WeRead Powered by ReaderPub
Parodieën cover

Parodieën

Chapter 31: II.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of sharp parodies that mimic and mock established literary styles, offering pastiches of classical Roman tableaux, mock-heroic sketches, and satirical short stories about poets, painters, and social climbers. The pieces alternate between ornate, Latin-inflected prose and more colloquial narration, exaggerating ritual, rhetoric, and manners to expose vanity and pretension. Recurring comic situations place stylish figures in absurd or undignified circumstances, while other sketches lampoon artistic ambition and literary affectation. The volume emphasizes wit, tonal mimicry, and playful inversion of high literary forms rather than extended plots.

PRINSES ZOETEKAUW

EEN SPROOKJE.

Er waren eens een koning en een koningin, die een beeldschoon dochtertje hadden, dat Eveline heette. Nu wilde echter het ongeluk, dat het prinsesje één groot gebrek had; zij was zeer snoepzuchtig. Zoo kwam het dat men Eveline, toen zij acht jaar geworden was, nooit bij haar eigen naam noemde, doch dat elkeen sprak van Prinses Zoetekauw! Dit veroorzaakte H.H. M.M. veel verdriet.

Op een avond nadat Eveline naar bed gegaan was, bespraken haar ouders juist de noodzakelijkheid, haar van hare fout te genezen, toen er gescheld werd en Antje de meid vlak daarop een kaart binnenbracht van den volgenden inhoud:

ADELGONDE,
FEE.

Directrice van het Herstellingsoord “Excelsior”. Beveelt zich beleefd aan voor het verbeteren van kinderen met onvolmaakt karakter.

Billijke condities.—Ook aan huis te ontbieden.—Gezonde, boschrijke streek.—Prima referentiën bij de deftigste families.—Strikte geheimhouding verzekerd.

Prospectus wordt desgewenscht gratis toegezonden.

De ouders van Eveline zagen elkaar verbaasd aan. Toen zei de koning:

“Laat de juffrouw binnenkomen, Antje.”

De Fee trad binnen, nam den haar beleefd aangeboden stoel en glimlachte vriendelijk.

“Mag ik u vragen, Fee,” zeide Eveline’s vader, “waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb?”

“Zooals u wel zult vermoeden, meneer de koning,” begon de Fee, “heeft de helaas algemeen bekende snoepzucht van uw overigens aardig dochtertje mijn schreden hierheen geleid.”

H.H. M.M. zuchtten diep.

“Ik geloof namelijk,” vervolgde de Fee opbeurend, “het prinsesje te kunnen genezen.”

H.H. M.M. zagen elkaar hoopvol aan.

De Fee stond op en zwaaide de tooverparapluie, welke zij steeds bij zich droeg. In een oogenblik was de kamer vol eigenaardige wezens. Elfen, kabouters, hulpfeeën, enz.

“Dit is mijn personeel”, zeide Adelgonde. “Het staat mij met ijver en plichtsbetrachting bij in mijn somtijds moeielijke taak. Onze kabouters hebben u, zooals u zien zult, een der laarzen meegebracht van den Reus, die niet zelf kon binnenkomen wegens zijn reusachtigheid”.

Vervolgens stelde de Fee de aanwezigen één voor één aan H.H. M.M. voor. Nadat de hulpfeeën: de dames zuster Silentia, zuster Attentia, zuster Patientia en zuster Olympia hare nijging hadden gemaakt en minzaam door het vorstelijk echtpaar waren toegesproken, kwam de beurt aan de kabouters: de heeren, Jokniet, Morsniet, Snoepniet, Pulkniet, Kijfniet, Zeurniet en Gilniet.

H.H. M.M. onderhielden zich daarop een tijdlang met elk der aanwezigen afzonderlijk en lieten zich hunne denkbeelden uiteenzetten. In het bijzonder interesseerde H. M. de Koningin zich voor het praktisch werk door zuster Olympia verricht. Hare Majesteit liet deze hulpfee haar nieuwste systeem verklaren, dat op een combinatie van nuttige handwerken en lichamelijke opvoeding berust, en gaf door de vragen, die het Haar behaagde te stellen, blijk van Haar belangstelling en kennis van zaken. Onderwijl leende Haar gemaal een gewillig oor aan de belangwekkende theorieën van den heer Jokniet over de jacht, een onderwerp dat den vorst buitengemeen interesseerde.

