WeRead Powered by ReaderPub
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java cover

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Chapter 22: 17.
Open in WeRead

About This Book

Collected travel sketches and reported conversations recount journeys through the island interior, combining vivid village and landscape scenes with close observation of manners, customs, and everyday labor. The pieces examine the character and degree of local civilization, the reception and effects of Christian missions, questions about labor systems, and other contemporary social and political issues. Narrative vignettes and reflective commentary alternate to offer ethnographic description, moral and administrative reflections, and anecdotal accounts that illuminate daily life, communal rituals, and the tensions between tradition and external influences.

17.

Men moet zich God niet voorstellen als eene kracht, welke van de natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in tegendeel als eene kracht in haar aanwezig, als de algemeene geest in de natuur—als de wereldgeest. Op het eerste gezigt zal het velen kunnen toeschijnen, dat deze geestelijke kracht uitsluitend in ’s menschen verbeelding bestaat, eene bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn—dat zij niets anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich heeft gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in de natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. „Deze oorzaak echter ligt,” naar het beweren der atheisten, „in de natuur zelve en onze God is niets anders dan het abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in onzen geest.” Naar deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even zeer een deel zijn der Godheid als de trouwe hond, die ons op onze wandeling vergezelt, of als de woeste, bloeddorstige wolf, die ons dreigt te verslinden,—even zeer als de koe, die in gindsche weide graast, of als de bliksem, die uit de wolken te voorschijn komt, of de planeet, die, door eene onzigtbare hand gedreven, rondom de zon draait.—Met andere woorden: „de natuur heeft hare oorzaak in zich zelve en er bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke daaraan onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot verschillende onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt.”

Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het verstand, dat zegt: „ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter niet geschapen, er moet derhalve een nog hooger verstand, eene nog hoogere, denkende kracht zijn dan ik”—er wordt buitendien nog een regtstreeksch bewijs gevonden voor het bestaan van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene oorspronkelijke kracht, welke zich aan ons op eene regtstreeksche wijze te kennen geeft.

Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht zullen wij nu pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden Gods hebben opgenoemd, welke wij door gevolgtrekking uit de verschijnselen in de natuur afleiden.—Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken, ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van ruimte eene voorwaarde om het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te maken, maar welke de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam, noch geest voorstellen zonder deze kracht.—Deze kracht is met den bliksem, welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het graf, zij kruipt vóór den worm op den bodem heen, zij ijlt den klank vooruit, ja, zij is sneller dan het licht en moge de lichtstraal, die van de zon uitgaat, 42000 mijlen in ééne seconde doorloopen om, zoo snel mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken, deze kracht echter is nog acht minuten voor hem aldaar.—Ofschoon deze magtigste van alle krachten zuiver geestelijk, ja, onligchamelijker is dan eene gedachte, wij zien niettemin elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is; zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde stil. Hoort gij de klok slaan?—Een,—twee. Tusschen beide slagen verliep tijd;—elke slag vordert tijd en de vlugtigste gedachte, die bij ons opkomt, doet nog tijd verloopen. Niets kan buiten den tijd treden en niemand kan zich zelfs het geringste gedeelte van een oogenblik aan den invloed des tijds onttrekken.—De tijd brengt alle krachten eerst aan het werken en stuwt alles, dat bestaat, onwederstaanbaar voort. Men kan zich hem niet anders voorstellen, dan voortijlend; hij beleeft en overleeft alles.

De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de zigtbare schepping mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is het mogelijk, dat nog iets anders dan God bestaat. De tijd is de overgang Gods in de wereld.

Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich voorstellen, dat God rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld heeft geschapen, dewijl hij, gelijk zij beweren, „de natuurkrachten en wetten in zijne plaats laat regeren”;—deze krachten en wetten toch zijn geschapen, zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet kunnen blijven bestaan, indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet aanwezig ware, waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in de natuur, welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden, onophoudelijk voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en werkzaamheid op te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil. God rust nimmer. God is voortdurend werkzaam.


Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de leer der kennis van God geput uit de natuur. Het volgende is de kennis van God toegepast op het menschelijk leven of de zedeleer, waarvan hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in algemeene korte bewoordingen medegedeeld kunnen worden.

Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in den hemel, noch op de aarde.

Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts eene waarheid,—slechts eene ware godsdienst en zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen, dan die uit de natuur en hare verschijnselen—de voortdurende openbaring Gods,—is afgeleid. Hierop berust het evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch.