6.
Maar de slapende kan droomen, in den droom denken, ja, zich op de levendigste en duidelijkste wijze voorstellen datgene, of wel iets daarmede overeenkomende, hetwelk hij vroeger in wakenden toestand heeft gedacht of zich voorgesteld. Hieruit volgt, dat de leiddraden gewoonlijk, wel is waar, den indruk van buiten, den prikkel overplanten, waardoor de inwendige knoop der gedachten ontvlamt, maar dat er echter in ’s menschen binnenste iets aanwezig moet zijn, hetwelk ontstoken kan worden en dat, zelfs wanneer de voortplanting der indrukken van buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te bestaan, denkbeelden zich in ons binnenste kunnen ontwikkelen. Het denkvermogen kan geene eigenschap zijn noch der vijf zintuigen, noch van hunne gemeenschappelijke werking, maar moet tot eene bijzondere, zelfstandige kracht behooren, die werkzaam wordt, zoodra die prikkel zijnen invloed er op uitoefent.