VAN GIGIO EN FAMULUS
ROMEINSCHE ROMAN
Het was dien morgen een ochtend van ideale schoonheid en atmosfeer. De keizerlijke Villa lijnde zich uit als een droom van marmor, als een eindeloos uitgemeten stuk groen biljartlaken spreiddede zich het grasveld, als een architecturale fabula volgden portico’s op portico’s, schakelden nymfea zich aan nymfea, ronddeden zich de immense exedra als cathedra voor pedagogen van titanen.
Langs den oever van de rivier, die zich strekte als een eindeloos uitgeplette reep blik, op het strand dat naar de zon duiddede als een lange vieil-or-kleurig-gehandschoende voorvinger, promeneerden de matronae in stola en palla, de meritrices in palla en stola, stroomden zij uit de Thermen, nog na-boudeerend over de duurte van de tesserae, die zij betaald hadden aan de ostiari, en de patriciërs, nog mopperend over de foia die zij volgens de mos hadden moeten aanbieden aan de capsarii in het frigidarium of het nog prijziger tepidarium, waar zij hun corpus hadden gebaad en geodorificeerd. Hier ontmoetteden de jonge Aanzienlijken de matronae en de virginae, groetteden hoffelijk, wisselden met geëffaceerde galanterie of geaffineerde venijnigheid epigrammen, tot de slik van een carpenta met één of twee paarden hen bespattede, zoodat zij haastig scheiddeden en zich voortspoeddeden, anathema’s van vernuftig-stekelige vinding werpend naar de menners, welke hiervan, hooggezeten, niets vermoeddeden. Daartusschen scharrelden de straatjongens, etende hun oliebollen, buitelende over hun caput, of elkaar slaande op hun tabernaculum, hun testimonium, hun tonitrus, hun fulmen of wel hun animus. De vermetelsten verstoutteden zich wel eens achter den rug van de Aanzienlijken een langen naso te trekken, of de lingua uit te steken. Bij afwisseling bestookten zij elkaar met sputum of zelfs faecaliën.
Over de blik-blanke rivier gleed een navicula, in voorname wiegeling. In dat bootje, geroeid door Ethiopische zwarte slaven, zaten twee Aanzienlijken, en onderhielden zich, hoffelijk, in kunstvol geciseleerd Latijnsch.
De één was een vijftiger, treffend aristocratisch, met artificieel klein geknepen mond, een kale calva en donkere oogen, verborgen achter groote lunettae, in onberispelijk Romeinsch avondtoilet gehuld. Hij sprak met kalme hooge stemme het zoetklinkende accent der residentie. De ander was een godschoone knaap, met slanke, als broze leden, fijn, doch athletisch, een roomkleurig teint en een heerlijken, fraai bewerkten haardos.
“Waart gij bij den Augustus, Edele Gigio?” vraagde de laatste.
“Ja” antwoorddede de ander met elaboraten glimlach.
“Hoe was de Salutatio?”
“Quatio.”
Beiden zwegen. Er liepen gouden glansen over de zweetdruipende zwartheid van de slaven, als verguld ebbenhout glommen zij soms in den Sol.
De beide Aanzienlijken leunden, nauwelijks genietend hun mollige kussens, peinzend over het factice leven.
De stad was blank onder blauwe lucht.
Gigio droomde. De welverzorgde hand met slechts enkele, niet overdreven bejuweelde ringen, rusttede op den rand van het bootje, het schuim dat zich daarlangs afteekende, zachtkens fijnknijpend.
“Hoe was de salutatio?”
Hij droomde van en over zich zelf en anderen, van goden en keizers en dichters en hetaeren. Hij bevond zich op den weg der vreugde en richttede zich vol majesteit op, want vóór hem rees een berg van licht. Over lichtende drempels trad hij in extase, God en Goden, maar ook kleine zielen en comedianten voorbijgaand en bereikte, langs lijnen van geleidelijkheid, Babel. De hooge troeven uitspelend van een stille kracht die geen illusie was, overwon hij zijn noodlot. Het was een metamorfose zijner psyche. Een lent van vaerzen zong in hem. Het was of de wereldvrede gekomen was. En Fidessa waarde rond, orchideeën in het hair, een kluwen in de hand. “Wil is winde!” bad zij. Heracles, hoffelijk, strekte reeds de hand uit. Maar Dionysos was den ongelukkige voor. Op eens hadden zij de gestalten van oude menschen aangenomen, van dingen die voorbijgaan, van reisimpressies. Doch daar was Eline. Zij was jong gebleven ....
Dionysos was den ongelukkige voor
Het donkerde. De bonte menigte op de promenada was henen. Alles was stil. Alleen vedelden fel de krekels, die rekels.
Plotseling woei ziltere bries.
Gigio sloeg de oogen op. Zij rustteden met welgevallen op zijn godschoonen metgezel. De jongeling beantwoorddede zijn gefaneerden glimlach.
“Wat peinst gij, lieve vriend?” vraagde Famulus, ter onderscheiding van zijn beroemden bloedverwant, den arbiter elegantiarum, de jongere genaamd.
“Famulus,” antwoorddede Gigio, en zijn oogen, half gesloten, blikten met gesupprimeerde flonkering van weemoed op den jongeling, terwijl zijn vingers in distractie een vlok felwitten schuim verknepen. “Ik weet het nauwelijks. Van de jaren die vlieden, ... van de boeken, die nog komende zijn ... van den bijval der menigte ... van het cameleontische verleden ... van roode dorpen onder grauwe lucht... van schoone woorden en booze moorden ... van romantiek in antiek ... van antiek in romantiek ... van den Paljasso in het Palazzo ... Endymion ... van het obscene, maar ongemeene ... Sappho ...
“Van nieuwe titels?” vraagde Famulus belangstellend.
Gigio antwoorddede niet.
De slaven ziegezaagden met hunne roeiriemen.
Donker de rivier, en dieper, lichter de lucht en hooger, het lichtst de heuvelen... Alleen geeuwden helsch de meeuwen.
Wiegewagend wigde het bootje door de golven.
“Dat is wel mooi!” wees Gigio.
“En wel groot hé... ?”
“Héél groot alles...!”
“Mooi...!”
“En óf!”
“Maar niet te groot?”
“Beslist niet!”
“Niet te mooi ook?”
“Kan niet bestaan!”
“Heb je honger?”
“Of ik honger heb?”
“Ja en neen!”
“Lekkere honger?”
“Juist.”
“Lig je goed?”
“Zalig.”
“We zijn er haast.”
“Ben je daar blij om?”
“Ja en neen.”
“Hoezoo?”
“Blij om het maal, niet blij om het heerlijke liggen.”
“Heu daar, wij zijn er!” sprak Gigio nu.
De slaven hielden. De beide Aanzienlijken strekten de knieën, ontspanden de kuiten, rekten de armen en de kaakspieren lang en behagelijk, met geprolongeerde keelgeluiden. Zij stonden op hun pedes posteriores. En Gigio wuifde den slaven een gebaar, dat zij zouden wachten.
De Serenissima
Aan de trappen eener exedra, door den cubicularius geleid, verscheen de serenissima.
Groot, donker van haar en van oogen, in koker-enge stola, de nauwe palla omgietende het lichaam, de zona, gordel die de borst omgaf, breed. Zij zelf een weinig crassa: strak spande de stola... Gigio waardeerde de serenissima, hield van haar habitus.
Was zij niet zijn vriendin? Had hij haar niet in de ziel gelezen? Hield zij niet, als hij, van fraaie woorden, van het artificieele, het geëffaceerde, het gefaneerde, het geaffineerde, van hoffelijkheid, van reverentia en révérences, van elaborate epigrammen, van tea’s en petits-fours?
Was zij daarom niet zijn vriendin?
“Gegroet, edele Gigio, gegroet, lieve vriend Famulus, Vale,” sprak de serenissima.
Hoffelijk bogen de beide Aanzienlijken en kusten de hand die flonkerde van robijnen.
De cubicularius boog slechts.
Men ging naar binnen. De Serenissima nam Gigio bij de hand. Famulus volgde. Hem volgde de cubicularius op eenigen afstand.
“Serenissima est servita”
Men vlijde zich op de rustbanken.
Op een wenk der Serenissima verwijderde zich, onhoorbaar, de cubicularius.
“Het verschaft mij hooge eere dat gij, edele vrienden, wilt komen aanliggen aan mijn nederige tabula”, zeide de gastvrouwe, terwijl zij met eigen hand drie glazen goud-fonkelende oude clara inschonk.
“Onzer is de eere!” zeide Gigio buigend. Hij hief het glas.
“Nostrorum Sanitas!” sprak hij.
“Idem!” beaamden de beide anderen. Zij klonken.
Een vrijgelatene, strak-correct, pink op de naad van de tunica, verscheen.
“Serenissima est servita!” sprak hij.
Men legde zich om den disch. Slaven slopen onhoorbaar met de gerechten aan. Men at een gans, gekookt op de Romeinsche wijze, in een saus, samengesteld uit peper, coriander, muntkruid, ansjovis en olie. Vooraf ging de calucacabia of Romeinsche soep, waarin kaas, pijnappels, azijn, honig, eieren, komkommers, uien en kippenlevers gemengd zijn. Men deed zich nog te goed aan andere spijzen, allen toebereid met min of meer olie en honig.
“Hoe smaakt het?” zeide de Serenissima.
“Goed,” zeide Gigio.
“En u, Famulus?”
“Goed.”
De schoone knaap at veel, te veel. Gigio weinig. De Serenissima, gewoon. Zij sprak veel, Gigio weinig, de schoone jongeling in het geheel niet.
Want aldoor at en vrat, de knappe fat.
De conversatie begon tegen het dessert, dat bestond uit geroosterd papaverzaad met honig, aan te wakkeren, maar de Serenissima moest wel opmerken, dat Gigio al minder sprak en al minder eetlust had. Slechts de wijn, de zacht gouden Syciliër, uit den eigen wijngaard der gastvrouw, werd door hem gewaardeerd.
“Gij zijt stil, lieve vriend Gigio,” zeide de Serenissima eindelijk, het hoofd rustend op de sculpturale armen.
Gigio schuddede zich wakker.
“Ja,” zeide hij, “de Augustus ....” Hij voltooide den zin niet.
De vrijgelatene trad ongeroepen binnen, doodsbleek.
“Wat is er?” vraagde de Serenissima.
“De Augustus, Titianus ....”
“Heu,” riep Gigio uit, “wat is er van den Augustus?”
“Is vermoord!”
Allen zwegen. Slechts knapte krak, het krappe stola-pak. De godschoone knaap maakte den gordel losser.
Buiten was het volk saamgeloopen. De mare had zich door de stad verspreid.
“De Augustus is dood!”
“Is de Augustus dood?”
“Ja, de Augustus is dood!”
“Hij werd vermoord!”
“Wee, hij werd vermoord!”
“Vermoord?”
“Vermoord!”
“Gij zijt stil, edele Gigio!”
De lucht, azuur, strekte ongevoelig boven de ontroerde menigte.
“Door wien is hij vermoord?”
“Door een tribuun.”
“Neen, door een vrijgelatene.”
“Nietwaar, door een tribuun!”
Men was het er niet over eens.
Uit de ramen, halver lijve, lagen wijven met hun vijven, te kijven:
“Ik zeg, dat het een tribuun was!”
“Ik zeg: een aedile.”
“Nu nog mooier: een officier!”
“Och, kom, een officier!”
Er kwam nog een oude vrouw bij.
Het gesprek werd vreedzamer.
Nu gingen, met haar zessen, die oude besten aan ’t kletsen.
Langzamerhand voldeed het haar niet meer, uit het raam te roepen.
Zij kwamen naar buiten, op de via.
De Augustus viel...
De lucht was vol rumoer van stemmen. In de eetzaal der Serenissima was het stil.
Gigio peinsde. De gastvrouwe deed haar siësta.
Alleen schrokte en slokte, de godlijk goudgelokte.
Buiten bleef men roepen:
“De Augustus is vermoord!...”
“Titianus regeert niet meer!”
“De Caesar, Antoninus is nu de Augustus!”
“Ja, hij is nu de Augustus.”
“Wie vermoordde Titianus?”
“Een vrijgelatene Beneventus vermoordde den Augustus!”
“Hem doodden de aedilen!”
“Ja, de aedilen doodden den moordenaar!”
Gigio schonk zich nog eens in. Hij peinsde. Hij zag den Augustus, dien morgen, boos, achterdochtig, de salutatio opheffen. Hij zag hem liggen, in zijn weelderig paleis, aan den disch, de oogen wild, den lach pervers, zinnend op nieuwe genietingen, woester, wreeder dan de vorige. Hij zag een vrijgelatene naar voren komen en steken met den dolk; bloed, geen gouden bloed, maar purperen keizersbloed spoot uit de wonde. De Caesar was een cadaver. De artsen stroomden toe, wijze mannen, vol occulte wetenschap. Zij schuddeden het hoofd.
“Hij is mortibus,” sprak de een. “Hij is ad patres,” sprak de ander. Zij bedoelden hetzelfde.
Gigio zuchtte. Zóó is het leven: een Augustus sterft, een andere Augustus volgt hem op. En zóó is het leven: men schenkt zich nog eens in en denkt eraan, wat men bij de ludi funebres dragen zal.
Gigio keek om zich.
De godmooie jonkman lag voor miraculum.
De Serenissima had de zale verlaten. Gigio stond op en naderde het venster. De oude wijven, dik en dun, tanig en purper, kaal en ruig, bespraken nog den casus. De lucht koepelde staalblauw over de puntige olijfgroene cypressen. De rivier kronkelde als een zweep en glinsterglom in het zilveren licht der maan. In de verte glansden, als oud goud, de bezweete huiden zijner zwarte slaven, wachtend bij het bootje. Overal heerschte silentium.
Alleen kwebbelden schel de heksen.
DE VONDELING
HISTORISCHE ROMAN
HOOFDSTUK I
“Maar wie telt mijner tranental?”
Borger.
In één der volkrijkste wijken van Parijs, den Faubourg Saint Antoine, bewogen zich op eenen guren Novembermorgen in den jare 1793 twee eenzame voetgangers, wier uiterlijk voorkomen op eene drokkere ure voorzeker de algemeene aandacht op zich zoude hebben gevestigd.
“Voort! Voort!”
De best, welke deze rauwe woorden meer tierde dan sprak, meer krijschte dan zeide, mocht ongeveer honderd zomers tellen, edoch meer dan de jaren hadden de nijd, de booze luim, de gram bovenal deze gestalte gebogen, dit gelaat doorploegd; zij duwde eenen in lompen gehulden knaap vóór zich uit, maar hoe onzacht!—porde hem met een ijzeren haak, het werktuig der voddenrapers, tusschen de schouderbladen, trok hem—alsof dit alles nog niet genoeg ware om den onwilligste—en deze knaap scheen niet zoozeer onwillig als moede, niet zoozeer lui als afgemat—tot spoed aan te manen, trok hem onbarmhartig aan zijn éénigst cieraad, de lokken!
Eenen nauwlettenden opmerker zoude in de gelaatstrekken en houding van den mishandelden knaap intusschen zekere fierheid niet ontgaan zijn; er was in dat welvend voorhoofd, de onder het vuil zoo kleine en blanke handen ietwes, dat welsprekend van eene hooge afstamming gewaagde; zoo althans dacht blijkbaar de korporaal der republiek er over, dien wij het ongelijke paar zien ontmoeten.
“Goeden dag, Hendrik Jan,” gromt de snorrebaard niet onvriendelijk; hij groet de oude stuurscher, welke intusschen daarvan nietwes bespeurt, vervuld als zij is van begeerte naar de schatten, welke de afval der straat voor haar bergt, verdiept als zij is—eilacy!—in het plukken aan de lokken haars rampspoedigen pleegzoons!
“Goeden dag, Meester Jacob,” gelukt het dezen nog te antwoorden, als een hernieuwde por tusschen de schouderen, als een versche ruk aan de lokken hem op eene vondste der heks—eenen koolstronk—eene doode muis—eenen tabakspruim—wat raakt het ons?—opmerkzaam maakt.
Met gebalde vuisten oogt de korporaal het tweetal na; dan maakt hij rechtsomkeert en gaat zijns weegs.
HOOFDSTUK II
“Wij zijn geen gewone menschen, Egmond”.
Goethe.
Woedend ging het roodgemutste graauw te keer in de zalen van het parlementsgebouw; maar de jongeling, klein, tenger, met holle, bleeke trekken en ravenzwarte haren, in de uniform eens luitenants van het leger der Conventie, staart lijdelijk dit somber tooneel aan; lijdelijk, zeiden wij, doch niet zonder dat zijne tanden op elkander knarsen, lijdelijk, logen wij eigenlijk, immers niet zonder dat zijne vuisten zich ronden, zijn oogen flonkeren: een kanonschot, mompelt hij, en ik hadde dit gespuis weggevaagd, één kanonschot slechts, ik zwere het, of mijn naam is geen Napoleon Bonaparte—dus fluistert hij, haalt de schouders op en vertrekt, peinzende, als een rijtuig in volle vaart den hoek omslaande, hem welhaast overreden had. Een knaap, in lompen gehuld, ons niet onbekend, schiet toe en slaagt er in hem te redden; een historisch oogenblik: hadden beiden het slechts bevroed, hadde één hunner het slechts kunnen gissen, welke onafzienbare stoet van gebeurtenissen hadden zich voor zijne oogen ontrold, die nimmer hadden plaats gevonden, indien de knaap te spa gekomen ware! —
Het roodgemutste grauw...
18 Brumaire hadde nimmer geslagen, de naam van Napoleon hadde nimmer de wereld doen trillen van schrik en ontzag; Ulm, Marengo, Austerlitz en Jena, maar ook Leipzig, maar ook Elba, maar evenzeer Waterloo, maar zelfs St. Helena, welk ijdele klanken in de ooren des onverschilligen nageslachts; waar ware uw roem, gij Blücher, gij Wellington, gij Prins van Oranje, waar de uwe, Metternich? Uwe toekomstige Keizerstroon wankelde in die hachelijke stonde, gij spilzieke Josephine, en gij, bovenal, hartelooze Maria Louisa! En gij, gij rampspoedig arendsjong, waar waart gij?...
Het was, als deed een profetisch voorgevoel Napoleon gevoelen welk een pleit in die ettelijke seconden, door een schijnbaar bloot toeval, werd beslist. Hij tastte in zijne beurs en ontnam daaraan het laatste frankstuk! “Daar gaat gij, mijn noenmaal!” prevelde hij somber, edoch vervolgde overluid:
“Gij reddet mij, knaap! Ziehier.”
“Dank voor uw geld, burger,” klonk het fier.
“Ha, die knaap bevalt mij,” mompelde Napoleon. “Hoe heet gij, knaap?”
“Hendrik Jan, burger.”
“Hendrik Jan, hier is mijne snuifdoos. Mocht ge ooit in gevaar komen, en Napoleon Bonaparte kan u van dienst zijn, presenteer hem dan een snuifje uit deze doos. Goed onthouden hoor: Napoleon Bonaparte.”
“Eén vraag nog, burger Boonampart....”
“Bonaparte, knaap!”
“Bonaparte alzoo. Is ze betaald?”
De officier glimlachte. “Kunt gij zwijgen, knaap?”
“Ja, burger.”
“Ik ook, knaap! Vaarwel!”
HOOFDSTUK III
“Daar nadert Evertsen,
Verheft u, landgenooten.”
Helmers.
“Gij hier, Meester Jacob?”
“Gij hier, Hendrik Jan?”
Dit gesprek vond eenige jaren later plaats.
Napoleon Bonaparte, de jongeling uit het vorige hoofdstuk, had zich de kroon des veroveraars op de kruin geplant; de sprekers waren een jonge luitenant en een oude sergeant in het leger van den grooten Keizer.
“Gij vondt nog geen spoor van uwe ouders?” vraagt de snorrebaard.
“Eilacy, neen!”
“Vond je je moesje nog niet, bastaard?”
Een kapitein naderde het tweetal; hij scheen verre van nuchteren; “hebt gij uw moesje nog niet gevonden?” spotte hij; “zoek maar niet langer”, grijnsde de onverlaat, “het zal een floddermamsel geweest zijn”, lachte de ellendeling,—één oogenblik en de luitenant had den degen getrokken, één ommezien, en hij had zijnen superieur gedood!
Een krijgsraad veroordeelde den jongeling tot den kogel; welk eene droefenis; meester Jacob, die nog nooit geweend had, deed dit nu, de makkers hadden den vinger aan den trekker, onwillig, maar de tucht gebood!—dan, daar weerklonk het “Vive l’Empereur!” de veldheer naderde, de armen over de borst gekruist; en ziet, de jongeling van straks is in hem herkend!
“Een snuifje, Sire”, de talisman komt te voorschijn, “een snuifje, Sire!”
“Leef,” spreekt de keizer goedig, “leef, kapitein—de plaats is immers vacant?”
Hebt gij aan zulke gebeurlijkheden gedacht, geestige Lafontaine—of vóór u, zakelijke Phaedrus—of vóór u nog, scherpe Aesopus, toen gij de fabel van den leeuw en de muis dichttet?
In ons verhaal is het kleine knaagdier een jongeling van meer dan zes voet, de koning der wildernis, de keizer der Franschen; overigens: de overeenkomst is treffend—ook gij moet dit inzien, lieve lezer, zoo gij den zin der fabelen verstaat, zoo gij haar symbolische beteekenis te erkennen weet!
“Een snuifje, Sire?”
De oude grognards hebben thans geen reden tot mopperen,—verheugd scharen zij zich onder het commando van hunnen nieuwen kapitein—een goede ruil voor den straks met militaire eer, doch zonder tranen, ter aarde bestelden voorganger!
HOOFDSTUK IV
“Wie zijt gij?”
Tollens.
Een hand lag op zijn schouder.
Eenige etmalen mogen sinds ons vorig hoofdstuk verloopen zijn en wij bevinden ons in een der drokste door de krijgslieden bezochte herbergen der goede stad Calais; aan een tafeltje is een jongeling gezeten, het hoofd op de hand; om hem klinkt allerhande rumoer, hij laat zich niet hooren, men zingt, hij zingt niet mede, men drinkt, hij beroert den beker niet; men vermaakt zich, hij schijnt droefgeestig; zuchtend tast de hand in den borstzak en haalt een medaillon te voorschijn, en beziet het lang, en ernstig en verdiept; te lang, dan dat de heete groc in den beker nog dampen zoude; te verdiept, dan dat een geritsel hem zoude doen opzien; te ernstig dan dat een zacht lachen aan zijn oor zoude zijn opgemerkt;—dan, de mijmering werd verbroken, eene hand raakte zijnen schouder, het staren werd gestoord, eene stem bevochtigde zijn oor; hij werd eenen man gewaar, den vinger op de lippen, in den wijden mantel der Onbekenden gehuld, in eenen mantel welks geheimzinnigheid slechts neus—maar welk eenen neus!—en oogen—maar welke oogen!—spaarde, en alvorens het gansch niet onnatuurlijke, wie zijt gij, wat wilt gij, den jongeling ware ontsnapt, is hem het dof en schor, doch vastberaden: “volg mij” toegefluisterd, een volg mij, waaraan werd voldaan, zwijgend, doch met de hand aan den degen, zwijgend, doch met den argwaan in het harte!
HOOFDSTUK V
“Mijn’ vader! mij dunkt, ik zie mijn’ vader!”
Shakespeare.
Een verloving.
Het is nacht, doch het is ons licht genoeg, om de twee mannen, door donkere stegen huns weegs gaande, te volgen; volgen wij ze, doch achten wij beter op onze schreden dan zij, want dra zullen zij den hoek omslaan, dra zullen zij twee anderen voetgangers tegen het lijf loopen,—dan, het kwaad is alreede geschied—verontschuldigingen,—hoe oprecht, zeg het ons, lezer, zoo gij kunt, lees dezen vier lieden in het harte, zoo gij die kunst verstaat, wij zijn ze niet machtig!—zijn gewisseld, hoeden—hoezeer beschadigd, schat het, lezer, hier in het duister, schat het, zoo gij, beter dan wij, dit artikel te prijzen weet, schat het op dezen onherbergzamen tochthoek!—zijn opgeraapt, men wil elk zijnen weg vervolgen!
De Markies.
Doch één der nieuwstaangekomenen slaakt eenen kreet, eenen kreet, die de haren te bergen doet rijzen, eenen kreet, die eenen sergeant, welke passeert, doet nader treden—“dit medaillon”, roept de vreemdeling die hem slaakte, “deze dame, wie is het?”
“Mijne moeder!” antwoordde de jongeling—, en Hendrik Jan valt zijnen vader in de armen!—Wij hebben het recht niet, bij de eerste vreugde des wederziens tegenwoordig te zijn, wel, om het verhaal van den markies aan te hooren.
“Ik bewoonde het kasteel mijner vaderen met mijne gade, als op eenen dag—ach, nooit vergeet ik dien dag des onheils,—de abt Talleyrand mij met andere heeren bezocht; hij maakte eene snedige opmerking—ik vond geen repartie! Mijne eer was er mede gemoeid; de uren verliepen, de gasten waren vertrokken, de nacht verging, ach, mijn esprit liet mij volkomen in den steek! Ik kon Monsieur1 zelf zoo spirituel, ik kon den abt, niet meer onder de oogen komen! De volgende morgen zag uwen vader vluchten, eenen banneling vóór de revolutie! Toen die uitbrak, verbrandde men mijn kasteel, uwe moeder stierf, U waande ik verloren!”
Vergeten wij het niet, de markies behoorde tot het wufte ancien régime, tot eenen tijd, waarin de fijne zet—het oorspronkelijk cynismus—het geslaagde bon-mot—oppermachtig den scepter zwaaiden!
“Arme vader! Uw Hendrik Jan leeft! Hoe was het bon-mot van Talleyrand? Ook ik ben Franschman vader!”
“Eilacy het is mij ontgaan! Doch ter zake! Dit is uwe nicht, Catharina. Ik rade u, elkaar te huwen. Aha, ik bespeure alreede”, vervolgde de markies tot den sergeant, die dit tooneel met ontroering had bijgewoond, en die geen ander was, dan onze oude vriend Meester Jacob “dat komt in orde!” Daarop dong de markies plechtig, als vader van den jongeling, bij zichzelf als voogd der jonge dame, om hare hand en bewilligde die dan minzaam, en in de meest hoofsche termen.
Hendrik Jan wilde zich nu tot den Onbekende wenden, doch deze was verdwenen.
HOOFDSTUK VI.
“Zij steken de hoofden te zamen”.
De Genestet.
Wij staan vóór de Tuilerieën, bezichtigen dezelve, en volgen het voorbeeld eens slanken jongelings, welke de gebouwen zoo juist heeft verlaten om huiswaarts te keeren; doch zoo ras heeft deze niet het plein der Tuilerieën, dat zich daarvóór uitstrekt, verlaten, zoo ras heeft hij niet voor zich heen de eerste noten geneuried van een krijgshaftig lied, of eene hand rust op zijnen schouder, een Onbekende, in eenen dichten mantel gehuld, welke slechts den neus—maar welk eenen neus!—bloot laat, staat vóór hem, “herinner u,” fluistert de gestalte, “herinner u” en is verdwenen, verdwenen, doch niet zóó afdoende, of de jongeling is hem nagegaan, nagegaan door enge donkere stegen, nagegaan tot in de onoogelijke kleine herberg, in de slecht verlichte kamer, en wacht—welk een nieuwsgierigheid!—heeft zich verscholen—welk een slimheid!—beidt—welk een moed, want wie de Onbekende moge zijn, bij het onderhoud, dat volgen zal met hem, die talmt, begeert hij gewis geenen getuige!
De onbekende.
Eene wijle—hoe bange het beiden valt, als men meer dan zes voet lang meet, en zich te versteken heeft onder eene wankele keukentafel!—eene wijle, en de personaadje op wien het toeven is, verschijnt, mank gaande, den kraag omhoog, den hoed in de oogen—een personaadje die haastig om zich ziet, en den eerstaangekomene begroet met de woorden, vol ontzetting, doch niet zonder deftigheid, uitgesproken:
“Gij! Wederom gij! Altijd gij!”
“Ja ik, prins Talleyrand, ja ik, gij bisschop van Autun, ja ik, o vriend van Bonaparte! Ja ik, en altijd ik!”
“Maar, maar, wie zijt gij dan toch?”
“Mijn naam? Eilieve, monseigneur, wat bate kan mijn naam den man brengen, die den Overweldiger om den vinger windt? Noem mij den Onbekende! Ik ben de vreemdeling met den graauwen mantel en den sluipenden tred, die schor fluisterend en met den vinger wenkend, de wereldgeschiedenis maakt! Hadde ik geleefd tijdens den tachtigjarigen oorlog, ik hadde, een zendeling der Jezuieten, goedgezinde jongelingen tot samenzweringen verleid, ware ik eene halve eeuw later opgetreden, ik zoude de spion geweest zijn van eenen Lodewijk, van eenen Richelieu, eene Maintenon! Ik ben de stokebrand, die verschijnt en verdwijnt, naar mate kwaad te stichten valt, dan niet! In dit geval ben ik een afgezant van vorst Metternich!”
Hooge politiek.
“Van Metternich! Van Oostenrijk! Hoe! Hier, in den muil des leeuws! Rampspoedige!”
“Tut, Tut, Doorluchtigheid! Mij dunkt, ik bespeure het recht, neen, ik vergisse mij niet, het gelaat van prins Talleyrand is ondoorgrondelijk, nogtans, die aandoening verbergt het niet! In waarheid, edele heer, ontken het slechts niet: uw leeuw verveelt u reeds!”
“In trouwe, vreemdeling...!”
“Met oorlof, wat zegt gij, edele heer?”
“Bijloo, in de daad dan, zoo u dit woord uit mijnen mond beter bevalt, in de daad dan, sarkastische anonymus, gij voert eene vermetele tale!”
“Vermetel, het zij, prins, maar waar!”
“Eilacy, mijn vriend, de muren hebben ooren!—maar luister, het zij—wij zijn onder ons,—gij kunt zwijgen,—wie vermag beter te zwijgen, dan gij?—gij onsterfelijk incognito!—het zij,—laat mij het bekennen, u kan men toch nietwes vergauwen—laat mij het harte éénmaal verlichten, laat mij eindelijk éénmaal mijn leed uitstorten en den last afwentelen, die mij drukt, zij het voor eene enkele stonde; ja, hij verveelt mij, ja, verveelt mij doodelijk!”
“Gansbloet!” riep de vreemdeling uit, “wat zeide ik u?”
“Ach mijn vriend,—wij zijn onbespied?—dat eeuwige vechten! O, dat hij ten leste op ietwes anders zon! En die drie houdingen, zegge drie—drie houdingen!—gij kent ze, gij voelt met mij—ach hoe zonderlinge zeer hangen ze mij ter kele uit! Gewis, gij kent ze, vreemdeling? Eéne hand in het vest, de andere op den rug, dat is er ééne; beide op den rug, dat is de tweede, beide armen gekruist op de borst, dat is de derde—dat is al! Ja, ál, mijn geheimzinnige vriend! Ach hoe steekt mij er de walg van! Hoe, heb ik hem daartoe Keizer der Franschen gemaakt!”
Eene wijle poosde de kerkvorst-minister, het voorhoofd steunend op de hand, toen sprak hij, zuchtend:
“En dat is het ergste nog niet—er is erger,—veel erger,—luister, vriend, dat ik het u zegge, wat Frankrijk—de wereld, spoedig weten zal,—het is, eilacy! niet langer te verbergen—het is een secret de Polichinelle! een publiek geheim—hij wordt dik!”
“Ha!” riep de Onbekende uit “de rampspoedige!”
“Certeyn, man, wèl rampspoedige! Hij put alle middelen uit, hij verweert zich wel—hij neemt veel beweging, drinkt geen bier, geniet luttel slaaps—hij vindt geen bate. Mariënbad,—Karlsbad zijn nog niet in trek—wat te doen? Dik! Een Caesar!, een soldatenkeizer, dik, corpulent, welk een schouwspel! In waarheid, zóó zoude men al zoo goed eenen Bourbon...”
“Eenen Bourbon,” viel de vreemdeling snel in. “Eilieve, waartoe dan geenen Bourbon?”
Talleyrand zweeg; hij staarde vóór zich henen, de trouwe des wispelturigen mans scheen wederom te wankelen, eenen Bourbon, mompelde hij, eenen Bourbon, maar hoe Napoleon te storten, hoe hem te verjagen?
Dit was het oogenblik, dat de Onbekende beidde—de oogen gingen bespiedend rond, doch zonder den ontzetten luisteraar onder de tafel,—ontzet over zooveel ontrouw, zooveel ondankbaarheid, zulke laagheid!—te vinden... dan, flonkerend had hij ze in het eind op den nog immer peinzenden diplomaat gericht, had gesist: “Rusland!” had de kaars uitgeblazen en was verdwenen!—verdwenen uit onzen roman, maar waarheen, maar voor hoelang, maar om wat kwaad te brouwen?
HOOFDSTUK VII
“Waar werd oprechter trouw
Dan tusschen man en vrouw,
Ter waereld ooit gevonden?”
Vondel.
De prachtige zalen van de Tuilerieën boden eenen somberen aanblik; de armen over elkaar geslagen ging de Keizer op en neder. Josephine naderde hem: “deze scheiding is noodzakelijk”, klinkt het dof uit zijnen mond, en de toekomstige ex-Keizerin zwijgt, zwijgt gelaten, zwijgt en gaat!—Hendrik Jan, derwaarts ontboden, vervoegde zich op dat oogenblik op den drempel; met kieschheid week hij der alsnog zoo hooge vrouwe, die snikkend vóór zich heen fluistert—“neen, neen, wit kleurt mij beter dan olijfgroen, veel, veel beter” zijn de woorden, die hij ondanks zich zelf opvangt—en vindt den Keizer nog in tranen.
“Deze scheiding is noodzakelijk.”
“Gij ziet mij weenen, mijn vriend, niet velen, in waarheid, zagen Bonaparte dus! Maar ach, dit drage ik niet!”
Bescheiden, innerlijk begaan, vurig wenschende deze smarte te lenigen, zag de jongeling toe, inmiddels, de Keizer hernam:
“Kom nader, Kapitein, ik ken u, ik heb van u gehoord, gij zijt geen vleier, gelijk die anderen. Gij weet toch wat mij smart, spreek!”
“Sire, ik gevoele diep, deze scheiding...”
“Is noodzakelijk. Maar zeg mij, zeg dan toch, is het waar dat het steeds erger wordt, altijd toeneemt, ach, gij zwijgt—spreekt niet tegen—ach, het is gelijk ik vreeze—maar besef dan toch, maar begrijp dan toch, dit is het begin van het einde—in rouwe, in rouwe is mijne zege verkeerd! Och, ik, de held, de veroveraar, bleek, romantisch, interessant... niet meer alzoo,—een buikje, een buikje—neen, dit drage ik niet! O, ik zal sterven aan dit leed...”
Op dit oogenblik werden prins Talleyrand en Fouché aangediend.
Te vergeefs trachtte Hendrik Jan, denkende aan het afgeluisterde onderhoud van den vorigen dag, zijne ontsteltenis te verbergen, welke het den Keizer ondertusschen behaagde toe te schrijven aan sympathie; deze drukte hem de hand, “blijf” sprak hij,—“blijf” en duwde hem achter zijn stoel “blijf”, als de ministers reeds binnentraden!
HOOFDSTUK VIII.
“Een vriend, die mij mijn feilen toont.”
Van Alphen.
“Eén weerhaan ware overigens genoeg geweest,” zeide de Keizer ontstemd, als de diplomaten binnentraden; en weerhanen waren zij in de daad, de beide raadslieden, die op deze barsche woorden nietwes dan een verlegen lachje wisten te doen volgen! Prins Talleyrand droeg ditmaal geene vermomming als gisteren, doch het praalgewaad des ministers; de kunst van den besten tailleur vermocht niet de scheeve schouderen, van den vaardigsten coiffeur niet de sluike haren, van den bekwaamsten bottier niet de mankheid des machtigen staatsmans te verhelen, welke in eenen blauwen rok van goudgestikte zijde, violette zijden hozen, citroenkleurige kousen en fijnverlakte schoenen met roode hakken, niets meer geleek dan de vos, die hij inderdaad was. Aardde Talleyrand naar den vos, zijn metgezel, wiens gelaat de grijnslach nimmer verliet, slachtte, in eenen Isabella-kleurigen slipjas, scharlaken hozen, kemelharen kousen en schoenen met nikkelen gespen, de jakhals, die zich aan de dooden, te lafhartig om de levenden aan te vallen, vergast. Voegen wij terloops, bij den hoon, hem door zijn tijdgenooten met zooveel billijkheid naar het hoofd geworpen, ons deel, waarde lezer, en luisteren wij naar het belangrijk gesprek, dat zijn deftiger metgezel met beider meester voert!
De weerhanen.
“Welnu, mijnheer Talleyrand, wat is er?” zeide de Keizer. “Gebruik uwe woorden niet om uwe gedachten te verbergen, al raadt gij dit aan anderen aan!”
“Uwe Majesteit bewijst mij veel eer, door mijne mémoires te citeeren, en dit nog wel bij voorbaat!” luidt statelijk doch hoofsch het antwoord.
“Het zij, maar volg uwen eigen raad ditmaal niet!”
“Sire”, antwoordde de diplomaat fijntjens, “dit ware erger dan eene misdaad; dit ware eene fout. Wij wachten Uwe orders omtrent den ontdekten afstammeling der Bourbons, den hertog van Enghien?”
Napoleon fronste de brauwen. Inwendige strijd kampte in hem.
De sluwe staatsman glimlachte. Nauw merkbaar, als in scherts, fluisterde hij voor zich heen de schijnbaar onbeteekende klanken: pief, paf, poef,—welke klanken maar al te wel door den vorst werden begrepen, immers, deze zette zich neder, zuchtte diep en teekende vlug, zonder het in te zien, het hem inmiddels door Fouché gedienstig gereikte doodvonnis. “Nog iets?” vervolgde hij.
“Sire”, sprak Talleyrand op fluweelen toon, “generaal Furioso vraagt verlof zich naar Rusland te begeven. De arts schreef hem een verblijf aldaar voor, ter genezing zijner corpulentie.”
“Rusland,—corpulentie—” zeide de Keizer verstrooid; Hendrik Jan beefde, het gif had alreede gewerkt, de oogen des veldheers flonkerden, hier was eene poorte der hope, hij straalde; twee vliegen in éénen klap!
“Generaal Furioso mag naar Rusland gaan”—zeide de Keizer op den minzamen toon, welken hij soms kon aannemen. “En wat hem zeker plezier zal doen... wij gaan mee, ik en het leger! Naar Moskou!” Hij floot, floot, valsch weliswaar,—want welke ook des Keizers gaven waren, die der muzikaliteit behoorde daartoe niet—maar floot opgewekt. “Malbrouck s’en va-t-en guerre!”—De geslepen staatsman had zijn doel bereikt. Hendrik Jan sidderde. Eéne poging wilde hij nog wagen. Hij wierp zich op de knieën. “Sire”, bad hij, “ga niet naar Rusland!” “Die jongen bevalt mij,” mompelde de Keizer ten tweeden male—“maar ik ga toch”, vervolgde hij, “ik ga toch—waarom niet naar Rusland, Kapitein?”
Hendrik Jan antwoordde eerbiedig, doch met vrijmoedigheid. Hij schetste het klimaat, den afstand... Een oogenblik scheen het, alsof de Muze der wereldgeschiedenis Rusland, Elba, Waterloo, St. Helena achteloos hadde kunnen voorbijgaan! Hadde Blücher, hadde Wellington vermoed, hoe slecht hunne kansen op vermaardheid in deze stonde stonden, zij hadden gesidderd, hadden den moedigen jongeling gevloekt, wiens scherp verstand den toomeloozen overmoed des veroveraars aan het wankelen bracht, wiens trouw de list van een Talleyrand trotseerde! Eene huivering doorliep de leden van den Corsikaanschen adelaar! En de onze, lezer? Welke beelden doemen voor ons op, in dit ondeelbare oogenblik, dat de veroveraar weifelt. Wij zien eenen tot rust gekomen Napoleon, den welwillenden landsvader, regeerende over een welvarend en vreedzaam volk, wij zien hem algemeen geacht, bemind en geprezen, een waardigen ouden dag beleven, met een kleinkind op elke knie en “l’art d’être grand-père” in de hand... doch, wijk, gij, ontzettend, want vergeefsch, gij valsch en bedriegelijk beeld!
De oogen van den keizer hadden zich gedurende de siddering, die zijne leden doorliep, naar omlaag gekeerd, edoch zonder zijne rijlaarzen te speuren!... de teerling was geworpen... één oogenblik slechts had de aarzeling geduurd, dan, ze was reeds voorbij!—“Ik ga toch”, klonk het nogmaals... en zwijgend kuste de jongeling de hem minzaam tot afscheid gereikte pink des overweldigers—“Ik ga niettemin.”
HOOFDSTUK IX
“Vroeg in den morgenstond.”
Breeroo.
Het lever eens Keizers! Verbeeld u, lezer, in stede uwer bescheiden doch geriefelijke burgermans-bedstede met de pronklooze, doch warme wollen dekens, de prachtige met zijde en zorg gespreide praalsponde; in stede uws gezelligen alcoofs, de slaaphalle eens Keizers uit het eerste Keizerrijk, hoe grootsch en nogtans, hoe kil, hoe weelderig en nogtans, hoe somber, hoe ruim en nogtans, hoe rumoerig; grootsch, want zij meet 30 bij 20, kil want de muren zijn niet behangen met de gemeenzame daguerreotypen van dierbare bloedverwanten, weelderig, want goud en verguldsel, goudleder en gouddraad sieren ze, somber, want geen lachend gelaat van blondgelokte kinderen verheldert ze, ruim, want (zie grootsch), rumoerig, merk op hoevelen de heiligheid des morgenstonds schenden, aanschouw deze fluisterende schare adjudanten, deze bezige groep kamerdienaars, aanschouw eindelijk dezen jongeling en deze schoone vrouwe! Geen van beiden zijn ons onbekend. Het is Hendrik Jan, die daar staat, Hendrik Jan, de trouwe dienaar, Hendrik Jan, die, met de desperatie in het harte, deze laatste poging, welbewust van den indruk, welken vrouwelijk schoon op den Keizer maakt, is komen wagen. Het is zijne gade, die daar knielt, zijne jonge bevallige gade, gekleed, of, meer nog ongekleed volgens de toenmaals meer en meer gehuldigde mode van het Empire! “Sire, ga niet naar Rusland!”—de Keizer heft haar op, niet onheusch, hij kust haar op het voorhoofd, hij geleidt haar minzaam naar haren echtgenoot ...—edoch, hij gaat niettemin!
“Ga niet naar Rusland!”
De jonge vrouwe richt zich op en bedekt kuischelijk met een sjawl van Spaanschen kant den boezem—hebt gij u gestooten aan haar gul décolleté, gij neuswijze juffer van onze dagen met uw arglistig bloot nekje, of gij, jongeling met uwen kouwelijken halsdas waarvan de slippen—o verwijfd geslacht!—u op de knieën hangen? Ja, zij is laag gekleed, maar wat de lengte der mouwen betreft is deze adellijke dame uwe meerdere in zedigheid, gij burgerdochters van mijne kennis,—ja, haar schoenen zijn spits, doch wat de hoogte der hakken aangaat steekt gij, mijne steltloopsters, haar den loef af; ja, hare rokken zijn eng, doch niet zoo nauw als de uwe, mijne vriendinnen, de uwe, die mij te zamen met uwe à jour kousen omtrent de teekening uwer beenen zoo weinig te raden laten; ja, hare keelbanden zijn wereldsch, doch niet zoo onzinnig noch zoo gevaarlijk als uwe duivelsche hoedespelden, mijne waarden! Doch verlaten wij haar, evenals haar echtgenoot doet, bij de trede van de draagkoets welke harer wacht.
HOOFDSTUK X
“Als aapjens te hoog klimmen willen...”
Vader Cats.
Wij wonen eenen wapenschouw bij, lezer, eenen wapenschouw van het leger des grooten keizers! Bewonderen wij de orde, waarin ze gerijd staan, deze regimenten, vanaf gerimpelde veteranen met lange en ruige mutstatsen, tot baardelooze knapen, candidaten nog voor den vuurdoop; doch bewonderen wij niet te lang, doch voegen wij ons bij eene groep ruiters, en wel bij het tweetal, dat blijkbaar eenen hoogen rang bekleedt, dat het zoo vrijelijk zich tusschen de keurlijk in het gelid geschaarde scharen beweegt!
In de daad, de één, kort van gestalte, trotsch van opslag, is geen ander dan Keizer Napoleon zelve, thans aan het begin van den middelbaren leeftijd, en op het keerpunt van zijn roemrijke loopbaan, dit laatste onbewust. De tweede is een norsch krijgsman, wiens burgerlijke afkomst zich niet verloochenen laat door de maarschalks-epauletten op zoo grofgebeende schouderen, de handschoenen aan zoo roode en plompe handen. Luisteren wij—al behoort er moed toe den boozen luim des geduchten keizers te trotseeren, want dat hij in eenen boozen luim is, bewijzen zijn gefronste brauwen, zijn fonkelende oogen, zijne gebalde vuist—luisteren wij, veilig, hij bespeurt ons niet, rust niet zijn blik met onwil op eene groep generaals ter linkerzijde, terwijl wij ons ter rechterhand hebben opgesteld?
“Ik begeere van mijne veldheeren geene vrekheid, Ney,” spreekt de Keizer, korsel, “integendeel, ik achte het van hunnen plicht een exempel te geven in royale depensies, edoch deze onzinnige opschik, deze loszinnige verkwisting!” In de daad, de officieren des Keizers gingen zich, wat hunne kleeding aangaat, aan uitsporigheden te buiten, welke in vredestijd nauw te vergoelijken waren geweest, hoeveel te minder in eenen tijd, waarin de harpije des oorlogs woedde!
Murat.
Joachim Murat, de zwager des Keizers, was onder de voorsten. De Koning van Napels had zijne kroezige lokken gedekt met eenen steekhoed, welks grootte en omvang die onzer dames, welke in het theater zooveel protest uitlokken, in de schaduw stellen zoude, gegarneerd met eenen vederpluim, welks kostbaarheid eenen echtgenoot van heden ijlings naar het sanatorium zoude doen verhuizen. Zijn purperen mantel was opgetooid met eenen kraag van hermelijn, welke de opbrengst van een gansch jaar zijner landgoederen vertegenwoordigde. Doch zwijgen wij verder van deze zwakheden, welke hem en andere dapperen ontcieren, gaan wij voort met de aanmerkingen des Keizers op te teekenen, hen betreffend.
“Hij dacht eerst geenen hoed op te zetten,” smaalt de krijgsvorst, als Murat passeert. “Aangekleed gaat uit.—Wat zijn we mooi vandaag—Ik met mijn pluimstaart—” zulke zijn de verachtelijke opmerkingen, welke de veroveraar voor zich henen gromt—dan, hij heeft het reeds vergeten, hij richt zich reeds tot zijn armee; hij wijst met plechtig gebaar naar de zon, welke aan den hemel staat:
“Herinnert u, soldaten, dat van uit dit hemellichaam ontelbare eeuwen op u nederblikken!”
Napoleon vat eenen jongeling bij het oor.
Het witte paard van den Keizer voert hem langs de gelederen, welke daveren van het “Vive l’empereur!”
De vorst vat eenen majoor, ons niet onbekend, bij het oor... “Ik zag u te Wagram.”—“Ja, Sire!” “Gij zijt nu gehuwd—ik schenk u de verbeurd verklaarde goederen uws vaders. Zoogt uwe vrouw hare kinderen zelf, Kolonel?”
“Zij heeft er nog geene, Sire.—Heb dank, Sire!” want eigenhandig hecht de Keizer onder het geroep van “Vive l’Empereur”, het kruis des Legioens van Eer op de borst des jeugdigen krijgsmans!
“Geene kinderen! Foei, generaal! Denk aan la Patrie!” Voort reed de Keizer,—op Rusland aan, zijnen ondergang te gemoet. —
Maarschalk Pichegru reed zijnen meester op zijde. “Wat nu, Sire?”2 sprak hij, “wat nu, als ik vragen mag?”