The Project Gutenberg eBook of Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking
Title: Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking
Author: Willem Bilderdijk
Release date: September 24, 2011 [eBook #37522]
Language: Dutch
Credits: Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
Zie Opmerkingen van de bewerker aan het einde van deze tekst.
LUCHTREIS.
KORT VERHAAL
VAN EENE
AANMERKLIJKE
LUCHTREIS,
EN
NIEUWE
PLANEETONTDEKKING.
UIT HET RUSSISCH VERTAALD
gedrukt en uitgegeven
Bij W. WOUTERS te Groningen.
1813.
Ὁ δὲ γεωγραφικὸς οὐκ ἐπιχωρίῳ γεωγραφεῖ, οὐδὲ πολιτικῷ τοιούτῳ, ὅστις μηδὲν ἐφρόντισε τῶν λεγομένων ἰδίως μαθημάτων, οὐδὲ γὰρ θεριστῇ καὶ σκαπανεῖ, ἀλλὰ τῷ πεισθῆναι δυναμένῳ τὴν` γῆν ἔχειν οὕτω τὴν ὅλην, ὡς ὀἱ μαθηματικοί φασὶ, καὶ τὰ ἄλλα τὰ πρὸς τὴν ὑπόθεσιν τὴν τοιάυτην.
ΣΤΡΑΒ.
Wat zijn de wetenschappen niet al verplicht aan het geval! Een geringe toevallige waarneming wekt een vluchtig denkbeeld op in het hoofd van een eenig mensch, en een nieuwe wareld, of ’t ware, is gevonden. Zeker, die het eerst een ontwortelden boomstam zag drijven, en zich daar schrijlings op zette, dacht niet aan de ontdekking van drie warelddeelen, die zonder dat nooit bekend konden worden. Even weinig geloofde Mevrouw Montgolfier, als zy haar gewasschen japon op de vuurmand droogde, dat dit ons den weg banen moest tot ontdekkingen, die het geheele hemelstelsel een nieuw aanzien geven, en het geen duister en ons onbereikbaar scheen, in het helderst licht zouden stellen, en met onze aarde vereenigen.
Men heeft veel getwist over de nuttigheid der Luchtbollen, of, om duidelijker te spreken, der Aërostaten! De ondervinding heeft alreeds geleerd, welk een nut in den oorlog uit deze vliegtuigen te trekken is, het zij ter ontdekking of opneming van vijandlijke legeringen, verdedigingsinrichting van steden en dergelijke, het zij ter overziening en verkondschapping van streken lands, waar men geene topografische kaarten van heeft. En zoo dra slechts de wijze van deze machienen te besturen tot zekere maat van volkomenheid gebracht, en de vaste wind- of luchtstroomen in de hoogere oorden des dampkrings door vaste waarnemingen bepaald zullen zijn, zal zich een oneindig ruim uitzicht ontsluiten van voordeelen, die voor de onderlinge verstandhouding en gemeenschap der landen en volken, nog onberekenbaar zijn. Een nieuwe weg zal zich voor den koophandel openen; geheel nieuwe takken van industrie zullen ontstaan: de voor- en nadeelen van de ligging der landen zullen ophouden, de bezetting van grenzen vergeefsch worden; en het meesterschap ter zee zal vervallen of nutteloos zijn, wanneer men door Luchtvloten, met waren, met wapens, en manschap geladen, den overvloed of den oorlog in de afgelegendste oorden zal overvoeren, zonder aarde of water aan te doen. Want, zoo thands eene doorgaande en geregelde luchtvaart de verbeelding nog eenigermate ontzet; wat zou de eerste schipper gedacht hebben, die zich met zijn vlotjen of hollen boomtronk aan ’t nat overgaf, indien men hem van onze oorlogschepen en van de wijze van die door de zeën en stormen te voeren, verhaald had?
Doch weinig is dit alles, wanneer men het oog hooger opheft, en het zelfde als een middel tot nadering van de hemelsche lichamen beschouwt, waarvan ons de geweldige afstand en ongenaakbaarheid tot dus verr’ niets anders dan gissingen en hoogst onvolkomen besluiten uit weinige en geringe, en zeer ongenoegzame data veroorloofde. Het is waar, dat het onbeduidend moet schijnen, of men op een afstand, als die van de maan, eenige duizend roeden gewonnen heeft; en dat nu reeds (dank zij het beter onderwijs van onzen verlichten leeftijd!) de waschvrouw van haar kleine dochtertjen uit wordt gelachen, wanneer zy ’t beveelt de touwen voor ’t droogen der hemden wat hooger aan de boomen te binden, om nader by de warmte der zon te zijn. Ik denk ook dat niemand een leugenachtigen Brydone gelooven zal, wanneer hy ons wijs maakt, op den Etna veel meer starren gezien te hebben, dan men anders gewaar wordt, om dat hy daar boven de dikke dampen verheven was, het geen ze overnevelen verduisterende: vooral daar hy van die hoogte, deze dampen vergetende die nu tusschen hem en de vlakte der aarde waren, een zoo ten uiterste duidelijk en uitvoerig gezicht van geheel Sicilie, en wat niet al meer, zegt gehad te hebben. Maar alschoon het niet mooglijk zij, onze maan, de naastbyzijnde der ons bekende planeten, eenigzins merklijk te naderen; genoeg is het, wanneer wy eenig hemellichaam bereiken, het geen wy met de overige van eenerlei natuur mogen stellen, en dit leeren kennen.
Maar zijn er dan zoodanige hemellichamen, ons nader by zwevende dan de maan? en zijn die voor ons tot zoo verr’ te naderen dat wy er eene duidlijke kennis van kunnen bekomen? Deze vraag verheft zich natuurlijker wijze by den Lezer; en het is om hem die te beandwoorden, dat dit stukjen is ingericht.
Ik zeg te beandwoorden; en dit wel, bestemmend. Ja zy zijn er, die lichamen, die planeten, en zy zijn onzen dampkring zoo na, of om beter en juister te spreken, de lucht waar ze in drijven, vloeit zoo met den dampkring des aardkloots in een, dat zy niet volstrekt ongenaakbaar zijn. De bespiegeling mocht ons dit leeren, het vooroordeel dit doen verwerpen, de ondervinding bewijst. ’t Is een feit dat ik aanvoere. Ik heb gezien, ik heb getast, ik heb ze aangedaan. Tegen dit vermag niets, wat in opvatting of redekaveling over mogelijk- of onmogelijkheden bestaat. Potest, nam est (het kan zijn, want het is), is sterker dan het non est, nam non potest, ’t argument der bestrijderen van de tegenvoetelingen, en van zoo vele Natuurwaarheden. Ik ben er geweest, ik heb gezien, zei Kolumbus, en die hem belachen hadden, verstomden. Ik zeg u het zelfde, mijne Lezers, en geve u een korte beschrijving der reis die ik afgelegd heb. Ontdekkingsreis in hare uitkomst en door toeval, schoon niet met een oogmerk om deze ontdekking te doen, ondernomen; maar die als zoodanig echter (’k vertrouw het) niet missen kan, in een tijd van zucht voor ontdekkingen als die wy beleven, algemeen belang in te boezemen: afgescheiden zelfs van dat der Natuur- en Sterrekunde, en der allen sterveling ingeschapene weetlust en hem boven alles prikkelende nieuwsgierigheid.
Ik verbeeld my te mogen hopen, dat het geen men Kolumbus niet weigerde, ook my niet ontzegd zal worden. Geloof, namelijk, aan het geen ik oprechtlijk en zonder den minsten opschik verhalen zal. Het is waar, dat Kolumbus veel voorhad. Hy was toegerust met het gezag en vertrouwen dat een groot koning hem meêdeelde; hy bracht reisgenooten, vlootvolk mede, die wat hy verhaalde, bevestigden: Ja hy bracht voortbrengsels van de door hem ontdekte kusten met zich: En wie kon op dit gezicht anders dan overtuigd worden? Ik zal niet onderzoeken, of die door hem vertoonde voorwerpen iets anders of meer dan ontdekking van een tot nog vreemd land bewezen, het geen juist de zaak niet was; maar niet van een land, verr’ in ’t westen gelegen, en op zulken afstand als Kolumbus voorgaf; maar ik vraag, zoo ik planten of ertsen vertoonde, wat blijk of wat stempel die moesten hebben, om als uit eenen anderen planeet overgebracht, aangenomen te worden? En indien Kolumbus in de t’ huisreis schipbreuk geleden mocht hebben en naakt en van alles ontbloot ergens op het strand ware geworpen, zou dan zijne ontdekking minder waarachtig geweest zijn? Zeker neen: zy ware dan slechts minder nuttig gebleven, maar had eenen spoorslag moeten geven tot nieuwe ondernemingen, die haar konden bevestigen en hernieuwen. Maar het voorgestelde geval is het mijne. Te rug keerende is mijn luchtvaartuig verongelukt, en tot wonder van my zelven heb ik (schoon naauwlijks) het leven daar af gebracht. Wat ik ontdekt heb, is verloren, dan voor zoo verr’ mijn door dit ongeluk-zelf verzwakt geheugen my toelaat, wat ik zag, aan mijne planeetgenooten mede te deelen. Dit acht ik my aan het gemeen welwezen verschuldigd, en dit doende, meen ik recht op inschikkelijkheid te hebben voor het gebrekkige van mijn verslag; maar vooral, om zonder vooringenomenheid tegen het geen ik zal voordragen, gehoord te worden.
