WeRead Powered by ReaderPub
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java cover

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Chapter 27: 22.
Open in WeRead

About This Book

Collected travel sketches and reported conversations recount journeys through the island interior, combining vivid village and landscape scenes with close observation of manners, customs, and everyday labor. The pieces examine the character and degree of local civilization, the reception and effects of Christian missions, questions about labor systems, and other contemporary social and political issues. Narrative vignettes and reflective commentary alternate to offer ethnographic description, moral and administrative reflections, and anecdotal accounts that illuminate daily life, communal rituals, and the tensions between tradition and external influences.

22.

God is regtvaardig: wij moeten pogen regtvaardig te zijn.

Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral van hen, die hoog geplaatst zijn—der magtigen en vorsten—onder de stervelingen.

Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen, waar hij in de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt om later op nieuw zijn arbeid te hervatten—en tegenover hem zit een rijk man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten, gebraad en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden, waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te nuttigen, zegt dan niet: „dat is onregtvaardig;” want den arbeider smaakt welligt zijnen maaltijd beter dan gindschen rijkaard zijne pasteijen, en deze behoeftige man, die des avonds naar huis keert en in den kring der zijnen uitrust van de vermoeijenissen des daags, ondervindt stellig meer genot dan de rijke, die nog nooit vermoeid was. Ontneemt gij echter den rijke, die in overvloed is groot geworden, zijne schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als gindsche handwerksman, dan handelt gij onregtvaardiglijk; want dan zal de rijke zeer ongelukkig en beklagenswaardig zijn, dewijl hij niet gewoon is droog brood te eten,—en indien gij den handwerksman, die, ten gevolge van ziekte of duurte van levensmiddelen, minder verdient dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van hetgeen gij meer hebt dan gij behoeft, dan handelt gij insgelijks onregtvaardiglijk en zondigt tegen de wet der menschenliefde.

Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om aan ieder te geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De mate nu van behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel, waarnaar wij ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is dezelfde die Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de navolgende woorden: „gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doe hun desgelijks.”

Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig toeschijnt. Wie zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van alle boom- en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de rottende overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de kolibri, welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den zoetsten honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen gehuld op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te vragen, ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des avonds huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet toebereid, nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft verkregen, zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag gaan bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem tot behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man daarentegen, die, met ridderorden behangen, daar ginds in dat groote huis woont, feesten aanrigt, waarop alle fijne wijnen paarlen, terwijl de tafel onder den last der spijzen buigt, zegt niet, dat hij gelukkiger is dan de bedelaar!— weet hoedanig hij de schatten heeft verworven, waarmede hij pronkt, hoe hij aan de veêren is gekomen, waarmede hij zich heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den rijk voorzienen disch,—de wroeging van een boos geweten vervult zijnen boezem! God is regtvaardig!

En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren op een grooten voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op een kantoor een sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk te beklagen; wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet, welke daden hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig voor hem, het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit hij, naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden en gelukkiger worden dan hij te voren was.

Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer den moed behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt, dewijl wij niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten wij ons onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en werkzaam zijn, want „God helpt, die zich zelven helpt.”—Heeft het ongeluk vooraf zijne komst niet aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht komen!

Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar om voor hare instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des geregts de plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den staat.—Gelijk in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om een grooter scharen en vele planeten om eene zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles wat leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar eene enkele grondoorzaak leiden, zoo heeft zich ook in de maatschappij reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen gelden. De beste regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel mogelijk is nagevolgd.—Een God, een Koning!—Maar God regeert de wereld niet willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten zijn de natuurkrachten, die hij schiep, en zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste wetten, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij moeten ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen koning eerbiedigen.

Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder op eenige andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de getrouwe pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten.

Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is, maar in tegendeel dikwerf door de menschen geëerd en met wereldsche goederen gezegend wordt.

Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar geene straf zoo zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich zelve straft: een kwaad geweten.—Een kwaad geweten brengt de begane zonden aan den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft door den arm der wereldlijke geregtigheid.

Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter zedelijk ik door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen geworden, indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd hebben, maar berouw gevoelen over onze overijling of slechte handelwijze, innig, waarachtig berouw er over gevoelen: dan is de zonde ons vergeven.

Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons gepleegd en het vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te handelen, dan mogen wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet gaan, ook dan wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is toegepast. De orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken worde.

Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet op het spel zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger genade schenken, en daardoor het schoonste bewijs geven van de magt, die hij bezit.—Dewijl alle misdaden deels haren grond hebben in aangeboren ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken, hoofdzakelijk echter in verkeerde opvoeding en gebrek aan beschaving en—bij een dergelijken aanleg—door ongelukkige uiterlijke omstandigheden ligt veroorzaakt worden, behooren wij medelijden te hebben met de misdadigers en trachten hen te verbeteren of te genezen.

Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk wezen, al zet hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat is ons eene enkele zonde te vergeven.

God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige plaatsbekleeder op aarde is: het geweten, dat in den boezem van elk mensch woont.

De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel met zich om. Zij zullen hunnen hemel en hunne hel met zich nemen; want hunne ziel is onsterfelijk.

Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene andere hel. Wat aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen. Stellen wij ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij hiervoor zorg: dat wij een hemel in onzen boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij voortdurend er naar gestreefd hebben om regtvaardig te zijn! Want God is volkomen regtvaardig.