5.
De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo als dit b. v. bij de doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan het innerlijk leven eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden van de werkzaamheid van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de mogelijkheid op te bestaan eener uiting van eene innerlijke voorstelling, en een dergelijke toestand kan niet lang blijven voortduren, zonder dat het ligchamelijk leven wordt uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft zijn ligchaam, wel is waar, voort; de longen, het hart, de lever, de maag, het darmkanaal en alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams houden niet op hunne gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf zinnen zijn als het ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet, ruikt niet, smaakt en gevoelt niet;—de vijf draden zijn afgesneden, de voortplanting der indrukken van buiten naar binnen en omgekeerd heeft opgehouden. Slechts onze vijf zinnen maken het ons mogelijk ons in betrekking te stellen met de buitenwereld en doen ons onze gewaarwordingen uitdrukken door gebaarmaking, door spreken en handelen.