Ik heb in mijn jeugd de legers gevolgd, en dit in verschillende en zeer onderscheiden standen. Noodlottigheden van velerlei soort hadden my na duizenden slingeringen arm en nooddruftig in Perzie gevoerd, van waar ik my voorgesteld had met een karavaan naar Bagdad te trekken, om van daar in Europa te keeren. Ik meld den Lezer niet, wat mijn vaderland zij. Dit kan hem even zoo onverschillig zijn als de naam dien ik of eenmaal gevoerd heb of sedert heb aangenomen. Ik zal ook het jaartal verzwijgen, waarin dit is voorgevallen; het kon tot herinneringen aanleiding geven, die vermoedens verwekten, welke niemand voordeel konden doen, en my of een ander schadelijk zijn. Na al de gebeurtenissen die Europa geschokt hebben, zijn en de betrekkingen en de verwijderingen zoo menigvuldig en dermate ingewikkeld geworden, dat men zich niet genoeg wachten kan. In alle partyen heb ik goede en kwade trouw gemengeld, en de dolheid der geestdrift, met de koude berekening der staatkunde vereenigd gevonden. Met geenen aanhang heb ik my recht van harte kunnen vereenigen, en geenen ooit willen vervolgen. Geen wonder derhalve, zoo ik overal haat en vervolging voor dienst- en trouwbewijs, of voor betrachting van menschelijkheid en rechtvaardigheid kwam te ontmoeten. Ik hield vast aan een grondbeginsel en handelde daar naar: Anderen namen grondbeginsels aan of verwisselden die, naar de oogmerken waarvoor zy handelden, meêbrachten. Ik was dus niemand bruikbaar, en niemand my. Ik stond alleen, en had geene soort, waar ik toe behoorde, op dezen aardbol; wat wonder, zoo ik wel eens aan een anderen dacht?
Veelvuldige verschijnsels, in onze dagen het eerst of meer by herhaling waargenomen, overtuigden my spoedig van de gebrekkigheid onzer Planeetstelsels. Na zoo vele eeuwen berustens in zeven zonnewachters en eenen enkelen wachter van tweeden rang (die wy de maan noemen), waren er nu, niet slechts om Jupiter en Saturnus, om Mars en Venus, rondloopende wachters ontdekt of vermoed, maar een Uranus, een Ceres, een Pallas, vermeerderden de eerstgemelde zeven, en dat plechtig getal waar men zoo veel geheimzinnigs in stelde, lag in duigen, zoo wel als de evenredigheid in de afstanden die men hun onderling of ten aanzien van hun gemeen middenpunt toeeigende. Daar konden er derhalven nog meer zyn, die met deze tien om de zon draaiden. Daar konden er meer zijn om de planeten-zelven. Wat tot heden niet ontdekt was, kon morgen zich den nasporer opdoen, en dit des te lichter, daar het geen tot dus verre nieuw ontdekt was geworden geen grond van vermoeden by de waarnemers gehad had, en het tegenwoordig waarschijnelijk werd dat er meer te ontdekken viel. Ik verwachtte dus meer planeten te zien opdagen, en den hemel bevolken; ik verwachtte meer manen of wachters om hen.
Nu trokken de steenregens mijne aandacht. Men verstaat dat ik hier aan geen eigenlijk regenen van steenklompen denke, maar van brokken steen hier of daar uit de lucht gevallen, en zeker niet genoeg in menigte om den naam van regenen te verdienen. Men had die van ouden tyd af waargenomen. Een der zeven wyzen van het hooggeroemd Griekenland, Thales, had er uit besloten, dat de hemel uit steenen gewelfd was, en wel zonder kalk; en dat het zijn geduurzame omzwaai was, die hen in ’t verband hield, waar uit deze enkele door een onbekend toeval losgeraakt waren. Een denkbeeld waarin lateren een zeer diepe Wis- en Natuurkunde gevonden hebben[1]. Maar in onze dagen viel het meermalen voor, dat men steenen zag vallen, waar aan men geen oorsprong kon toeschrijven dan in of boven den dampkring, en die oorsprong werd een voorwerp van gissingen. Sommigen deden die steenen zonder bedenking uit de bergen der maan opwerpen; niet gedachtig dat, naar de volkanen op onzen bol te rekenen, deze opwerping met geene zoodanige snelheid geschiedt als noodig zou zijn om ze buiten de kracht der aantrekking van den maanbol te brengen. Anderen deden haar door een Chymische werking in den dampkring-zelven voortbrengen, zich niet latende invallen, dat er altijd een te groote zwaarte in de vormstoffe moest zijn, om zich, zelfs één oogenblik maar, in de lucht op te houden. Van de genen, die het vallen van deze steenen of geheel ontkenden, of hen uit ver afgelegen of niet bestaande volkanen op onzen aardgrond afleiddeden, spreek ik niet. Met de eersten toch moet men alle geloof aan getuigenissen, hoe plechtig ook, weigeren; en de laatsten zeggen niets, zoo zy de volkanen, waar toe zy verwijzen, en tevens de mogelijkheid van uit hunnen boezem tot in Frankrijk of Duitschland steenen uit te jagen, niet aantoonen.
[1] Onder anderen Keil die er het geheele Newtonianismus, immers de theorie der aantrekkingskracht in vindt.
Wat my betreft, aan de vorming van een stof zoo veel specifiek zwaarder dan de vloeistof waarin zy gevormd wierd, als de steenen ten aanzien der lucht zijn, en die dan, niet in de vorming zelve nederzeeg om zich op den grond te volmaken, maar, geheel en volkomen gevormd, in eens, als hard lichaam neêrplofte, kon ik geenerhande waarschijnlijkheid hechten. Ik helde dus ongevoeligerwijze tot de meening van die deze brokken uit de maan deden afdalen. De overeenkomst in het uiterlijk aanzien, van de maan met het geen onze aardkloot op dien afstand vertoonen moest, en wat men meer als gronden voor de onderstelling eener eenvormigheid van grondstof tusschen de planeten pleegt aan te voeren, gaf hier veel aannemelijks aan. Maar welke berekening ik in ’t werk stelde, ik kon geene oorzaak van snelheid uitdenken, genoegzaam om de aantrekkingskracht die hen op de maan moest te rug brengen, te overwinnen. Deze bol was altijd te groot, en de afstand der aarde te verr’, dan dat deze op zekere hoogte van de uitwerping, haar in de aantrekking dier brokken kon opwegen, hoe veel temeer, overhalen! Ik moest om dit mooglijk te stellen, beide den maanbol en den afstand ontzachlijk verminderen, en dus de zaak opgeven.
Maar sedert hoe lang is het, dat men om Saturnus de drie laatst ontdekte manen had waargenomen? Men is thands overtuigd dat hy er vijf heeft, Jupiter heeft er vier, die bekend zijn; en wie is zeker, dat of beide, of een van die, er niet meer hebben? Of waarom zou deze onze aarde niet meer dan een maan medevoeren, ofschoon slechts die eene door hare aanmerklijke grootte en den juist geplaatsten afstand, ons zichtbaar is? Waarom zouden tusschen haar en ons aardlichaam niet meer dan een, niet verscheidene wachters, om ons rondloopen, welke deels hunne kleinheid, deels hun te geringe afstand ons verborgen houdt? Zeker, te naby geplaatst, kan zoodanig lichaam by onze nacht niet verlicht zijn; en by dag moet het ons (alhoewel gewapend) gezicht ontslippen[2]. Te klein en op zekeren afstand, moet het, ook by onze nachten verlicht, ons niet merkbaar zijn, en zelfs by zijn overgang over de zonschijf, onze oogen geen erkenbaar stip aanbieden. Deze bedenkingen deden my gissen, of wellicht deze luchtsteenen uit zoodanige kleiner en ondermanen (die van volkanieke natuur mochten zijn) by aldaar voorvallende ontbrandingen, afkwamen[3].
[2] Wie zoekt met het gewapend oog by den dag naar planeten? Het woord gewapend had hier gemist kunnen worden, en is misschien een tusschenvoegsel van een verbeteraar, en niet van den Schrijver afkomstig.
[3] Tot mijn verwondering vond ik by mijne aankomst in Astrakan, nu jongstleden, dit mijn denkbeeld in een klein geschrift van den vermaarden Geneefschen Natuurkenner, De Luc, aangenomen.
Ik behoef niet te zeggen, hoe zeer my dit in mijn lang te voren gekoesterd begrip van het hemelstelsel bevestigde. Ik beschouwde geheel het zonnestel, als, van afstand tot afstand, met grootere en kleinere hoofdplaneeten, en grooter en kleiner wachters van dezen doorzaaid. Dit leverde my een gants nieuwe beschouwing op. Edoch ik bepaalde mijn aandacht inzonderheid op die Ondermanen, indien ik ze dus mag noemen, waardoor men, gelijk het my toescheen, zeer vele byzonderheden en schijnbare ongeregeldheden zoo in ebbe en vloed als in andre natuurverschijnsels, verklaren mocht. Ja ik achtte het niet onmooglijk, dat dit eenmaal den sleutel aan de hand mocht geven van de nog zoo onvaste theorie der komeeten, welker niet weder verschijnen op den tijd, dien de aan hen toegekende loop mede bracht, de van elders zoo aanneemlijke hypothesis van de later Sterrekundigen jammerlijk tegendruischt. Ik stelde my voor, zoo my eenmaal een leefgetijde van rust voorbehouden mocht zijn, my dan aan het doen van naauwkeurige waarneming omtrent dezen, vooral in de morgen en avondschemeringen, over te geven; ook de zonneschijf vlijtig te beschouwen, en wat daar nog onbemerkts op voorvallen mocht, na te gaan. Wat kon ik in de onrust mijns levens meer doen! Ik dacht weinig aan de mogelijkheid eener andere wijze van omtrent dit voorwerp ontdekking te erlangen; veelmin, dat my die te beurt vallen zou. Werkeloos echter, en door niets opgewekt, verduisterden deze denkbeelden allengskens in my, en welhaast dacht ik er niet langer aan, dan by tusschenpozen, en wanneer ’t geen my voorkwam, daar mijn geest als onwillig naar te rug riep.
Het is voor mijn lezer geheel onverschillig, wat my in mijn voornemen dwarsboomde, wanneer ik uit Kerman naar Europa op reis meende te gaan. Ik kan echter my-zelven het genoegen niet weigeren, van het edel karakter der Oostersche volken, en inzonderheid dat der Perzen, recht te doen. Hun herbergzaamheid is bekend. Hunne erkentlijkheid voor ontfangen dienst, is Europa vreemd. Eenige kennis van genees- en heelkunde geeft er den Christen vertrouwen. Dit vertrouwen groeit aan, naar mate men ziet dat hij zich tot eenvoudige middelen, en inzonderheid voorbrengsels uit het plantenrijk, bepaalt. Bewerkingen van Scheikunst zijn hun verdacht. Zy hechten er een denkbeeld van tooverkracht aan, en gebruiken ze met een wederwil, die zijn grond in die opvatting-zelve heeft. Ook vreezen zy dien gene, dien zy als daardoor allen anderen te machtig beschouwen. Men vindt er ook zeer weinige ziekten, die tot buitengewone middelen noodzaken, daar hun levenswijs matig is, hunne lichamen, alschoon weinig met vet bekleed, echter meestal doorvoed en sapvol zijn, en door sterke dranken of verhittende wijnen, zeer zeldzaam bedorven worden. Om er veilig en met eenig aanzien te leven, doet men wel, zich als een geneeskundige te doen kennen. Men heeft er geen begrip van een Christen, dan als geneeskundige, koopman, of verspieder: en van deze drie boezemt de eerste alleen achting in. By hem zoekt men heul en noodhulp; by den tweede, goudwinst en roof; en die geen van beide is, wordt noodwendig tot de derde klasse gerekend. Men vreeze echter niet, voor een koopman te zullen doorgaan, zoo men ergens juweelen verruilt. De edele gesteenten verstrekken door geheel het Oosten voor een algemeen middel van schuldvereffening tusschen alle personen. Zy zijn een soort van ongemunt geld, waarvan zich een ieder bedient. Die een minder som te betalen heeft, geeft een grooter steen voor kleinere; die meer geld heeft dan hy op de reis denkt uit te geven, ruilt gemakshalve een grooter in, gelijk men by ons goud voor zilver, dubbele pistolen voor dukaten, inwisselt. De belooningen bestaan ook even zoo veel in gesteenten als goud; en zy zijn, in gesteenten gegeven, by gelijke waarde, aanzienelijker.
De edelmoedigheid van een aanzienlijk man in ...., wien ik van eene zeer eenvoudige anderendaagsche koorts genezen had, had my het voorrecht bezorgd van in gezelschap en geleide van eenige Perzen en Georgiers naar Schirwan te gaan, van waar ik licht gelegenheid vinden zou, om den weg haar Rusland in te slaan. Daar had de nabyheid van Russische krijgsposten en de omgang met velerlei officieren van deze Natie, die op hunne heen en t’ huis reizen doorgaans die stad en haar omtrek bezochten, een gerucht doen ontstaan van die wonderlijke vliegtuigen, gelijk het daar heette, die sints kort by de Franken gemaakt wierden, en waar meê men de lucht kon doorreizen. Wonderlijk waren de denkbeelden, die men van dien toestel al maakte. Sommigen hielden het voor een soort van toovertapijt, waarop men by het uitspreken van zekere geheimzinnige woorden door de lucht gevoerd wierd. Een der Franken, vertelde men my (en het zal hoogstdenklijk Pilastre de Rosier geweest zijn) was in zijn vlucht jammerlijk neêrgestort, omdat de Engel die hem op den schouder voerde onder weg niesde. Men zou hier aan den Brobdignakker van Gulliver kunnen denken, wiens niezen hem eenige van ’s mans medgezellen uit de boot schudden deed, waarin hy hen droeg. Doch men moet weten, dat de Perzen en Turken gewoonlijk het onweder aan het niezen der Engelen toeschrijven: en dat door dit niezen derhalve een onweêr beduid wordt. Anderen verbeeldden het zich als het houten paard uit de Arabische Nachtvertellingen, waar van men een houten of koperen pen omdraaide om te vliegen; weêr anderen als de kist van den valschen Mahomed uit de Perziaansche dagvertelsels, die door raderwerk bewogen werd. Eenigen echter hadden uitgevorscht dat het een schuit was, en dat die schuit met koorden aan de maan of een anderen hemelbol vast werd gemaakt, maar hoe? wisten zy niet. Als een Frank en Geneeskundige, dat is een man die en de natuur en de geheime wetenschappen kennen moest, behoorde ik daar meer van te weten. Men onderstelde dit. Ik had dit lichtelijk kunnen ontwijken; met de zaak als een verborgenheid te behandelen die ontzag vorderde: maar ik had de dwaasheid, my uit te laten, haar als een natuurlijk verschijnsel te willen verklaren, en de nieuwsgierigheid op te wekken, zonder haar te voldoen. De kennis van zwaarte en lichtheid of wat men door deze benoeming verstond, was, noch by mijn reisgenooten, noch by die ons huisvestten, te vinden; en het was om niet, wat ik deed om hun daar een denkbeeld van by te brengen, dat my ergens heen leiden kon. Tweederlei soorten van lucht begrepen zy niet. Stikdampen waren by hen bloot vergiftigde uitwaassemingen, of wel, adem van booze geesten. Het opgaan van de rook kon ik haar niet ontpraten een eigenschap van den rook te zijn, die niet van de lucht afhing. Naauwlijks een, die iets hoorde van ’t geen ik hun voorhield, en niemand die er ’t minst van begreep. Het gelukte my, een gebrekkige Barometer saam te stellen: maar de zwarigheid was, hun de oorzaak van deszelfs rijzen en vallen uit te leggen. Eindelijk, ik moest het woord en denkbeeld van lucht opgeven; en met damp in de plaats te stellen, dien men uit zijn aart begreep licht te zijn, om dat men hem zag naar boven gaan, vormde men zich in verbeelding een luchtbol; maar dat dan die luchtbol een mensch in een schuitjen kon dragen, dit kon men zich even weinig in ’t hoofd brengen, als dat zulk een luchtbol weêr nederwaarts kon, en niet voort zou gaan altijd te klimmen tot hy tegen de starren stiet.
Ik zag vitrioololie en ijzervijlsel of liever, schaafsel van ijzer, te krijgen, en beloofde hun een proef van den luchtbol. Een schapenblaas moest my hier toe dienen. De bol ging op tot een zekere hoogte, kantelde om, en kwam neder. Dit schouwspel was heerlijk voor mijn goede Oosterlingen, maar het was een klein balletjen: van een grooten geloofden zy ’t niet. Te vergeefs beduidde ik hun, dat een vat met duizenden ponden smeer even zoo in het water drijft als een doosjenvol van een lood zwaarte. Van Weegkunde geen begrip by hen. En wat daarvan eindelijk ook zijn mocht, dat die bol, op zich zelven zoo groot en zoo zwaar reeds, dan nog een geheel vaartuig met een man op zou nemen—! Ja met twee man, met meer, en meer naar hy grooter is—! dit kon men hun toch niet wijsmaken, daar waren zy (dit was hunne uitdrukking) te verstandig toe. Duidelijk reeds ving ik aan te bemerken, dat men my voor iemand begon te houden die hen ten beste hield.
Ik had het daar by kunnen laten, en mijn reis vervorderen zonder my dit aan te trekken. Maar mijn verblijf werd van dag tot dag meer verlengd, de gelegenheid tot vertrekken schortte zich op voor nog etlijke maanden, die ik daar slijten moest; en genoegzaam geen ander gesprek meer hoorde men, dan over den luchtbol, en wat by de onnoozele Franken daar van verteld wierd. Somwijlen, daar anderen een zoo in het oogloopende domheid der Europeanen met een recht meêdoogend kopschudden bejammerden, meesmuilden er eenigen, my toeknikkende, als die toch wel beter wist. Ik vermoedde nu, voor een opzetlijk bedrieger, een kwakzalver, door te gaan; en wel duizendmalen verwenschte ik het uur, dat ik het eerst mijn weinigjen wetenschaps by hen had willen te koste leggen, om hun iets begrijpbaar te maken, dat zy maar niet aannemen konden. Na veel haspelens, zei ik eindelijk op een’ toon van zelfbetrouwen: Hoort, ik ben niet rijk genoeg om u zulk een luchtbol toe te stellen, naar wilt gy te samen de kosten daartoe vereischt, by elkaâr brengen, ik zal u den luchtbol doen zien met het schuitjen; daar meê opvaren, en wien uwer het lust, met my nemen en weêrom brengen.
Of ik by die woorden bedacht, dat men my by het woord zou kunnen vatten, weet ik niet. Ik had niets dergelijks ooit beproefd, en bevond my volstrekt in geen geestgesteldheid om een luchtreis te wagen; maar daar zijn oogenblikken, dat men van een kwelling zoo moê is, dat niets ons verschriklijk schijnt, wat er van bevrijden kan. Ik had my met Kalanus op den brandstapel kunnen werpen, zoo dit slechts in staat waar geweest, aan mijn woorden geloof te doen geven.
