24.
God is voortdurend werkzaam: wij moeten arbeidzaam en vlijtig zijn.
In de natuur blijft niets, zelfs niet gedurende een enkelen oogenblik onveranderd, staat niets gedurende een enkelen oogenblik stil; de tijd gaat onophoudelijk voort.—Laat ons een nuttig gebruik maken van de handbreedte tijds, welke de maat is van onzen levensduur en verslapen wij dien niet. Wij moeten vlijtig zijn en, indien wij ons doel willen bereiken, volhardend in vlijt.
Wij zullen het genot der rust eerst dan leeren schatten, wanneer wij vermoeid zijn van den arbeid. Wij moeten arbeiden, elk in zijn vak, totdat wij vermoeid zijn. Wij moeten nimmer ledig gaan, indien wij niet vermoeid zijn.
God heeft ons geschapen, opdat wij op hem zouden gelijken en leven. Indien wij langer slapen dan noodig is, indien wij zonder vermoeid te zijn, ons op de rustbank nederleggen, dan handelen wij ondankbaar jegens de weldadige bedoeling van God, wij verkorten ons leven en leven dan slechts half. Lediggang is zonde. Wij moeten vlijtig en arbeidzaam zijn, want God is voortdurend werkzaam.