VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Glostershire. Een vertrek in het huis van Zielig.
Zielig, Falstaff, Bardolf en de Page komen op.
Zielig.
Bij kris en kras, heer, gij zult van avond niet weg. Hé, David, zeg ik.
Falstaff.
Gij moet mij ontschuldigen, heer Robert Zielig.
Zielig.
Ik wil u niet ontschuldigen; gij zult niet ontschuldigd worden; ontschuldigingen worden niet aangenomen; geen ontschuldiging helpt u; gij zult niet ontschuldigd worden.—Kom toch, David!
(David komt op.)
David.
Hier ben ik, heer.
Zielig.
David, David, David,—laat zien, David, laat eens zien; ja,—’t is waar ook, Willem, de kok, die moet hier komen.—Sir John, gij zult niet ontschuldigd worden.
David.
’t Is waar ook, heer, die dagvaardingen zijn niet in den haak. En nog iets, heer, moeten wij het voorland met tarwe bezaaien?
Zielig.
Met roode weit, David.—Maar van Willem den kok gesproken:—zijn er geen jonge duiven? 18
David.
Ja zeker, heer.—Hier is de rekening van den smid, van beslaan en van ploegijzers.
Zielig.
Laat die narekenen en betaal ze.—Sir John, gij zult niet ontschuldigd worden.
David.
En dan, heer, moet er ook een nieuwe ketting wezen voor den emmer;—en, heer, wilt gij Willem ook wat van zijn loon aftrekken, voor den zak, dien hij laatst op de markt te Hinckley verloren heeft?
Zielig.
Hij moet dien vergoeden.—Wat duiven, David, een paar kortpootige kippen, een schapebout en nog wat aardige kleine versnaperingen; zeg dat aan Willem den kok.
David.
Blijft de krijgsman den geheelen avond nog, heer?
Zielig.
Zeker, David; ik wil hem goed onthalen. Een vriend aan het hof is beter dan een stuiver in de beurs. Onthaal zijn manschappen goed, David, want zij zijn aartsschelmen en achter den rug maken zij iemand zwart.
David.
Niet erger zwart dan zijzelf zijn, heer, want zij hebben verduiveld smerige hemden aan ’t lijf. 38
Zielig.
Goed bedacht, David. Aan ’t werk, David.
David.
Ik zou u wel willen verzoeken, heer, dat gij Willem Visor van Wincot bij die klacht van Clemens Perkes van den berg er doorhelpt.
Zielig.
Er zijn vele klachten, David, tegen dien Visor; die Visor is, dit weet ik, een aartsschelm.
David.
Ik geef uw edelheid gelijk, dat hij een schelm is, heer; maar verhoede God, heer, dat aan een schelm de hand niet wat boven het hoofd gehouden zou worden, als zijn vriend er om vraagt. Een eerlijk man, heer, kan voor zichzelf spreken, als een schelm het niet kan. Ik heb uwe edelheid deze acht jaren, heer, eerlijk gediend, en als ik niet één of een paar keeren in ’t verreljaar een schelm er door kan helpen tegen een eerlijk man, heb ik al heel weinig vertrouwen bij uw edelheid. Die schelm is mijn eerlijke vriend, heer; en daarom wil ik uw edelheid verzoeken, hem de hand boven het hoofd te houden.
Zielig.
Ga maar, hij zal geen last hebben, zeg ik. Bezorg alles, David.—
(David af.)
Waar zijt gij, Sir John? Kom, kom, kom, de rijlaarzen uit!—Geef mij de hand, vriend Bardolf.
Bardolf.
Ik ben blij, uw edelheid te zien.
Zielig.
Ik dank je van ganscher harte, mijn goede vriend Bardolf.—(Tot den Page.) En ook gij zijt welkom, mijn pootige knaap!—Kom, Sir John!
Falstaff.
Ik volg u, beste heer Robert Zielig.
(Zielig af.)
Bardolf, kijk naar onze paarden.
(Bardolf en de Page af.)
Als ik in stukjes gezaagd werd, zou ik vier dozijn van zulke gebaarde pelgrimsstaven opleveren, als die sinjeur Zielig. Het is een wonderbaarlijk ding om te zien, die in het oog vallende samenhang tusschen den geest van zijn gedienstige geesten en van hemzelf; door hem gade te slaan, gedragen zij zich als onnoozele vrederechters; door het verkeer met hen, is hij een vrederechterachtige bediende geworden. Hun ziel en zijn ziel zijn onder den invloed van hun onderlingen omgang zoo met elkander getrouwd, dat zij zich eendrachtig opeendringen als even zoovele wilde ganzen. Als ik iets van sinjeur Zielig gedaan wilde krijgen, zou ik zijn lieden voor mij winnen, door hen te beduiden, dat zij hun beer nabij kwamen; en wilde ik iets van zijn bedienden, dan zou ik sinjeur Zielig er mee streelen, dat geen mensch beter zijn onderhoorigen wist te drillen. Het is zeker, dat zoowel een wijs gedrag als een onnoozele wijs van doen aanstekelijk zijn, zooals de menschen kwalen krijgen, de een van den ander; daarom moet de mensch toezien, met wie hij omgaat. Ik zal uit dezen Zielig stof genoeg weten te halen om prins Hendrik altijddoor aan het lachen te houden, zoolang tot zes nieuwe modes versleten zijn, wat zooveel is als vier gerechtstermijnen of twee schuldvorderingen, en hij zal zonder vacanties lachen. O, het is verbazend, wat een leugen met een kleinen vloek of een grap met een ernstig gezicht kan doen bij een jongen borst, die nog geen pijn in de schouders kent. O, ge zult hem zien lachen, tot zijn gezicht er uitziet als een natte mantel, die slordig is neergelegd.
Zielig
(van binnen). Sir John!
Falstaff.
Ik kom, heer Zielig: ik kom, heer Zielig!
(Falstaff af.)
TWEEDE TOONEEL.
Westminster. Een zaal in het paleis.
Warwick en de Lord Opperrechter komen op.
Warwick.
Hoe is ’t lord opperrechter, en waarheen?
Opperrechter.
Hoe gaat het met den koning?
Warwick.
Uitnemend goed;—zijn zorgen zijn ten eind.
Opperrechter.
Wat! toch niet dood?
Warwick.
Wat! toch niet dood? Hij ging den weg van allen,
En leeft voor de aard en ons belang niet meer.
Opperrechter.
O, hadd’ zijn majesteit mij meegeroepen;
Mijn dienst, hem bij zijn leven trouw gewijd,
Doet na zijn dood mij bitt’re krenking wachten.
Warwick.
Ja, deze koning zal uw vriend niet zijn.
Opperrechter.
Neen, zeker zal hij ’t niet, en ’k wapen mij
Om kalm de toekomst in ’t gelaat te zien,
Die zeker mij niet boozer aan kan blikken,
Dan mijn verbeelding ’t mij heeft afgemaald.
(Prins John, Prins Humphrey, Clarence, Westmoreland en Anderen komen op.)
Warwick.
Daar komt het treurend kroost des dooden Hendriks;
O, dat zijn levende genant den aard
Des slechtsten van dit drietal prinsen had!
Hoe menig eed’le zou zijn ambt behouden,
Die ’t zeil voor mind’re geesten strijken zal!
Opperrechter.
O God, ik ducht den ommekeer van alles.
Prins John.
Neef Warwick, goeden morgen, goeden morgen!
Prins Humphrey en Clarence.
Neef, goeden morgen!
Prins John.
Wij staan als mannen, die de spraak verleerden. 22
Warwick.
De spraak is ons, doch al te treurig is
Ons onderwerp, om veel gesprek te dulden.
Prins John.
Nu, hèm zij vrede, die ons treuren doet!
Opperrechter.
En ons die vreê, dat wij niet dieper treuren!
Prins Humphrey.
O beste lord, ja, gij verloort een vriend;
En ’k zweer er op, geborgd is dit gelaat
Van diepe droef’nis niet; ’t is wis uw eigen.
Prins John.
Schoon niemand weet, wat gunst hem zal bestralen,
Mag uw verwachting felle koude zijn.
En ’t maakt mijn droef’nis dieper; ’k wenschte ’t anders.
Clarence.
Ja, wis, gij moogt nu Sir John Falstaff vleien;
Wat indruischt tegen de’ eedlen stroom uws ambts.
Opperrechter.
Mijn prinsen, wat ik deed, deed ik in eere,
Naar ’t onpartijdig richtsnoer van mijn ziel;
Mij ziet gij nimmer beed’len om vergiff’nis;
Armzalige aalmoes, mij vooruit ontzegd!
Helpt mij rechtschapenheid en onschuld niet,
Dan volg ik mijnen dooden heer en koning,
En meld hem, wie mij zond, hem achterna.
Warwick.
Daar komt de prins.
(Koning Hendrik de Vijfde komt op, met Gevolg.)
Opperrechter.
Wees welkom! God behoede uw majesteit!
Koning.
Dit nieuwe pronkgewaad, de majesteit,
Zit mij niet zoo gemakk’lijk als gij waant.—
Broeders, gij mengt in ’t treuren een’ge vrees;
Maar dit is ’t Engelsch, niet het Turksche hof;
Hier volgt niet Amurath op Amurath,—
Op Hendrik Hendrik. Toch, mijn broeders, treurt,—
Want dit, moet ik verklaren, staat u goed;
Zoo koninklijk staat u die diepe smart,
Dat ik recht diep in rouw mij kleeden wil
En dien in ’t harte dragen. Treurt dus vrij;
Doch tilt dit wee niet zwaarder, lieve broeders,
Dan als een last, ons allen opgelegd.
Wat mij betreft, bij God, weest overtuigd:
Ik wil uw vader zijn en broeder tevens!
Schenkt mij uw liefde en ik neem uwe zorgen.
Weent vrij, dat Hendrik stierf,—ik doe het ook;
Doch Hendrik leeft, die elk van uwe tranen
Verand’ren zal in zooveel uren heils.
Prins John.
Dit hopen wij van uwe majesteit.
Koning.
Gij allen ziet bevreemd mij aan;—(Tot den Opperrechter.) gij ’t meest,
Als overtuigd, dat ik uw vriend niet ben.
Opperrechter.
’k Ben overtuigd, dat, als hij juist mij meet,
Mijn koning geenen grond tot haten heeft.
Koning.
Niet? 67
Hoe zou een prins, den troon zoo na als ik,
Een smaad, als gij mij aandeedt, ooit vergeten?
Wat! Englands naasten erfgenaam te wraken,
Te smaden, ruw te kerk’ren! Was dit niets?
Wie wascht dit af in Lethe, en vergeet het?
Opperrechter.
Toen was ik plaatsvervanger van uw vader,
De drager, ’t zichtbaar beeld van zijne macht;
En onderwijl ik als zijn rechtsbedeeler
Mijn plicht voor ’t algemeene welzijn deed,
Geliefde uw hoogheid alles te vergeten,
Mijn ambt, de macht en majesteit des rechts,
Het beeld des konings, dien ik daar verving,
En op mijn rechterszetel mij te slaan;
Waarop ik u, die uwen vader smaaddet,
Stoutweg, maar naar de volle macht mijns ambts,
In hecht’nis nam. Was dit verkeerd gehandeld,
Duld gij dan, nu gijzelf den haarband draagt,
Dat uwe wetten eens een zoon verguist,
Het recht van uw hoogachtb’ren zetel rukt,
Den loop der wet verlamt, en ’t zwaard verstompt,
Dat vrede en uwe veiligheid behoedt;
Ja meer, uw vorstenbeeld met voeten treedt,
En in een ander uw gezag bespot.
Raadpleeg uw koningshart,—’t zij uw geval,—
Wees gij de vader, denk u zulk een zoon,
Hoor zoo uw eigen waardigheid, geschonnen,
Zie zoo uw hoog en streng verbod veracht,
Aanschouw uzelf zoo door een zoon gehoond;
En stel u voor, ik treed dan voor u op,
En brenge zacht voor u dien zoon tot zwijgen;
Hebt gij dit koel gewogen, spreek dan recht,
En zeg, zoo waar gij koning zijt, als heerscher,
Wàt ik gedaan heb, strijdig met mijn ambt,
Mijn eigen eer, mijns konings opperhoogheid.
Koning.
Recht hebt gij, rechter; en gij weegt dit juist;
Voer gij voortaan de weegschaal dus en ’t zwaard;
En ’k wensch u toe, dat gij in eere wast,
Tot gij ’t beleeft, dat u een zoon van mij
Beleedigt, en u dan, als ik, gehoorzaamt;
Dan zal ook ik mijns vaders woorden spreken:
“Gelukkig ik! Ik heb een koenen man,
Die recht durft oef’nen aan mijn eigen zoon!
Niet min gelukkig ben ik in dien zoon,
Die van zijn grootheid in de hand des rechts
Zoo afstand doet.”—Gij gaaft mij kerkerstraf;
En daarom geef ik thans in uwe hand
Het onbevlekte zwaard, door u gevoerd,
Met dit vermaan, dat gij het voeren zult,
Zoo koen, gerecht van geest en onpartijdig,
Als toenmaals jegens mij.—Hier is mijn hand;
Gij zult een vader wezen voor mijn jeugd;
Mijn mond zal spreken, wat mijn oor u afhoort;
En buigen wil ik mijnen zin, en voegen
Naar uwen weldoordachten, wijzen raad.— 121
Gij allen, prinsen, ’k bid u, acht dit waar:
Wild is mijn vader in zijn graf gegaan,
Want in zijn groeve daalden mijne driften;
En ’k overleef hem ernstig, met zijn geest,
Om dwaas te maken, wat de wereld wacht,
Profeten te beschamen, en de meening,
Die, voos, alleen naar mijnen schijn, mij boekte,
Te niet te doen. De vloed des bloeds in mij
Verhief zich stout en trotsch in ijdelheid;
Nu keert zijn tij; hij ebt naar zee terug,
Waar hij zich met der golven rijk zal mengen,
Steeds vlieten zal in kalme majesteit.
Thans roepen wij ons parlement op, kiezen
Ons zulke leden voor onze’ eed’len raad,
Dat onzes staats groot lichaam bij geen enkel
Der best bestuurde volken achtersta;
Dat krijg en vrede, of beide tegelijk,
Bekende, ons welvertrouwde zaken zijn;—
Waarin gij (Tot den Opperrechter.), vader, de eerste hand zult hebben.—
Zijn wij gekroond, dan,—nogmaals zij ’t gezegd,—
Verzaam’len wij om ons den ganschen staat;
En, zoo slechts God mijn vromen wil bezegelt,
Zal prins noch pair met grond den hemel vragen:
God korte één dag van Hendriks blijde dagen.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Glostershire. De tuin bij Zieligs huis.
Falstaff, Zielig, Stil, Bardolf, de Page en David komen op.
Zielig.
Neen, gij moet mijn tuin zien; daar willen wij in een prieel een pippeling van ’t vorig jaar gebruiken, dien ikzelf geënt heb, met een schotel anijskoeken, en zoo voorts;—kom, neef Stil;—en dan naar bed.
Falstaff.
Bij God, gij hebt hier een schoone woning, en rijk ook.
Zielig.
Mager, mager, mager; altemaal bedelaars, altemaal bedelaars, Sir John;—goede lucht, ja, dat is waar.—Dekken, David; dekken, David; goed zoo, David.
Falstaff.
Die David is u goed van dienst; hij is uw tafeldienaar en uw bouwman.
Zielig.
Een goede knecht, een goede knecht, een zeer goede knecht, Sir John;—sacrement, ik heb te veel sek gedronken bij het avondeten;—een goede knecht. Komt, gaat zitten, gaat zitten,—Kom, neef.
Stil.
Ja, vriendje, zei hij,—wij willen
(Hij zingt.)
“Niets doen dan eten en smullen voorwaar,
“En den hemel loven voor ’t vroolijke jaar,
“Want vleesch is te geef, en een wijf dure waar,
“En jolige knapen, zij gaan hier en daar,
“Zoo lustig,
“En zwerven te zamen zoo lustig.” 23
Falstaff.
Dat noem ik een vroolijke ziel!—Beste heer Stil, hier, op uw welzijn er voor.
Zielig.
Geef vriend Bardolf wijn, David.
David
(tot Bardolf). Beste vriend, ga zitten; ik ben dadelijk weer bij je;—allerbeste vriend, ga zitten.—Vriend page, beste vriend page, ga zitten; proficiat! Wat wij aan eten te kort komen, zullen wij met drinken goed maken. Maar je moet het voor lief nemen; de goede wil is alles.
(David af.)
Zielig.
Wees lustig, vriend Bardolf,—en gij daar, mijn kleine soldaat, wees lustig.
Stil
(zingt). “Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis;
“Want spichtig of dik, eene vrouw is een kruis;
“Slechts baarden in huis geeft een vroolijke kluis!
“En welkom, vastenavondpret!
“Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis.”
Falstaff.
Ik had niet gedacht, dat er zoo veel vuur in mijnheer Stil zat.
Stil.
Wie? Ik? Ik ben al wel eens en nog wel eens lustig geweest van mijn leven.
(David komt terug.)
David
(een schotel voor Bardolf nederzettend). Daar is een schotel grauwe renetten voor je.
Zielig.
David!
David.
Uw edelheid?—(Tot Bardolf.) Ik kom dadelijk terug.—
(Tot Zielig.) Een glas wijn, heer?
Stil
(zingt).
