The Project Gutenberg eBook of Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Title: Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Author: Justus van Maurik
Release date: July 17, 2009 [eBook #29429]
Most recently updated: January 5, 2021
Language: Dutch
Credits: Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.
Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Uitzondering zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
PAPIEREN KINDEREN
EEN BENEFIET.
EEN BENEFIET.
I.
Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.
Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost.
„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.
Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.
„M’neer thuis?”
„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis woont?”
„Meneer Hostein!”
„Jawel, die is thuis, maar.....”
„Niet te spreken misschien?”
„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....”
„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.” Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.”
Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten, tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen hing.
Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar boven komen.”
„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over.
Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet, trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.
„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.”
In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond, gladgeschoren gezicht; op ’t kort gesneden haar draagt hij een roode Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding. Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t drempeltje, ouwe heer: ’t is een beetje duister op ’t portaal.”
De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.”
Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt.
’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.
„’t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere ’t niet verstaat en vriendelijk vraagt:
„Zei je wat, Walten?”
„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik u erg kom hinderen, maar....”
„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje over.”
„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.”
„Hé?”
„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.”
„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: „Meneer”—en dàt tegen mij, je ouwen leerling Willem?”
„Ja, maar meneer Hostein...”
„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik heet?”
Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl een: „Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt.
„Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?”
Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:
„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!”
Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem: „Is ’t waarachtig?”
„Ja, ik weet nu geen raad meer.”
„Arme ouwe kerel!”
„’t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....”
„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dàt?” Hostein maakt de beweging van geld tellen.
„Niet alleen; maar—toch....”
„Zit je weer in den brand?”
„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je? Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....”
„Dat is ook niet noodig.”
„Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding probeeren en daartoe....”
„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere collega’s je met alle liefde wat assisteeren willen en....”
„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te hebben; ik....”
„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!”
„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers wel, dat ik nu dan toch....”
„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je rooken?—Hier staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas port dan?—Kom! dat zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de maag.—Wil je niet?—Nu wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten nog wel!”—Hostein schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is binnengetreden, zegt hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t café—en ’n paar beschuitjes.”
„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die woorden.
„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.”
„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché, die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen! zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is de waarheid,—ik word langzaam aan oud; dat voel ik wel.”
„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....”
„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo hard gehad in den laatsten tijd.”
„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?”
„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd „Pech” gehad in de laatste jaren.”
„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom sprak je niet?”
„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.
„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?”
„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn schouwburgtent?”
„’k Heb er destijds van gehoord.”
„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde en.....”
„Je was toch geassureerd?”
„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen ben?”
„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.”
„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.”
„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?”
„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....”
„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s een ellendige historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?”
„Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.”
„En hij?”
„Zit ergens in Australië, geloof ik.”
„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?”
„Die is nog altijd ’tzelfde.”
„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd.
„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger, de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....”
„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?”
„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dàt kind, ’n geboren tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst optrad? Wat ’n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de handen over mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna geen stom woord. Die vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n arme Netje totaal ingepakt en....”
„En ’t kind, is dat blijven leven?”
„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk, hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.”
„’t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.”
„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in orde. Ja, ’t is ’n ellende! Die muzikant met z’n sentimenteele oogen heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt meer; maar dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is geraakt, dat ’s fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: „’t Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald, dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede verpleging en rust kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n gesticht en....”
„Zou je dat waarlijk denken, Walten?”
„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God! wat ’n jammer, dat ze zoo....”
„’t Is zonderling!”
„Ja, wel is ’t dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat begrijp je; maar „père noble”, dat zou best gaan; ik zou nog menig „jonkie” een lesje kunnen geven.”
Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt, met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend, je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als ik....”
„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen, artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom ik nu ook bij jou om hulp.”
„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?”
„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!”
„Ei! Ei!”
„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad, maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou, als jij mijn voorspraak woudt zijn.”
„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.”
„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar ’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.”
„Dat’s weinig!”
„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.”
„Ja, dat’s akkoord!”
„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.”
„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.”
„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och! ’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die woorden.
„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „en attendant” ’n pop of tien hebben?”
„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na mijn benefiet.”
„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen kan.... Hier heb je een muntje.”
„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t lukt?”
„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.”
„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?”
„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?”
„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je klaren.”
Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan, hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.
Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog kleiner salaris begon.
Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op ’t affiche bleek voldoende om een stuk te doen „trekken.”
Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen leeftijd nòg fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was gevlogen, die „le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij ’t geduldig droeg, blijft de vraag.
Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij langzaam, maar zeker, omlaaggleed.
Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „Madame la Directrice” heeten—en ze deed hem vallen.
„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.
„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”, maar in de andere beteekenis van ’t woord.
Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de kermistent voerde.
Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde, misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter, toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen dáár, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.
’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed, en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kón zijn—hem een fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang, was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te stellen, dat men die niet kon toestaan.
Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur, zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan, speelde alles, wanneer ’t slechts „DE ROL” was van ’t stuk; ’t handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals de flesch aan den dronkaard.
Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond, zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden ’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde, was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.
Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van anderen—een „gentleman” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande hij niets meer was.
Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden hoe schoon het geheel eenmaal was.
Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven; zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was ’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter, zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.
Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid, dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was, die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte, verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek.
Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik kan”.
Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.
[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.
II.
’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die, weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt als komt.
Op ’t open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft, staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en „’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en bevelender: „Stil dan toch, joggie!”
Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf, het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn, wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het volle daglicht binnenviel.
Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar: „Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar binnen in de kamer kan zien.
„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw, want binnen klinkt de stem al luider en luider.
„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere, vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!”
Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar buiten.
Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om ’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken, als zij nadert.
„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.
„Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in de kamer zien; ’t eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch wat ben je toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje! oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d’r.—Zie je wat?”
„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor ’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik zien.”
„Zie je wat?”
„Nou!”
„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.”
„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.”
„Nou hé!”
„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. Hè! hè! hè! hè!”
„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!”
„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.”
„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?”
„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.”
„Vertel dan ereis, wat ie zeit?”
„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r verstaan. Jij ook?”
„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!”
Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:
Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.”
Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;
Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt,
Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.”
„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t over z’n armoê. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie wel.”
„Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje komedie te doen.”
„Nou!”
Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:
’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.”
zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.”
„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.”
Walten antwoordt:
„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere, die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.
„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor je wel?”
Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint,
En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven
Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.”
Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen, gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—hè! dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat ’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.”
„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t niet?”
„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.”
„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne ze weer; maar....”
Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot het uiterste gebracht en bezweken.
Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat, vraagt ze:
„En is daar nou alle dage weêr-an zoo’n spektakel?”
„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.”
„Heere, Heere!—’k Wou dat ’k hier eerder was komme wone; ’t verdiverteert me wel.”
„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.”
„Kom?”
„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog wat!”
„Wel, wel!”
„En speult ie nou nog op den Schouwburg?”
„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.”
„Wat je zegt!”
„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.”
„Zoo!”
„Jawel, ’n eerste kemiekeling!”
„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt; anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo ziet.”
„Nou!”
„Zoo’n beetje verloopen ook, hé?”
„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.”
„Och kom!”
„Ja, als Pietersen komt.”
„Wie is Pietersen?”
„O! ken je dien nog niet?”
„Neen!”
„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel van ’n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes met ’n jas van „dankie meneer” er over. ’n Liefhebber van een slokkie, erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt ook.”
„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.
„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om ’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O! Pie-ie-ietersen!”
„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat; misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?”
De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken.
Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en ’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of anderen menschenvriend.
Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn. Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters. Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog knipt hij niet vaker dan anders.
De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen ernst:
„Rr-oept u, schoone dame?”
„Ja, Pietersen!”
„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!”
Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch, ha! ha! ha!”
„Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?”
„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.”
„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke, dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.”
Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.”
„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!” Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben gezet, lieveling!”
Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.
„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.”
Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur, die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.
„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat, keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „Au revoir, mes anges”.
Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen binnensmonds en gaat dan de trap op.
’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen, maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vóórdat hij naar boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit de kamer: