8.
Door ons verstand weten wij al het overige tot ons doel te gebruiken, en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze heerschappij onderworpen.—Wij hebben ons echter niet zelf geschapen; eene geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee verschillende polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende oorzaak tot ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij namen toe in grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons bezielt, verkreeg eene steeds grooter wordende volkomenheid van uitingsvermogen;—maar weldra zullen wij weder terugzinken in het stof, waaruit wij zijn voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans levend ligchaam zal in zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na eenige tientallen van jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van ter plaatse zal zijn verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij zullen in aarde, water en lucht verspreid worden; andere planten en dieren zullen uit het stof ontstaan, dat thans de deelen van ons ligchaam uitmaakt en—tot dit alles zullen wij niet in het geringste hebben bijgedragen! Wij waren de oorzaak van ons worden niet, wij kunnen ons vergaan niet eene enkele seconde tegenhouden; wij gevoelen ons geheel afhankelijk van eene allergeduchtste kracht, die buiten ons is—en toch zijn wij van ons zelven bewust, eene redelijke ziel leeft en denkt in ons: er moet derhalve eene nog hoogere redelijke ziel zijn dan de onze, welke de oorzaak is van ons aanwezen, zoo mede van dat der gansche schepping. Wij gelooven aan een onzigtbaren, grooten en redelijken geest in de natuur en noemen dien God.