1.
De levende mensch is aan de aarde verbonden door de zwaartekracht. Door de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn aanzijn verbonden aan de atmospherische lucht. Zijn spijsverteeringstoestel maakt hem afhankelijk van de gansche overige natuur. Hij bestaat en leeft slechts door omzetting van reeds aanwezige organische stoffen in het planten- en dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er weder uit verwijderd worden.—Van zijn aanwezen verkrijgt hij het bewustzijn door middel van zijne vijf zintuigen, door het vermogen, ’t welk hij bezit, om te zien, te hooren, te ruiken, te smaken en te gevoelen. Door middel van deze vijf zinnen staat zijn innerlijk geestelijk wezen in verband met de hem omringende schepping. Berooft den mensch van het zintuig des gezigts, en voor hem heeft het licht opgehouden te zijn, ontneem hem het gehoor en het geluid bestaat voor hem niet meer. De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel, de schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als een alleen staand wezen niet denkbaar.