Zoo veel is zeker, dat ik de zaak alreeds uit het hoofd gezet had, en de algemeene gesprekken wederom tot het gewone: Daar was eens een jonge Prins enz. te rug gebracht waren, wanneer men my vroeg, wat er noodig zou zijn tot zoodanig een luchtbol en ’t geen tot de luchtreis behoorde. Ik beloofde dit uit te rekenen; en, aan de eene zijde bevreesd zijnde, zoo het tot de zaak kwam, my te bedriegen, aan den anderen kant, hen zoo veel mooglijk af willende schrikken van eene proefneming waar ik weinig zin voor had, droeg ik zorg, niet bekrompen te zijn in mijn vordering, maar begrootte die onkosten ruim. Het geen, trouwens, my des te raadzamer was, daar ik geenerlei ondervinding of oefening hebbende van zoodanig werk, my zeer licht misrekenen kon, en, alschoon ook goed gerekend hebbende, door velerlei soort van mislukkingen zeer veel van de materialen verloren kon laten gaan. Mijne onhandigheid en onwetendheid-zelve moest in aanmerking komen, zoo wel als die mijner helpers, en daarby, het gebrek van geschikte werktuigen. Want het geen ik tot de zaak noodig had, moest op goed geluk af, door my bedacht en naar mijn bestel, door werklieden gemaakt worden, die van niets wisten. Het aan een naaien van den bol (mijn bestek eens gemaakt en na herhaalde berekeningen bepaald zijnde) had geenerlei zwarigheid. Het wasschen der naden en voegsels, en het inrichten en vastmaken der touwen was aan meer bedenklijkheid onderhevig. Vooral ’t vast maken van de halspijp met de schroeven, waar de brandbare lucht door in- en uitgelaten zou worden. Want dat het schuitjen het minst was, behoeft niet gezegd te worden. Maar ik vreesde ten uiterste voor de ontvlamming dier brandbare lucht by het vullen, en wist niet hoe genoeg maatregelen daar tegen te nemen. Met dit alles begrijpt men licht, waarom ik deze soort van aërostaat voor de Montgolfiere verkoor, die van ’t stoken van vuur in mijn schuitjen afhing, dat ik wantrouwde op mijn reis te kunnen onderhouden en matigen. Het zou noodeloos zijn, alle voorzorgen, die ik van toen af, reeds beraamde, of naderhand in der daad aanwendde, te willen beschrijven, en waarvan sommigen (ik verberg het niet) kinderlijk en belachelijk waren.
Ik gaf dan een lijst van behoeften; en, toen die behoeften tot mijn groote verwondering werklijk daar waren, moest ik aan de werklieden, die men my wist aan te wijzen, hunnen arbeid opgeven, afmeten, voortrekken en voordoen, zou er iets van de zaak in stand komen.
Nog echter dacht ik het werk aan den wal te schuiven. Zeer gaarne, gaf ik voor, de luchtreis aan te nemen, maar voor ééne zaak zeer beducht te zijn. „Het was my niet mooglijk, op eene hoogte als die ik zou moeten bereiken, en die het niet van my afhing volstrekt te regelen, by het rondzien op mijnen weg niet misschien, schoon onwillig, het oog te slaan op eene der tuinen of daken waar zich vrouwen bevonden. En hier aan wilde ik niet schuldig worden.” Dit maakte wel eenigen indruk, maar weldra vond men uit dat ik Christen, en Frank, en Arts was; in de twee eerste hoedanigheden geene oogen voor vrouwen had, en in de laatste haar zien mocht: zoo dat niemand voor my zijn geliefde had weg te stoppen. Ik kon dus vrij opvaren en een onbekommerd oog om my werpen.
Maar hy, die my verzellen zal, zei ik? Want zonder hem aanvaard ik den tocht niet. Ik kan alleen het vaartuig niet sturen. Nu eens moet de pijpschroef dus, dan weêr anders gedraaid worden; nu moet de vracht meêr naar de eene, en dan naar de andere zijde verlegd worden. Dan moet ik met den wind omwenden; dan eens de wolken doorsnijden, dan ze vermijden of uit den weg gaan. En onder dit alles moet ik den barometer in ’t oog houden, die my voor kompas dient, en waardoor ik de hoogte van mijn vlucht meten moet. Ik zwijg van het geen my tot roer, riemen, zeil, in geval het te pas koomt, verstrekt, en van het valscherm in gereedheid te houden, zoo iets ongelukkigs gebeuren mocht. De noodzakelijkheid alleen van den barometer in een rechten stand te houden, dien ik nergens plaatsen kan, dwingt my, iemand met mij te nemen, en maakt buiten dit, alles onmogelijk.
Men vond dit gewichtiger. Maar na eenigen tijd overleg, gaf de Emir der plaats, tot wien nu de zaak reeds gekomen was, een volstrekte last, om alom door zijn rechtsgebied, heel den dag dat die luchttocht geschieden zou, en tot dat hy geheel afgeloopen zou zijn, alle vrouwen onder dak te houden. Ongelukkige vrouwen, zoo zy geen lucht mogen scheppen eer dit afloopen daar gebleken zal zijn! want veellicht, dat de tijding van mijn wedervaren nooit tot dat hoekjen der wareld koomt.—Het is klaar, dat de Emir daar nu meê gemengd zijnde, ik nog te minder te rug kon. Het was een gedwongen spel geworden.
Van de werklieden had ik geene verwachting ter wareld; ik vond echter reden om van hun te vrede te zijn. Daar was netheid en naauwkeurigheid in hun arbeid; ’t geen te meer bevreemden moest, daar hun werktuigen-zelve zeer onvolkomen, en zelfs in veel opzichten vrij gebrekkig moesten heeten. Maar zy waren aan zoodanig gereedschap gewend, en der handeling daarvan, meester; wat anders behoefde men? In ’t kort: mijn ballon kwam gereed, mijn schuitjen was fraai, en het koordwerk zeer wel gevlochten. Ik had er een tafel en twee zitplaatsen in doen maken, en de twee punten tot voorraad geschikt, terwijl ik onder een tusschengrond een ballast van lood had gelegd ten einde het zwaarte punt beneden my te houden. Mijn voorraad bestond in eenigen tweebak, weinig gerooste garst, een goed kooksel rijst met lamsvleesch, en een aantal kruiken en houten flesschen zoo met melk als met water gevuld. Een glazen met stroo omvlochten flesch Sciroswijn werd door een van mijn Perzische reisgezellen daar nog bygevoegd. Dezen kleinen opleg aanziende, verbeeldde ik my den proviant der Vestaalsche maagd die het outervuur had laten uitgaan, en ik achtte my in den zelfden staat te zijn.
Lang hadden deze toebereidsels geduurd. Schoon ik niet zeggen kan, dat ik er spoediger meê gereed wenschte te komen, verveelden zy my echter niet weinig; maar de teerling was eenmaal geworpen. Lang duurden zy ook voor het ongeduld van die genen, die de benoodigdheden opleverden: want niets kwam hun wonderlijker voor, dan het geen ik onvoorzichtig genoeg geweest was om te belooven, en ik weet niet of zy het geloofden. Ik zou zelfs schier denken, dat zy my voor een soort van goochelaar hielden, die zulke onnatuurlijke zaken aannemende, hen te loor dacht te stellen, met, als het oogenblik daar was, een kring in de lucht te slaan en te verdwijnen. Ten minste verhaalde men my en elkander somwijlen van landloopers, die een zalf machtig waren, waarmeê zy zich smeerden, en dan ieder onzichtbaar wierden, of die geesten bezworen hadden, die hen wegvoerden. „Maar ik had hun toegezegd, voor hun oog op te gaan, niet te verdwijnen, en dit, met een luchtbal, en niet door het middel van geesten. Zy zagen ook wel, dat ik geen ijzeren ring aan de vingers had. Ook niet aan de teenen, hadden zy opgemerkt. En dat ik een betooverden gordel mocht hebben, vertrouwden zy niet.” Ik toonde hun, geenen anderen te dragen dan den gewonen, en verwisselde dien tegen een anderen van een van hun, als of hy my wat te naauw waar geweest. Doch ook dit scheen hun alle achterdocht niet te kunnen ontnemen.—Dan, hoe het daar mede zij, alles werd vaardig, en de dag kwam, dat de luchtvaart geschieden moest.
