23.
God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig: ons streven moet zijn in al onze handelingen getrouw en waarachtig te wezen.
Wij moeten waarachtig zijn in woorden en daden, en nimmer huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren kunnen, en overeenkomstig onze leer behooren wij ook te handelen.
Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te kleeden (behalve wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets schijnen te zijn, dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den schijn aan van iets, ’t geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de menschen.
Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet ligtvaardig te beloven, zonder vooraf te overleggen of wij onze belofte kunnen houden.
Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben gesloten, behooren wij heilig te bewaren.
Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste zonde, die ons in onze eigene oogen vernedert.
Wij moeten niet leeren: andere menschen even lief te hebben als ons zelven; elken dag, ja, elken oogenblik zien wij, dat wij niet in staat zijn om zulks te doen; geven wij niettemin voor, dat wij dit doen, dan maken wij ons schuldig aan huichelarij.
Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons zelven meer dan anderen. Leeren wij dit, dan kunnen wij zulks nakomen en wij zijn waarachtig.—Ik ken een bekwamen, braven man, die door ongelukken tot armoede en ellende is vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs alle pogingen heeft beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft echter kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn, behoeft hij 2000 gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben in het bezit van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta, stort ik mij zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas of bezig het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet meer lief dan genen?—Indien iemand mij met de wapenen in de hand aantast, en ik mijn leven alléén redden kan door den aanvaller te dooden en ik redde mijn leven: heb ik mij zelven dan niet meer lief gehad dan genen?—Of wordt er iemand onder ons gevonden, die zich zelven in het verderf wil storten om een ander te helpen? die zich wil laten vermoorden, opdat een ander het leven zal behouden?—En indien zoo iemand onder ons werd gevonden, welk nut zou hij gesticht hebben door zich zelven op te offeren, dewijl toch één van beiden verloren gaat? Daardoor had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als zich zelven, maar in tegendeel dat hij zich zelven minder lief had dan genen! Zou hij op die wijze niet zondigen tegen den eersten pligt, die ieder mensch is voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud?
Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen der liefde tot onze naasten opvolgen, maar de leer „onze naasten lief te hebben als ons zelven” verwerpen, omdat het opvolgen van dit voorschrift eene natuurlijke onmogelijkheid is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk van elken kansel gepredikt, in alle Christelijke geschriften wordt aanbevolen, maar die nog nimmer opgevolgd kon worden en ook nooit, zoo min nu als in het vervolg, nagekomen zal worden,—slechts leiden kan tot schijnheiligheid, huichelarij en valschheid.—Zijt waarachtig en getrouw aan u zelven!
De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van huichelarij is de schijnheiligheid, welke iemand pleegt wanneer hij degenen, die hem zien, wil diets maken, dat hij in het gebed tot God spreekt, terwijl hij inderdaad aan niets hoegenaamd denkt of geheel andere gedachten koestert dan hij voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden is vervuld;—dit is eene soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij de Christenen veel algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van eenige andere godsdienst. De reden daarvan is: 1o. de zoo even genoemde omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid gevoelt (die zijn mond weigert te bekennen) om de eerste grondregelen des Christendoms in het leven na te komen, zoo als: zijn naaste lief te hebben als zich zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte te vergeven, zich op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten te dooden, zich zelven geheel en al te verloochenen, enz., en 2o. dat de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig bidden, bidden, bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering van tijdelijk en eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter eene uitgemaakte waarheid is, dat de mensch slechts zeer zelden zoo diep geroerd is, in zulk eene heilige stemming verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot God, en hij niettemin een half dozijn malen daags behoort te bidden, vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts, zet een onnoozel gezigt—en houdt zich als of hij bidt.
Die een medebelijder is der natuurlijke godsdienst en zedeleer van den regtzinnig geloovigen mensch, moet het werktuigelijk aframmelen van vooraf geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en slechts dan God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken aandrang daartoe gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of menigwerf, elken dag, elke week of slechts eens in de veertien dagen openbaart.
De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en wenschen en geen enkele onzer gebeden—ja, al baden wij op onze knieën drie weken lang zonder ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,—is in staat om te bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten, waarnaar hij de wereld regeert.
Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende daartoe de aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den Eeuwige opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt. Bezielt hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook zal hij troost in het gebed vinden.
Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft geleerd en die op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij voorbeeld, bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten, een dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht, waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk, huichelarij, het aannemen van een valschen schijn. Dit wordt eene gewoonte en deze gewoonte spiegelt zich onwillekeurig in alle andere verrigtingen der menschen af.
Handelt naar behooren, leidt een deugdzaam leven, maar waant niet, dat gij aan uwen pligt voldoet, indien gij menigwerf ter kerk gaat of uren lang op uwe knieën gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke uitspraken, kunt gij dan vrome menschen heeten, inderdaad echter misschien zeer slechte menschen zijn.
De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter kerk gaan, het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de meest gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks alléén, dewijl zij weten, dat zij hunne ondeugden het zekerst achter schijnheiligheid kunnen verbergen, en anderen dewijl zij werkelijk gelooven, dat zij zich met God kunnen verzoenen, indien zij des zondags ter kerk gaan, vurig bidden, belijden dat zij ellendige, diep gezonken schepselen zijn, ja, van berouw vervuld zich ter aarde buigen, weeklagen en „genade! genade! erbarming! voor mij armen verworpen zondaar” roepen;—dan zijn hun (zoo wanen ze) de zonden, die zij in de afgeloopene week hebben begaan, kwijt gescholden; zij hebben immers „God gediend” en—zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne medemenschen des te slechter dienen en hen op alle mogelijke wijze bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden zondag door nieuwe en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon van berouw en herhaalde bekentenis, dat zij arme „onverbeterlijke” zondaars zijn, op nieuw vergeving vinden. Deze zullen zich stellig niet verbeteren, maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed scheppen tot vernieuwde slechte daden.
Niet met bidden—slechts door goed te handelen kan men God dienen.
Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u heilig, gelijk de eerbaarheid aan de jonge maagd. Ontheiligt het heilige niet, door het aan ieders oog bloot te stellen. Bidt in eenzaamheid.
Wij moeten aan de bestendige onveranderlijkheid der natuurwetten gelooven en naar waarheid trachten. Deze waarheid moeten wij hoogachten en beminnen.
Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en dwaling voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn, maar elk toeval, ’t welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen doen ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar te streven, om ons zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur bekend en vertrouwd te maken.
Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het geloof aan goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan dergelijke (hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende) gebeurtenissen, die in strijd zijn met de natuurwetten. Er bestaat geene regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring in het binnenste des menschen.—Het is waar, somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong wij niet verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons toeschijnt, dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke, regtstreeksche bron van kennis, zonder in eenig verband te staan met de omringende natuur.—Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan zien wij, dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het ware de nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd door onze zinnen ervaren hebben,—onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld bevat van een nog levend of vóór langen tijd door den dood van deze aarde gescheiden mensch.—Zeer zeldzaam echter kan iemand iets denken, dat niet reeds andere menschen vóór hem hebben gedacht.
Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke openbaring is verderfelijk, dewijl het de kritiek van het gezond verstand uitsluit en de zoogenaamde geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor onfeilbaar worden gehouden.—Want gaat men uit van de mogelijkheid van eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook toegegeven worden, dat deze openbaring Gods in ieder mensch kan plaats hebben, dewijl wij niet weten kunnen welken sterveling—hetzij bedelaar of koning—God de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om zijne openbaring te ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide gedaan worden: of ieder moet op zijn woord worden geloofd, die voorgeeft goddelijke openbaringen te hebben ontvangen, welke nu door hem als „Gods word” worden verkondigd, aan wier heiligheid geen criticus de roekelooze hand mag slaan; doet gij dat, dan heeft Joe Smith—de stichter van de sekte der Heiligen van den jongsten dag (der Mormonen)—even goed als Mohammed of ieder ander mensch, die later welligt zal optreden, het regt om te zeggen: „ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan mijne woorden;” en gij moogt er niet aan twijfelen;—of gij moet de kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven openbaringen van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid (als Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen, welke door den mond eens menschen verkondigd of door ’s menschen hand te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en gij bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het gezond verstand kunnen doorstaan.—Het is derhalve natuurlijk, dat dan ook de bijbel op dergelijke wijze moet worden onderzocht en zulks doende zult gij de overtuiging erlangen, dat de daarin vervatte leeringen niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar ook openbare en zeer groote dwalingen bevatten, waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet kunnen zijn.—De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg hiervan zou zijn, dat elke natuurkundige ontdekking, die deze proef glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de mensch ooit waars en goeds heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene goddelijke openbaring zou genoemd moeten worden!—Waarheen voert u dit geloof!
Zegt derhalve niet: „Jezus van Nazareth was het, aan wien God zich heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen bijbel vervat en dit is Gods woord;”—want daarop kan ieder te regt antwoorden: „ook aan mij heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan genen en aan duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden om de openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te verstaan. Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,—vooral sedert uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan niet meer iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche leven kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden en niemand meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der schepping na te vorschen, de levende natuur te onderzoeken,—sedert dien tijd heeft God den mensch zaken geopenbaard, waarvan in uwen bijbel zelfs geen enkele letter wordt gevonden—zoo groot, zoo schoon, zoo heerlijk!—en waarvan gij tot heden niets zoudt vernomen hebben, indien er niet waarlijk godvruchtige mannen waren geweest, zoo als Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus, Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday, Arago, Johannes Müller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder, Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien deze niet getracht hadden in het ware boek der openbaringen te lezen.
De ontdekking van de ware beweging der planeten, der wetten van Kepler, van de drukking der dampkringslucht door Torricelli,—de ontdekking der undulatie-theorie van het licht, der waarschijnlijkheidsrekening, van de wet der zwaartekracht, welke de beweging der hemelligchamen aan vaste berekening onderwerpt,—de ontdekking der wet van Mariotte: dat de digtheid der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op drukt, of aan de zamenpersende kracht,—de ontdekking der elektrieke hoedanigheid des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande verband tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit der electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand tot het uitvinden der electrieke telegraphen,—de ontdekking der nieuwe classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen, der metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht, van de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn te brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus, der polarisatie van het licht,—de ontdekking der theorie van de opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken, van de gemeenschappelijke basis (van het proteïne) der eiwitachtige ligchamen,—de ontdekking der galvanoplastiek door Jacobi, even zeer als de ontleding van het witte licht in zijne kleuren, de berekening der loopbaan van kometen, de uitvinding der spiegelsextanten, of de leer over de gisting en over de metamorphosen in de bewerktuigde natuur in het algemeen,——al deze en andere gewigtige ontdekkingen moet gij dan (naar de grondregelen van uw geloof) beschouwen als waarheden, die God aan de opgenoemde mannen heeft geopenbaard,—even goed als gij aanneemt, dat God de zedelijke wet: „gij zult uwen naaste liefhebben,” aan Jezus van Nazareth—of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte, dat het onregtvaardig is te stelen en te dooden.
Dan moet gij insgelijks de werken, waarin de vroeger genoemde ontdekkingen zijn ter neder gesteld, bij voorbeeld, de Libri VI de orbium coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie natuurrijken, Blumenbach’s werk de generis humani varietate nativa, het Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt’s Kosmos, de Mécanique céleste van Laplace, Newton’s philosophiae naturalis principia mathematica en duizend andere voortreffelijke geschriften even zeer als „Gods woord” beschouwen, als uw oud en nieuw testament—en dan behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken en behoort hen „apostelen, door God bezielde en verlichte profeten” te noemen.—Er behoeft, waarlijk, geen engel uit den hemel te komen om ons te leeren, dat een goede God in de schepping leeft, en dat wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze medemenschen moeten liefhebben om gelukkig te kunnen leven,—die wet staat diep in ons gemoed gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg werden erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk, zuiver menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het vooroordeel aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt en met ijver er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping te ontcijferen.—Aan die dwazen echter, die hun gezond verstand aan het blind geloof ten offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren.
Maar daar hoor ik eenigen van u zeggen: „God heeft zich niet aan een mensch geopenbaard, volstrekt niet; hij heeft zijn zoon gezonden om ons zijn woord, dat in den bijbel is vervat, te verkondigen en Jezus Christus was geen mensch, neen, God!—Want de menschen waren slecht en zondig geworden en hadden zich strafschuldig gemaakt; maar God erbarmde zich over hen en teelde derhalve (4 of 6000 jaar na de schepping van den mensch) een zoon, dien hij op de aarde zond. Door de kracht des Heiligen Geestes verwekte hij hem in de onbevlekte maagd Maria. Hij redde het menschelijk geslacht van zijn ondergang, want door zijn onschuldig lijden en sterven droeg hij de straf weg, die de menschen hadden moeten lijden. Hij bragt zich ten offer aan God en God was nu verzoend en schonk den mensch genade en vergeving van zonde.”
Daarop antwoord ik u: 1o. Hoe kan dat gebeuren? God is eenig en ondeelbaar, hoe kan hij een zoon hebben?—2o. God is alwetend; hoe was het mogelijk, dat de menschen zondig werden en hij zulks niet vooraf zag?—3o. God is almagtig en alwijs; hoe kon het geschieden, dat hij de zonde toeliet en den mensch niet reeds van den aanvang af zoodanig inrigtte, dat de zonde werd verhoed?—4o. God is regtvaardig; maar hoe kan hij gezegd worden regtvaardig te zijn, indien hij al de millioenen van menschen, die reeds vier of zes honderd eeuwen vroeger op aarde geleefd hadden, uitsloot van de weldaden, die hij nu vóór 1854 jaren den mensch door zijn zoon liet aanbieden?—5o. God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig; maar hoe kan dat mogelijk zijn, indien hij 1854 jaren vóór heden andere maatregelen nam dan die, welke hij gedurende duizenden van jaren te voren had genomen? indien hij naar geheel verschillende plannen dan vroeger en geheel en al in strijd met de wetten der natuur handelde, die hij zelf in het wezen had geroepen?—6o. Welk regt meent gij dan toch wel te hebben om te gelooven, dat Jezus van Nazareth een God was? Is zulks welligt op grond hiervan, dat onder het Joodsche volk eene overlevering bestond, dat vóór zoo of zoo veel jaren de leerlingen van Jezus het zoo verhaald hadden en dewijl deze overlevering later te boek gesteld en nog later „Nieuw Testament” genoemd werd? Worden dan in nog oudere schriftelijke gedenkstukken der Hebreërs, zoo mede in die van vele andere volken niet nog wonderbaarlijker verhalen gevonden. Moet dan alles worden geloofd, hetgeen menschen hebben uitgedacht, al was het dan ook, dat zij door vromen ijver waren bezield?—7o. Dewijl God almagtig en alwijs is: hoe laat het zich dan verklaren, dat de buitengewone maatregelen, die hij (naar uwe bewering) vóór 1854 jaren heeft genomen, zoo weinig hebben geholpen, ja, het doel (waartoe zij, naar uw vermeenen, moesten leiden) geheel en al hebben gemist? Of zoudt gij durven beweren, dat de menschen gedurende de 18½ eeuwen, die sedert dien tijd zijn verloopen, gelukkiger waren dan vóór dien tijd? of dat zij tegenwoordig minder zondigen dan destijds?—8o. Indien gij welligt mogt zeggen: „ja, zij zondigen nog evenzeer als destijds, maar God is door het gebragte offer verzoend en wij kunnen nu zalig worden,” dan vraag ik u: hoe is het toch mogelijk, dat gij u zulk een onheilig begrip kunt vormen van den Eeuwige, den Onvergankelijke, om te gelooven, dat hij in staat zij een bloedig offer aan te nemen, dat een aangeboden zoenoffer hem kon bevredigen of omkoopen?—9o. Naar uwe leer heeft God de zoon het bloedige offer,—namelijk, zich zelven—aan God den Vader aangeboden; God de Vader heeft dit (—menschen- of goden-?—) offer aangenomen en het zondig menschelijk geslacht is nu gered! En dewijl nu God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest slechts een God zijn (naar uw geloof), heeft God zich zelven—aan zich zelven—om onzent wille (die hij met zijnen alvoorzienenden, alwetenden en almagtigen wil schiep) ten zoenoffer gegeven!—Ik vraag het u: Wat is dat?
Deze vraag heb ik mijn gezond verstand gedaan en daarop een antwoord gekregen, dat uit vijf letters bestaat, met eene o begint en eene n eindigt. Ik zou echter zeer onbescheiden handelen, indien ik dit antwoord alhier ter nederschreef, want ik zou daardoor als het ware te verstaan geven van oordeel te zijn, dat zij, die dit lezen, geen gezond verstand bezitten! Dit zij verre van mij. Ik houd mij in tegendeel overtuigd, dat ieder, die dit leest, gezond verstand bezit, hetwelk zoodanig op het mijne gelijkt, als het linker- op het regteroog of de hersenen van den eenen mensch op die van den anderen. Ik wend mij derhalve aan al die lezers, die deze vraag beantwoord wenschen te zien, met het vriendelijk verzoek, haar aan hun eigen gezond verstand te doen en ik houd mij overtuigd, dat van honderd lezers honderd een antwoord zullen ontvangen, dat, eensluidend met het mijne, uit niet meer en niet minder dan vijf letters bestaat, met eene o begint en met eene n eindigt. Slechts in het geval dat er onder de honderd lezers eenigen mogten gevonden worden, die hun gezond verstand geheel en al ten offer hebben gebragt aan het blinde geloof, zou het mogelijk kunnen zijn, dat het antwoord op de vraag verkregen bij hen uit drie letters bestond, beginnende met eene z en eindigende met eene n. Ik neem de vrijheid deze heeren met betamelijke bescheidenheid onder de aandacht te brengen, dat de grootste schat, welken de Eeuwige den mensch heeft geschonken, die hem boven alles dierbaar moet zijn, zijne redelijke ziel, zijn gezond verstand is, dewijl hij alles, waardoor hij zich boven het dier verheft, met inbegrip van zijn heilig geloof aan God, uitsluitend aan zijn verstand te danken heeft.
Tot zulke tegenstrijdigheden komt gij door aan te nemen, dat eene menschwording Gods of eene regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch tot de mogelijkheden behoort. Het is de EENIGE bron van alle dwaling en bijgeloof, welke de Christelijke godsdienst aankleeft, zoo mede van de vreesselijke misbruiken, die, in den loop der laatste achttien honderd jaren, met wereldsche bedoelingen, zijn gemaakt van de behoefte der menschen aan godsdienst. Niemand toch zou zich hebben durven schuldig maken aan dergelijke misbruiken, indien hij zich niet op de woorden des bijbels (die buitendien voor zeer verschillende uitlegging vatbaar zijn), als op Gods woord, had kunnen beroepen; nimmer zou hij echter den bijbel voor Gods woord hebben kunnen uitgeven, indien hij niet het geloof aan de menschwording Gods of de regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch als eene vaste en algemeen erkende waarheid op den voorgrond had kunnen stellen.—Bewijst hem nu, dat God zich op geene andere wijze aan den mensch openbaart dan door zijne schepping, dan moet noodzakelijkerwijze, met het vroeger genoemde bijgeloof, tevens al het misbruik verdwijnen en de bijbel van dien oogenblik af ophouden meer te zijn dan het gebrekkige werk van menschen, die voor dwalingen bloot staan. (In het voorafgaande ligt echter niet de strekking om te beweren, dat niet zeer veel schoons, goeds en voortreffelijks in den bijbel wordt gevonden.)—Blijft gij echter vasthouden aan het bijgeloof, dan kunt gij, met den bijbel in de hand, alles bewijzen, dat gij wilt;—dan staat de aarde stil;—de dooden herrijzen;—goede en booze engelen zweven in het rond;—al, dat wonderbaar en in strijd is met de natuur, wordt mogelijk;—gij behoeft den bijbel slechts open te slaan om iets te vinden, dat voor uw doel past,—om dezen als ketter te vervloeken of aan gindsch boek een steen te binden en het, aldus bezwaard, in het diepste der wateren te laten zinken; ja, kon het nog twee duizend jaren op denzelfden voet voortgaan, zoo als thans het geval is, dan zoudt gij de woorden des bijbels zoo lang ginds en herwaarts draaijen, verzetten, verklaren en uitleggen, totdat—uwe Christelijke kerk in zoo vele sekten verdeeld is als er menschen op aarde wonen of als er woorden in den bijbel staan!
Dewijl er slechts eene waarheid zijn kan, vertoont uwe Christelijke kerk, met hare honderden van verschillende sekten, wier aantal nog dagelijks toeneemt, reeds naar het uitwendige—wanneer wij haar uitsluitend van een praktisch standpunt, als geschiedkundig feit beschouwen, gelijk zij daar staat,—het bewijs, dat zij niet in de waarheid is.—Ga ik die kerk binnen: welk eene duffe lucht komt mij te gemoet! alles is vermolmd en ondermijnd; de grondslagen zijn weggebroken en de muren rusten op dunne planken, welke over deze gaten zijn gelegd,—de planken zelven zijn echter ook reeds sedert langen tijd vermolmd en het gansche gebouw moet onfeilbaar vroeger of later instorten!
De waarheid kan onmogelijk in tweeën worden verdeeld of anders worden uitgelegd, dan zij werkelijk is. Zij is één en ondeelbaar en vertoont zich gelijk zij is: als waar. De NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER VAN DEN REGTZINNIG GELOOVIGEN MENSCH kan nooit meer dan eene kerk, eene sekte vormen, en de zuilen des tempels, welken zij zal stichten, zijn op een hechten grond gebouwd: de gansche schepping is haar grondslag. Het binnenste dezes tempels is voor niemand gesloten, het altaarblad verbergt geene mysteriën. Uit de met groene bloesems gesierde natuur waaijen eeuwiglijk welriekende geuren den tempel binnen, en zoo lang het vriendelijke licht van zon, maan en sterren niet verbleekt, zal ook de waarheid in deze kerk niet ophouden te schijnen.
Gij echter, die aan openbaringen gelooft, gij bevindt u in een doolhof met oneindig lange gangen, die zich in allerlei bogten uitstrekken en elkander in de verschillendste rigtingen doorkruisen. Deze gangen splitsen zich tot in het oneindige in nevengangen, en gij treedt ze binnen en doorloopt ze dagen lang, nachten lang;—gij dwaalt er in rond, zonder een uitweg te vinden, gij hebt geen kompas, waarnaar gij uwe schreden kunt rigten;—hoe verder gij op deze bogtige paden voortgaat, des te donkerder wordt het rondom u,—geen schijnsel van verlichting dringt daarin door,—slechts dwaallichten flikkeren hier en daar voor u op;—in plaats van opbeurenden troost maakt angst zich meester van uwe ziel,—maar gij volgt het bedriegelijke spoor der dwaallichten, gij begeeft u immer verder en—ten laatste staat gij aan den rand eens afgronds, die zich voor uwe voeten opent—onpeilbaar diep en somber;—uwe verhitte verbeeldingskracht ziet allerlei bedriegelijke gestalten, die in den afgrond rondwaren, ja, op den achtergrond ontwaart gij den rossen gloed van hel en vagevuur.
Een letterlijk geloof aan de woorden des bijbels dwingt u niet alleen aan te nemen, dat er vroeger wonderen zijn geschied, maar dat er in de toekomst wonderen zullen plaats hebben, zoo als de ligchamelijke opstanding der dooden.
Volgens de natuurwet zijn alle bewerktuigde ligchamen onderhevig aan eene voortdurende verandering, en ondergaat de materie, waaruit zij bestaan, eene onophoudelijke omzetting.—De ligchamelijke stoffen, welke door de levenskracht in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden, scheiden zich na den dood des ligchaams spoedig vanéén, de zuurstof der lucht oefent hare werking uit en andere, eenvoudiger verbindingen worden gevormd. Het ligchaam gaat tot verrotting over, er ontstaan luchtvormige, druipbaar-vloeibare en aardachtige stoffen. Eenige dezer stoffen blijven voorloopig ter plaatse waar het lijk verrot; zij bemesten den bodem, groeijen op als gras en moeskruiden en worden door mensch en dier gegeten; anderen geraken verstrooid, worden door water weggespoeld en kunnen door winden en waterstroomingen in alle deelen der aarde, en van de noord- tot aan de zuidpool geraken!—Eenige stofdeelen of moleculen van menschen, die voor duizend jaren in Friesland zijn begraven geworden, vielen welligt met den regen in lateren tijd in de Chinesche zee uit de lucht neder; anderen kwamen door stroomingen of met schepen aan de kusten van Amerika of naar Engeland;—zij werden door visschen opgeslokt, deze visschen zwommen verder,—werden door Chinezen of Nieuw-Zeelanders of door Franschen en Engelschen gevangen, opgegeten en kwamen op die wijze in menschelijke ligchamen;—deze menschen stierven; gras wies op hunne grafplaats; dieren aten dit gras, gaven melk en kaas;—menschen aten deze kaas of het vleesch der dieren en stierven;—nieuw gras groeide op, nieuwe dieren aten het gras en strekten aan andere menschen tot spijs; deze stierven en andermaal groeide er gras of er verhieven zich wouden boven de overblijfselen dezer dieren en menschen.—Het hout dezer wouden werd deels tot den scheepsbouw gebezigd en eenige der daaruit getimmerde schepen beploegden de zeeën van de zuidelijke helft des aardbols; zij strandden op de koraalriffen van het eiland Malicolo en leverden de stof, waaruit met pijl en boog gewapende Polynesiërs ontstonden;—anderen voerden Sir John Franklin naar de IJszee, waar hij met man en muis verging; deze schepen waren, even goed als de anderen, ruim geproviandeerd met Hollandsche boter en kaas, waarvan de officieren en het overige scheepsvolk hadden gegeten, die nu door ijsbeeren en visschen, zoo als deze laatsten weder door zeehonden verslonden werden, die op hunne beurt aan Eskimo’s tot voedsel strekten;—een ander gedeelte van het hout werd verbrand, de asch werd gebezigd om den grond te bemesten, waarop weldra weder nieuw gras en groentesoorten wiessen, die de stof hielpen leveren tot verschillende na elkander opgroeijende geslachten van menschen en dieren.
