Mausoleum van Iman Zaddeh Hosein te Kazbin.
V
20 April.—De hadji, de aanvoerder der karavaan, is gisteren onze bagage in oogenschouw komen nemen, ten einde te kunnen berekenen, hoeveel muildieren voor het vervoer der goederen noodig zouden zijn. Om het uur voor het vertrek te bepalen, moet niet alleen op den wensch en het gemak der reizigers worden gelet, maar vooral ook rekening gehouden met den kalender. De almanak speelt hier eene groote rol, in de belangrijkste zoowel als in de nietigste zaken, en niet licht zal men iets ondernemen, zonder vooraf dit orakel te raadplegen. De eene dag is gunstig voor het aanvangen eener reis, de andere voor het afleggen van een bezoek; zeer dikwijls wordt niet alleen de dag, maar ook een bepaald uur aangewezen;—nooit zal het, bij voorbeeld, een kleermaker in de gedachte komen, iemand de maat nemen, buiten den door den almanak aangegeven tijd: het kleed zou buiten twijfel verknipt worden.
Waarschijnlijk is heden de uitspraak van het orakel gunstig, want reeds met het aanbreken van den dag zijn de tsjarvadars komen vernemen, of wij gereed waren om te vertrekken. Op ons bevestigend antwoord, verzekerden zij dat de paarden zoo aanstonds zouden voorkomen.—Hala, dat wil immers zeggen, dadelijk. Op hun woord vertrouwende, begaf ik mij naar de binnenplaats van het consulaat, met het geweer op den schouder en de rijzweep in de hand, niet anders denkende dan dat ik binnen weinige oogenblikken te paard zou moeten stijgen. Het is zes uren in den morgen; ik wacht geduldig tot zeven uren; toen, niets ziende verschijnen, ga ik naar den salon.
“Hoe komt gij al zoo vroeg in volle wapenrusting? vraagt mij de consul lachende.
—Wel, de paarden zouden zoo dadelijk komen. Hala, zeiden de tsjarvadars, en ik dacht vroeg te vertrekken.
—Haast u zoo niet, herneemt de heer Bernay: Hala kan tot van avond duren; begin maar eerst Bladzijde 122met ons te ontbijten. Om pleizierig met eene karavaan te reizen, moet men leeren geduld te oefenen, tot men eindelijk de gewoonte heeft aangenomen, zich te laten wachten. Wil men hier de algemeene achting verwerven en met eerbied bejegend worden, dan moet men niet karig zijn met zijn tijd. Onaanzienlijke, geringe lieden alleen moeten met de uren woekeren; de aanzienlijken, de wijzen zijn zoo zeker van hunne zaak, dat zij altijd tijd in overvloed hebben.”
Omstreeks één uur in den namiddag deed zich in de anders zoo stille straat eensklaps een ongewoon gerucht hooren. Gelukkig! daar zijn de tien paarden, noodig voor het vervoer van onze bagage en onze bedienden. Het zoo geroemde turkomansche ras is zeer slecht vertegenwoordigd door die magere, afgetobde knollen. Achttien dagreizen scheiden ons van Teheran: zullen wij daar ooit komen met die ongelukkige dieren?
Tot mijne verwondering bespeur ik aan de poort der stad, dat ik met mijne dienaren en de bagage alleen ben: vergeefs zie ik om naar onze reisgezellen, de pelgrims naar het graf van den iman Rezza van Mesjhed.
“Wij zullen den nacht doorbrengen in een dorp, twee farsaghs van de stad verwijderd, zegt de hadji, die ons de eer heeft aangedaan ons te vergezellen; daar is de algemeene verzamelplaats der karavaan. Zij zal daar heden avond aankomen; en morgen, met het krieken van den dag, zullen wij den tocht van twee-en-twintig dagen aanvaarden, aan welks einde wij, zoo het God behaagt, den gouden koepel van Shah Abdoel-Azim zullen aanschouwen.
—Hoe veel uren duurt uwe dagreis? vroeg ik hem.
—Een goed georganiseerde en goed bestuurde karavaan, als de mijne, legt drie-vierde farsagh per uur af, en in een dag tusschen de zes en acht farsaghs.”
Een farsagh, door de grieksche schrijvers een parasanga genoemd, staat ongeveer gelijk met zes kilometers. Naar het schijnt waren oudtijds in het Oosten, even als te Rome, de wegen voorzien van mijlpalen, waarop de reiziger den afstand kon zien, dien hij had afgelegd. Die palen bestaan tegenwoordig niet meer; daar echter de karavanen steeds denzelfden weg volgen, zijn de tsjarvadars zeer nauwkeurig bekend met den afstand van het eene station naar het andere. Op de groote communicatiewegen vergissen zij zich bijna nooit in hunne berekening; en zoo de reis soms langer duurt dan zij volgens den afstand zou moeten duren, dan is dit doorgaans te wijten aan de hinderpalen, die men, vooral in het ongunstige jaargetijde, op den weg ontmoet. In den winter wordt de geringste beek vaak een onstuimige bergstroom, die de karavanen dwingt een langen omweg te maken, eer men eene plaats gevonden heeft, waar de zwaar beladen lastdieren kunnen overgaan.
Aan het dorp Rasmidj gekomen, brengen onze gidsen ons naar den tsjapar-khaneh (het posthuis), waar zich de paarden bevinden bestemd voor de koeriers, die de dienst verrichten langs den weg van Tauris naar Teheran. Dit vierkante gebouw bestaat uit een muur, waartegen aan de binnenzijde de stallen met platte daken zijn gebouwd. Des zomers blijven de paarden buiten, waar zij voor etensbakken worden vastgebonden. Boven de poort bevindt zich een klein vertrek, waarvan de vensters naar de vier windstreken uitzien. De ruiten worden vervangen door houten traliewerk, waardoor de wind vrij kan spelen, maar dat toch dicht genoeg is om onbescheiden blikken buiten te sluiten. Deze luchtige kamer, waarin wij, bij gebrek van beter, onzen intrek nemen, heet de bala-khaneh (de opperzaal).
Terwijl men bezig is met ontpakken, ga ik eene wandeling maken door den bazar van het dorp, die vrij wel voorzien is. Men vindt daar mooie, in goudpapier gewikkelde russische bougies, suiker van Marseille, dadels en melk in overvloed. Het dochtertje van den postmeester vergezelt ons; het is een aardig kind van omstreeks zeven jaar, maar dat vrij wat ouder schijnt; toekomende jaar geeft men haar een sluier; kort daarop wordt zij ten huwelijk gegeven, en eer zeven jaren verloopen zijn, wandelt zij met een zuigeling op den arm.
Inmiddels is het donker geworden; maar dat hindert mij niet, want wij zijn van alles voorzien. In het midden van de kamer staat eene tafel van ongeverfd hout; stroozakken vervangen de plaats van stoelen, en zullen straks dienst doen als bedden; in eene kleine nis staat een trekpot, een samovar, een kandelaar; boven een goed vuur hangen de dampende ketels. Maar, helaas! niets is op deze wereld bestendig. De wind steekt op; de schoorsteen begint geweldig te rooken, en het licht waait uit. Al tastende gelukt het mij, voor het houten traliewerk mantels en doeken en shawls uit te spreiden, die ik zoo goed mogelijk met spijkers bevestig.
De kamer is weer tamelijk in orde als de pilau verschijnt. Dit nationale gerecht wordt zeer smakelijk bereid: naar de lekkerbekken beweren, zijn er, om de pilau klaar te maken, evenveel verschillende manieren, als er dagen in het jaar zijn. Een gewone pilau—rijst met schapevleesch—is binnen het uur klaar; en dit is niet een van zijn minste verdiensten.
21 April.—Ik lag nog in diepen slaap gedompeld, toen de stem van den hadji mij wakker maakte.
“Sta op, Çaheb, zeide hij, wij zijn allen gereed; wij hebben eene lange dagreis te maken; en wanneer wij in den vroegen morgen van hier vertrekken, zullen wij nog juist den tijd hebben om voor den nacht de pleisterplaats te bereiken.”
Het is pas één uur: mijn echtgenoot en ik maken zoo spoedig mogelijk ons toilet. Daar wij hier haast zoo goed als in de open lucht zijn, hebben wij weer de gewoonte van den Kaukasus aangenomen, en ons geheel gekleed te slapen gelegd, zorg dragende, niet alleen het lichaam, maar ook het hoofd, on vooral de oogen te bedekken met den grooten reisdeken, dien wij te Tauris hadden laten maken.
Verwonderd over de langzaamheid, waarmede onze bedienden den boel inpakken, beknor ik hen over hunne traagheid. “Wat wilt gij dan doen gedurende de drie of vier uren, die wij hier nog moeten blijven?” antwoorden zij. Bladzijde 123
Ik herinnerde mij toen, maar een weinig te laat, de waarschuwingen van den heer Bernay en de beteekenis van Hala. Om mij van de toedracht der zaak te overtuigen, verlaat ik het posthuis en ga naar de karavanserai, waar bijna alle reizigers bijeen zijn: Bij het schijnsel van eenige walmende kaarsen, die in de booggangen rondom de binnenplaats branden, bespeur ik gesluierde vrouwen die schreeuwende kinderen aankleeden; terwijl de dienaars vuur aanmaken om thee te zetten en de noodige spijzen voor den dag te bereiden. Al deze lieden zijn laat van Tauris vertrokken, hebben een deel van den nacht gereisd, en schijnen in het minst niet gehaast om weer op weg te gaan. De paarden eten rustig hun haver; en de muilezeldrijvers, in hunne mantels van schapevel gewikkeld, snorken zoo luid, dat zij bijna het geschreeuw overstemmen der ontijdig gewekte kinderen.
Met den dageraad wordt overal appèl gehouden, en eindelijk verschijnen de tsjarvadars om onze bagage mede te nemen. Wij zijn nu ongeveer met ons tachtigen, mannen, vrouwen, kinderen, mollahs, bedienden, gevolgd door ruim honderd-vijftig lastdieren.
Aan het hoofd der karavaan gaan de krachtigste paarden, uitgedost en opgeschikt als andalusische muilezels, en allen voorzien van koperen bellen van verschillende grootte: sommigen hangen om den hals der paarden en zijn niet grooter dan kleine schelletjes, zooals de schapen dragen; anderen, tot vijftig duim lang, hangen langs de zijden van het paard en geven een zwaar geluid, bijna als kerkklokken; dikwijls zijn zij, naar gelang van de grootte, in elkander gevat, zoodat iedere bel als het ware de klepel is van diegene waarin zij hangt. Van het eene einde van de karavaan tot het andere hoort men dit getjingel en gelui, waarnaar zich de snelheid van den marsch regelt. Op eenigen afstand maakt dit concert een zeer harmonischen indruk; de liefelijke muziek doet u denken aan statige, zangerige orgeltonen, of aan het klagend suizen van den herfstwind in de bosschen.—Dan volgt de geestelijke leidsman van de bedevaart. Dit is een mollah van rijzige gestalte, met een bronskleurig gelaat; hij draagt den donkerblauwen tulband van de seïds en een kleed van kalemkar; zijn paard—vroeger wit, nu geheel blauw geverfd—is behangen met al het huisraad van den vromen man: waschkommen, een samovar, ketels, zakken voor het bergen van verschillende voorwerpen; de ruiter zelf, op een stapel dekens en tapijten gezeten, schijnt van zijn hemelsblauw paard met dezelfde minachting op menschen en dieren neer te zien. Ik had verwacht dat hij, bij het vertrek, den standaard der bedevaartgangers zou ontplooien en den lofzang aanheffen ter eere van den iman Rezza van Mesjhed, naar wiens graf hij zijne kudde geleidde; maar de tegenwoordigheid van twee ongeloovigen heeft hem, naar het schijnt, in de war gebracht en hem zijn plicht doen verzuimen. Hij wreekt zich, door nu en dan van ter zijde knorrige blikken op ons te werpen en zijn hoofd om te draaien zoo dikwijls wij in zijne nabijheid komen, ten einde niet genoodzaakt te zijn ons te groeten.
