WeRead Powered by ReaderPub
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java cover

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Chapter 19: 14.
Open in WeRead

About This Book

Collected travel sketches and reported conversations recount journeys through the island interior, combining vivid village and landscape scenes with close observation of manners, customs, and everyday labor. The pieces examine the character and degree of local civilization, the reception and effects of Christian missions, questions about labor systems, and other contemporary social and political issues. Narrative vignettes and reflective commentary alternate to offer ethnographic description, moral and administrative reflections, and anecdotal accounts that illuminate daily life, communal rituals, and the tensions between tradition and external influences.

14.

Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen onderzoekenden blik in de overige ruimte der schepping werpen, dan ontwaren wij, dat alle levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het aanzijn hun genoegen, geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank nuttigen, waarvan de instandhouding van het menschelijk leven afhangt, dan genieten wij. Aan elke andere natuurlijke verrigting onzes ligchaams is het behagelijke gevoel van genot verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in deze wet, maar het tal dergenen, dat gezond is, ’t welk geniet, is oneindig grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het herstel der gezondheid, het ophouden der ellende is een nieuw genot. Het kontrast toch, dat tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel bestaat, verhoogt het genot van het laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen dikwijls meer dan de rijken, die in overvloed leven.—Wanneer wij, door inspanning uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van een koel bad verfrisschen of met een koelen drank laven, dan genieten wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze legerstede nederleggen, dan genieten wij, terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij gesterkt weder ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen ons tegenlacht, dan genieten wij. Elk dier, ja, zelfs het kleinste wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging, verheugt zich in zijn aanwezen, het geniet. De kikvorsch, die gedurende een warmen zomeravond in het water kwaakt, geniet; de nachtegaal ondervindt genot, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en zingt, en gij, die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den zilverklank zijner stem en geniet. De vogel, die zijne jongen voedert, het hondje, dat zijne kleinen zoogt, geniet en de moeder, die haren jeugdigen lieveling toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste genot.

God schonk den mensch de heerschappij over al het gedierte en gaf aan zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de aanblik insgelijks genot verschaft. Ter voortplanting der soort koos Hij de scheiding des geslachts en verbond aan de zinnelijke drift, welker bevrediging aan het dier slechts eene aangename gewaarwording verschaft, in den mensch den band der vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk hij aan de stervelingen het edelste genot: de liefde. Wij kunnen den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden over de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en wouden, zonder te genieten, ja, wij weten niet aan welke der vele duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het woud en op het veld aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen vinden wij ze schoon, het aanschouwen er van geeft ons genot. Veel zeldzamer komt ons iets onder de oogen, hetwelk wij leelijk vinden of dat ons afschuw inboezemt. De overgroote meerderheid der dingen in de natuur is in harmonie met ons schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig heeft ingerigt, dat het beschouwen der natuur ons genot verschaft.

En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de vreugde, welke de beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de goddelijke vonk, die in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn verstandsvermogen aankweekt en oefent;—de dichter verheugt zich, wanneer het hem mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te ontlokken, die, het schoone en ware bezingende, duizende harten roeren;—de sterrekundige gevoelt, dat de triomf der wetenschap zijn boezem doorgloeit, wanneer de komeet wordt gezien, welker verschijning vooraf door hem is aangekondigd of de planeet ontdekt wordt, waarvan hij door berekening de standplaats aan het hemelgewelf heeft aangewezen;—de geoloog, die licht verspreidt over de donkerste ruimten der aarde, ja, die het gansche ontwikkelingsverhaal des aardbols in het binnenste der gebergten leest,—gelijk mede de scheikundige, die een ligchaam in zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk vroeger steeds als enkelvoudig werd beschouwd, of die aantoont, dat twee ligchamen op gelijke wijze zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk zeer verschillend van elkander zijn, zij ondervinden genot, even als de physicus, die de identiteit der electrieke en magnetische kracht het eerst door proefnemingen aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf zweven en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan zonnen verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van deze aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,—want die mensch, die goed en regtvaardig was, draagt het bewustzijn met zich zijnen pligt te hebben vervuld en geeft zich op zijn sterfbed vol vertrouwen over aan den eeuwigen bestuurder der natuur, want van Hem toch alleen kan het licht, dat zijn aardsch omkleedsel zoo lang bezielde en het nu dreigt te verlaten, herkomstig wezen,—het ligchamelijk gevoel wordt bij het sterven meer verstompt, alle smarten verminderen, maar des te levendiger ontwaakt de zielehoop in zijn binnenste, en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur nog tot genot.

Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat alle levende wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot genot, zoowel ligchamelijk als geestelijk genot. God is goed; uit alle deelen der schepping, boven en beneden ons, van verre en van nabij, straalt ons de goddelijke liefde te gemoet.