Mijn omslachtige toestel tot het vullen, en de angst, waarmeê ik dit in het werk stelde, daar latende, vergenoeg ik my met te zeggen, dat dit, tegen al wat ik vreesde, of, liever, verwachtte, zeer wel in zijn werk ging. De vlakte, waar het geschiedde, was ruim, en met paal- en touwwerk afgezet. De bol had van boven een ring, door welken heen eene menigte touwen hem aan de aarde vasthielden. Deze touwen werden door groote palen ondersteund, die door hun middel den nog ledigen bol op eene bekwame hoogte hielden, doch die neêrvielen zoo dra hy zich onder het vullen ophief. De pinnen, die de touwen in ’t rond aan den grond vast maakten, vereenigden zich in het middelpunt in een eenig touw, dat door een opening in den bodem van ’t schuitjen was doorgestoken, en dus kon ik, in ’t schuitjen geplaatst, met een eenigen draai van de hand dezen allen te gelijker tijd los rukken. Het schuitjen, van onder niet zeer spits toeloopende, stond op eene stelling daar toe gemaakt, en was met den voorraad bevracht. Ik bevond my daarin met mijn medeluchtreiziger, en bestierde het vullen, waar van ik de materialen om my had. Ik begreep nu die allen niet te kunnen gebruiken, en uit schaamte pakte ik een goed deel daarvan onder in het schuitjen, om in plaats van de staven loods te strekken die ik tot ballast had laten vervaardigen; ten einde den misslag van mijn rekening dus te bedekken.—De touwen verhieven zich, de standpalen vielen.—Nu begon de zaak voor de aanschouwers een zeer ernstig aanzien te krijgen. De touwen spanden. Ik sloot de buis van den luchtbol, en my in ’s hemels handen bevelende, draaide ik de grondpinnen eensklaps los. De bol steeg, en wy mistten grond. Bism’illah! riep ik, wy rijzen, en alles in ’t ronde verbleekte. Ik zag om my, of ook ergens iets vasthaken mocht, en, zie daar Joussouf mijn’ medereiziger, die zich hals over hoofd over boord wierp! Ik vermoed, dat de angst hem dit ingaf, want ik hoorde hem roepen: God dank! en in een oogenblik was ik verr’ boven alle gebouwen. Joussouf was een man van wel derdhalfhonderd pond zwaarte. Ik had nu die derdhalfhonderd pond minder aan vracht. Dit verschil was veellicht een vijfde of zesde van ’t gene de bol (zijn eigen gewicht daar onder gerekend) voeren moest. Dit gaf hem derhalve grooter snelheid in ’t klimmen. En gewis had ik den bol voor de vracht, waar ik staat op maakte, alreeds veel te groot genomen. Het gene my verder gebeurde, maakt dit meer dan waarschijnlijk.
De snelheid, waar mede ik opging, ontstelde my. En dit nog te meer daar ik te gelijk een geweldigen wind uit het Noorden bemerkte, waar ik eerst geen acht op gegeven had, en die ik nu dacht dat my wellicht naar de zee drijven kon eer ik weder grond winnen mocht. Ik was duizelig, en zette my op den grond van het schuitjen neêr. Hoe hoog ik ging was niet te gissen; want, naar mijn barometer omziende, vond ik dien gebroken, en een stuk daar van geheel weg. Zekerlijk had Joussouf hem vast, zoo als ik belast had by ’t opgaan te doen, en is hy met dien in de hand omgeslagen. Ik had ook, meer dan waarschijnlijk, niet genoeg bedaardheid van geest, om daar van, het zij berekening, het zij zelfs eenvoudige opteekening in mijn zakboekjen te doen. Mijn hoofd en bost klopte geweldig, en welhaast kon ik niet zien. Ik had niets van het geen beneden my was kunnen bespeuren, en nu schemerden my de oogen dermate, dat ik niet wist of het dag dan nacht was. Ik greep den fles Sciroswijn, maar het geen ik er van nam, baatte my niet. Nu begon ik te hijgen; toen, bloed te spuwen; en tevens werd ik door eene ontzetlijke koude bevangen. By dit alles had ik het besef niet, den schroefpijp te vatten, en eenige lucht uit te laten, waartoe hy met dubbele schroefkranen en kleppen voorzien was, door ’t welke ik noodwendig had moeten dalen. Ik steeg dus al hooger en hooger. Ik werd slaperig en gevoelloos, en weet niet, wat toen met my voorviel, noch ook hoe lang dees mijn toestand duurde. Dit weet ik, dat ik my wedervond in mijn vaartuig, de luchtbol daarby liggende, slap en met een scheur opgereten, zoo als ook eenige der koorden van een gescheurd waren. Maar het was op een geheel andere plaats, dan ik ooit my had kunnen in ’t hoofd halen.
Ik zag my op een vlakte, met kruiden bedekt, doch die ik niet kende, en naby een water. In ’t rond zag ik bergen, of liever heuvelen, want zy waren niet aanmerklijk in hoogte. De geheele grond was oneven, en er stonden verscheiden boomen, meest heesterachtig; weinige zoo groot, dat zy met top en al den naakten stam eener welopgewassen linde bereikten. Zy hadden in ’t voorkomen iets van het bleeke hulstgroen, anderen van dat van de wilge. Ik zag geenerlei levend wezen. Ik schepte met de hand eenig water, dat brak en zwavelachtig was; zag om naar eenige vruchten, maar bemerkte er geen. Ik vreesde het ondergaan van de zon, die laag stond, en werd ten uiterste over mijn’ toestand bekommerd. Geen plaats daaromtrent deed zich op, waar ik veilig voor het wild gedierte zou mogen vernachten. Ik zocht eenige dorre of van den wind afgeschudde bladen by een, sneed eenige boomtakken af, drukte die in den meêgevenden grond, vlocht er anderen door, en maakte my daar mede een soort van doorzichtige tent, waaronder ik my een leger van de bladen bereidde, in welke ik, om Homerus denkbeeld te gebruiken[4], my als een vuurkool mocht inrekenen. Daar in leidde ik mij neêr, doch sliep niet. Ik voelde nu pijn in de lenden en in ’t achterhoofd, en erinnerde my een geweldigen schok, met wien ik tot my-zelven gekomen was. Ik sliep niet; doch ik mijmerde, en drong my op, geslapen te hebben, als ik na lang liggens, uitziende, bevond dat het dag was. De zon stond even boven den zichteinder. Ik had te voren haar standplaats niet opgemerkt, en ontwaarde derhalve niet, dat zy de zelfde gebleven was. Ik zag nu ook de maan, als in iets meer dan haar eerste kwartier, maar ontzachlijk groot, en wat my zeer vreemd was, genoegzaam in ’t zenith staande. Ik verliet mijn kreb, of veldbed, zoo men ’t noemen wil, en zag om, naar het geen ik by mijne opvaart had meêgenomen.
[4] Odyss. E.
Mijn voorraad was behouden gebleven schoon vrij wat door een geschud, en meestal rondom mijn schuitjen en uit elkander gesmeten op den grond liggende. Ik zamelde dien by een, zoo veel ik vermocht, at, stak een gedeelte by my, begroef het overige in een kuil, dien ik, zoo goed of kwaad het my mogelijk was, in den grond dolf, met gebladerde strooide, en voorts weder toemaakte, en, ter herkenning, met een ingekerfden tak teekende. En dit verricht hebbende, besloot ik, op kondschap of onderzoek van het land, uit te gaan. Over het meer, aan welks oever ik aangeland was, zag ik een gebergte (reeds merkte ik op, dat het niet zeer hoog was), waar henen een verheven gedeelte van den grond my den weg scheen te wijzen, en vond goed, dezen weg in te slaan.
Ik was welhaast aan ’t gebergte. Hier vond ik sporen van uitgebrande volkanen, dan wier kolken of kelken geenen grooten omvang hadden. Eenige staken spits en zeer kegelachtig boven het overige der hoogte uit, maar de algemeene rug, die hun samenhang vormde, was glooiend en verre van steil. Het geboomte was weinig, de wind schraal, doch van geringe kracht; en ik vernam niets levends of dat zich roerde, dan een soort van kleine struisvogels, die een heesch geluid gaven, en op mijne nadering als verschrikt door een liepen. Ik zag hier en daar eenige holen als van konijnen. Ook hoorde ik daaromtrent het klapperen en snateren van gevogelte, dat zich opdeed, niet ongelijk aan eendvogels. Ik nam de party van te rug te keeren om de plaats waar mijn voorraad gebleven was, door geen onvoorzichtig omdwalen te verliezen; en besloot by de nacht op dien plek de gestarnten oplettend in acht te nemen, ten einde, by gebreke van alle geleiding of onderrecht, my daarnaar te richten.
Eene zeer geruime poos had ik op het vallen van den avond zitten toeven, wanneer ik eerst opmerkte, dat de stand der zon in ’t geheel niet zichtbaar veranderde. Met de rechter zijde naar ’t gebergte gekeerd, had ik haar aan de linkerhand gehad toen ik uit mijn slaapstede opstond, en zy was nog daar, en op even de zelfde hoogte; en zoo herinnerde ik my nu, haar ook by mijne aankomst gezien te hebben. Ik sloeg ’t oog op de maan, die meer dan de helft verlicht was, en ook steeds haar plaats scheen te houden. In deze, die my ruim zoo vreemd voorkwam, als al wat ik voor oogen had, en veel helderer was, dan zy my ooit in mijn leven by den dag was voorgekomen, (van haar buitengewone grootte sprak ik reeds) werd ik, na lang turen, eene aanhoudende verandering harer vlekken gewaar, die aan de eene zijde verdwenen, aan de andere opkwamen, en my van hare omwenteling overtuigden. Deze vlekken-zelven waren geheel anders dan ik ooit bespeurd had, en in plaats van het mannetjen met zijn takkebos op den schouder, die er in Engeland in gezien wordt, of het onbeduidend tronietjen dat het gemeen op het vaste land daarin vindt, docht my, er het profiel van een neushoorn met geopenden muil in te zien, doch die zich weldra in de omwending verloor. De zelfde beeltenis echter kwam my naderhand meermalen voor, maar toen was zy my nieuw en treffende. Ik twijfelde duizendmaal aan alles; ik wreef mijne oogen, en zag en beschouwde op nieuw; maar deze verschijnsels bleven voortduren. Beide zon en maan veranderden niet van stand voor my; en de afgrijslyk groote maan wendde zich om. Ook viel er geen avond, maar de dag duurde steeds voort. Ik verloor my in al deze vreemdigheid, en een aaklige schroom voor ik weet niet wat, dat my over mocht komen, vervulde my.
