WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en sagen uit West-Indië cover

Mythen en sagen uit West-Indië

Chapter 93: No. 27. Legende van Leisah. II.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collected anthology of oral myths, legends, and animal tales gathered in the West Indies and the Guyana region, drawn chiefly from indigenous and Afro-descendant traditions. It assembles cosmogonies and origin stories, wonder-tales and trickster fables in organized rubrics, pairs narratives with comparative commentary and a selective literature overview, and presents decorative illustrations that echo the symbolic and animal-centered storytelling central to the traditions.

No. 27. Legende van Leisah. II.

Er wordt verhaald, dat in zeker dorp twee echtelieden woonden, die dol waren op kinderen, maar er zelf geen hadden.

We moeten trachten, op welke wijze dan ook, aan een kind te komen, zeiden zij.

Eens kwam een oude vrouw bij hen aan huis, vroeg de vrouw naar haar welstand en naar dien van haren echtgenoot. De vrouw des huizes antwoordde met droevige stem:

„Wij zijn, met Godswil, wel”.

„Wat scheelt U dan, Mevrouw?” vroeg de oude.

De vrouw des huizes deelde hare grieven mede, waarna de oude vrouw haar een wees van acht dagen in handen gaf.

Het kind behoorde tot de vrouwelijke kunne en kreeg den naam van Jacoba. Zij werd opgevoed als kind des huizes. [326]Toen zij twaalf jaar was, moest ze voor huishoudelijke bezigheden beginnen te zorgen, hetgeen zij met vlijt deed.

Eens wandelden de twee kinderliefhebbers langs het strand. Daar zagen ze een meisje onbeheerd liggen en zij vroegen haar het een en ander.

Daar zagen zij een meisje onbeheerd zitten …—Zie blz. 326.

Het kind werd naar huis medegenomen en kreeg den naam van Leisah. Spoedig werd zij het troetelkindje, waarom Coba, hierover jaloersch, haar begon uit te schelden.

De vondelinge begon te kwijnen van verdriet, omdat Coba haar aanhoudend plaagde en treiterde.

Van dat alles vermoeid, zong zij het navolgende, waaruit haar voornemen bleek:

Papà kári mi Leisah,

Mamà kári mi Leisah,

Coba kári mi Skóema.

Skoema mi na, Skóema mi sa tan!189

De arme Coba werd weggejaagd, maar Leisah hield niet op met treuren, en op zekeren dag keerde zij terug naar de plaats, waar zij gevonden werd.

Haar pleegmoeder liep haar na als een pijl uit den boog, maar kon haar niet inhalen.

Leisah was reeds in het water gesprongen, toen haar moeder aankwam. Wel werd zij nog bij het lange haar gegrepen, maar door de zwaarte zakte zij hoe langer hoe dieper en werd zij onder de golven begraven. Zoo was Leisah weêr naar haar land teruggekeerd, omdat zij uit schuim geboren was. De moeder, die haar troetelkind eindelijk had moeten loslaten, hield de striemen van het haar in de hand. [327]