WeRead Powered by ReaderPub
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java cover

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Chapter 16: 11.
Open in WeRead

About This Book

Collected travel sketches and reported conversations recount journeys through the island interior, combining vivid village and landscape scenes with close observation of manners, customs, and everyday labor. The pieces examine the character and degree of local civilization, the reception and effects of Christian missions, questions about labor systems, and other contemporary social and political issues. Narrative vignettes and reflective commentary alternate to offer ethnographic description, moral and administrative reflections, and anecdotal accounts that illuminate daily life, communal rituals, and the tensions between tradition and external influences.

11.

Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer zintuigen waarnemen, dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke inrigting, dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier duur onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en zonder iets te ontdekken, dat grond geeft om te zeggen: hier staan wij aan den aanvang der dingen.—In de hemelsche spheren bewegen zich, naar onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop 1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte van andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige seconden in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten gevorderd worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om hare centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat zij in het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet millioenen malen af te leggen?—Waar ons ongewapend oog aan den hemel niets meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog, met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen, nog verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke zich op zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het licht, hetwelk van de 20 millioen mijlen van ons verwijderde zon toch binnen den tijd van 8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van jaren noodig heeft om van daar onze aarde te bereiken. Wij zouden, deze verwijderde hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien, indien zij niet reeds voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren geweest.—Even grenzenloos als ons de uitgestrektheid der ruimte aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks de verdeelbaarheid van de ruimte vullende stof in kleinere deelen voor, die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen om—zelfs met de sterkste vergrootingswerktuigen—de kleinste, de oorspronkelijke deeltjes, de atomen waar te nemen. Indien wij in de schepping noch aanvang, noch grenzen kunnen ontdekken, geen einde daarvan kunnen bedenken, moet hij, die de schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder aanvang, zonder einde—oneindig, eeuwig, onvergankelijk zijn.