25.
Wanneer wij bij het nadenken over het geschapene en zijn oorsprong aan de grens zijn genaderd, alwaar ons begripsvermogen ophoudt, dan verrijst de hoop voor onze blikken.—Uit de beschouwing der natuur en van ons zelven zijn wij tot de erkentenis gekomen, dat een eeuwige, verstandige geest in deze schepping leeft. Zijn wezen, zoo mede onze bestemming en toekomst kunnen wij niet doorgronden. Maar uit de verschijnselen en wetten der natuur hebben wij de hoedanigheden Gods afgeleid, en hierin de voorschriften onzer godsdienst en zedeleer gevonden.—Dit zijn de hemelsche sterren, die het aardsche leven vriendelijk beschijnen. Bij deze helderblinkende sterren voegde de Onvergankelijke nog eene zachte maan en hij gebood, dat haar weldadig licht nimmer zou worden uitgedoofd in het gemoed van den deugdzamen mensch: hoop is haar naam.—Nergens kunnen wij waarheid, nergens duurzame bevrediging des harten vinden, dan in de beoefening der natuur,—in de beschouwing harer ligchamen, harer stille, eeuwig zich gelijk blijvende krachten; want hierin zien wij de sporen van den Onvergankelijke, die zich weder in onze eigene ziel afspiegelen.—Wij moeten het verhevene, het groote, dat zich in de natuur openbaart, niet bespotten. God moet ons heilig zijn.—God is wijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk getrouw en werkzaam. Wij moeten er naar streven dit insgelijks te zijn. Dit geloof moeten wij gedurende ons gansche leven geen oogenblik laten varen; wij zullen er vertrouwen op ons zelven uit putten en het zal ons sterken in de wederwaardigheden onzes levens, ja, het zal ons troosten, wanneer wij twijfelen of aan iets onbegrijpelijks komen.
Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen, die zoo vol landen, klippen en eilanden is, moet dit geloof zijn;—liefde moet de kracht wezen, die onze zeilen doet zwellen; wijsheid behoort aan het stuurrad te staan en—ons plegtanker, dat vóór aan den boeg hangt, ’t welk men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de oneindige zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat, dit moet zijn—de hoop.
EPILOOG.
Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne preek tegen het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan openbaring.
Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen gerangschikt mogen worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is, begrijpen en met mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de maatschappij, dat het aantal diergenen groot moge zijn.—Trouwens, gij—heiligen van den jongsten dag, gij, Groene, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat tot over de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist als de visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche wereld uit water bestaat. En wanneer nu eens bij een geleerde onder hen—onder de visschen—een duister voorgevoel opkomt, dat er welligt ook lucht in de wereld is, dan verbeeldt hij zich toch, dat die eene doodelijke gassoort moet zijn, waarin al dat leven heeft, onfeilbaar moet verstikken!—En wie mag zich daarover verwonderen? Gij hoort, ziet, ruikt, smaakt en gevoelt toch van uwe prille jeugd tot aan uw zalig uiteinde niets anders dan Christelijke polsen, Christelijk brood en wijn, Christelijken wierook of damp, Christelijke kerken en Christelijke predikatiën,—gij schrijft Christelijke anthropologien, draagt Christelijke brillen op uw neus,—de menschenliefde hebt gij afgeschaft, ’t moet Christenliefde heeten, „dampkringslucht” is eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan Christelijke lucht, gij drinkt echt Christelijk water en, moogt gij ook somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des te Christelijker,—gij laat u Christelijk begraven en vaart dan—op naar den Christelijken hemel, die zich met de zon, de maan en alle sterren dagelijks om de kleine aarde draait.
Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een dergelijken bril draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de visschen predikt: „Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht, die men hier tusschen de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is het heldere licht, het licht der waarheid, dat hier boven schijnt!—Gij arme visschen, wilt gij dan eeuwig in het troebele water blijven en u over den modderigen bodem rondwentelen? of u zelfs laten visschen en vangen met den angel Groen—angel geel of angel blaauw?—of van welke kleur zij mogen zijn, deze takken van den boom met twee wortelen: a en b. Komt toch boven en volgt mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u visschen.”—Hu! dat hebben de getrouwe geburen der visschen, namelijk, de kikvorschen, die aan den kant zitten, gehoord en nu beginnen zij te kwaken, allen te gelijk, met eene stem: „Visschen! Visschen! Wacht u voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom; maar gij kunt immers hooren? Gij kunt immers gelooven?—wel nu, gelooft hem niet! Hoort niet naar hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind, naar dezen bezetene!—Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft ons kikvorschen: wij zeggen u de waarheid! het heldere licht daarboven kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht moet gij verstikken, geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs kunnen haar niet goed verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer wij kwaken willen, ademen wij die lucht eens even in. Dat weet gij immers wel.—Wij blijven het liefst bij u in het moeras! Is dat dan niet volkomen waar?—Daarvan kunt gij u met uwe eigene oogen overtuigen!”—en plomp, plomp! daar springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar schieten zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het hart der visschen van vreugde bonst.”—Dat zijn eerst overtuigende bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door de gehoudene predikatie en—zwemmen voort.
(Vervolg hierna.)