Wij rijden dicht achter hem, gevolgd door een troep kinderen van vijf tot tien jaar, die zeer gelukkig zijn nu zij hun eerste groote reis maken. Zij rollen elk oogenblik van de hoog opgestapelde bagage, waarop zij gezeten zijn, naar beneden; maar niemand bekommert zich daarom. Op de bedevaart krijgt niemand een ongeluk.
Ziehier het rustigste gedeelte der karavaan, dat steeds den middentocht uitmaakt. De voor de vrouwen bestemde muilezels dragen, ter wederzijde van het pakzadel, twee lage kisten, tachtig duim lang en vijftig breed, in Perzië bekend onder den naam van kadjavehs. Boven die kisten zijn hoepels aangebracht, waarover een groen doek is gespannen, ten einde de reizigsters tegen de zon, tegen den regen, en vooral tegen onbescheiden blikken te beschermen. Het is niet gemakkelijk, in deze zonderlinge voertuigen plaats te nemen: men gebruikt daartoe een smal laddertje, dat tegen de kist gezet wordt. Als de vrouwen gezeten zijn, wordt het laddertje onder den kadjaveh vastgemaakt tot de volgende pleisterplaats is bereikt, want het is geene gewoonte dat de vrouwen onderweg uitstappen. Op een hoop dekens gezeten of liever neergehurkt, hebben zij bovendien nog de mondbehoeften bij zich en de kinderen die te klein zijn om te paard te rijden.
De kadjavehs der dames zijn omringd door de oudste bedienden en door de jaloersche echtgenooten. Een van deze laatsten heeft op minstens acht vrouwen te passen, en schijnt die gansch niet gemakkelijke taak met de uiterste nauwgezetheid te vervullen. Te oordeelen naar het aantal zijner bedienden en de pracht van zijne kadjavehs, moet hij een groot heer zijn. Het paard, dat de favorite met haar kroost draagt, wordt geleid door een jeugdigen knaap, wiens blozende wangen en levendige geestige oogen onwillekeurig mijne aandacht trekken; zijn kaal geschoren hoofd is gedekt met eene ronde muts, met zwarte schapewol gevoerd; hij draagt eene nette koledja, die om de heupen door een gordel wordt saamgebonden en die zijne slanke, welgevormde gestalte op het voordeeligst doet uitkomen. Die mooie jongen verkeert op den meest vertrouwelijken voet met de dames, tot wie niemand het woord richt; steeds vroolijk en lachende, gaat hij van de eene naar de andere, brengt boodschappen over, drijft de achterblijvende paarden voort, steekt de pijpen aan en rookt zelf; neemt de huilende kinderen van de moeders af, draagt ze op zijn schouders, en legt bijna den gansenen weg te voet af, zoo goed als de sterkste tsjarvadars.
Ik laat de karavaan voorbij trekken en vind eindelijk onze bedienden in de achterhoede.
“Wie is toch die knaap, bij den eersten kadjaveh? vroeg ik een hunner.
—Dat is een pitshkhedmet, antwoordde hij; de aga (de meester), in zijne wijsheid oordeelende dat de vrouwelijke bedienden zijner gemalinnen niet wel op de reis de gewone dienst kunnen verrichten, heeft eene stevige en flinke kurdische boerin uitgezocht, heeft haar het hoofd laten kaal scheren en manskleederen aantrekken, zoodat zij zich, zonder ergernis te geven, ongesluierd kan vertoonen. Ali, zooals men haar hier noemt, neemt nu de dienst Bladzijde 124waar bij de dames, die geen man zou durven naderen.”
23 April.—Gisteren, ten vier uren in den namiddag, hebben wij onzen plechtigen intocht gehouden te Mianeh, eene kleine stad, maar die zeer oud is. Wij hebben onzen intrek genomen in het kantoor van de engelsche telegraaf, dat door twee jonge Armeniërs wordt bewoond.
Nauwelijks was de bagage ontpakt, of men kondigde ons het bezoek aan van den ket-khoda, een ambtenaar, die de meest heterogene functiën uitoefent, die recht moet spreken, die belastingen moet innen en jaarlijks aan den gouverneur der provincie het bepaalde contingent voor het koninklijk leger zenden. Hij verscheen, omringd, als naar gewoonte, door een drom van bedienden, waarvan sommigen aangestoken pijpen droegen.
De ket-khoda van Mianch.
Wij noodigen hem uit, plaats te nemen op een voor hem bestemd tapijt, alle aanwezigen hurken naast hem neder, ieder overeenkomstig den rang, dien hij in de maatschappelijke hiërarchie inneemt.
“Heil zij u! Is de gezondheid van Uwe Edelheid goed? vraagt de ket-khoda, terwijl hij de hand op zijn hart legt.
—Zij is goed, Gode zij dank, antwoordt mijn echtgenoot.
—Is de gezondheid van Uwe Edelheid zeer goed?
—Bij uwe mogendheid, zij is zeer goed. En is de gezondheid van Uwe Edelheid goed?
—Sedert de komst van Uwe Edelheid in dit land is zij uitmuntend. Reeds sedert lang heeft uw slaaf gehoopt, Uwer Edelheid zijne hulde te mogen aanbieden.
—God zij geloofd, uw dienaar had zijne opwachting bij U behooren te maken.
—Ik dank ten hoogste Uwe Edelheid; uw slaaf is altijd gereed, u voor te zijn.”
Nadat deze begroetingen waren afgeloopen, begon de ket-khoda te vragen naar onze nationaliteit en naar het doel onzer reis; vervolgens verwijderde hij zich, God biddende over onze kostbare levens te willen waken.
De kleeding van dezen ambtenaar bestaat uit een wit katoenen broek, en een jas van dezelfde stof, met vergulde knoopen, waarop de leeuw en de zon van het koninklijk wapen prijken. Zijn kleine kollah duidt aan, dat hij de mode van het hof wenscht te volgen; de andere inwoners van het dorp dragen nog allen de ronde papash der Turkomannen. Des avonds laat komt de hadji, na zijne pelgrims zoo goed mogelijk onder dak te hebben gebracht, ons waarschuwen dat de vermoeidheid der vrouwen en vooral de uitputting der paarden ten gevolge van de modderige wegen, hem noodzaakt een dag te Mianeh te blijven.
“Dat is goed,” antwoordt mijn echtgenoot, “ik zal dan vooruit gaan om wat langer bij den Dokhtarépol te kunnen blijven.
—Onmogelijk, Çaheb, de weg is niet veilig; misschien zou men u mijne paarden ontnemen.
—Hadji, zeide ik op mijne beurt, ik merk dat gij steeds meer denkt aan uwe beesten dan aan de reizigers: toch zijt gij geroepen om voor beiden althans in gelijke mate te zorgen. Zend ons morgen ochtend vroeg drie paarden: worden die ons ontstolen, dan zullen wij ze u vergoeden.
—Allah ké-rib!” (God is groot) mompelde de hadji, terwijl hij heenging, zich aan ons besluit onderwerpende.
26 April.—Bij het krieken van den dag verlaten wij Mianeh, slechts gevolgd door een armenischen bediende; de dekens zijn opgerold; wij hebben onze fotografie-toestellen en levensmiddelen voor twee dagen bij ons; onze geladen geweren liggen voor ons op het zadel, en twee paar revolvers hangen aan onze gordels. Al dit geschut zal, naar ik vertrouw, de dieven wel afschrikken, die lust mochten gevoelen om de paarden van den hadji te stelen.
Mevrouw Dieulafoy in reiskostuum.
Ter linkerzijde van den weg verheffen zich de half in puin gevallen muren van eene oude vesting; op de brokstukken zitten, onbewegelijk, enkele gieren. Rechts hebben wij tuinen met bloeiende vruchtboomen beplant. Door een moeras, waarin de paarden Bladzijde 126tot aan de knieën wegzinken, komen wij aan de brug van Mianeh en beginnen den Kaflan-koe of berg van den Tigris te beklimmen, in het gezelschap van een derwîsj, van wien wij ons niet kunnen ontslaan. De weg, die door menschen schijnt aangelegd, gaat vrij steil omhoog, langs diepe afgronden en kloven, waarin kleine bergstroomen bruisen. De berg wordt al woester en woester: eindelijk, na vier uren stijgens, bereiken wij een pas, die in het slechte jaargetijde zoo ongenaakbaar is, dat de Turken, toen zij in het bezit waren van dit land, om den overtocht voor hunne troepen gemakkelijker te maken, over eene lengte van een kilometer ter wederzijde van den pas, eene soort van straatweg lieten aanleggen. Onze paarden rusten hier even uit, en inmiddels geniet ik van het prachtige panorama.
Aan den voet van den Kaflan-koe, die de grensscheiding vormt tusschen Azerbeïdsjan en Irâk, strekt zich de bloeiende vlakte van Mianeh uit, beheerscht door de besneeuwde toppen van den Elbroez.
Een heldere lentezon schijnt op de verblindend witte toppen en op de donkere rotsen der bergen. Halverwege de helling verrijst, in de vallei van Kisiloe-soe, een alleen staande rotskegel of piek, waarvan de smalle top gekroond wordt door een gebouw, in den omtrek bekend onder den naam van het kasteel der Maagd (Dokhtaré-pol). De stichting van dit zonderlinge kasteel verliest zich in de hooge oudheid; volgens de overlevering zou deze ongenaakbare vesting zijn gebouwd door Ardeshir-Derazdash (Langhand), den Artaxerxes der grieksche schrijvers, om tot kerker te dienen voor eene ongehoorzame prinses.
De derwîsj, onze nieuwe reisgenoot, verhaalt mij eene andere legende.
“Een koning, zoo zegt hij, had eene schoone dochter, zacht van aard en met alle bekoorlijkheden toegerust. Afkeer van de menschen deed deze prinses besluiten, zich aan de wereld te onttrekken en zich hier in de eenzaamheid te verbergen. Geen enkel pad gaf toegang tot het arendsnest, waar zij zich een kasteel had laten bouwen. Wie zou het hebben durven wagen, deze ontoegankelijke rotsen te beklimmen? Op zekeren dag echter gebeurde het dat een jeugdige herder uit de verte de maagd zag, en nu, in liefde tot haar ontbrand, waagde hij zich met zijne geiten op de loodrechte steilten van den berg, en zong daar, dag aan dag, zijn teeder minnelied.
“De prinses sloeg daar eerst geen acht op; maar toen de herder dag aan dag terugkeerde en daar buiten de muren van het kasteel in eenzaamheid zijn lied zong, voelde zij zich bewogen door zijne trouwe liefde en luisterde met aandacht naar zijne zoete stem, schoon als die van David.
“En toen de wateren van den bergstroom waren gezwollen, zoodat de herder niet meer onder de muren van het kasteel kon komen zingen, liet de prinses voor hem de brug bouwen, die gij nog in de vallei kunt zien en die ook den naam draagt van Dokhtaré-pol. Immers, welke macht ter wereld zou twee gelieven van elkander kunnen scheiden?”
Het kasteel der Maagd staat in den omtrek niet ter goeder naam: langen tijd was het een der schuilhoeken van de beruchte vereeniging der Assassijnen. Om het voor immer aan deze bandieten te ontrukken, zag Abbas de Groote zich verplicht, de hooge muren van de geduchte vesting te breken; reeds tijdens de reis van Chardin, in 1672, verkeerde het kasteel in zeer bouwvalligen toestand. De afstammelingen van de oude meesters van den burcht leven tegenwoordig als vreedzame boeren in Irâk Adjemi, en schijnen het roovershandwerk van hunne voorvaderen voor goed te bebben opgegeven.