Ik had my opgedrongen, geslapen te hebben, en een nacht ondersteld, maar er geen gezien: Ja, in tegendeel, altijd den zelfden zonnestand waargenomen. Nu overtrof de tijd dat ik, zonder mij met iets anders bezig te houden, op de nacht gewacht had, zeer zeker meer dan een etmaal, en ik schatte hem wel op twee dag- en nachtwisselingen. Ik moest dus besluiten, dat ter plaatse waar ik my onthield gene nacht viel. Ik kon echter niet buiten den poolcirkel zijn, want de koude was my niet hinderlijk, ook was het het boven den horizont blijven van de zon en maan niet alleen dat my wonderbaar was, maar zy beschreven geen zichtbaren loop. Ik was als betooverd, verzonk in gedachten, lei my neêr op den grond; en waarschijnlyk duurde ’t nog wel den tijd van een dag of meer, dat ik nu eens inslapende, dan weêr wakker, en al telkens op nieuw het gezicht op twee hemellichten vestigende, in dezen mistroostigen staat, vol van angst en twijfel bleef voortleven, en intusschen het geen ik nog had, verteerde. Eindelijk, de nood dwong my, en ik moest my vermannen om den eerstbegonnen tocht te hervatten, waarvan mijn behoud afhing. Wat ik wonderlijks zag, moest ik opgeven: dit zou zich veellicht nader verklaren; voedsel was de hoofdzaak en dringendst, en dit moest ik zoeken; daarna, menschen. Wat was my het overige?
Ik ging dan andermaal den weg van ’t gebergte op.—Ik was eenigzins wild in het hoofd, vond dat de lucht my de borst belemmerde, ’tgeen ik aan het doorgestane op mijn zonderlinge reis toeschreef, en het denken vermoeide my zoo wel als het gaan: ook waren mijn denkbeelden verward, als die van een kind, voor het eerst een schouwspel bywonende, waar hem tooveryen en spookvertooningen voor het oog gebracht worden, waarvan hy niet weet wat te maken of te gelooven.
Het zou te wijdloopig zijn, hoe ik mijnen eersten weg met een stouten stap en op alles achtgevend gezicht hervattende, tot de ontdekking kwam van een aardvrucht, die in de dalen vrij algemeen onder den grond wies, en om welke op te sporen en op te delven de veelvuldige gaten die my eerst konijnholen schenen, door de dieren gemaakt werden. Ik zal by ’t uitvoerige bericht, het welk ik my voorstelle van mijn reis door die wareld in ’t licht te geven, deze vrucht nader doen kennen, zoo wel als het geen my verder omtrent het plantwezen, en de overige natuurrijken, heeft mogen gebeuren waar te nemen. Thands vergenoege ik my, met te melden dat dit voorbrengsel, na dat mijn geringe reisvoorraad op was, mijn eenig voedsel heeft uitgemaakt. De ontdekking was vertroostend voor my. Ik vond de spijs flaauw, maar niet gants onsmakelijk, en kon er my meê onderhouden.
Het gedierte was schuw en vlood voor my. Ik verraste een der struisvogelen, gelijk ik ze om het algemeen beloop hunner gedaante blijf noemen, schoon hun snavel geheel van die der struissen verschillend, zwaar beenig, en van een lepelaarachtige vorm, doch minder lang dan by die soorte, en eenigzins naar boven gekromd was. Hun hals desgelijks was dikker. Ook hun klaauwen verschilden aanmerklijk van die van ’t geslacht waarvan ik den naam op hen toepasse. Doch zy vlogen volstrekt niet, alleenlijk somtijds een sprong doende, waarby zy hun vleugels dan uitbreidden. Hun kleur was een blaauwachtig graauw; en deze was ook aan al het overig gevogelte dat ik in deze wareld beschouwd heb, met eene geringe verscheidenheid tusschen lichter of bleeker, en meer of minder naar ’t blaauw trekkend, gemeen. Dien ik mijn gevangen maakte, stond in dat oogenblik met het hoofd en de hals verr’ in de aarde te boren. Ik doodde, en gedeeltelijk plukte, gedeeltelijk vilde ik hem. Maar ik had geen vuur. Dit trachtte ik wel door het tegen een wrijven van schorsen, of stukken houts, die ik van de boomen sneed, voort te brengen; maar het mislukte my, op welk eene wijze ik het ook bezocht. Ook was al het hout dat ik afsneed, tot dit einde te vochtig, en er scheen alle harstachtigheid aan te ontbreken. Ik besloot toen, mijn prooi in den wind te droogen, en hing hem op een plaats, die my daar geschikt toe scheen, over een dorren boomtak: dan nooit wist ik die plaats weder te vinden. Van de eendvogels kon ik er geene machtig worden. Naderhand vond ik aan de oevers der meeren een zekere schelpvisch, maar ik vreesde die te eten, zoo lang ik niet gezien had dat dieren die aten, en dit heb ik by mijn verblijf op dien grond niet ontdekt.—Doch ik moet by mijn aangevangen tocht blijven.
Ik verlangde, als natuurlijk, naar zoet, en, zoo wy het gewoon zijn te noemen, drinkbaar water. Rivieren vond ik niet, zoo men op eene enkele plaats eene opborling van een meer dan laauw, stinkend, onzuiver water, dat een eind weegs langs een hellenden grond afvloeide, en daar staan bleef, uitzondert, en dit dien naam dragen kan. Mijn dorst echter was lijdelijk, wanneer ik my tusschen de bergen in de laagte bevond. Op de hoogten vermeerde zy zeer aanmerklijk; en dit dreef my telkens naar de valleien. Ik merkte dit naauwlijks op, of ik nam tevens waar, dat alles tot zekere hoogte in een waterdamp stond, dichter dan die men by ons in de zomer- of herfstavondstonden op de weiden gewaar wordt; en dien damp heb ik altijd en zonder afwisseling op den grond gezien. Ik had echter noodig te drinken, en moest my dus met het water der meeren behelpen; doch allengs gewende ik, zeldzamer te drinken. Van de dieren heb ik wel baden in ’t water, doch geen kennelijk drinken gezien. Voedsel dat dorstverwekkend was vond ik ook niet, zoo min als dat dorst versloeg. Hoe zeer aan alles gewoon wordende, heb ik echter nooit eene hoogte van slechts weinige vademen kunnen beklimmen, of de dorst werd my lastig, en al spoedig onverduurbaar. Aan eenige struiken en heestergewassen vond ik een soort van bezien met een taai vocht, maar met kleine wurmen vervuld, en deze boomtjens zeer sterk met kruipend gedierte beladen, de grootsten van een halve vinger lengte. ’t Scheen my naderhand toe, dat de boomgewassen alleenlijk voor het kruipend gedierte, de aardvruchten voor de vogelen waren: viervoetige dieren vond ik niet.
Daar ik in de dieren geen roovenden, vleeschetenden, of beschadigenden aart kon bespeuren (want noch de bek, noch de nagels droegen daar eenig bewijs van), en de kruipende beestjens zich even zoo zeer op hun heesters als de schelpdieren in ’t water schenen te houden, verging mijn bevreesdheid, en ik lei my, vermoeid zijnde, onbekommerd neêr; waar ik dan ook doorgaands insliep, en, na de verkwikking des slaaps, mijnen weg vervolgde. Aardvruchten vond ik alom, en meestal wezen de gemaakte holen in den grond my den weg, waar zy rijklijkst en rijp waren. Ik had voor het overige een fles met water gevuld, dat ik spaarzaam gebruikte. Zijn brakheid beval het den smaak niet sterk aan; ik ontwendde het drinken meer en meer; ik vermijdde de dorre hoogten, en hield my in de vochtige laagten; ik voegde daar een veelvuldig baden by; en mijn fles duurde lang.
Geen dieren schenen op elkander te azen. My ook verging dra de lust naar het vleesch, en zoo ik somtijds den inval kreeg om te zien, dat ik eenig gedierte verstrikte of ving, bedacht ik dat de prikkelende dierlijke geesten my dorst mochten verwekken, waarvoor ik zeer vreesde. Ik begon dit land te beschouwen als niet geschikt voor het vleescheten. Alles had den schijn en het voorkomen van dit aan te kondigen, en ik onthield er my van, zonder enig gevoel van ontbering.
Somwijlen dacht ik, zoo de dieren elkander niet eten, wat wordt van hun lijken; en ik nam voor, aan dit voorwerp eene bijzondere opmerkzaamheid te geven. Ik vond genoegzaam geen lijken van de struisvogels dan onder de heesterstruiken, waarvan ik gemeld heb, als of zy hun tijd uitgeleefd hebbende, zich daar eene sterfkoets zochten. Van de eendvogels geene lijken in het geheel. Veellicht dat dezen zich ten zelfden einde in het water lieten nederzijgen.
Dikwijls als ik nederzat, dacht ik over de wijs van eenige zekerheid voor mijne reisroutes te hebben, of de plaats van waar ik vertrokken was, weder te vinden. De volstandige hoogte der maan, die, hoezeer by de plaatsverwisseling van mijn reis verandering ondergaan hebbende, echter nog altijd zeer ongewoon bleef, dwong my de onderstelling af dat ik tusschen de keerkringen moest zijn; en de onveranderde stand der zon daarby, dat de aard by een wonderwerk stil stond. Ik had ook nog geen aanmerklijk verschil tusschen haar beider betreklijken stand opgemerkt, alhoewel het my somtijds voorkwam, of hare onderlinge afstand iets minder wierd. Ik bleef ze dus als stilstaande houden. Het was en bleef dag. Geen gestarnte, geen parallaxis, voor my waar te nemen. Alleen de verwijdering van de zon kon (dus begreep ik ’t) my deze onder den horizont brengen en nacht geven. Ik was begeerig nacht te zien, en nam mijne reis, zoo veel doenlijk, rechtlijnig van de zon af, de maan in het zenith houdende. Ik merkte een bergspits op, die met my en de zon in een rechte lijn stond, en ik stelde my deze ten doel om op af te gaan.