Het is derhalve zeer wel mogelijk, dat eenige stofdeelen (of der grondbestanddeelen of van hunne verbindingen d. i. atomen of moleculen) van de menschelijke ligchamen, welke vóór duizend jaren in Friesland zijn begraven, thans zich bevinden in Engeland en behooren tot het ligchaam van een lid van het Parlement, die lord Aberdeen interpelleert over het Turksche vraagstuk,—anderen aan de kusten der Hudsonsstraat of van de Baffinsbaai ronddwalen in de gedaante van Eskimo’s, die zich aan robbenvet vergasten, of thans rollen in de aderen van een Papoea op Nieuw-Guinea;—het is mogelijk, dat anderen tot een mandarijn zijn geworden, die thans voor Peking het zwaard in de hand houdt om de regten van zijnen keizer te verdedigen;—anderen hebben welligt gedurende eenige geslachten een stam van Noord-Amerikaansche wilden helpen vormen en zijn thans in Californië, alwaar deze wilden zijn begraven geworden, tot hooge boomen opgegroeid—en het kan wel waar zijn, dat nog andere moleculen der stoffen, waaruit voor duizend jaren de oude Friezen bestonden, zich thans bevinden in de tweede kamer der Staten-Generaal te ’s Hage, in het hoofd van een der volksvertegenwoordigers, die oppositie voert tegen het ministerie,—of dat eenige dezer deelen, nadat zij reeds door vele tientallen van andere menschelijke ligchamen zijn gegaan, en achtereenvolgens aan eenige schoenmakers, kleêrmakers, doodgravers, schouwspelers of dominé’s hebben behoord,—nu kortelings weder door de koeijen in de weide zijn opgegeten en op dezen oogenblik in den vorm van boter en kaas of een rundergebraad op een van uwe tafels staan, die morgen (wanneer gij die spijzen genuttigd hebt) in uwe aderen rollen, overmorgen echter reeds wederom op een andere plaats zich zullen bevinden.
Gesteld, dat nu heden de „Jongste dag” ware aangebroken en de voor duizend jaren begraven oude Friezen wederom moesten opstaan uit hunne graven, welk een onbeschrijfelijk schouwspel van opstanding zou zich dan aan uwe blikken voordoen!—Hoe zouden de ligchamelijke deelen (de stoffen waaruit de Friezen vóór duizend jaar bestonden), die thans allerwege op de aardoppervlakte verspreid zijn, zich moeten haasten om—uit den arm van den mandarijn in China, uit Engeland, Malicolo, van de kusten der Baffinsbaai, uit Nieuw-Guinea, Californië, uit de tweede kamer der Staten-Generaal te ’s Hage, uit de kaas of uit het rundergebraad, die nog op uwe tafel staan, en uit duizend andere ligchamen, uit gras, boomen, koeijen in de weide, visschen in het water, menschen in de stad en op het platte land,—hoe zouden zij zich haasten om zoo snel mogelijk naar Friesland te komen, hoe zouden zij van verre en van nabij door de lucht vliegen, om nog te regter tijd aan het oude graf te kunnen zijn!—Eenigen moeten slechts 5, anderen 30 en er zijn er die 3000 mijlen moeten afleggen,—maar alle deelen en atomen (waterstof-, zuurstof-, stikstof-, phosphorus-, kalkaarde-, ijzer- en andere atomen) allen reizen even snel,—geen atome kan zelfs één enkel oogenblik op het andere wachten,—de kalkaarde toch heeft den phosphorus noodig en de phosphorus verlangt naar de zuurstof.—Atomen, haast u! haast u!—maakt onderweg geene kennis met elkander, wanneer gij daar dooreen snort in de lucht,—verloochent voor heden uwe verwantschap,—in Friesland! is uw rendez-vous,—daar moogt gij u verbinden, maar houdt u nu niet op, elke seconde is kostbaar,—draagt zorg, dat gij aan het graf komt!—Hoort gij het luide „geschal der bazuin?”—spoedt u voort!—„de dag van het wereldgerigt is aangebroken! de ure der opstanding heeft geslagen!”—Ziet hoe zij ijlen, hoe zij vliegen, hoort hoe zij snorren!—zij komen!—daar zijn zij!—Ja, het goddelijke magtwoord heeft uitgewerkt, dat zij allen, allen te regter tijd aan het graf zijn bijéén gekomen, opdat—de doode zou kunnen opstaan.
Goed. De doode rijst op. Daar staat de Fries!
Hoe zonderbaar dit alles ook moge toeschijnen, het is echter denkbaar en zou derhalve mogelijk zijn voor de goddelijke almagt.—Maar wacht eens! halt!—Wat moet er gebeuren met het lid van het parlement, die lord Aberdeen interpelleerde? Wat moet er worden van den braven John Franklin en van de Eskimo’s,—van den ongelukkigen Lapeyrouse en van zijne matrozen,—van de Papoea’s, van den mandarijn in China, van de Noord-Amerikaansche wilden, van het oppositie lid der Staten-Generaal te ’s Gravenhage,—van de schoenmakers, kleêrmakers, professoren, doodgravers, schouwspelers, en bovenal wat moet er van de dominé’s worden? die zullen toch ook gaarne willen herrijzen en hebben even billijke aanspraken op de goddelijke geregtigheid!—Hoe moet daarmede nu gehandeld worden?—De ligchamelijke stof, waaruit zij—ten deele—bestonden, is immers naar Friesland teruggekeerd, en aldaar gebezigd geworden tot eene hernieuwde daarstelling van de ligchamen der oude Friezen!—voor de menschen, die later uit deze stof zijn gevormd geworden, is toch niets meer overig gebleven of er ontbreekt althans iets aan!—deze hebben een arm, genen een been te weinig, aan den één ontbreken 95 atomen stikstof, bij den anderen 1000 atomen waterstof, en aan het oppositie lid der Staten-Generaal te ’s Hage ontbreekt welligt het gansche hoofd!—Zonder hoofd kan men toch niet uit den dood opstaan!—Neen, dat gaat niet.
Dezelfde stof heeft toch achtereenvolgens, op verschillende tijden, zeer vele ligchamen van menschen gevormd,—de materie loopt immers in een eeuwigdurenden kring en gaat onophoudelijk van het onbewerktuigde rijk in het bewerktuigde, in planten, dieren en menschen over en keert uit deze weder in het onbewerktuigde rijk terug!—De stof neemt nimmer toe, noch af, maar ondergaat eene voortdurende omzetting en een en hetzelfde atome zal tot aan den „jongsten dag” welligt tot een millioenen ligchamen of meer hebben behoord, welke het achtereenvolgens hielp daarstellen! - - - Gemakkelijk laat het zich bevroeden, dat het zelfs voor de goddelijke almagt volstrekt onmogelijk zou zijn, dat millioen menschen in eens in hunne vroegere ligchamelijke gestalte te voorschijn te doen komen, dewijl toch hetzelfde atome slechts aan een hunner te gelijker tijd kan toebehooren en, zoo lang het aan dezen eenen behoort, natuurlijkerwijze aan de overige 999999 ontbreken moet!—Maar wat meer zegt, zelfs gedurende het leven bestaat het bewerktuigde ligchaam geen twee dagen lang uit dezelfde stof, dewijl het onophoudelijk nieuwe stofdeelen opneemt en de ouden uitwerpt.—De gansche schepping van dieren en menschen, welke uit vele millioenen van individuen kan bestaan hebben, en vóór 3000 jaren op de aarde leefde,—vervolgens stierf en begraven werd, zij ligt thans niet meer in de aarde, maar is reeds sedert lang opgestaan!—Dezelfde stof, waaruit zij bestond, bevindt zich in dezen oogenblik misschien in ons,—in de thans levende schepping van dieren en menschen,—nadat zij intusschen gedurende de verloopene 3000 jaren door talrijke andere levende geslachten is gegaan.
„Het ligchaam zal tot stof wederkeeren, waaruit het genomen is;” dat wil zeggen, de stof is, wel is waar, onvergankelijk,—maar veranderlijk van gedaante; zij is onophoudelijk in beweging en de stoffen scheiden zich vaneen of gaan nieuwe verbindingen aan zonder ophouden. De geestelijke kracht, de ziel alleen, is onveranderlijk en eeuwig. Wij behooren derhalve de ligchamelijke opstanding der dooden als een schadelijk bijgeloof te verwerpen en slechts aan een wonder te gelooven, dat is, aan HEM, dien wij aanbidden en niet begrijpen, van wiens aanwezen echter wij zelven, zoo mede de gansche schepping en de eeuwige onveranderlijke wetten, die haar beheerschen, de getuigen zijn. Want God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig.