15.
Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen, kan men van een alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk aannemen. Wij, beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen, terwijl wij daardoor tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen. Schijnt het nu, dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is in het leven der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven, dat zulks met enkelen of tijdelijk het geval was of ons slechts zoodanig toescheen, dat zulks echter in het algemeen en op eene uitgebreide schaal niet zijn kan en dat het ons in enkele gevallen alléén om die reden zoo toescheen, dewijl wij de wet, waarnaar de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zich regelt, nog niet konden doorgronden. In de schepping echter erlangt het eene door het andere zijne volkomenheid, en alle deelen van het groote heelal staan wederkeerig tot elkander in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed, regtschapen mensch, na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te hebben, van deze wereld scheidt met het bewustzijn het goede te hebben gewild, met een onwankelbaar vertrouwen op zich zelven en met het vaste geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam van den aanvang bezielde, slechts een straal van het eeuwige licht is,—hoe durven wij ons dan vermeten om te zeggen, dat God eene onregtvaardigheid jegens dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten, waartoe hij uitverkoren was? Wij zijn slechts schakels eener keten en een ieder van ons heeft zijne roeping!—En zien wij niet in de meeste gevallen, dat de goede beloond, de booze gestraft wordt door ’s menschen hand? Draagt de heimelijke booswicht zijne straf niet in zijn boezem met zich? foltert hem niet de geheimzinnige innerlijke stem, die hij nimmer geheel het zwijgen kan opleggen, het geweten, dat vroeger of later ontwaakt, ja, hem menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde misdaden brengt?—Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast: dat, dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt, God ook regtvaardig is.