Al wandelende berekende ik ten ruwste, hoe veel uren gaans ik wel afleggen moest, om de zon, nu, gelijk ik het schatte, omtrent 15° boven den zichteinder, en daar staan blijvende, beneden de kim te krijgen. Het getal was niet aanmoedigend; maar ik had den tijd. Echter geenerlei kans ziende om den voortgang in tijd dien ik maakte, te erkennen, daar er geen dag- en nachtverwisseling was, zag ik daadlijk dat mijn rekening my niets baten mocht, en al het bewijs dat ik van mijn vordering hebben kon in de werklijke daling der zon moest bestaan. Intusschen, het geen ik in ’t eerst niet bemerkt had, naderhand flaauw, en onzeker of ik ’t wel opmerkte, werd my nu kennelijk en zeker: De zon en de maan naderden zich; en het licht der laatste nam daarby zoodanig af, dat ik er slechts een flaauwen en als schemerenden rand van te zien hield, die welhaast in de meerder nabyheid der zon zich verloor. Doch in plaats van de zon te zien dalen, zoo als ik door mijne verwijdering my verbeeld hadde, rees zy en stond wanneer ik de maan niet meer zag na aan ’t toppunt, het geen zy weldra besteeg. De maan was welhaast weêr zichtbaar aan de andere zijde der zon; en nu was mijn weg die eerst van de zon afgekeerd was geweest, naar de zon toe: of liever, de zon was my voorgegaan. Ik kon haar niet inhalen; en besloot, nu zy ging, stil te staan, en ter plaats waar ik was, de nacht af te wachten, die ik eerst zoeken ging, maar die my nu zelve wel haast stond op te komen.—Ik was nu overtuigd, dat er wederom nacht en dag was; maar met één, dat zy veel langer duurden, dewijl ik in één dag de maan afgaande en vernieuwd had gezien. En ik merkte tevens op, dat de verlichting in die twee kwartieren geheel omgekeerd was van het geen ik haar altijd gekend hadde. De horens hadden te voren naar mijn linkerhand gekeerd gestaan, en nu stonden zy by de herschijning naar mijn rechterhand heen gewend. Dit-alleen had my alles moeten verklaren; maar ik was zoo verr’ van het denkbeeld van buiten den aardbol te zijn, dat al wat ik zag en opmerkte, my een raadsel bleef. Ik maakte my nu geen tentbed, maar wat ruimer tentjen van takken om schaduw te hebben, en toefde de nacht.
Dit echter, indien ik het zeggen zal, was loutere weelde van my, want de zon was my in der daad niet te heet op het hoofd, en de wind altijd vrij gematigd, zoo dat ik zoo min storm of onweêr als eenige regen beproefd heb, al den tijd van mijn verblijf op dien aardbodem. Ik zag er zelfs geene eigenlijke wolken; alleen nu en dan was de lucht iets minder helder, en alsdan de warmte grooter; doch te gelijker tijd vond ik my dan de borst beter, en my minder spoedig door ’t gaan afgemat. Het scheen of de dampen, die gewoonlijk slechts eenige voeten hoog rezen, en waaraan ik het toeschreef dat de beenen my opzwollen, alsdan hooger rezen; doch nooit in die maat, dat zy den hemel-zelf plaatslijk bedekten. Ook het onderscheid van hitte toen de zon in het toppunt was, van toen zy vrij laag stond, merkte ik naauwlijks op. De dampkring waarin ik hier leefde, was blijkbaar verschillend van die ik ooit beproefd had. Dit werd my steeds duidelijker.
Ik was hier in eene vallei van groote uitgebreidheid die halvemaanswyze zich boog om een meer, waar ik voor het eerst andere dan schelpvisch zag. Deze was een soort van platvisch, en daar ik bepaald had hier te blijven tot de zon onder mocht gaan, en den dag die my langer dan veertien dagen gevallen was, eindigen, kwam ik op den inval van te visschen. Ik dacht dezen platvisch gedroogd te kunnen nuttigen, en mijn vrees voor de dorst zweeg. Ik had echter noch net, noch touw om een net te vervaardigen. Ik stak een aardvrucht aan een boomtak, maar de visch wilde niet aanbijten, alschoon hy op de brokken aasde die ik in ’t water uitstrooide. Mijn oogmerk derhalve verviel. De soort van eendvogels waarvan ik gemeld heb, vlogen hier af en aan. Nu, zich in het nat dompelende, dan zwemmende, dan weêr op den oever omhuppelende, dan weêr wegvliegende, hielden zy my door de verscheidenheid van hun soorten, hoezeer allen graauwgevederd, en door de meerdere zachtheid van hun kreet, die in sommigen zelfs iets zangerigs had, bezig. Ik teekende hier wat ik zag, in mijn zakboekjen af, zoo veel ’t weinige wit papier, dat daar nog in overig was, toeliet; en het zijn deze afbeeldingen die ik in mijne uitvoerige reisbeschrijving zal meêdeelen, ten welken einde zy werklijk in het koper gebracht worden.
Hier herinnerde ik my ook, dat ik tot nog geene eieren, het zij van de eenden, hetzij van de struissen, ontmoet had; die echter misschien een goed voedsel konden opleveren. Ik besloot er naar om te zien. Sedert vond ik eenige eendvogeleiers, maar zonder harden schil en alleen in een vlies omvat, en veel te verr’ heen om eetbaar te zijn, aan een oever van ’t meertjen. Van de struisvogels heb ik er geene in ’t geheel gezien, ook geen geheel kleine kiekens. Het schijnt dat zy zich om te leggen en te broeden wisten af te zonderen waar ik hen nooit beloerd of betrapt heb, en van daar niet wederkeerden dan wanneer hunne jongen reeds vrij wat in grootte en krachten gewonnen hadden.
Het duurde nu niet lang of ’t werd avond, en, na eenen zeer langzamen overgang, nacht. Doch die nacht, door den onbegrijplijken luister der maan verlicht, was vrij helderer dan menige wintersche dag. Ik kon my niet genoeg verwonderen over de grootte der maan, die al voller werd naar mate de nacht groeide. Het was thands dat ik den overgang der vlakken, en door dezen, de omwenteling, kennelijker onderscheidde. Lang staarde ik dit nieuwe schouwspel met verwondering aan. De geheele schijf had echter minder verscheidenheid van licht dan wanneer zy minder vol was, en de vlakken waren dus gedeeltelijk flaauwer. Het had iets van het achterste van een mappemonde, waarvan de voornaamste trekken doorgedrukt zijn. Slechts twee der planeeten vielen my in het oog: Venus, die ik duidlijk herkende, en, waarschijnelijk, Mars. Ik zag ook de gestarnten, maar flaauw en zeer onduidelijk, daar de glans der maan haar verdoofde. In een vrij geruimen tijd, en na een herhaalde waarneming in die nacht, die niet heel veel minder lang was dan de dag die haar voor had gegaan, en die ik in verscheiden waak- en sluimertijden verdeelde, bespeurde ik nu ook de algemeene beweging des hemels, maar zeer flaauw en langzaam, en ik vond niet dat hy om den pool- of noordstar draaide. Deze star-zelve beschreef een aanmerkelijken kring, en de pool scheen veranderd. Eindelijk, alles wees my, dat het middelpunt der beweging, zoo veel ik zonder gereedschap of toestel, met het oog na kon gaan, ongevaar 20° van haar verschilde.
Eens, terwijl ik zeer oplettend op het luisterrijk hemellichaam staarde, dat ik nog voor de maan hield, en waarin ik echter de maan niet herkennen kon, zag ik een vlak, die trager dan de overige dreef. Hy deed zich slechts als een klein stipjen voor, dat in de glans van het licht der schijf verzwolgen wierd, en verdween spoedig, zoo dat ik het naauwlijks bespeurde. Het scheen my iets van een soort van maanverduistering te hebben; als of een tusschen beide geplaatst lichaam, door den bol waarop ik my bevond overschaduwd wierd, en dus tegen den helderen grond van de maanschijn zichtbaar wierd, tot het deze schaduw door was gegaan. Het verschijnsel was mijn gezicht wel niet klaar (want ook dit had in mijn kort verblijf in dit vreemde land gants niet weinig geleden), en wellicht was het bloote verbeelding, of iets in den dampkring, dat my voor ’t oog zweefde, maar het herriep my de tusschen- of ondermanen, waar van in mijne Inleiding, en waar ik in langen tijd niet aan gedacht had.
Nu begon ik alles, wat ik waargenomen had by een te trekken, en het was of my in eens een lichtstraal opging by het denkbeeld: het is niet de maan, maar de aardbol dien ik voor oogen heb; en die aardbodem, waarop ik my thands bevinde, is de maan. Dit eene loste my alle verschijnsels op. Maar nog naauwlijks in gepeins geraakt over de mogelijkheid hoe ik met mijn luchtbol tot den maanbol had kunnen naderen, werd ik door een ander schouwspel getroffen: Een tweede maan, kleiner dan ik de maan in mijn leven gezien had, maar volkomen met hare vlakken geteekend, deed zich op naast de groote en van achter haar, bleeker dan ooit. Zy verwijderde zich van de grootere, scheen my in die verwijdering zelve, in grootte iets toe te nemen, zoo wel als in de kracht van haar licht, even als of zy my nader by kwam; en wanneer de grootere, die ik nu voor den aardbol hield, begon te verminderen, nam zy desgelijks af, tot zy, na eenige mijner nachtwaken overgeduurd te hebben, in het ander gedeelte des hemels verdween.
Thands had ik de maan-zelve herkend, en dit bevestigde my te gelijk in het denkbeeld, dat de groote luisterrijke bol, de aardbol-zelf was, en, dat ik my niet op de maan vond. Waar dan ben ik? vroeg ik my, of wat is de bol van mijn tegenwoordig verblijf?—De verschijnselen hadden my overtuigd, dat hy een loop om de aarde had, die met die der maan overeenkwam; dat deze loopbaan tusschen de aarde en de maan was; en dat hy deze loopbaan in iets langer dan de maan haren kring, afleide.—Ik zal deze weinige punten kortelijk opnemen.
Vooreerst dan: de bol waarop ik was, had een loop om de aarde als die der maan. Want hy was nu achtereenvolgende tegen de linker halfverlichte, de duistere, de rechter halfverlichte, en de geheelverlichte zijde der aarde overgesteld geweest. In den eerstgemelden stand had hy de zon ter linkerzijde; in den tweeden, boven zich; in den derden, ter rechterzijde; en in den vierden onder zich. En deze standen zijn zoo in haar opvolging als anderzins even als die van de maan.
Ten anderen: de bol bevindt zich tusschen de aarde en de maan, want zijn nachtgetijde was naar de volle maan toegekeerd, wanneer deze in haar versten afstand van de zon was, en wanneer zy tot haren naasten afstand van die geraakte, werd haar duistere zijde zichtbaar, en grooter tot zy verdween, terwijl echter de bol-zelf zich tusschen de zon en de aarde bevond.
Ten derde: de bol voltrekt zijne loopbaan in iets langer dan de maan de hare afloopt. Zoo lang de bol in den stand 1, 2, 3, 4, 5 ten opzichte van den aardbol was, die hier in het middelpunt wordt vertoond, werd geen maan gezien. In het punt 6 werd zy gezien van achter de aarde uitkomende. Zy stond dus, niet meer rechtlijnig achter dezelve. In 5 was zy nog niet gezien, zy was dus toen door de aarde bedekt, en tot in den stand van den bol in 6 bedekt gebleven. Zy had dus een gelijk gedeelte van loopkring met den bol afgelegd, maar nog zoo veel daarboven dat zy nu uit de bedekking der aarde was in het punt a. En dit stemt overeen met het begin van haar afnemen toen de bol in 7 was. De bol had toen, van het zelfde punt 5 te rekenen, een dubbeld deel afgelegd, en de maan dus by haar dubbel deel ook een dubbel gewonnen in b, en alreeds kon haar begin van afnemen zichtbaar zijn. Toen de bol in 8 was, had de maan op gelijk cirkeldeel driemaal haar vordering gewonnen in c, en eer de bol tot het punt 1, waarvan wy zijn loop afrekenen, te rug kwam, moest met gelijke vordering de maan, in d zijnde, reeds niet meer van hare verlichte zîj aanbieden.
Ik begreep dan nu op eene dier ondermanen te zijn, die ik my zoo lang tusschen de aarde en de maan had verbeeld, en meende in den stip dien ik over de aarde had zien gaan, nog een even dergelijken satelliet te erkennen.
Nu begon ik in het onderzoek van dit bolletjen, (want het was inderdaad klein, als ik dra uit alles bevond) een geheel nieuw belang te stellen. De nacht was weldra voorby, en weêrhield my niet meer. Want de duisternis zou my wel niet verhinderd hebben, daar ik voor een zoodanigen maneschijn geenen dag zou verkiezen, en tot mijne waarnemingen, van wat aart ook, geen helderer licht wenschen kon; maar door het omgaan der nacht, bleven die waarnemingen, welke zy alleen op kon leveren, voor zoo lang opgeschort, als de nu aangebroken dag duren moest. Dat is, er moesten nu, eer ik my wederom met de verschijning der verlichte aarde in haar vollen luister verheugen kon, naar onze aardsche rekening ruim drie weken verloopen. Ruim drie weken, zeg ik; want de loop van mijn bol wat trager dan die der maan zijnde, en zoo ik toen vermoedde in de reden van 3 tot omtrent 4, moesten nacht en dag voor my zeven en dertig etmalen duren, en het samenstemmend tijdstip van volle aarde of middernacht zes en twintig dezer etmalen van my verwijderd zijn; welke ik voornam geheel aan den staat van den bol-zelven te koste te leggen.
Met mijn nieuwe denkbeeld vervuld, dacht ik aan geen menschen, noch aan eenig gebrek. Ik gaf mijn planeet den naam van Selenæa; maar bedacht my welhaast en bewaarde dien voor een hoogere ondermaan, die ik my voorstelde weldra te zullen ontdekken, en nam dien van Selenion voor de mijne aan, terwijl ik de lagere en zekerlijk kleinere, die ik meende beneden my en in mijn schaduw over de aardschijf te hebben zien doorgaan, selenidion noemde. Hier meê was de geheele nomenclature voor de toekomstige Maankunde die nu welhaast (dacht ik) geboren moest worden, in volkomen orde. Mijn bol maakte een verdeeling en vestigde die door de haar-alleen eigen naam selenion. Al wat boven dezen was of ontdekt stond te worden, zou selenæa prima, secunda, tertia heeten; al wat tusschen hun en de aarde, selenidion primum, secundum, enz. Recht van harte verheugde ik my in deze uitbreiding der Astronomische kennissen, en de oneindige reeks die ik my voorstelde van al hare toepassingen, invloeden, en uitbreidingen. Hoe weder te keeren naar de aarde, kwam niet in my op: want ik gevoelde daar in die oogenblikken de behoefte niet van. Hoe hier, waar ik was, voort te leven van enkel aardvruchten, zonder middel om mijne kleederen of te vernieuwen of te onderhouden, viel in het geheel in den kring mijner bevattingen niet. Alleen wenschte ik my wel eens papier, ’t geen me ontbrak, en gereedschappen van Meet- en Starrekunst; en, met dezen, had niets aan mijn wenschen gemangeld.
Het was ondertusschen verre van daar, dat ik niet in den grond van mijn hart naar menschen gewenscht zoude hebben. Ik stelde in mijn hoofd alreeds allerlei berichten voor geleerde tijdschriften op. Ik streelde my met mijne ontdekkingen in betrekking tot Starrekunde en Zeevaart. Ik zocht er een nieuw licht in voor de Natuurkunde. In ’t kort, het geheele systema mijner gedachten onderstelde de bekendwording, de mededeeling, de overbrenging mijner ontdekking, op den aardbol, zonder dat mijne verbeelding zich met dat punt eenigzins bezig hield. Punt, dat my naderhand als ik er bepaald op begon te denken, zoo vele bekommering maakte!
Wanneer ik my op mijn vorig reisjen, in het gebergte bevond, en de lust opvatte om de nacht op te zoeken, had ik my van de zon afgekeerd, en in die richting, zoo veel de grond toeliet, mijn weg genomen. Ik was vervolgens te rug gekeerd, maar de aardbol was toen mijn leidstar geweest, en een geheel andere weg had my onder zijn meridaan of laat ik zeggen, hem in mijn zenith gebracht. Maar de plaats, waar ik den aardbol als in ’t zenith geplaatst kon beschouwen, was om zijne grootte, by zijn afstand niet zeer bepaald. Ik had dus het plekjen, waar de overblijfsels van mijn luchtvaartuig te vinden waren, niet weder gevonden, en wist niet, hoe het ooit weder te vinden. Het ware natuurlijk, ten minste verstandigst geweest, daar naar om te zien, en mijne eerste stappen aan te wenden om dit weêr te ontdekken, en dan eenige maatregel te nemen ten einde die overblijfsels die daar op het veld in den vochtigen nevel of waassem vergeten lagen, en door wie alleen, zoo de zaak ooit te wagen was, mijn te rug reis naar de aarde geschieden kon, op wat wijze dan ook, voor het spoedig bederf te bewaren. Maar dit kwam niet by my op. De stand van den bol was nu, als by mijne aankomst van de aarde. Ik was toen rechtsaf gegaan, en nu wilde ik daartegen de linkerhand volgen. Ik had een deel van de helft des bols, die naar de aarde toegekeerd was bezocht, nu wilde ik de andere helft zien aan te doen, alwaar ik veellicht heel iets anders dan struissen en eenden ontmoeten kon.
Inderdaad verbeeldde ik my de mooglijkheid van iets zeer ongemeens. Ik had in mijn jongen tijd eenig werk van de Oostersche talen gemaakt, en by die gelegenheid met de schriften van ouder en later Rabbynen bekendschap gekregen. Bekendschap, die ik, zeker (als ’t gaat) weinig heb aangekweekt, maar waar uit my echter altijd nog denkbeelden en herinneringen door den geest bleven waren. Ons oordeel over de zaken verschilt naar de omstandigheden waarin wy zijn. Het is met de denkbeelden als met kamermeubelen. Wanneer wy ze niet weten te plaatsen waar zy voegen, of er geen gebruik van zien te maken, zoo brengen wy ze op den zolder, en vergeten ze. Daar raakt dan wel eens iets verloren, en het zeggen van den Dichter wordt bewaarheid: