2.
Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons binnenste als vijf draden, die in eenen draad uitloopen, aan eenen inwendigen knoop zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk, dien wij door de zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een brandpunt van vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot voorstelling, tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of dikwerf worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij hebben geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken: wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te brengen.—Op gelijke wijze als de verschijnselen in de buitenwereld komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en denken of (welligt reeds vóór duizende jaren) zich hebben voorgesteld en gedacht, op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door middel van ons gehoor en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is overgekomen of door overlevering is bewaard gebleven. Wij hebben voorstellingskracht, begripsvermogen. Wij kunnen denken.