WeRead Powered by ReaderPub
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java cover

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Chapter 18: 13.
Open in WeRead

About This Book

Collected travel sketches and reported conversations recount journeys through the island interior, combining vivid village and landscape scenes with close observation of manners, customs, and everyday labor. The pieces examine the character and degree of local civilization, the reception and effects of Christian missions, questions about labor systems, and other contemporary social and political issues. Narrative vignettes and reflective commentary alternate to offer ethnographic description, moral and administrative reflections, and anecdotal accounts that illuminate daily life, communal rituals, and the tensions between tradition and external influences.

13.

Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur voor de instandhouding zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens, als van de soorten (waartoe deze behooren), is de bewondering, welke ons vervult, niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons inboezemde,—de band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het een van het andere afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in betrekking stelt. Wij weten niet wat meer onze verbazing moet wekken, de eenvoudigheid der middelen, waardoor de menigvuldigste gevolgen te weeg gebragt worden, of de doelmatigheid van alle inrigtingen, die wij ontwaren, en die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel hebben.—Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk wezen, elke soort is zoodanig ingerigt en zoowel met de andere organen, afzonderlijke wezens en soorten, als met alle andere deelen van het geschapene in verband gebragt, dat het doel, dat is, de instandhouding der soort door levensgenot van elk afzonderlijk wezen, volkomen wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid, welke de ontleedkundige en physioloog bewondert bij de beschouwing van den inwendigen bouw van het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede van de wederkeerig op elkander invloed uitoefenende verrigtingen der verschillende organen, diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige in de hemelsche spheren; ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om de wet der doelmatigheid in de schepping aan te toonen, zijn even talloos als de dingen in de natuur, even onuitputtelijk als de natuur zelve, want elk plantje, elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en elk deel, elk orgaan des menschen levert daartoe de menigvuldigste bewijzen. Ten einde de waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij slechts een paar voorbeelden aanhalen uit de vele duizenden, die daarvan voorhanden zijn.

In het planetenstelsel bewegen zich de vaste (digte) hemelligchamen, de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en op zoodanige afstanden van elkander om de zon, en in de ligging harer banen wordt zoo groote overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin zij zich elk afzonderlijk bewegen, helt niet te zeer naar dat van anderen), dat eene botsing dier ligchamen onderling niet mogelijk is.—De kometen echter bewegen zich in zoodanig in de lengte uitgestrekte parabolische ellipsen, zij doorkruisen het planetenstelsel in zoo vele verschillende, ja, in alle mogelijke rigtingen, dat zij de planetenbanen doorsnijden kunnen, of gelijk het geval was met de Bilasche komeet ten opzigte van den loopbaan der aarde, die zeer nabij kunnen komen. Dewijl nu het aantal kometen zoo groot is, dat nog voortdurend nieuwen zigtbaar worden, die men vroeger nimmer had gezien, zoo behoort eene botsing eener komeet met de aarde of met eene andere planeet niet tot de onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone grootte.—Welk eene vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien eene dergelijke botsing plaats greep! welke de vernieling van een der beide, welligt van beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou hebben,—namelijk, indien de komeet een digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar daarvoor is zorg gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte, besloten tusschen de zon en de banen der om de zon draaijende planeten, in zoo vele verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing met een derzelven plaats hebben kan, zijn de minst gevaarlijken van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan, verzwakt en breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster, is nog dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den staart of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in het minst te kunnen bespeuren.—Nog duidelijker bewijs voor de wet der doelmatigheid zien wij in die inrigting van het planetenstelsel, welke de massa der hemelligchamen in verhouding tot hunne afstanden en den tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare storingen (perturbatien), dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten gevolge der wederkeerige aantrekking, van de ware elliptische loopbaan maken, zich van zelf weder moeten herstellen. Dit is gebleken uit de onderzoekingen van Laplace, die de analyse van het oneindige (waarvan Newton en Leibnitz het eerst de regelen hebben vastgesteld) toepaste op de storingen der beide planeten, die het grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter en Saturnus. Deze, op zich zelf beschouwd, geringe storingen, nemen in den loop der eeuwen steeds toe en zouden eindelijk, indien zij, gelijk Newton geloofde, voortdurend grooter werden, op eene onfeilbare wijze de vernietiging der genoemde hemelligchamen, ja, van het gansche planetenstelsel ten gevolge hebben, of wel „de scheppende almagt moest door buitengewone maatregelen de begane fout verbeteren.” Later echter bleek het uit de analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den aanvang af zoodanig had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde te worden en dat die storingen (de veranderingen der groote assen, derhalve de gemiddelde afstand dier planeten van de zon) niets anders zijn dan slingeringen binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal der seculaire veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat het instandblijven dezer hemelligchamen voor eeuwig verzekerd schijnt.

De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke ligchaam in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze hoogste bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst zich, aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de spaakbeen- en ellepijpslagader (a. radialis & ulnaris). Zij ligt zeer oppervlakkig en kan—ook bij aderlatingen—ligtelijk gekwetst worden. Ver boven het punt van verdeeling zet zij echter dieper liggende neventakken af, die zich met terugloopende vertakkingen van de spaakbeen- en ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel loopt niet terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing van den hoofdtak, der brachialslagader, plaats of ontstaat er een slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting te verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer moeten versterven,—nu echter heeft er eene langzame verwijding dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven.

Deze bewonderenswaardige doelmatigheid, die wij in de gansche schepping, zoowel in het groote geheel als in elk afzonderlijk deel er van ontwaren, getuigt van een goed geordend, diep doordacht plan; zij bewijst, dat het verstand van het wezen, hetwelk deze schepping in het aanzijn riep, den hoogst mogelijken graad van volkomenheid heeft bereikt, zij bevestigt de Alwijsheid Gods.