18.
Door de beschouwing van ons zelven en van de schepping, die ons omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene denkende, met rede begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons ligchaam woont, in staat om de taal der schepping te verstaan. De schepping sprak tot ons door middel onzer vijf zinnen, als door den mond van even zoo vele tolken; zij gaf ons te kennen, dat wij slechts een klein, van alle zijden afhankelijk lid in de groote, oneindige schepping zijn en dat de Maker dezer schepping één almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend, alwijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend werkzaam God is.—Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch een einde zal hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een flaauw afschijnsel, als het ware een twijgje van den boom des levens, een straal van het algemeene, groote, geestelijke licht is.—Kunnen wij nu het eigenlijke wezen dezer goddelijke kracht, die wij ons onligchamelijk, als geest moeten voorstellen, niet begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat onze menschelijke geest met den goddelijken geest verwant moet zijn, dewijl wij overigens in de gansche schepping niets vinden, waarmede wij onze redelijke ziel zouden kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur staat derhalve in betrekking tot God, is met hem verwant en het streven van geheel ons leven moet daarheen zijn gerigt om op Hem te gelijken.