16.
Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt te zijn.1 De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens opgaat; zij verspreidt licht en warmte, gelijk zij voormaals deed. De spijs, die wij nuttigen verkwikt ons, de koele drank laaft ons, gelijk wij zulks verwachten.—Alle verschijnselen in de natuur keeren regelmatig weder en de bewegingen der hemelligchamen herhalen zich met nimmer falende zekerheid. De maan draait zoo regelmatig om de aarde, de aarde om de zon, dat wij de standplaats dezer drie hemelligchamen, zoo mede van alle andere planeten en trawanten ten opzigte van elkander, voor elken dag, ja, voor elken oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen en opgeven kunnen. De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere verschijnselen wordt door ons natuurwet geheeten en de ervaring heeft ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter gezegd, sedert menschen aanwezig waren om de natuur waar te nemen, geen enkele dezer wetten ons bedrogen,—dat geen wereldligchaam ooit in het geringste van zijne baan afweek en geene enkele minuut vroeger of later kwam, dan de wet eischte.2 Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard, geen insektje zijn instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit te botten en doet elk jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede zij velden en beemden reeds vóór eeuwen sierde.—De zee rijst bij het vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt zoo onveranderlijk getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de aantrekkingskracht der maan), dat voor elke plek des aardbols het uur, waarop dit verschijnsel zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met naauwkeurigheid kan berekend worden.—Geen ligchaam daalde ooit uit de lucht naar de aarde, dat ligter was dan de hoeveelheid van deze lucht, welke het verplaatst, en geen ligchaam, ’t welk zwaarder was dan zij, rees ooit opwaarts in de lucht; nog nimmer bevroor het water bij eenen geringeren graad van koude dan die van nul graad Réaumur; nimmer verloor de kleiaarde de eigenschap om zich met zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen; ligtelijk wordt goud opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur; ten allen tijde smolt keukenzout in water,—maar nimmer heeft iemand gezien, dat goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie verbond. Godgeleerden hebben, wel is waar, aan „wonderen” van deze en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de geringste afwijking van eene natuurwet waargenomen.—Dezelfde fouten en gebreken, die den mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn nog heden zijn erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat onze blikken hemelwaarts trekt en ons heden aanspoort de hoedanigheden van den Schepper des heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons en ons maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel bezielde den mensch op gelijke wijze reeds vóór anderhalf duizend jaren.—Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den hemel en op aarde alles wat daar is,—in het water, in de lucht, in het planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,—bestaat en zich beweegt naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste afwijking toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug. God is eeuwiglijk dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig.