverwijlde strafvoltrekking.

Blunt, voer hem heen en houd hem scherp in ’t oog.

(Coleville wordt weggeleid.)

En nu, mylords, breekt met mij op naar ’t hof,

De koning is, zoo hoor ik, ernstig krank;

Ons ijle ’t heuglijk nieuws naar hem vooruit;—

Wees gij de bode, neef,—om hem te troosten:

Wij volgen, met een mind’ren spoed, u dra.

Falstaff.

Mylord, ik bid u, geef mij oorlof om door Glostershire te gaan. En als gij aan het hof komt, ik bid u, toon u mij gunstig, heer, in uw gunstig verslag. 89

Prins John.

Falstaff, vaarwel; ik zal, te zijner plaatse,

Goed van u spreken, meer dan gij verdient.

(Allen af, uitgezonderd Falstaff.)

Falstaff.

Ja, als gij daartoe geest genoeg hadt! dit ware u beter dan uw hertogdom. Op mijn eer, deze jonge, vischbloedige knaap mag mij niet lijden. En geen mensch kan hem aan het lachen brengen: maar dat is geen wonder, hij drinkt geen wijn. Van geen van al die eerbare knapen komt ooit iets te recht; want hun bloed wordt zoo overmatig bekoeld door hun dunne dranken en hun vele vischmaaltijden, dat zij een soort van mannelijke bleekzucht krijgen; en dan, als zij trouwen, krijgen zij niets dan meisjes. Zij zijn over het algemeen zotskappen en lafaards, wat sommigen van ons ook zouden zijn, zonder verhitting. Een goede sherry-sek heeft een tweeledige kracht: zij stijgt een mensch in het brein, droogt me daar alle dwaze en domme en ruwe dampen weg, die het omgeven; maakt het vlug van bevatting, flink, vindingrijk, vol behendige, vurige en vermakelijke beelden, die dan, overgebracht aan de stem, de tong,—die hun geboorte is,—voortreffelijke geest worden. De tweede eigenschap van die voortreffelijke sherry is de verwarming van het bloed, dat, te voren koud en loom, de lever koud en bleek liet blijven, wat het merkteeken is van kleinmoedigheid en lafhartigheid; maar de sek verwarmt het en drijft het van de inwendige deelen naar de uiterste. Zij doet het gelaat stralen, dat, als een signaalvuur, al het overige van dit kleine koninkrijk, mensch genaamd, in de wapens roept; en het burgervolk van het lichaam en de kleine levensgeesten uit de provinciën scharen zich dan allen om hun overste, het hart, dat, door al die volgelingen groot en aangeblazen, elke daad van dapperheid verricht; en deze manhaftigheid komt van de sherry. Zoodat bedrevenheid in de wapens niets is zonder sek, want deze brengt haar aan den gang, en geleerdheid niets dan een hoop begraven goud, waar een duivel de wacht bij houdt, tot de sek dien ontgint en in gebruik en aan het werk zet. Hier komt het vandaan, dat Prins Hendrik dapper is, want het koude bloed, dat hij van nature van zijn vader erfde, heeft hij, als mager, schraal en onvruchtbaar land, gemest, omgezet en geploegd met ongemeene inspanning van goed drinken en met een goeden voorraad van vruchtbaarmakende sherry, zoodat hij recht vurig en manhaftig geworden is. Als ik een duizend zoons had, het eerste menschelijk beginsel, dat ik hun inprentte, zou wezen, alle dunne dranken af te zweren, en zich aan de sek te wijden.

(Bardolf komt op.)

Wel, Bardolf?

Bardolf.

’t Geheele leger is ontbonden en naar huis.

Falstaff.

Laat hen gaan. Ik wil door Glostershire; en daar zal ik den heer Robert Zielig, grondeigenaar, een bezoek brengen; hij wordt mij reeds week tusschen vinger en duim, en binnenkort zal ik met hem zegelen. Kom mede.

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Een kamer, Jerusalem geheeten, in het koninklijk paleis te Westminster.

Koning Hendrik, de Prinsen Thomas van Clarence en Humphrey van Gloster, Warwick en Anderen komen op.

Koning Hendrik.

Ja, Lords, doet God de tweedracht, die alsnog

Aan onze poorten bloedt, gelukkig einden,

Dan voeren we onze jeugd in eed’ler strijd

En trekken enkel Gode-heil’ge zwaarden.

Gereed is onze vloot, ons heer bijeen,

En volmacht hebben onze plaatsbekleders;

Kortom, naar wensch is alle ding beschikt;

Wij missen niets dan een’ge lichaamskracht,

En moeten toeven, tot deze oproerlingen

Zich buigen onder ’t juk van ons bewind.

Warwick.

En ’t een èn ’t ander valt uw majesteit

Wis dra ten deel.

Koning Hendrik.

Humphrey, mijn zoon van Gloster,

Waar is de prins uw broeder?

Prins Humphrey.

Ik denk, mylord, naar Windsor op de jacht.

Koning Hendrik.

En wie verzelt hem?

Prins Humphrey.

’k Weet het niet, mylord.

Koning Hendrik.

Is niet zijn broeder, Thomas Clarence, bij hem?

Prins Humphrey.

Neen, waarde vader; die bevindt zich hier.

Clarence.

Wat wenscht mijn heer en vader?

Koning Hendrik.

Niets, Thomas Clarence, dan u goed te doen.

Van waar, dat gij niet bij uw broeder zijt?

Gij zijt hem lief, doch gij verzuimt hem, Thomas.

Een beter plaats bekleedt gij in zijn hart,

Dan al uw broeders; kweek dit aan, mijn jongen,

En eed’le diensten kunt gij eens bewijzen

Door na mijn dood als midd’laar op te treden

Van zijne grootheid en uw andre broeders;

Dies, mijd hem niet; verstomp zijn liefde niet;

Verbeur het voorrecht niet van zijne gunst

Door koel of achtloos jegens hem te schijnen;

Want wie hem zoekt, ervaart zijn minzaamheid;

Den traan van ’t meêlij heeft hij, en een hand

Voor weeke goedheid open als de dag;

Maar toch, voor wie hem trotst, is hij als steen,

Zoo luimig als de winter, plotseling vast, 34

Als morgendauw, waar ijswind overheen vaart.

Dies is zijn stemming wel in acht te nemen;

Berisp hem om zijn feilen, doch met eerbied,

Als gij zijn geest blijmoedig ziet gestemd;

Maar is hij norsch, vier dan zijn drift de lijn,

Totdat die, als een walvisch op den zeegrond,

Bezwijkt door eigen woeling. Leer dit, Thomas,

En voor uw vrienden wordt gij dan een schutse,

Een gouden ring, uw broeders samenbindend,

Zoodat het vat, dat aller bloed vereent,

Al wordt verleidingsgif er in gemengd,—

Dit laat de tijd niet na er in te storten,—

Nooit lek wordt, zelfs al werkt dit gif zoo sterk,

Als aconiet of snel ontvlammend kruit.

Clarence.

Ik wil met alle liefde en zorg hem eeren.

Koning Hendrik.

Waarom gingt gij niet mee naar Windsor, Thomas?

Clarence.

Daar is hij heden niet, hij eet in Londen.

Koning Hendrik.

Met wat voor vrienden? is u dit bekend?

Clarence.

Met Poins en andren, waar hij steeds mee omgaat.

Koning Hendrik.

Het rijkst aan onkruid is het vetste land:

En hij, het edel beeld van mijne jeugd,

Is dicht er mee bezet; dies strekt mijn leed

Nog òver ’t uur van mijnen dood zich uit.

Mijn hart weent bloed, als mijn verbeelding zich

Die teugellooze dagen maalt, die tijden

Van voos verderf, die gij aanschouwen zult,

Als ik zal rusten bij mijn voorgeslacht.

Want als zijn woestheid iedren breidel mist,

Als woede en weeld’rig bloed zijn raders zijn,

Als midd’len samengaan met losse zeden,

O, met wat wieken vliegen dan zijn tochten

Op ’t felst gevaar, den diepsten afgrond, toe!

Warwick.

Mijn eed’le vorst, uw blik gaat langs hem heen.

De prins beoefent slechts zijn metgezellen

Gelijk een vreemde taal: wil men die kennen,

Dan moet men elk, zelfs het oneerbaarst woord,

Opmerken, leeren; weet men ’t eens, dan dient dit,—

Uw hoogheid weet het,—verder tot niets anders,

Dan dat men ’t kent en haat. Als ruwe woorden,

Zal eens de prins, is daar de tijd voor rijp,

Die volgers van zich schudden, en zijn kennis

Van hen een maat of monster voor hem zijn,

Waarnaar zijn hoogheid ’t leven schat van andren,

Zoodat hij vroeger kwaad in winst verkeert.

Koning Hendrik.

’t Is zelden, dat de bij haar raat verzaakt

Zelfs in een kreng. 80

(Westmoreland komt op.)

Zelfs in een kreng. Wie komt daar? Westmoreland?

Westmoreland.

Heil mijnen heer en vorst; en nieuw geluk

Bekrone ’t heil, dat ik u melden kom!

Prins John, uw zoon, kust uwer hoogheid hand;

Mowbray, de bisschop Scroop, Hastings en allen

Zijn aan uw wet ter tuchtiging vertrouwd;

Niet één rebellenzwaard is meer ontbloot;

De vrede doet de’ olijf alom ontspruiten.

De wijze, hoe deze uitslag werd verkregen,

Vindt te geleeg’ner tijd uw hoogheid hier

Uitvoerig in bijzonderheên ontvouwd.

Koning Hendrik.

O, Westmoreland, gij zijt een zomervogel,

Die aan des winters hielen steeds het rijzen

Des nieuwen dags bezingt.

(Harcourt komt op.)

Des nieuwen dags bezingt. Zie, nòg meer nieuws!

Harcourt.

God hoede uw majesteit voor ’s vijands lagen;

En mogen zij, die u bedreigen, vallen

Als zij, van wie ik thans u tijding breng.

De graaf Northumberland werd met lord Bardolf

En groote macht van Engelschen en Schotten

In Yorkshire door den Sheriff overmand.

De leiding en den loop van het gevecht

Vermeldt, mijn vorst, uitvoerig dit bericht.

Koning Hendrik.

Waarom maakt al dit blijde nieuws mij krank?

Komt nooit Fortuin met beide handen vol,

Maar schrijft ze een blijmaar steeds met booze letters?

Zie, zoo verleent zij eetlust en geen spijs

Aan armen, die gezond zijn; of een feestmaal,

Maar zonder eetlust, zooals ’t rijkaards gaat,

Die, overvloed bezittend, niets genieten.

Ik moest verblijd zijn bij dit heuglijk nieuws,

En zie, mijn oog is dof, mijn brein wordt duiz’lig.—

Wee mij! treedt nader, ’k voel mij ziek, zeer ziek.

(Hij zinkt in onmacht.)

Prins Humphrey.

Moed, eed’le vorst!

Clarence.

Moed, eed’le vorst! Mijn koninklijke vader!

Westmoreland.

Mijn heer en vorst, kom bij, sla de oogen op!

Warwick.

Bedaard, mijn prinsen; zulk een aanval is,

Zooals gij weet, niet vreemd meer bij zijn hoogheid.

Terug en geeft hem lucht! ’t is daad’lijk over.

Clarence.

Neen, lang houdt hij die vlagen niet meer uit.

De stâge zorg en arbeid van zijn geest

Heeft zóó den wal, die dezen schut, verbrokkeld,

Dat reeds het leven uitkijkt, ras er door breekt.

Prins Humphrey.

’t Volk maakt mij angstig: ’t zag natuur in arbeid 122

Van schrikgeboorten, vaderlooze kinders;

Geen jaartij houdt zijn aard; ’t is of het jaar

Hier, daar, een maand in slaap vond, oversprong.

Clarence.

De stroom was driemaal wassend, zonder ebbe;

En stokoud volk en suffende kronieken

Verhalen, dat hetzelfde werd gezien,

Kort vóór onze oudgrootvader Edward stierf.

Warwick.

Spreek zachter, prinsen; onze vorst komt bij.

Prins Humphrey.

Wis, een beroerte zal zijn einde zijn.

Koning Hendrik.

Ik bid u, neemt mij op, draagt mij van hier

En in een andre kamer; zachtkens, zacht!

(Zij dragen den koning op een bed in de aangrenzende kamer.)

VIJFDE TOONEEL.

Een andere kamer van het paleis.

Koning Hendrik, te bed liggend; Clarence, Gloster, Warwick, om hem heenstaand; Dienaars.

Koning Hendrik.

Laat geen gedruisch hier maken, lieve vrienden,

Tenzij een liefdevolle sluimerhand

Muziek will’ fluist’ren tot mijn moede ziel.

Warwick.

Roept de muziek; zij ga in gindsche kamer.

Koning Hendrik.

Leg mij de kroon hier bij mij, op mijn kussen.

Clarence.

Zijn oog is hol en hij verandert zeer.

Warwick.

O stil toch, stil!

(Prins Hendrik komt op.)

Prins Hendrik.

Waar is de hertog Clarence?

Clarence.

Hier ben ik, broeder, van verdriet vervuld.

Prins Hendrik.

Wat! regen binnenshuis, en buiten niet?

Hoe gaat het met den koning?

Clarence.

Hoe gaat het met den koning? Slecht, zeer slecht.

Prins Hendrik.

Weet hij de goede tijding? zeg hem die.

Prins Humphrey.

Hij is, toen hij die hoorde, zeer veranderd.

Prins Hendrik.

Is hij van vreugde krank,

Dan wordt hij zonder artsenij weer beter.

Warwick.

Zoo luide niet, mylords!—Mijn prins, spreek zacht;

Uw koninklijke vader wenscht te slapen.

Clarence.

Laat ons in de andere kamer ons begeven.

Warwick.

Behaagt het uwe hoogheid mee te gaan? 19

Prins Hendrik.

Neen, ’k wil hier bij den koning blijven waken.

(Allen af, behalve Prins Hendrik.)

Waarom ligt op zijn kussen hier de kroon,

Die toch een bedgenoot vol onrust is?

O blinkende onrustwekster! gouden zorg!

Die meen’ge waaknacht lang der sluim’ring poorten

Wijd openhoudt!—en nu met haar te slapen!

Doch zoo gezond niet, noch zoo diep en zoet,

Als een, die, met een grove muts om ’t hoofd,

De gansche nacht versnorkt. O majesteit!

Als gij uw drager knelt, dan zit gij hem

Als in de middaghitte een kostlijk harnas,

Een schuts, die brandt.—Zie, aan zijns adems poorten

Ligt daar een vlokje dons, dat niet beweegt;

Had hij nog adem, dit gewichtloos veertje—

Het trilde wis.—Doorluchtig vorst! mijn vader!

Wel diep is deze slaap; dit is een slaap,

Die meen’gen vorst van England heeft gescheiden

Van dezen gouden wrong. Uw recht op mij

Eischt tranen en het innigst harteleed,

Wat èn natuur èn liefde èn kinderplicht

U, dierb’re vader, rijk’lijk zal voldoen;

Mijn recht op u is deze koningskroon,

Die mij, als u in rang en bloed het naast,

Van zelf ten deele valt. Daar zit zij, ziet,

(Hij zet zich de kroon op het hoofd.)

God hoede haar! En huiz’ heel ’s werelds kracht

In éénen reuzenarm, hij rooft dit pand

Mijns stams mij niet! En zooals gij de kroon

Aan mij nu laat, laat ik haar aan mijn zoon.

(Prins Hendrik af.)

Koning Hendrik

(ontwakend). Warwick! Gloster! Clarence!

(Warwick en de overigen komen terug.)

Clarence.

(ontwakend). Warwick! Gloster! Clarence! Roept de koning?

Warwick.

Wat wenscht mijn vorst? Hoe gaat het uwe hoogheid?

Koning Hendrik.

Waarom, mylords, liet gij mij hier alleen?

Clarence.

De prins, mijn broeder, bleef hier bij uw hoogheid;

Hij nam zich voor, te waken aan uw bed.

Koning Hendrik.

De prins van Wales? Waar is hij? ’k wil hem zien;

Hij is niet hier.

Warwick.

Die deur is open; daar ging hij dus uit.

Prins Humphrey.

Hij kwam niet door de kamer, waar wij toefden. 57

Koning Hendrik.

Waar is de kroon? wie nam die van mijn kussen?

Warwick.

Mijn vorst, bij ’t heengaan lieten wij die hier.

Koning Hendrik.

Dan nam de prins haar weg;—ga, zoek hem op.

Heeft hij zoo groote haast, dat hij mijn slaap

Voor doodsslaap houdt?—

Zoek hem, lord Warwick; gisp hem, zend hem hier.

(Warwick af.)

Dit doen van hem vereent zich met mijn kwaal;

’t Verhaast mijn dood.—Ziet, zoons, wat wezens zijt gij!

Met welk een spoed vervalt natuur tot opstand,

Als goud haar doelwit wordt!

Daarvoor dus breken teed’re blinde vaders

Hun slaap door nachtgepeins,

Hun brein door zorgen, hun gebeent’ door arbeid;

Daarvoor vermeerd’ren zij en staap’len op,

In booze hoopen, sluw verworven goud;

Daarvoor zijn zij volijv’rig, om hun zoons

In kunst en krijgsbedrijven in te wijden!

Wij lezen als de bij in elke bloem

Wat ze edelst biedt en zoetst;

Den voet met was belaân, den mond met honig,

Zoo zoeken wij den korf, en, als de bijen,

Vermoordt men ons tot loon. Dien bitt’ren nasmaak

Heeft van zijn oogst de vader bij ’t verscheiden.—

(Warwick komt terug.)

Nu, waar is hij, die niet zoo lang kan wachten,

Dat zijn vriendin, mijn ziekte, mij voleindt?

Warwick.

Ik vond den prins, heer, in het naast vertrek,

Zijn eed’le wangen badend met zijn tranen,

Met zulk een echt gebaar van diepen rouw,

Dat Tyrannie, die niets dan bloed ooit dronk,

Bij ’t zien van hem, haar moorddolk af zou wasschen

Met zachte deernisdroppels. Hij komt herwaarts.

Koning Hendrik.

Doch wat bewoog hem, om de kroon te nemen?

(Prins Hendrik komt terug.)

Daar komt hij, ziet!—Treed nader tot mij, Hendrik.—

Verlaat de kamer, laat ons hier alleen.

(Allen af, uitgezonderd Koning Hendrik en Prins Hendrik.)

Prins Hendrik.

Ik dacht, ik zou u nooit meer hooren spreken.

Koning Hendrik.

Uw wensch was vader dier gedachte, Hendrik. 93

Ik toef u hier te lang, maak u vermoeid.

Wekt zoo mijn leêge stoel uw hunk’ring op,

Dat gij volstrekt u met mijn rang wilt tooien,

Nog vóór uw uur gerijpt is? Blinde knaap,

De grootheid zoekt gij, die u overstelpt.

Toef slechts een wijl; zoo zwak een tochtje houdt

Mijn wolk van waardigheid in ’t vallen tegen,

Dat die dra zinken moet; mijn dag wordt donker.

Gij hebt gestolen, wat na weinige uren

U zijn zou zonder schuld; en bij mijn dood

Hebt gij bezegeld wat ik heb gevreesd.

Uw leven toonde, dat gij mij niet mindet,

Nu wilt gij ’t mij verzeek’ren, eer ik sterf.

Gij bergt een duizend dolken in uw geest,

En hebt die op uw steenen hart gewet

Om mij een half uur levens af te steken.

Wat! kunt gij zelfs geen half uur op mij wachten?

Zoo ga dan heen, en delf gijzelf mijn graf,

En laat de klokken blij in ’t oor u klinken,

Uw kroning u verkondend, niet mijn dood.

De tranen, die mijn baar besproeien moesten,

Zij mogen balsem zijn en ’t hoofd u zalven;

Bedek mij enkel met vergeten stof;

Geef, wat u ’t leven schonk, den wormen prijs;

Verjaag mijn dienaars en verbreek mijn wetten;

De tijd is daar, die spot met elken vorm.

Hendrik de Vijfde heerscht!—Op, ijdelheid!

Weg, koningswaardigheid! weg, wijze raders!

Stroomt van alom naar ’t hof van England heen,

Komt vrij, gij apen in losbandigheid!

Naburen, vlug! ontdoet u van uw schuim;

Hebt gij een woestaard, die staâg vloekt, drinkt, danst,

’s Nachts rinkelrooit, steelt, moordt, en de oudste zonden

Aldoor op nieuw, op nieuwe wijzen pleegt;—

Heil u, niet langer is hij u tot last,

England verguldt met dubbel goud zijn zonde,

England verleent hem ambten, eer en macht;

De vijfde Hendrik rukt betoomde woestheid

Den muilband af des dwangs, en ’t wilde beest

Slaat ras zijn tand in ’t vleesch van iedere onschuld.

Mijn arm, arm rijk, dat bloedt van burgerkrijg!

Zoo al mijn zorg uw woestheid niet kon keeren,

Hoe zal ’t u gaan, als woestheid voor u zorgt?

Op nieuw, helaas! wordt gij een wildernis,

Bevolkt door wolven, uwe vroeg’re burgers!

Prins Hendrik

(nederknielend). O Heer, vergeef mij; zonder deze tranen,

De vochte hindernissen mijner spraak,

Had ik dit grievend, diep verwijt voorkomen,

Aleer uw leed zoo sprak, en ik zijn voortgang

Zoo ver had aangehoord. Hier is uw kroon;

En Hij, die zijne kroon onsterflijk draagt,

Behoede u haar nog lang! Indien ik meer

Haar liefheb dan uw eer en dan uw roem,

Dan rijze ik nimmer op van deze eerbied’nis,

Die innerlijk gevoel van waren eerbied

Mij leert, dit uiterlijk, deemoedig knielen.

O, God zij mijn getuige,—toen ik inkwam

En bij uw majesteit geen adem vond,

Hoe ’t mij een steek door ’t hart was!—Zoo ik huichel, 152

Dat ik dan hier, in mijne woestheid, sterv’,

Niet leve, om de ongeloovige aard te toonen,

Tot welk een eed’len omkeer ik besloot.

Ik kwam om u te zien; ik dacht u dood,

En, zelf schier dood, mijn vorst, door die gedachte,

Sprak ik de kroon, als kon zij mij verstaan,

Verwijtend toe: “De zorg, die aan u hangt,

Heeft van mijns vaders lichaam zich gevoed;

Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud;

Ja, ander, minder van karaat, is eed’ler,

Dat leven schenkt in drinkbare artsenij;

Doch gij, het fijnst, het rijkst in roem en eer,

Hebt uwen heer verteerd.” Zoo, vorst en vader,

Verklaagde ik haar en zette haar op ’t hoofd,

Om met haar, als een vijand, die mijn vader,

En voor mijn eigen oogen, had vermoord,

Den strijd als wettig erfgenaam te wagen.

Maar zoo zij mij het bloed door vreugd besmette,

Mijn hart deed zwellen van verwaten trots,

Zoo in mij een’ge drieste of ijd’le geest

Met de geringste neiging tot een juichtoon

Haar en haar macht als welkom heeft begroet,

Dan houde God haar van mijn hoofd steeds verre,

En make mij gelijk den minsten dienstman,

Die eerbiedvol en sidd’rend voor haar knielt!

Koning Hendrik.

O, mijn zoon!

God gaf u in, de kroon van hier te nemen,

Opdat ge uws vaders liefde meer zoudt winnen

Door zulk een wijs bepleiten van uw zaak.

Kom, Hendrik, hier, en zet u aan mijn bed;

En hoor, vermoed’lijk de’ allerlaatsten raad,

Dien ik ooit aad’men zal. God weet, mijn zoon,

Door welke kromme wegen, slinksche treken

Ik deze kroon verwierf; en ik, ik weet,

Hoe drukkend zij mijn slapen heeft gekneld.

Aan u valt zij ten deel met beet’re rust,

Met beet’re meening, beet’re zekerheid;

Want iedre vlek van haar erlanging gaat

Met mij in ’t graf. Op mijn hoofd scheen zij slechts

Een sieraad, met een drieste hand gevat;

Er leefden velen om mij te verwijten,

Dat ik haar enkel won door hunne hulp,

Wat daag’lijks strijd en bloedvergieten wekte,

Den schijnb’ren vrede wondde. ’k Heb die schrikken

Met veel gevaar,—gij zaagt het,—vaak getrotst;

Want mìjn bewind was steeds als een tooneel,

Dat zulk een inhoud speelde,—tot mijn dood

Nu ’t spel verandert. Want wat ik verwierf,

Valt op een schooner wijs thans u ten deel,

Wijl gij als erfgenaam den haarband draagt.

Maar toch, al staat gij vaster dan ooit ik,

’t Is nog niet vast genoeg; nòg smeulen grieven;

En al mijn’ vrienden,—nog door u te winnen,—

Is pas de giftand en ’t vergif ontrukt; 206

Hun wreed bedrijf heeft mij de kroon verschaft,

En hunne macht moest mij beducht doen zijn

Voor nieuwe onttroning; en, om dit te ontgaan,

Besnoeide en kapte ik hen, en was van plan

Nu velen naar het Heilig land te voeren,

Opdat niet rust en nietsdoen hun te zeer

Mijn rijk deed gadeslaan. Daarom, mijn Hendrik,

Zij dit uw weg: geef tuimelgeesten werk

Door vreemden krijg; de strijd in ’t buitenland

Wissch’ hun de heugnis uit van vroeger dagen.

Meer wilde ik—, doch mijn stem is uitgeput;

De longen weig’ren mij de kracht tot spreken.

Ik won de kroon; O God vergeev’ mij hoe,

En sta haar u in waren vrede toe!

Prins Hendrik.

Doorluchtig vorst,

Gij wont en hoeddet, droegt haar, gaaft haar mij;

Dies staat mij, bij ’t bezit, het recht ter zij,

Wat ik, al dreigde mij met al haar macht

De gansche wereld, staaf met eed’le kracht.

(Prins John van Lancaster, Warwick, Lords en Anderen komen op.)

Koning Hendrik.

Zie, zie, daar komt mijn John van Lancaster.

Prins John.

Gezondheid, vrede en heil, doorluchte vader!

Koning Hendrik.

Gij brengt mij heil en vrede, ja, mijn zoon;

Maar ach! gezondheid vlood met jonge vleugels

Den kalen dorren stam. Nu ik u zie,

Is ’t einde van mijn aardschen arbeid daar.—

Waar is mylord van Warwick?

Prins Hendrik.

Waar is mylord van Warwick? Mylord van Warwick!

Koning Hendrik.

Draagt het vertrek, waar ik in onmacht viel,

Mylord, een eigen naam ter onderscheiding?

Warwick.

Het heet Jerusalem, mijn beste heer.

Koning Hendrik.

Geloofd zij God! Daar loopt mijn leven af;

’t Is menig jaar geleden mij voorspeld,

Dat ik zou sterven in Jerusalem.

Ik waande steeds, dit was in ’t Heilig land.—

Doch, breng mij in die kamer om te sterven;

Jerusalem doe Hendrik rust verwerven!

(Allen af.)