85 Er bestaan verborgenheden. 

86 Mannetje van een gronduil* (uil, die laag bij den grond nestelt). 

87 Vloermat. 

88 Bezem, van den vruchttros van den pina-palm gemaakt. 

89 Afrikaansche afgoden-priester. 

90 Inlandsche dokter. 

91 Koperen dwergspook. 

92 Kruispunt van wegen. 

93 Meneer, er bestaan dingen. 

94 Vriend. 

95 Afrikaansch snaarinstrument. 

96 Mijnheer, steek er den draak niet mede. 

97 Laat mij met vrede. 

98 Dat gaat het menschelijk verstand te boven. 

99 Land der blanken. 

100 Vergiftigen. 

101 Mijn ziel, mijn geest. 

102 Het is beter er niet over te spreken. 

103 De slaap doodt me—ik heb slaap. 

104 Dank zij den leeraren, die de oogen, die nog gesloten waren, geopend hebben. 

105 Zie: blz. 213

106 Ja kapitein, vaarwel. 

107 Kleine korjaal, kano. 

108 Weten is duur, m.a.w. berouw komt te laat. 

109 Goeden dag, mijn Gouverneur. 

110 De reiziger ziet spoken, m.a.w., wie veel bij den weg is, ziet spoken. 

111 Pap van bananenmeel. 

112 Gouverneur, denkt U, dat het kind braf (soort soep) zal willen slikken? 

113 Soep van tajers*. 

114 Wilde tajer, die giftig is. 

115 Ik wensch papieren. 

116 Kaart. 

117 Ruimten tusschen planken en stijlen. 

118 De duivel. 

119 Ik heb mijn azeman verkocht. 

120 Onvertaalbaar. 

121 Onvertaalbaar. 

122 Gouverneur Spin. 

123 Mijn Gouverneur, bespeel uwe viool. 

124 Ik hoor, het jonge meisje wenscht geen man. 

125 Het is goed, ga, ik kom. 

126 Hert, hert, wat zijt ge een dom dier. 

127 Vriend. 

128 Pens. 

129 Pens. 

130 Verheugt hij zich in een goeden eetlust. 

131 Moeder Akoeba, de vrouw van de Spin in de Anansi-tori’s. 

132 Hoe zal ik doen van daag? 

133 Man, wat moet ik doen, denk je? 

134 Mijn kindertjes, wie van jullie houdt het meest van vader? 

135 Ik. 

136 Man, meester, heer. 

137 Waternimf. 

138 Vriend Spin. 

139 Ba’ van baja = vriend. Pina = speld. Met Ba’ Pina wordt de kat bedoeld. 

140 Ik ben het niet, heer Spin is het. 

141 Kapitein jij draagt een hoofd, weet je; jij bent me een man. 

142 Breng voor de bemanning. 

143 Zijn mond voorbijpraten. 

144 De Neger-Engelsche benaming voor de kikvorsch en de pad. 

145 Wat zal ik zeggen? 

146 Ja, meester. 

147 Ondank is ’s werelds loon. 

148 Vriend Hond. 

149 Kakkerlak. 

150 Stekelvarken*. 

151 De haan is mijn slaaf! reh! reh! reh! 

152 Die een graf graaft voor een ander, valt er zelf in. 

153 Goedendag, vriend Dood. 

154 Rooster. 

155

Het geheele dorp zal verzinken!

Alle wezens zullen sterven!

Spin alleen zal overblijven!

156 Moeder Akoeba

157 Moeder Akoeba spreekt haar man dikwijls met „mi kaptin” (= mijn kapitein) aan. 

158 Goeden dag, vriend Tijger. 

159 Past op, dat Anansi u niet fopt. 

160 Goeden avond, Kapitein. 

161 Kósi is een eerbiedige kniebuiging, waarbij de voeten achterwaarts bewogen worden. Nog bij oude negerinnen (vooral onder de Boschnegers C.a. blz. 245) is deze begroeting in gebruik. 

162 Neen, ik heb zeere oogen. 

163 Eendvogels. 

164 Waternimf. 

165 Kikvorsch. 

166 De vrouw van heer Spin in de anansi-tori’s

167 Vriend Spin. 

168 Het hert. 

169 Gouverneur, dorpshoofd. 

170

Konijn, konijn.

Ik ben je knecht niet.

171 Dicht struikgewas. 

172 Jij, kwajongen van een haas. 

173 Goeden dag, mijn Oom. 

174 Schildpad*. 

175 Tante Akoeba, de vrouw van heer Spin. 

176 Vriend Vos (eigenlijk „Krabbenhond”), verlang je dan niet, je tante te komen zien? 

177 Er was eens.… 

178 Afkorting van Bája = vriend. 

179 Invloed der zending. 

180 Zie voor „schapen” in het verklarend register. 

181 Zoete pataten*. 

182 Naam, gegeven aan een (meestal oude) vrouw, die kinderen oppast. 

183 Mijn lieve jongeheer, wat scheelt U weêr? 

184 Ik ben ziek, néne. 

185Kakka” is haan. Wellicht is dit woord verbasterd Afrikaansch. 

186 Als je in de buurt bent, kom dan bij mij. 

187 Verbastering van Louise (Louisa). 

188

Vader noemt mij Leisah,

Moeder noemt mij Leisah,

Mina noemt mij Schuim!

189

Vader noemt mij Leisah,

Moeder noemt mij Leisah,

Coba noemt mij Schuim,

Schuim ben ik en Schuim zal ik blijven.

190 Meisje, geboren op Woensdag (zie blz. 213). 

191 Meisje, geboren op Vrijdag (zie blz. 213). 

192 Onvertaalbaar. Vermoedelijk Afrikaansch.