“Een beker wijn, zoo klaar en fijn,
“Dat drink ik op de liefste mijn;
“En een vroolijk hart leeft lang-é!”
Falstaff.
Goed zoo, beste heer Stil!
Stil.
Als wij vroolijk zullen wezen, dan komt nu het beste van den avond.
Falstaff.
Op je gezondheid en lang leven, mijnheer Stil!
Stil
(zingt).
“Vul maar, ’k leêgde op u mijn glas,
“Zoo een mijl zijn diepte was.”
Zielig.
Brave Bardolf, welkom hier; als je nog iets wenscht en er niet om vraagt, haal je de drommel!—Welkom hier, mijn kleine aardige gauwdief; wees welkom, waarachtig.—Ik drink op vriend Bardolf! en op alle cavallero’s van Londen.
David.
Ik hoop Londen nog eens te zien, eer ik sterf.
Bardolf.
Als ik je daar nog eens mocht zien, David,—
Zielig.
Sacrement, dan zul je wel een paar pint er samen doorjagen; niet waar, vriend Bardolf, is het niet zoo? 67
Bardolf.
Ja, heer, uit een driepintskroes.
Zielig.
Godskristenzielen, daar dank ik voor; die schelm zal een mensch niet loslaten, dat kan ik wel zeggen; hij houdt vast; hij is van het echte ras.
Bardolf.
En ik zàl hem ook niet loslaten, heer.
Zielig.
Kom, dat is spreken als een koning. Laat je niets ontbreken; wees vroolijk.—(Er wordt geklopt.) Zie eens, wie er aan de deur is.—Wat! wie klopt daar?
(David af.)
Falstaff.
(tot Stil, die een beker ledigt). Zoo, nu hebt ge mij bescheid gedaan.
Stil
(zingt).
“Doe bescheid als een man
“Sla mij tot ridder dan;
“Samingo.”
Is het zoo niet?
Falstaff.
Het is zoo.
Stil.
Is het zoo? Nu, zeg dan, dat een oud man ook wat kan.
(David komt terug.)
David.
Met verlof van uw edelheid, daar is een zekere Pistool, met nieuws van het hof.
Falstaff.
Van het hof? Laat hem binnenkomen.
(Pistool komt op.)
Wat is er, Pistool?
Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.
Pistool.
Sir John, God zij met u!
Falstaff.
Wat wind heeft je hier naar toe geblazen, Pistool?
Pistool.
Geen slechte wind, die niemand voordeel brengt.—Mijn lieve ridder, gij zijt nu een der gewichtigste mannen in het koninkrijk.
Stil.
Bij onze lieve vrouwe, dat geloof ik ook, op baas Poef van Barson na.
Pistool.
Poef?
Poef voor uw kiezen, lage lafaard snood!—
Sir John, ik ben uw vriend en uw Pistool,
En rep je scheer je kom ik aangereden;
En tijding breng ik mee en blij geluk,
Een gouden tijd, en heilrijk nieuws van waarde.
Falstaff.
Ik bid je dan, bericht het als een mensch van deze wereld.
Pistool.
De wereld stikke, en lage wereldlingen!
Ik spreek van Afrika en gouden vreugd.
Falstaff.
Meld, snood Assyrisch ridder, meld uw nieuws!
Koning Cophetua wil de waarheid weten.
Stil
(zingt).
“Drie wakkre schutters hoorden dat;
“Robin Hood, Scharlaken en Hans.” 107
Pistool.
Zal hondgebroedsel Helicons hier trotsen?
En komt goed nieuws niet aan het woord?
Leg ’t hoofd, Pistool, dan in der Furiën schoot!
Stil.
Mijn eed’le heer, ik ken uw afkomst niet.
Pistool.
Nu, weeklaag dan daarom.
Zielig.
Neem mij niet kwalijk, heer;—maar,
heer, als gij met nieuws van het hof komt, dan
staan er, zooveel ik zie, slechts twee wegen
open: of gij deelt het meê, of gij houdt het
voor u. Ik ben, heer, onder den koning met
eenig gezag bekleed.
Pistool.
Doch onder welken koning, hongerlijder?
Zeg dit of sterf!
Zielig.
Onder koning Hendrik.
Pistool.
Hendrik den vierden of vijfden?
Zielig.
Hendrik den vierden.
Pistool.
Zeg dit of sterf! Stik dan in uw ambt!—
Sir John, uw teeder zuiglam is nu koning;
Hendrik de vijfde is baas. Ik spreek de waarheid;
Liegt uw Pistool, doe zóó dan; toon mij figo,
Zooals de trotsche Spanjaard.
Falstaff.
Wat, wat! is de oude koning dood?
Pistool.
Dood als een pier; wat ik u zeg, is waar.
Falstaff.
Vlug, Bardolf! zadel mijn paard.—Heer Robert Zielig, kies u uit, welk ambt in het land gij wilt, het is u. Pistool, ik zal je dubbel laden met waardigheden.
Bardolf.
O vreugdevolle dag! zelfs voor een ridderslag gaf ik mijn vooruitzichten niet prijs.
Pistool.
Nu, breng ik geen goed nieuws?
(Stil valt van zijn stoel.)
Falstaff.
Breng mijnheer Stil naar bed.—Heer Zielig, mylord Zielig, wees wat ge wilt; ik ben de hofmeester van het geluk. Trek uw laarzen aan, wij zullen de geheele nacht doorrijden.—O jij suiker-Pistool!—Vlug, Bardolf! (Bardolf af.)—Kom, Pistool, vertel mij meer, en bedenk tegelijk het een of ander, dat je goed zou doen.—Laarzen, laarzen aan, heer Zielig; ik weet, dat de jonge koning naar mij smacht. Laten wij de paarden nemen, waar wij ze vinden; de wetten van Engeland staan mij ten bevele. Wel hun, die mijn vrienden waren, en wee den lord opperrechter!
Pistool.
Dat booze gieren hakken aan zijn long!
Waar is mijn vroeger leven heen, is ’t lied.
Nu wordt het goed. Weest welkom, blijde dagen!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Londen. Een straat.
Twee Gerechtsdienaars sleepen Vrouw Haastig en Doortje Scheurlaken voort.
Waardin.
Neen, jij aartsschelm; bij God, ik wilde, dat ik dood ging, opdat ik je aan de galg bracht; je hebt mij den schouder uit het lid getrokken.
Eerste Gerechtsdienaar.
De onderschouts hebben haar aan mij overgeleverd en zij zal zweepkost genoeg krijgen, daar sta ik haar voor in. Een man of twee zijn er laatst om haar doodgeslagen.
Doortje.
Jij hapschaar, hapschaar, je liegt. Kom maar hier, ik zal je wat vertellen, jij vervloekt kalfstrijp-schelmengezicht. Als het mis loopt met het kind, waar ik van zwanger ga, dan was het nog beter voor je, als jij je eigen moeder geslagen hadt, jij schurkachtige papiertronie!
Waardin.
O lieve God, was Sir John maar weer hier! Dat zou voor enkele lui een bloedige dag worden. Maar ik bid God, dat het misloopt met de vrucht van haar lijf.
Eerste Gerechtsdienaar.
Als dat gebeurt, zul jij je dozijn kussens weer vol hebben, je hebt er nu nog maar elf. Komt, ik gelast je beiden, mee te gaan; want de man is dood, dien jij met Pistool samen geslagen hebt.
Doortje.
Ik zal je wat zeggen, jij dunne blikken kerel; je zult hiervoor een behoorlijke vracht slaag krijgen,—jij leelijke blauwe aasvlieg! jij smerige verhongerde rakker! als jij je pak slag niet krijgt, wil ik nooit meer korte rokken dragen.
Eerste Gerechtsdienaar.
Kom, kom, jij straatjuffer, vooruit!
Waardin.
O God, dat het recht zoo boven geweld gaat! Nu, na lijden komt verblijden.
Doortje.
Ja, kom, jij schoft! Kom, breng mij voor een rechter.
Waardin.
Ja kom, jij uitgehongerde bloedhond!
Doortje.
Baas Dood! baas Karkas!
Waardin.
Jij Atomie, jij!
Doortje.
Kom, jij puthaak, kom, scharminkel!
Eerste Gerechtsdienaar.
Genoeg, genoeg!
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een plein bij de Westminster-abdij.
Twee Hofbedienden komen op en strooien biezen.
Eerste Bediende.
Meer biezen, meer biezen!
Tweede Bediende.
De trompetters hebben reeds twee keer geblazen.
Eerste Bediende.
Het zal twee uur worden, eer zij van de kroning komen. Haast je, haast je!
(Beiden af.)
(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page komen op.)
Falstaff.
Kom hier naast mij staan, heer Robert Zielig; ik zal zorgen, dat de koning u recht genadig is. Ik zal hem toelonken, als hij langs komt, en let dan maar op, welk een gezicht hij zal zetten, als hij mij ziet.
