7.
Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop dier vijf draden vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling te verbinden, te vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer van verschijnselen waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats grijpt, daaruit af; wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel afhangt van het andere en leeren de werking van de oorzaak onderscheiden; wij onderzoeken den bouw van ons eigen ligchaam en de krachten, welke het leven er van voortbrengen; wij streven er naar om al hetgeen wij waarnemen, te begrijpen;—wij bepeinzen dit alles,—lossen de moeijelijkste vragen op, berekenen en geven honderde jaren vooruit het tijdstip op, waarop natuurverschijnselen zullen plaats hebben, ja, wij trachten het wezen te doorgronden van datzelfde innerlijke denkvermogen, dat ons in staat stelt tot al de opgenoemde overwegingen; wij hebben het duidelijke bewustzijn van deze kracht, zoo als van ons gansche aanwezen;—en al zien wij ook, dat deze kracht aan aardsch, vergankelijk (spoedig wederom tot zijne elementen terugkeerend) stof, de hersenen, is verbonden, wij bezitten niet te min deze met verstand begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar geest of ziel.
In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus, sluimert deze kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan begint te uiten, wanneer de ligchamelijke organen en zintuigen een hoogeren graad van ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan de stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht te uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het aanwezen dier kracht van den oogenblik af dat aan de voorwaarden, vereischt tot het doen ontstaan van een nieuw individu, voldaan is, mag evenmin worden betwijfeld als het geloochend kan worden, dat de slapende, die daar voor ons ligt, denkvermogen bezit, al is het dat hij gedurende den slapenden toestand niet het geringste bewijs er van geeft.
Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder op. Daaruit volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het stoffelijke ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij kunnen niet meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de eenvoudige reden, dat wij niets anders kunnen waarnemen, dan hetgeen op onze vijf zinnen werkt. Een geestelijk wezen, of eene verrigting des geestes daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld, eene gedachte, welke bij een ander mensch opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts, des gevoels, noch onder dat van het gehoor, van den smaak en van het reukzintuig, uithoofde zulks onligchamelijk is.—En al brengen algemeen in de natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge van hare vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden, waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke in het doode ligchaam zeer spoedig weder uitéén gaan, zoo kunnen echter deze chemische en physische krachten de levenskracht zelve niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht, die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam bijeen te blijven en vereenigd te werken. Wij gelooven derhalve aan eene onvergankelijke kracht, die, als een met rede begaafde geest, als ziel in ons leeft.