“Mijn personeel”, vervolgde de Fee, het woord weder opnemend, “bestaat uit prima werkkrachten. Ik heb de eer in het bijzonder de aandacht van Uwe Majesteiten te vestigen op onzen heer Snoepniet, sedert vele jaren bij mij werkzaam, aan wiens zorgen ik gaarne de behandeling van Hare K. Hoogheid wenschte te zien toevertrouwd.”

Eveline’s ouders maakten nader kennis met dezen bekwamen en welwillenden kabouter. Besloten werd, dat Eveline een tijdlang verpleegd zou worden in het herstellingsoord “Excelsior” en aan de zorg van den paedagoog Snoepniet zou worden toevertrouwd.

Den volgenden dag vertrok zij, alleen vergezeld van de particuliere hoffotografe der koningin. Haar afscheid van het koninklijk echtpaar was kort maar roerend.

De reis was zeer voorspoedig.

De ontvangst was allerhartelijkst. De jongste verpleegde, 2½ jaar oud, in behandeling voor duimzuigen, bood de hooge gast een ruiker aan. Het woud Excelsior wemelde van berispelijke kinderen, daarheen gezonden, om verpleegd te worden tot den waarlijk billijken prijs van f 1.– per dag, per persoon, met volledig pension (buiten de wasch). Meer kinderen uit één gezin gereduceerd tarief (wij citeeren den prospectus).

De kinderen waren in ploegen verdeeld, en werkten acht uur per dag onder toezicht van de kabouters. De arbeid van iedere ploeg was er op berekend, de kinderen, die er toe behoorden, van hun bepaalde ondeugd te genezen. Had een kind meer dan één ondeugd, dan werkte het afwisselend in verschillende ploegen en dan duurde de kuur natuurlijk langer.

Prinses Zoetekauw werkte, met nog vijf andere kinderen, onder toezicht van den welmeenenden, doch gestrengen afdeelingschef Snoepniet.

De arbeid bestond in het proeven van taartjes, gebak, bonbons, koekjes enz. In den beginne lachte deze bezigheid ons prinsesje niet weinig toe, zooals men denken kan. Weldra werd dit echter anders.

Het proeven moest namelijk zeer schielijk geschieden. Ieder kind moest een taartje of koekje een oogenblik proeven, en er een stukje afbijten, waarop het aan wie volgde werd overgereikt, enzoovoort, de rij langs. Met de linkerhand werd doorgegeven, met de rechter schreef men zijn oordeel op. De voorraad werd niet ververscht, vóór dat elk taartje op was. Ander voedsel kreeg deze afdeeling niet. Men mocht zich niet verwijderen.

De taak van Snoepniet, die acht moest geven dat elk kind werkelijk proefde en slikte, en dat opgeschoten werd was alles behalve licht! Voortdurend klonk zijn stem: “Doorgeven daar! Opschieten daar! Slikken daar! Wie volgt! Blijven zitten daar!”

Is het wonder dat Eveline en haar kornuitjes weldra een innigen afkeer gingen koesteren tegen alle snoeperij?

Des Zondags werd niet gewerkt. De kinderen verzamelden zich op een heuvel tot het hooren van eenige lezingen en voordrachten. Het programma van de matinée was vol afwisseling. De inleidster, Tante Adelgonde, zette, in een welsprekend pleidooi, het doel van Excelsior uiteen.

De fee begon met erop te wijzen dat “Excelsior” streefde naar hooger. Evenwel moeten wij niet slechts naar buiten maar ook naar binnen omhoog streven. (Applaus!) Excelsior heeft nog een vruchtbaar arbeidsveld voor den boeg! Wij willen dezen dag vieren als een mijlpaal, die den stoot geeft tot nog grooter inspanning en waarop wij krachtig moeten voortbouwen. Het tot nogtoe bereikte mag ons tot blijdschap stemmen, dit moet ons daarom nog geen reden zijn op onze lauweren te rusten, (gelach) doch integendeel een spoorslag om de handen inéén en met frisschen moed aan den ploeg te slaan! (Daverend applaus!) De spreekster wees verder op de noodzakelijkheid van propaganda en gaf vervolgens het woord aan de ijverige secretaresse, de hulpfee Patientia, die het jaarverslag uitbracht.

De volgende spreker was de heer Jokniet, die de toehoorders tot tranen wist te roeren, terwijl hij op zijn overtuigende wijze alle jokkernij aanviel en daarop mededeelingen deed omtrent een bezoek door hem, in opdracht van Excelsior, gebracht aan den Ooievaar.

Spreker werd door den voorkomenden patriarch met de grootste welwillendheid ontvangen.

Het gesprek kwam, na eenige inleidende beleefdheden, natuurlijk spoedig op het vraagstuk der moeilijke kindervragen.

De Ooievaar was overtuigd namens zijne geest- en bloedverwanten te spreken, wanneer hij ten stelligste ontkende, dat zijn fractie nu of ooit eenige medewerking bij de geboorte der menschenkinderen zou hebben verleend! Hij brandmerkte dit gerucht als een bloot verzinsel, hij wilde niet zeggen een unfaire verdachtmaking van een deel der pers. Sommige groepen, meende de vriendelijke gastheer, trachten uit bedenkelijke zucht om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven, zijn fractie aansprakelijk te stellen voor de tegenwoordige crisis.

Op de vraag van spreker wat zijn opinie was aangaande eerlijke antwoorden op kindervragen, achtte de Ooievaar het een dringende plicht zich met de meeste omzichtigheid te uiten, zoolang het program van zijn groep nog niet definitief was vastgesteld. Slechts geloofde hij verantwoord te zijn, wanneer hij als zijn vaste overtuiging te kennen gaf dat de tijd thans nog niet rijp was voor de oplossing van het verwante probleem: wie er het eerst was, de kip of het ei. Een brochure van zijn vleugel over dit onderwerp is overigens ter perse.

Terugkomende op de eerste vraag, verzekerde de ooievaar nog eens ten stelligste, dat voor deze geruchten elke grond ontbrak. Er bestaat volkomen overeenstemming in den boezem mijner groep, verzekerde hij.

Ware het mogelijk de geboorte van kikkers te bevorderen, hij en zijne vrienden zouden gewis niet werkeloos blijven. Nog vestigde hij er onze aandacht op, dat geen enkel ooievaar de bevoegdheid bezit tot het verleenen van medische hulp, en geen enkele ooiemoer diploma voor vroedvrouw.

Nadat dit onderhoud tot des heeren Jokniets bevrediging geëindigd was, wenschte deze zich nog naar een niet minder bevoegde persoonlijkheid te begeven, om diens oordeel te vernemen over een andere hardnekkige legende, volgens welke deze zelf, zekere St. Nicolaas, nog altijd op den 5en December (den avond vóór zijn geboortedag) geschenken en straffen zou uitdeelen om op verouderd-paedagogische wijze het gedrag van het kind te beïnvloeden.

Deze poging mocht evenwel niet met hetzelfde succes worden bekroond. Noch het adresboek van Spanje, noch de ijverige nasporingen der politie konden het verblijf van den z.g. Sint aan het licht brengen. Hoogst waarschijnlijk heeft men in dit geval met een oplichter te doen, die misbruik maakt van den goeden naam des lang overleden bisschops, om het kinderpubliek beloften en concessies af te persen. Men zij gewaarschuwd!

Niet minder bijval oogstte de heer Morsniet met zijn vurige bestrijding der morsgewoonte. De heer Snoepniet, die op aanschouwelijke wijze een bedorven maag schilderde, vond eveneens een uitbundig onthaal. Met groote belangstelling volgden de aanwezigen de voordracht van den heer Pulkniet, over het neuspeuteren, met lichtbeelden. De zon had hierbij hare belangelooze medewerking verleend door zoolang te verdwijnen. Niet minder toonde het publiek zich ingenomen met de belangwekkende rede van den heer Kijfniet, die het kijven op zijn bekende krachtige wijze bestreed. De heer Zeurniet zeide over het zeuren kort te zullen zijn en voegde, in een bondig betoog van slechts enkele uren, de daad bij het woord. De heer Zeurniet koos tot thema een vers, dat, naar zijn meening zeer ten onrechte in bepaalde kringen van kinderen en opvoeders een zekere mate van populariteit genoot.

Spreker begon met de voorlezing van dit vers, een noodzakelijke inleiding waarmee hij het geduld der vergadering tot zijn spijt een weinig op de proef zou moeten stellen:

Dit is de sleutel van den Bibelbontschen berg

Op dien Bibelbontschen berg

Wonen Bibelbontsche menschen

En die Bibelbontsche menschen

Hebben Bibelbontsche kinderen

En die Bibelbontsche kinderen

Eten Bibelbontsche pap

Met een Bibelbontschen lepel

Uit een Bibelbontsche nap.

Spreker wilde zijne bedenkingen tegen dit vers neerleggen in een reeks vragen:

  • 1. Schijnt het niet vreemd dat men een sleutel noodig zou hebben inplaats van b.v. een alpenstok om een berg te bestijgen?
  • 2. Acht gij de herhaling van dat woord Bibelbontsch in elken regel, bij menschen, kinderen, pap, lepel en nap, niet overbodig?
  • 3. Houdt gij met mij het woord Bibelbontsch niet voor een klankwoord zonder aardrijkskundige beteekenis, en de gansche omslachtige mededeeling derhalve voor waardeloos en nonsensikaal?
  • 4. Is in dit vers, waarin toch van zekere pap wordt gewag gemaakt, niet een belangrijke leerstof verwaarloosd, daar niet vermeld wordt, uit welke bestanddeelen dit voedsel bestaat?

Spreker beantwoordde al deze vragen bevestigend, en achtte, resumeerende, dit vers:

  • a. onzinnig,
  • b. vol herhalingen, dus zeurig,
  • c. onwetenschappelijk,
  • d. ongeschikt,

conclusies welke hij in een heldere detailcritiek nader toelichtte.

Het viel te betreuren, dat de beschaafde causerie van den heer Gilniet, over het gillen, onverstaanbaar was.

Dit feit gaf aanleiding tot een INCIDENT.

De heer Kijfniet vroeg aan de voorzitster of het niet mogelijk was een leerstoel voor methodisch spreken in te stellen. De heer Gilniet zegt, dit als een insinuatie te beschouwen.

Geroep: “Wien de schoen past trekt hem aan!”

De heer Gilniet: “Ik eisch een onderzoek!”

De voorzitster zegt dit toe. Het incident wordt gesloten.

Na de pauze zongen de hulpfeeën eenige paedagogische liederen. Het mooist werd gevonden—ongetwijfeld wegens de opwekkende melodie en de sympathieke strekking—het:

De hulpfeeën zongen paedagogische liederen.

Excelsior-lied,

waarvan het refrein door alle aanwezigen werd medegezongen op de wijze van het Sequah-lied.

Heb je slechte zeden,

Ben je zenuwziek, Boem!

Richt tot ons je schreden

Hier genees je kwiek! Boem!

(tot de fee)

Tante Adelgonde

Lieve beste Fee

Zij zijn vol van zonden

Red ze s. v. p.!

Refrein:

Kom tot ons, kom tot ons

Boem, boem, boem!

Zie naar ons, zie naar ons

Boem, boem, boem!

Hoor naar ons, hoor naar ons!

Boem, boem, boem!

Streef met ons, streef met ons

Boem, boem, boem!

(tot de kabouters)

Jokniet, Morsniet, Snoepniet

Help haar in haar taak, Boem!

Pulk-, Kijf-, Zeur- en Gilniet

Steun de goede zaak, Boem!

(tot de kinderen)

Kind je moet maar leeren

In Excelsior

En wij garandeeren

Dat je beter wor!

Refrein: Kom, enz.

Ja, vandaag of morgen

Ben je al hersteld, Boem!

Dank zij onze zorgen

En dat schijntje geld, Boem!

Help ons aan klandisie

Maak ’t adres bekend!

Dan is de provisie

1½%.

Refrein: Kom, enz.

Aan het applaus scheen geen einde te zullen komen!

De Fee Adelgonde dankte hierop de aanwezigen voor de trouwe opkomst en besloot met een opwekking tot allen om ieder in zijn kring het goede doel te bevorderen.

Geen wonder dat onze Eveline in deze omgeving spoedig genas. Drie weken later kon zij als hersteld worden ontslagen. Tot groote vreugde harer ouders verloor zij den bijnaam van

Prinses Zoetekauw.

DE KUS

TENDENZ-ROMAN

“Mag ik het Rijksmuseum van u hebben, conducteur?”

“Zeker, meneer!”

De conducteur van lijn 10 schelde. De bestuurder remde.

De jonge dr. Hendrik van Bree, grijs deukhoedje, bruine covercoat, stapte uit, nog vóór de wagen geheel stopte, liep enkele passen met de alweer doorrijdende tram mee, nam toen bijna onmerkbaar zijn draai en betrad met energieke schreden de brug tusschen Weteringschans en Stadhouderskade. Hij liep onder het Museum door, de Jan Luykenstraat in, en was in de Van Baerlestraat.

“Alweer,” mompelde hij opeens in de P. C. “Zal deze verderfelijke gewoonte dan nooit uitgeroeid worden? Moeten de bacteriën steeds verder worden verspreid?” Hij zette de tanden op elkaar.

“Ik zal mijn leven wijden aan de bestrijding van dit kwaad.”

II.

Dr. Hendrik van Bree, de nieuwe arts, stond voor het raam van zijn vriendelijk huisje, Brinklaan 12, waarvan zijn voorganger hem de huur had overgedaan. “Maatje” zat bij de tafel en stopte zijn kousen. Zij wilde dit werk aan niemand overlaten—waren het niet de kousen van haar Hendrik?

Op eens sprong de jonge medicus op. Bezorgd, hoofdschuddend zag “maatje” hem na.

Bij het hek namen een boereknecht en zijn meisje afscheid, en kusten elkaar, niet ééns, maar herhaaldelijk. Hendrik trad op hen toe, groette vriendelijk, en bracht hun, in gematigde termen, het onhygiënische van hun daad onder de oogen. De man grinnikte, het meisje bloosde, maar ze eindigden met mopperend heen te gaan.

Toen de jonge dokter dien avond de brug over liep, hoorde hij van alle kanten gemompel.

“We meugen onze maid niet soene, saat-ie!”

“Wat goat ’t zoan an?”

“Wie het ’t ooit zoo op de vieul heure speule?”

“Wat ’n mal meroakel! Laat ie van ’t durp weggoan!”

Toen hij terug ging, stond er een groep opgeschoten kerels klaar, dreigend.

“Doar het je die bemoeial!”

“Loat ie zich met z’n aige soake bemoeie!”

Een steen vloog, en nog één. Zijn hoed werd geraakt, en viel af. Hij raapte hem kalm op. Er vlogen meer steenen. Met een gat in zijn hoofd kwam Hendrik thuis!

III.

Een jong meisje had van het balcon bij burgemeester Vink den aanval met verontwaardiging aangezien. Het was Bertha Vink. Sympathie leidt tot liefde.... en verloving.


De eerste dagen van zaligheid waren voorbij.

Toch was het alsof er in Bertha iets onrustigs was gekomen. Eerst zag hij het niet; haar handdruk was warm en stevig als altijd, haar lach even teeder.

Maar wat was er in haar oogen dat hem soms bevreesd maakte, dat alles niet was zooals het zijn moest?

En op een goeden dag zeide zij het aan “maatje.” De oude mevrouw zuchtte; het verraste haar niet.

Dien avond brak zij het nieuws aan haar zoon.

Bertha was niet sterk genoeg gebleken in den strijd.

Hendrik begreep. Hij waagde nog een laatste poging. Hij schreef een brief vol liefde en teederheid, maar ook vol vastheid. “Je moet kiezen tusschen mij en de bacteriën,” schreef hij. “Hoe lief ik je ook heb, ik kan mijn beginsel niet verzaken, om geen ziektekiemen over te brengen als de hond en de vlieg.” Hij deed zelf den brief op de bus.

Hij wachtte. Eén dag, twee, drie dagen. Er kwam geen antwoord.

Hij was vrij. Om den strijd te strijden dien hij gekozen had. Om zijn eenzamen, moeizamen weg te gaan.