Pistool.
God zegene uw longen, goede ridder!
Falstaff.
Kom hier, Pistool, ga achter mij staan.—(Tot Zielig.) O, als ik maar tijd had gehad om nieuwe livreien te laten maken, dan had ik de duizend pond er aan besteed, die ik van u geleend heb. Maar het doet er niet toe; die armoedige plunje is beter; het toont den ijver aan, dien ik had om hem te zien.
Zielig.
Dat doet het.
Falstaff.
Het toont de innigheid van mijn toewijding.
Zielig.
Dat doet het.
Falstaff.
Mijn diepe hulde.
Zielig.
Dat doet het, dat doet het, dat doet het.
Falstaff.
Alsof ik dag en nacht had doorgereden, zonder overwegen, zonder bedenken, zonder mij tijd te gunnen om mij te verkleeden,—
Zielig.
Ja, zeer zeker.
Falstaff.
En daar sta ik dan, bespat van de reis, en zweetend van begeerte om hem te zien, aan niets anders denkend, alle andere zaken vergetend, alsof er niets anders te doen ware dan hem te zien.
Pistool.
’t Is “semper idem”, want “absque hoc nihil est.”
’t Is alles overal.
Zielig.
’t Is zoo, inderdaad.
Pistool.
Ik wil uw eed’le gal ontvlammen, ridder,
U woeden doen.
Uw Doortje, Helena uws hoogen geestes,
Is in gemeene hecht’nis weggesleept
Naar ’t vunzig kerkerkot,
Door vuile handen van het laagst gespuis;—
Wek op de wraak uit zwarte krocht met felle Alecto’s slang;
Want Doortje zit; Pistool spreekt altijd waar.
Falstaff.
Ik zal haar bevrijden.
(Jubelgeroep en trompetgeschal achter het tooneel.)
Pistool.
Daar brult de zee en dreunt trompetgeschal. 42
(De Koning komt op, met zijn Gevolg, waaronder de Opperrechter.)
Falstaff.
Heil, koning Hein! mijn koninklijke Hein!
Pistool.
De hemel helpe en hoede u, hooge spruit des roems!
Falstaff.
God zij met u, mijn beste jongen!
Koning.
Spreek tot dien ijd’len man, lord opperrechter!
Opperrechter.
Zijt gij bij zinnen? weet gij, wat gij zegt?
Falstaff.
Mijn vorst; mijn Jupiter! mijn hart, u groet ik.
Koning.
Oud man, ik ken u niet, aan uw gebed!
Hoe slecht staat grijsheid aan een nar en zotskap!
Ik droomde lang van zulk een soort van man,
Zoo opgezet van ’t slempen, oud, losbandig;
Doch nu, ontwaakt, veracht ik mijnen droom.
Verminder ’t lijf voortaan, vermeêr uw deugd,
Laat af van brassen, denk steeds, dat voor u
’t Graf driemaal wijder dan voor andren gaapt.
Geef mij geen antwoord met een narrenkwinkslag;
En waan niet, dat ik ben, wat ik eens was!
De hemel weet, en zien zal ’t nu de wereld,
Dat ik den rug keerde aan mijn vroeger ik,
En ’t hun zal doen, die eertijds met mij waren.
Verneemt gij, dat ik ben wat ik toen was,
Kom dan tot mij en word weer wat gij waart,
De gids en voeder van mijn dart’len lust.
Tot zoolang ban ik u, op straf des doods,
En zoo mijn oov’rige verleiders ook,
Tien mijlen ver van mijn persoon en hof.
Wat onderhoud betreft, dit zult ge ontvangen,
Opdat gebrek u niet tot kwaaddoen drijv’;
En zoo wij hooren, dat gij u bekeert,
Dan willen wij, naar uwe kracht en gaven,
Uw lot verbeet’ren.—Draag gij zorg, mylord,
Dat wat ik zeide stipt gehoorzaamd word’.—
Nu voorwaarts!
(De Koning met zijn Gevolg af.)
Falstaff.
Mijnheer Zielig, ik ben u duizend pond schuldig.
Zielig.
Ja, juist, Sir John; en ik verzoek u, mij die mede naar huis te geven.
Falstaff.
Dat zal moeielijk gaan, mijnheer Zielig. Trek u dit niet aan; ik zal in ’t geheim bij hem ontboden worden. Ziet gij, voor de wereld moet hij zich wel zoo houden. Wees niet ongerust over uw bevordering; ik ben en blijf de man, die u groot zal maken.
Zielig.
Ik zie niet in, hoe, of gij moest mij uw wambuis aandoen en mij met stroo opstoppen. Ik bid u, beste Sir John, geef mij vijfhonderd van mijn duizend.
Falstaff.
Heer, ik zal zoo goed als mijn woord zijn; wat gij daar gehoord hebt, was maar voor den schijn.
Zielig.
Een schijn, vrees ik, waar gij u tot uw dood aan zult vergapen, Sir John.
Falstaff.
Laat u niet door den schijn bedriegen; ga met mij eten. Kom, luitenant Pistool;—kom Bardolf;—ik zal van avond spoedig ontboden worden.
(Prins John, de Opperrechter, Officieren en Anderen komen terug.)
Opperrechter.
Gaat, voert mij Sir John Falstaff weg in hecht’nis,
En neemt zijn metgezellen allen meê.
Falstaff.
Mylord, mylord,—
Opperrechter.
Nu kan ik niet! weldra zal ik u hooren.
Voert allen weg.
Pistool.
“Si fortune me tormente, sperato me contente.”
(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page worden weggevoerd.)
Prins John.
Ik loof des konings eed’le wijs van doen.
Hij wil, dat zij, met wie hij eens verkeerde,
Behoorlijk voor hun leven zijn verzorgd.
Doch allen zijn gebannen, tot hun leven
Gebeterd is en niet meer opspraak wekt.
Opperrechter.
Dat zijn zij, ja.
Prins John.
De koning riep zijn parlement bijeen.
Opperrechter.
Dat deed hij.
Prins John.
’k Wed, England draagt, eer deze dag verjaart,
Het lang in burgerbloed gedoopte zwaard
Naar Frankrijk heen; een vogel zong dit voor,
En streelde, naar mij dacht, des konings oor
Komt, gaat gij mee?
(Allen af.)
EPILOOG,
uitgesproken door een Danser.
Eerst mijn vrees, dan mijn buiging, ten laatste mijn aanspraak. Mijn vrees is uw ontevredenheid, mijn buiging mijn plicht, en mijn aanspraak een bede om verschooning. Als gij nu een schoone aanspraak verwacht, dan ben ik verloren; want wat ik te zeggen heb, is van mijn eigen maaksel, en wat ik inderdaad moest zeggen, zal, vrees ik, mijn eigen verderf zijn. Doch ter zake, en dus op goed geluk af. Het zij u dan bekend,—zoo als u het zeer wel bekend is,—dat ik hier onlangs kwam op het eind van een niet welgevallig stuk, om er uw toegevendheid voor in te roepen en u een beter te beloven. Mijn plan was, om u de waarheid te zeggen, u met dit stuk te betalen; en zoo dit, als van een slechte reis, ongelukkig terugkomt, maak ik bankroet en gij, mijn toegenegen schuldeischers, verliest. Hier, heb ik beloofd, zou ik wezen, en hier geef ik mijn persoon aan uw genade over; scheldt mij iets kwijt, en ik betaal u iets; en beloof u, zooals de meeste schuldenaars doen, onmetelijk veel. 17
Als mijn tong u niet bewegen kan om mij kwijtschelding te verleenen, wilt gij mij dan bevelen, mijn beenen te gebruiken? En toch ware dit slechts een magere betaling, de schuld aan u weg te dansen. Maar een braaf geweten zal de menschen op alle mogelijke wijze willen voldoen; en dit wil ik. Alle edele vrouwen hier hebben mij vergiffenis geschonken; als de edele heeren het nu niet willen, zijn de heeren het met de vrouwen niet eens, en dit is iets ongehoords in zulk een vergadering.
Nog één woord, als het vergund is. Als gij niet te zeer oververzadigd zijt van vet vleesch, zal onze onderdanige schrijver de geschiedenis vervolgen, met Sir John er in, en u verlustigen met de schoone Catharina van Frankrijk; daarin zal ook, voor zoover ik weet, Falstaff zich dood zweeten, als hij niet reeds vooraf door uw harde beoordeeling is omgebracht; want Oldcastle stierf als martelaar en dit is de man niet.
Mijn tong is moede; als mijn beenen het ook zijn, zal ik u goede nacht wenschen. En zoo kniel ik voor u neder; doch, in waarheid, om voor de koningin te bidden.
AANTEEKENINGEN.
Het tweede deel van Hendrik IV sluit zich onmiddellijk aan het eerste deel aan, dat met den slag bij Shrewsbury eindigt, en maakt toch een geheel op zichzelf uit. Heeft het eerste deel ons doen zien, hoe de koning zijn macht met geweld moest handhaven tegen hen, die hem den troon hielpen overweldigen, in dit stuk heeft de koning zijn macht alreeds bevestigd en ook de laatste weerstand wordt gebroken; hij is aan het beoogde doel, maar wordt thans geteisterd door boozer vijanden, dan de opstandelingen waren: door een ziekte, die hem sloopt, door gewetenswroeging, en door de zorg, dat hij het werk zijns levens aan onwaardige handen moet achterlaten, een zorg, die eerst op zijn sterfbed van hem genomen wordt. Als in tegenstelling met dit wegkwijnen des konings zien wij zijn zoon, die met jeugdigen overmoed zich in lagere sferen bewogen had, zich fier verheffen, gereed en in staat, om de verdorvenheid der maatschappij, hem zoo grondig bekend, te beteugelen en te verbeteren, en om door grootsche daden als “ster van Engeland” te glansen.
Daartoe heeft de dichter de gebeurtenissen der laatste negen regeeringsjaren van Hendrik de Vierde (1405–1413) zoo samengedrongen, dat zij als het ware het naspel van den slag van Shrewsbury schijnen te zijn. Inderdaad duurde het twee jaren, eer Northumberland, die na den slag bij Shrewsbury begenadigd was geworden, zich bij den aartsbisschop van York en Thomas Mowbray aansluitend, weder tegen Koning Hendrik IV in verzet kwam. Hoezeer met krachtige manifesten opgetreden en met een belangrijke krijgsmacht in het midden van Engeland staande, lieten de opstandelingen zich door Lord Westmoreland verschalken; de Aartsbisschop en Mowbray werden terechtgesteld, terwijl Northumberland, die wel niet vooraf gevlucht was, maar zeker niet tijdig genoeg krachtig was opgetreden, naar Schotland ontkwam, om met Lord Bardolf, bij een hernieuwden inval in Yorkshire, in 1408 zijn einde te vinden. Des konings oudste zoon was middelerwijl in Wales, en had er vier jaren lang tegen Glendower te strijden, die door den koning van Frankrijk en den Paus als onafhankelijk vorst van Wales erkend was. Ten laatste gelukte het hem, Wales te onderwerpen en Glendower in het noordelijk gebergte van Wales terug te drijven.
Het geluk begunstigde Hendrik IV: de Schotsche troonopvolger was in zijn macht, de binnenlandsche woelingen in Frankrijk lieten hem niet alleen rust in Engeland, maar deden hem in Frankrijk zelfs als scheidsrechter inroepen. Engeland en het huis van Lancaster namen toe in macht. Maar de gebeurtenissen der laatste vijf regeeringsjaren van Hendrik, zijn ondernemingen op het vasteland, zijn maatregelen tegen de Wycliffieten of Lollarden, en zijn verder bestuur worden door Shakespeare niet vermeld. Ook zonder deze kon hij het beeld van den monarch teekenen, die, hoe gelukkig en roemrijk in zijn ondernemingen en zijn bestuur, zijn geluk niet kon genieten, steeds van kommer vervuld was, door zijn geweten steeds van wanbedrijf tegen Richard II beschuldigd werd, en lichamelijk lijden te verduren had, dat hem in 1413, op den leeftijd van 47 jaren, wegsleepte.
Wat zijn zoon betreft, heeft de dichter zorg gedragen, dat de wijze, waarop hij als koning optreedt behoorlijk is voorbereid. Hij verkeert niet meer met Falstaff; als hij een enkele maal nog in Eastcheap verschijnt om zich met den ouden zondaar te verlustigen, is het duidelijk, dat de vroegere kameraadschap niet meer bestaat, en dat de koning hem eigenlijk niet van Falstaff had behoeven te scheiden; de boden zijns vaders worden niet meer als vroeger met een lichtvaardige scherts teruggezonden, maar hij is dadelijk ernstig en een kort “Goede Nacht” is zijn afscheid van Falstaff. Men gevoelt, dat hij hem zal wegwerpen als een boek, dat ter verlustiging alleen gelezen werd. Dat hij recht heeft dit te doen, blijkt wel uit de tooneelen, waarin Falstaff en de zijnen optreden, zoo te Londen als op zijn tocht door het land. En niemand kon beter het land van zulk gespuis, als ons daar wordt voorgesteld, zuiveren, dan hij, die het in al zijn verdorvenheid had leeren kennen, die door den omgang met het booze niet verdorven is, maar versterkt en tot man gerijpt. De handelwijze van den Prins jegens Falstaff bij zijn troonsbeklimming wordt er volkomen door gerechtvaardigd.
Dat het tweede deel van Koning Hendrik IV onmiddellijk na het eerste geschreven is, blijkt onmiskenbaar uit den stijl, de kleur, de geheele wijze, waarop het onderwerp behandeld is. Zeker is het, dat het stuk in 1599 reeds was gespeeld; in Ben Jonson’s blijspel Every Man out of his humour, dat in genoemd jaar voor het eerst gegeven werd, treedt een onnoozele hals op, en deze wordt gekenschetst met de woorden: “Dat is een neef van den vrederechter Stil”. Ook uit Sh. zelf blijkt het, daar dit stuk aan “Koning Hendrik V” voorafging en dit laatstgenoemde, blijkens den Proloog van het 5de Bedrijf, reg. 30, in 1599 ten tooneele werd gebracht.—In 1600 werd het tweede deel van K. Hendrik IV afzonderlijk uitgegeven, maar hoogst slordig en vol fouten. Deze uitgave werd door geen andere gevolgd, zoodat eerst de Folio-uitgave van 1623 een beteren tekst openbaar maakte.
Pr. 1. De Proloog, Voorafspraak of Inductie, zooals de technische uitdrukking in het oorspronkelijke luidt, werd in Engelsche tooneelstukken meermalen te baat genomen, om het een of ander den toeschouwers te herinneren of te vertellen, wat niet wel op het tooneel voorgesteld kon worden. Bij historische tooneelwerken moest natuurlijk dit middel zeer welkom zijn. Shakespeare laat in “K. Hendrik de Vijfde” ieder bedrijf zelfs van een Proloog voorafgaan; ook “K. Hendrik de Achtste” is van een Proloog voorzien.—Dat hier het Gerucht, of de Faam, een gewaad aan heeft, “met tongen beschilderd”, is geheel in den geest van Sh.’s tijd.
Pr. 22. Voor mijn gezin hier. Het publiek in den schouwburg wordt door het Gerucht als zijn gezin beschouwd, wijl het zijn woorden verbreidt en dus in zijn geest werkzaam is.
I. 1. 60. Als de titel eens treurzangs. In Sh.’s tijd hadden treurzangen of berichten van treurige gebeurtenissen een zwart titelblad.
I. 1. 72. Schoof Priamus’ gordijn enz. Niet naar Vergilius, waarschijnlijk volgens een tooneelstuk van dien tijd.
I. 2. 1. Wat zegt de dokter van mijn water. In de 16de, 17de, ja, in de 18de eeuw was de piskijkerij voor het erkennen van ziekten zeer in zwang.
I. 2. 17. Alruintje. Een dreumes van de kleinste soort. Vergelijk de aanteek. op “Romeo en Julia” IV. 3. 47. Hetzelfde beteekent het agaatmannetje, een figuur op een agaatsteen, die tot zegelen gebruikt wordt; zie “Romeo en Julia” I. 4. 55.
I. 2. 41. Een ja-waarachtig-schelm. Een kerel, die in plaats van eenvoudig “ja” altijd “ja waarachtig” zegt en toch bedriegt. Zoo wordt in “I Hendrik IV”, III. 1. het “In ernst”, in sooth, der Londensche burgervrouwtjes ook aangehaald.
I. 2. 58. Paulskerk. In de Paulskerk hielden zich steeds tal van leegloopers op; die daar een bediende huurde, liep veel gevaar bedrogen uit te komen; zoo was Smithfield de beruchtste veemarkt in Engeland. In een boek “The Choice of Change”, dat in 1598 verscheen, leest men: “A man must not make choice of these three things in three places: of a wife in Westminster; of a servant in Paul’s; of a horse in Smithfield; lest he choose a quean, a knave or a jade”. In Knight’s Imperial Shakespeare I, p. 592, vindt men nog meer aanhalingen uit gelijktijdige schrijvers.
I. 2. 62. Daar komt de lord, die den Prins liet inrekenen. De opperrechter Sir William Gascoigne zond den Prins in hechtenis, toen deze hem voor het gerecht een slag had gegeven.
I. 2. 141. Een tuchtiging aan uw enkels. In ’t Engelsch staat eigenlijk aan de hielen; de straf met het voetblok is bedoeld, welke aan landloopers werd opgelegd. In “Koning Lear” wordt Kent zoo gestraft.
I. 2. 165. Ik ben de dikke blindeman. In ’t Engelsch: I am the fellow with the great belly; zeker een toespeling op een bekenden dikken blinde van dien tijd.
I. 2. 183. Waardigheid—baardigheid. In het Engelsch is de woordspeling met gravity en gravy (het sap, dat bij het braden van vleesch er uit drupt).—In den volgenden regel bevat engel weer een zinspeling op de gouden munt.—Iets lager klaagt Falstaff, dat dappere lui, om het leven te houden, als berenoppasser moeten gaan dienen bij een “berenbijt”; in dien tijd was het aanhitsen van honden op beren een zeer geliefd volksvermaak.
I. 2. 237. Met blaasjes spuwen. In ’t Engelsch spit white again. Bij drinkers zeide men, dat het speeksel wit werd; zoo staat in Lyly’s Mother Bombie: They have sod their livers in sack these fourty years; that makes them spit white broth as they do.
I. 2. 253. Gij staat niet vast genoeg op uw beenen enz. In ’t Engelsch: you are too impatient to bear crosses. Crosses beteekent: ongemakken, rampen, en ook munten, waarvan de stempel een kruis vertoont.
I. 2. 258. De Fransjesziekte. Bij Bredero de Françoysen genoemd; elders Spaansche pokken of Napelsche ziekte; in ’t Engelsch pox, wel te onderscheiden van de small pox.
II. 1. 27. Hij komt op het monement in den Pasteihoek enz. Vrouw Haastig wijst zoo nauwkeurig aan, waar zij Falstaff buitenshuis kunnen vinden, omdat een schuldenaar niet in zijn woning mag gevat worden. De woordverdraaiingen van vrouw Haastig voor attentaat, molesteeren enz. zijn volstrekt niet gewaagder dan in ’t Engelsch, waar infinitive staat voor infinite, continuantly voor incontinently, honeysuckle voor homicidal, honey-seed en hemp-seed voor homicide.
II. 1. 138. Ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden. Falstaff geeft blijk, dat hij de wet wel kent; hij roept haar bescherming in, quia profecturus, zooals ’t heet.
II. 1. 155. Glazen, glazen, dat is het ware drinken! Falstaff tracht de waardin te beduiden, dat zij gerust haar zilver kan wegdoen, daar men uit glazen nog beter drinkt dan uit zilveren bekers, en ook, dat goedkoope muurschilderingen, in waterverf of fresco, beter zijn dan wandtapijten. (De “Duitsche jacht” zal wel een wilde zwijnen-jacht zijn, zooals in de vertaling is uitgedrukt.)—Falstaff vraagt haar meteen nog weer tien pond te leen; zij biedt hem een derde minder aan, want twintig nobels zijn zes pond dertien schellingen en vier penningen; Falstaff neemt hier genoegen mee, en zorgt, dat Bardolf met haar meegaat, om het geld in ontvangst te nemen.
II. 2. 25. Bij wijze van redmiddel. In de redeneering van den Prins, die den berooiden toestand van Poins schildert, zij hier opgemerkt, dat de uitdrukking they have made a shift dubbelzinnig is, daar shift zoowel uitkomst of redmiddel als vrouwehemd beteekent.
II. 2. 77. Een aap van hem gemaakt heeft. Falstaff heeft den jongen zoo potsierlijk aangekleed, dat hij er als een aap uitziet.
II. 2. 86. Een rood tralievenster. Daaraan waren mindere herbergen te kennen.
II. 2. 96. Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel. De page verwart hier Althea, de moeder van Meleager, met Hecuba, de moeder van Paris. De laatstgenoemde had dien droom. Aan Althea werd voorspeld, dat haar pasgeboren zoon zou sterven, zoodra een hout, dat op den haard lag, verbrand zou zijn; zij rukte het dadelijk uit het vuur, doofde het uit en bewaarde het zorgvuldig.—De verwarring is van den page, niet van Sh., die blijkens “II Hendrik VI”, I. 1. 234. de mythe van Althea wel kende.
II. 2. 99. Een verklaring, die wel een kroon waard is. In ’t Engelsch: A crown’s worth of good interpretation. Er bestond toen ter tijd een stichtelijk boek of tractaatje: A penny worth of good interpretation, waaraan de toeschouwers aldus schertsenderwijs herinnerd werden.
II. 2. 110. St.-Maartenszomer. Sint Maarten is 11 November; vergelijk Allerheiligenzomer “I Hendrik IV”, I. 2. 148.—In ’t Engelsch staat alleen Martlemas, de dag van St. Maarten; misschien is het juister, eenvoudig aan te nemen, dat Poins Falstaff zoo noemt, omdat zijn levensjaar welhaast ten einde loopt.—Misschien ook wordt gezinspeeld op het veel eten en drinken op Sint-Maartensdag.
II. 2. 134. De edele Romeinen in hun kortheid. In hun stijl, vooral briefstijl, die met name in het adres, zeer beknopt was.—Let men op het drieledige van den eersten zin: I commend me to thee, I commend thee, and I leave thee, dan zou men vermoeden, dat het veni, vidi, vici hier nagevolgd is.
II. 2. 164. Epheziërs. In Sh.’s tijd, evenals Corinthiërs, vroolijke gasten, drinkebroêrs.
II. 3. 59. Om tot herinn’ring aan mijn eed’len gâ ’t Herinn’ringskruid enz. In ’t Engelsch staat remembrance, dat zoowel “herinnering” beteekent als “rozemarijn”, die bij uitvaarten gestrooid werd, om aan te duiden, dat men de dooden in gedachtenis zou houden. In plaats van “’t herinn’ringskruid” zou men hier ook kunnen lezen: “De roosmarijn” of wel “’t gedacht’niskruid”.
II. 4. 2. Pippelingen. Hier staat, evenals in “I Hendrik IV”, III. 3. 5. apple John, een appel, die twee jaar bewaard kan worden, maar dan zeer rimpelig wordt.
II. 4. 12. Sluipert zijn muziektroep. In ’t Engelsch staat: Sneak’s noise. Een troep straatmuzikanten uit dien tijd.
II. 4. 37. “Toen Arthur pas ten hove kwam”. Falstaff zingt een oud liedje, van “Lancelot van het meer”, dat aldus begon:
“When Arthur first in court began,
And was approved king,
By force of arms great victories wanne,
And conquest home did bring”.
Een oogenblik later zingt hij ook “robijnen en karbonkels”, in ’t Engelsch: “Your brooches, pearls and owches”, uit het liedje: “De jongen en de mantel”, waarin voorkomt:
“A kirtle and a mantle
This boy had him upon,
With brooches, rings and owches
Full daintily bedone.
II. 4. 74. Vaandrig Pistool. Pistool is door Falstaff tot zijn vaandrig benoemd voor den aanstaanden veldtocht. Dat Falstaff er zulk een zwetsenden lafaard toe koos, werpt een zeer ongunstig licht op hem, zoodat zijn verstooting door zijn ten troon gestegen Hein er volkomen door gerechtvaardigd wordt. Maar hoe dit zij, vermakelijk is Pistool in hooge mate; en bovendien, bij hem vergeleken, is Falstaff bijna een gentleman. Wat Pistool spreekt, is hoofdzakelijk samengeflanst uit bombastische treurspelen, zooals die in Sh.’s tijd op de tooneelen in Londen vaak gegeven werden. Hier en daar komen er gezegden in voor, die ongetwijfeld uit tooneelstukken ontleend, telkens, te pas of te onpas, door velen gebezigd werden, als zij niets anders wisten te zeggen. Ten allen tijde zijn zulke gezegden uit treur- of blijspelen of operetten in omloop geweest, en wij kunnen ons, al zijn ons de stukken, waaraan zij ontleend zijn, thans onbekend, zeer goed voorstellen, welk een genot een publiek, dat den koning Cophetua, of de schoone Calipolis of Irene in levenden lijve op de planken aanschouwd had, bij deze aanhalingen moest smaken.—En men bedenke hierbij, dat in Sh.’s tijd het tooneel een veel belangrijker plaats innam in het leven dan tegenwoordig, daar het met veel minder concurrentie te strijden had, en dat de inhoud der stukken en de meest treffende gezegden der dramatische helden veel algemeener bekend waren, dan thans, over het algemeen ten minste, het geval is.
II. 4. 105. Een makke zwendelaar. Het Engelsche woord is cheater, iemand, die, in het bezit van valsche dobbelsteenen, anderen tot het spel verlokte; in haar antwoord verstaat vrouw Haastig er een escheator onder, een beambte van den fiscus.
II. 4. 127. Ik drink geen bestand en geen kalibers. Vrouw Haastig houdt die geleerde woorden blijkbaar voor namen van likeuren.
II. 4. 169. Eer zie ik haar verdoemd enz. Blijkbaar aanhalingen uit tooneelstukken. Van de vraag: “Is niet Irene hier?” mag men vermoeden, dat zij ontleend is aan een verloren gegaan stuk van George Peele, dat den titel had van: “De Turk Mahomet en Irene, de schoone Griekin”. De vraag: “Is hier Irene niet?” komt ook bij andere dichters van Sh.’s tijd voor en schijnt in de mode geweest te zijn. Het weldra volgende: “Zouden zich pakpaarden” enz. is een aanhaling uit Marlowe’s “Tamerlan de Groote”, die den krijgsgevangen vorsten, welke zijn wagen trekken, toeroept: “Holla, you pampered jades of Asia, What, can you draw but twenty miles a day?” Dat Pistool weinig meer dan den klank der verzen onthoudt, blijkt uit zijn verwarring van Hannibal met kannibalen en zijn verhaspeling van Trojanen met Grieken.—Het weldra volgende vers: “Zoo eet dan en wordt vet, mijn gâ Calipolis”, is werkelijk ontleend aan een stuk van den zooeven genoemden Peele, getiteld: “De slag van Alcazar”, waarin Muley Mahomet aan zijn gemalin een stuk leeuwenvleesch op de spits van zijn zwaard aanbiedt met de woorden: “Feed then, and faint not, my fair Calipolis”, en later aldus: “Feed, and be fat, that we may meet the foe”.—Een oogenblik later leest Pistool het motto van zijn zwaard af, daarbij het Fransch: “l’espérance me contente” bedervend, dat op een degenkling werkelijk is aangetroffen.
II. 4. 201. Wij hebben samen het zevengesternte gezien. Wij hebben menige nacht samen gerinkelrooid.
II. 4. 238. De negen Londensche optochthelden. In ’t Engelsch: The nine Worthies, “de negen edele helden”, ter wille der duidelijkheid in de vertaling eenigszins nader aangewezen. In de feestelijke optochten der stad Londen, van welke die van den Lord Major nog steeds plaats heeft, traden telkens negen helden, drie uit de Oude, drie uit de Joodsche, drie uit de Christelijke geschiedenis op, die bij het volk onder den naam van the nine Worthies bekend waren. Men vindt ze gedeeltelijk vermeld in een der oudere stukken van Shakespeare: “Veel gemin, geen gewin”. De negen helden waren: Hector, Alexander de Groote en Julius Cæsar; Jozua, David en Judas Maccabæus; Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon.
II. 4. 266. Hij eet zeepaling en venkel. Een kenmerk van een losbol, dat hij opwekkende spijzen behoeft.—Aangaande het vervolg zij opgemerkt, dat het inslikken, met den wijn, van de eene of andere licht brandbare en brandende stof, b.v. een vlasvlokje, als blijk van verliefdheid, een modedwaasheid was in Sh.’s tijd.
II. 4. 268. En speelt haasje-over met de tappersknechts. And rides the wild mare with the boys. Volgens Douce wordt hier eigenlijk het wippen op een plank mee aangeduid.—Een oogenblik later wordt van fraaie geschiedenissen gesproken. In ’t Engelsch staat discreet stories, waar men indiscreet voor discreet heeft willen lezen, maar wat men wel ook kan verklaren: “hij brengt geen stoornis”—in de weinig eerbare conversatie—“door eerzame (of verstandige) geschiedenissen te vertellen”.
II. 4. 278. Spekklomp. In ’t Engelsch staat the nave of a wheel, omdat nave geheel klinkt als knave, schelm, zoodat nave of a wheel te verstaan is als “schelm, zoo rond als een rad”. Evenzoo kan men in de Nederlandsche vertaling de woorden: “dien spekklomp er de ooren” ook lezen: “dien speklomperd de ooren”.
II. 4. 286. Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. In de oude almanakken werd aangegeven, welke planeten in conjunctie kwamen en wat de conjunctie te beteekenen had.—Door die astrologische toespeling opgewekt, vergelijkt Poins den roodneuzigen Bardolf bij den “vurigen triangel” (Trigonum igneum), zooals de conjunctie van Mars, Jupiter en Saturnus genoemd werd.—De waardin, aan wie inmiddels Bardolf het hof maakt, wordt Falstaff’s geheimboek genoemd, omdat zijn schulden bij haar opgeschreven staan.
II. 4. 339. Den opzettelijken laster. Dus een misdrijf, waartegen strafbepalingen bestaan of dat een uitdaging wettigt.
II. 4. 361. Moutwurmen. Liefhebbers van bier, drinkebroêrs, vergelijk “I Hendrik IV”, II. 1. 83.
III. 1. 65. Doch,—wie uwer was er bij?—Als ik mij wel herinner, gij, neef Nevil,—Dat Richard enz. Wij kunnen in deze regels een duidelijk bewijs vinden, dat Shakespeare bij het schrijven, als hij een aanhaling deed uit een zijner vorige stukken, dit niet opsloeg; waarschijnlijk had hij het niet meer in zijn bezit, daar het handschrift bij den schouwburg, waar het gespeeld werd en waaraan het in eigendom was overgegaan, berust zal hebben. Hij moest daarom uit zijn geheugen aanhalen. Hieruit verklaren zich gereedelijk alle afwijkingen. Er wordt hier duidelijk gedoeld op “K. Richard II,” V. 1. 55 en 56 (zie blz. 458), waar Northumberland den onttroonden Richard naar Pomfret komt geleiden; noch Koning Hendrik IV, noch Warwick waren er bij, dat de woorden gesproken werden. Shakespeare stelde zich ongetwijfeld voor, dat Koning Richard ze in het tooneel der afzetting (IVde Bedrijf) gebezigd had. Bovendien is de aanhaling niet nauwkeurig.—Verder zij hier opgemerkt, dat de koning hier den Graaf van Warwick ten onrechte met den familienaam Nevil toespreekt, of dat een Nevil ten onrechte Warwick genoemd wordt; de toenmalige graaf van Warwick had den familienaam Beauchamp; de latere beroemde graaf van Warwick, de koningsmaker, (zie Sh.’s K. Hendrik VI) was een Nevil, maar verkreeg zijn titel Warwick eerst door zijn huwelijk met de erfdochter der Beauchamps.—Een Nevil was de in dit stuk voorkomende Graaf van Westmoreland, zie de geslachtslijst.
III. 2. 14. Dan moet hij binnen kort naar de gerechtshoven. De gerechtshoven, Inns of Court, zooals zij nog tegenwoordig in Londen bestaan, waarvan hier St.-Clement’s-Inn en Gray’s-Inn genoemd worden, zijn inrichtingen, waar de jongelieden, die de rechtswetenschap willen studeeren, volgens reglementen samenwonen, onder leiding van een rechtsgeleerde studeeren, zich practisch oefenen, en vooral de vermaken, die de hoofdstad aanbiedt, genieten. Aan de Engelsche Universiteiten is er geen juridische faculteit; de zoon van Stil was dus voor letterkundige studiën, de humaniora, te Oxford, zooals den zoon van een gentleman betaamt.—Als mannen in de provincie, zagen Zielig en Stil hoog op tegen Falstaff, die uit de hoofdstad kwam en aan het hof verkeerde.
III. 2. 28. Daar was ook Hans Falstaff, nu Sir John, een jonge borst en page van Thomas Mowbray, hertog van Norfolk. Al zegt Shakespeare, dat zijn Falstaff niets met Sir John Oldcastle te maken had, in dit opzicht kwam hij toch met den historischen edelman van dien naam overeen.—Skogan, die een oogenblik later genoemd wordt, was een bekend hofnar, wiens schertsen ook uitgegeven zijn, maar uit later tijd, namelijk uit dien van Eduard IV. Onder Hendrik IV leefde een hofdichter van dien naam, maar de eerste zal wel door Sh. bedoeld zijn.
III. 2. 72. Geaccommodeerd. Een modewoord uit Sh.’s tijd, zooals die in groote steden soms opkomen en dan telkens en telkens gebruikt worden; Bardolf kent het woord dus van hooren zeggen; op het land raken zulke uitdrukkingen slechts langzaam bekend of in gebruik; van hier Zieligs verbazing. Ben Jonson bespot het woord ook in zijn “Every man in his humour.”
III. 2. 145. Schaduwen in menigte. Manschappen alleen op papier, voor wie echter de werfgelden uitbetaald worden.
III. 2. 232. Vooruit, jongens. In ’t Engelsch staat: Hem, boys! In een oud drinklied komt het refrein voor: With a hem, boys, hem! and a cup of sack.
III. 2. 236. Tien-schellings-Hendriken. Tien-schellingstukken met den beeldenaar van Koning Hendrik. (Zij werden inderdaad eerst onder Hendrik VII en VIII geslagen.) Een kroon is vijf schellingen.—Bardolf int 4 pond sterling, doch verantwoordt er maar drie aan zijn meester.
III. 2. 298. Op de Vogelweide. In het Engelsch wordt de gemeenteweide van Mile-end genoemd. Daar werden bij schuttersfeesten gekostumeerde optochten gehouden en met name het hof van koning Arthur voorgesteld, waartoe de sedert 1485 herhaalde malen gedrukte Morte d’Arthur, alsmede volksgezangen, rijkelijk aanleiding gaven. Bij een dezer feesten had Zielig Sir Dagonet, d.i. Arthurs hofnar, voorgesteld.
III. 2. 329. Turnbullstraat. Eigenlijk Turnmillstraat, een te slechter faam staande straat in Londen.
III. 2. 331. Zeerooversschatting. Een schatting, waardoor men een vrijbrief verkreeg tegen zeeroovers.
III. 2. 340. Aan de afgeranselde vrouwmenschen. Lichtekooien moesten in de gevangenis meermalen met de zweep kennis maken.
III. 2. 343. Die zotskolf. Er staat eigenlijk: this Vice’s dagger, het houten zwaard van Vice, de ondeugd, den grappenmaker van het Oud-Engelsch tooneel; later wordt Zieligs magerheid nog door andere vergelijkingen aanschouwelijk gemaakt, b.v. door die met den stok van Jan van Gent. Hier staat in het Engelsch: “ik zeide tegen Jan van Gent, dat hij zijn naam ranselde”; John a Gaunt kan men namelijk vertalen: “Jan Mager.”
IV. 1. 94. Mijn algemeene broeder, onze staat enz. Deze drie regels zijn in het oorspronkelijke zeer gewrongen; de plaats is zeker bedorven, maar de beteekenis is niet twijfelachtig.
IV. 1. 110. Werdt gij niet hersteld in al de rechten van uw vader? Al gelieft Westmoreland dit te zeggen, historisch is het niet.
IV. 2. 87. De vrede is uitgeroepen enz. Misschien ware, als letterlijker, te verkiezen: “Vrede is het wachtwoord; hoort eens, welk gejuich!”
IV. 3. 139. Hij wordt mij reeds week tusschen vinger en duim enz. Zoo verwarmde men de was, waar men mede wilde zegelen.
IV. 4. 122. Vaderlooze kinders. Waarvan de oorsprong niet op te geven is. Holinshed spreekt van zulke verschijnselen; zoo zouden er op 12 October 1412, eenige maanden voor ’s konings dood, drie vloeden zijn geweest zonder ebbe.
IV. 5. 129. Engeland verguldt met dubbel goud zijn zonde. De woordspeling: England shall double gild his treble guilt is natuurlijk niet terug te geven.
IV. 5. 161. Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud. Een oplossing van goud was een hooggeschat geneesmiddel, doch het goud, dat men tot de bereiding er van bezigde, was minder zuiver, minder fijn, dan het goud der kroon.
IV. 5. 233. Draagt het vertrek enz. Deze vraag en het antwoord is door Sh. aan Holinshed’s kroniek ontleend.
V. 1. 36. Achter den rug maken zij iemand zwart. In ’t Engelsch een dergelijke woordspeling met backbite.
V. 2. 48. Hier volgt niet Amurath op Amurath, Op Hendrik Hendrik. Bij den dood van sultan Amurath III liet diens zoon en opvolger bij zijn troonsbeklimming al zijn broeders verworgen. De toeschouwers begrepen terstond, wat Hendrik V bedoelde, want deze moord had in 1596 plaats.
V. 2. 123. Wild is mijn vader in zijn graf gegaan.… ik overleef hem ernstig. Holinshed bericht, dat Prins Hendrik dadelijk na zijns vaders dood, besloten had een nieuwen mensch aan te doen, de vroegere deelgenooten aan zijn losbandige vermaken tien mijlen ver van zijn hof verbande (hen echter niet zonder belooning en verzorging latend,) en in hun plaats wijze en leerzame raadslieden om zich verzamelde “indachtig dat hij eens, tot zijns koninklijken vaders hoog misnoegen, den lord opperrechter met zijn vuist geslagen had, omdat deze een zijner metgezellen, en terecht, naar de gevangenis verwees, waarop de rechter kloek hemzelf tot hechtenis veroordeelde, en hij (de prins) gehoorzaamde.” Of Shakespeare uit dezen niet zeer duidelijken zin opmaakte, dat de prins, koning geworden, den opperrechter in zijn ambt handhaafde,—inderdaad werd deze met verscheidene andere grootwaardigheidsbekleeders dadelijk bij de troonsbestijging vervangen,—laat zich niet beslissen. Het is zeer wel mogelijk, dat Sh. opzettelijk van de geschiedenis afweek, zooals hij ook, tegen Holinshed’s verhaal in, allen met angst en zorg het optreden des nieuwen konings doet verbeiden. Holinshed vermeldt daarentegen, dat de jonge koning met groote hoop en de beste verwachting begroet werd, en dat,—wat vroeger nooit gebeurd was,—hem reeds voor de kroning door verscheidene edelen en aanzienlijke personen de eed van hulde gedaan werd. Uit een dramatisch oogpunt is Sh.’s voorstelling zeker verre te verkiezen.
V. 3. 37. Slechts baarden in huis Geeft een vroolijke kluis. Het Engelsch: “’T is merry in hall, When beards wag all” was het refrein van een oud lied.
V. 3. 77. Doe bescheid als een man; Sla mij tot ridder dan; Samingo. Stil zingt een gedeelte van een gedeelte van een drinklied, dat in een stuk van Nash: “Summers Last Will” voorkomt, en aldus luidt: Monsieur Mingo In quaffing doth surpass In cap, in can, or glass God Bacchus; Do me right, And dub me knight, Domingo; en vraagt dan aan Falstaff, of hij het goed gedaan heeft. Hij zegt Samingo voor Domingo, dat in het Spaansch Zondag beteekent, maar hier wel op den heiligen Dominicus, den patroon der drinklustige Dominicaner monniken, zal slaan.
V. 3. 90. Geen slechte wind enz. Een Engelsch spreekwoord, o. a. ook in Sterne’s Sentimenteele reis voorkomend, zegt: “Het is een slechte wind, die niemand voordeel brengt.”
V. 3. 105. Meld, snood Assyrisch ridder enz. Falstaff bootst Pistools manieren na en spreekt als koning Cophetua. Het noemen van dien koning, uit een volkslied overbekend, brengt Stil een ander volkslied in de gedachte: Robin Hood and the Pindar of Wakefield, waarin voorkomt: “All this beheard three wighty yeomen, ’T was Robin Hood, Scarlet and John: With that they espied the jolly Pindar, As he sat under a throne.”
V. 3. 124. Toon mij figo. Een gebaar van minachting, naar men zegt van Spaanschen oorsprong, “which consisted in trushing out the thumb between first and second fingers.” De Engelschen hadden in Sh.’s tijd verscheidene gebruiken aan de Spanjaarden en Italianen ontleend. In Nederlandsche schrijvers van dezen tijd vindt men ook de uitdrukking: de vijghe setten.
V. 3. 146. Waar is mijn vroeger leven heen? Deze regel komt reeds in 1578 tot het aangeven van een melodie voor. Ook de vrouwentemmer Petruchio zingt dien, De getemde Feeks, IV. 1. 143. Het lied zelf is verloren gegaan.
V. 4. 16. Als dat gebeurt, zult ge uw dozijn kussens weer vol hebben. Doortje wendt zwangerschap voor om de zweep te ontgaan.
V. 4. 33. Gij atomie. De waardin meent anatomie, d.i. geraamte. De volgende regel luidt in ’t Engelsch: “Come, you thin thing; come, you rascal!” Hier beteekent rascal te gelijk een mager ree en een spitsboef.
V. 5. 1. Meer biezen, meer biezen! Evenals in dien tijd de vloeren van feestzalen, worden hier, ter eere van de komst des pasgekroonden konings, de straten met biezen bestrooid.
V. 5. 30. ’t Is Semper idem enz. Pistool haalt Latijnsche wapenmotto’s aan, die hij zoo goed hij kan vertaalt.
V. 5. 90. Wat gij daar gehoord hebt, was maar voor den schijn. In ’t Engelsch zegt Falstaff: it was but a colour, ’t was maar voorgewend; Zielig vat het woord colour op als collar, halsband of strop, en Falstaff daarna weer als krijgsvaan, waaronder dan krijgsdienst verstaan wordt.
Epiloog 35. En zoo kniel ik voor u neder. Er wordt bijgevoegd: niet om u mijn hulde te betoonen,—maar om voor de koningin te bidden. Dit toch was het gewoon besluit der tooneelvoorstellingen, waarop dan, vreemd genoeg, nog een dans volgde, vaak, zooals hier, door denzelfden speler uitgevoerd, die het gebed uitgesproken had.