De brug, waarvan de derwîsj sprak, is wel der bezichtiging waard. Zij bestaat uit een grooten middenboog ter wijdte van vijf-en-twintig el, en twee zijbogen van zeventien el wijd. De middenboog prijkt aan de bovenzijde met eene groote inscriptie in gouden letters op een grond van donkerblauw email. Deze schitterende decoratie past volkomen bij de kleur van de oude steenen en geeft aan het geheele werk een monumentaal karakter, nog verhoogd door de omlijsting van kale bergen. Het opschrift geeft vermoedelijk eenige inlichting omtrent den tijd van den bouw der brug. Maar de vrij diepe en breede rivier was zoo gezwollen, dat wij niet dicht genoeg konden naderen om het opschrift te lezen, zelfs met behulp van een lorgnet. Waarschijnlijk dagteekent de brug uit de twaalfde eeuw.
28 April.—De twee laatste dagreizen waren zeer vermoeiend. Heden hebben wij dertien uren te paard gezeten: het was dan ook inderdaad voor allen eene uitkomst, toen wij Zendjan naderden.
VI
29 April.—Zendjan, de hoofdstad der provincie Khamseh, ligt op een plateau, dat eene fraaie vruchtbare vlakte bestrijkt, waardoor een van de nevenstroomen van de Kisiloe-soe loopt; aan hare hooge ligging dankt de stad in den zomer eene zeer aangename temperatuur, maar in den winter kan het er zeer koud zijn. Zendjan, dat er, misschien ten onrechte, roem op draagt, de geboorteplaats te zijn van Ardeshir-Babeghan, den eersten vorst uit de dynastie der Sassaniden, werd, kort na de verwoesting van Sultaniëh, door Tamerlan gedeeltelijk vernield, en verloor toen een van zijn merkwaardigste monumenten, de graftombe van den sjeikh Aboe-Feridje. Rampen van jeugdiger dagteekening, uitgelokt door den opstand der Babys,1 hebben de herinnering aan den inval der Tartaren uitgewischt en er veel toe bijdragen om de bevolking der stad te doen verminderen.
Den volgenden dag gingen wij met den postmeester naar buiten, naar prachtige tuinen langs den oever van een klein rivierke. Groote, heerlijke vruchtboomen mengen daar hunne bladeren en veelkleurige bloesems, en vormen prieelen, waarin het zonlicht ter nauwernood doordringt. De natuurlijke ontwikkeling der takken wordt door niets gestoord: men ziet hier niets van latwerk, ijzerdraad of welke andere kunstmiddelen ook.—“Het is hier het aardsch paradijs zonder appel,” zeide tot mij Mahomed Bladzijde 127Aga-Khan, een der aanzienlijkste Babys van Zendjan, terwijl hij mij zijne boomgaarden toonde.
Toen wij van onze wandeling terugkwamen, noodigde hij ons met groote vriendelijkheid uit, in zijn huis binnen te treden, om zijne vrouw te groeten. Aanstonds was ik getroffen door de orde en netheid, die in deze woning heerschten; nergens waren hier die talrijke vrouwelijke dienstboden te zien, die op den grond neergehurkt zitten en niets uitvoeren dan haar kalyan rooken. De Babys onthouden zich over het algemeen van rooken. De eenige vrouw en de dochter van den khan kwamen mij begroeten; door eenige dienstboden bijgestaan, zijn zij bezig met het bereiden van het avondmaal.
De moeder laat nu die taak aan hare dochter over en voert mij in eene kamer, enkele treden boven den beganen grond verheven, waar zij mij uitnoodigt plaats te nemen op een prachtig kurdisch tapijt, glad en fijn als fluweel. Er wordt thee en koffie; gepresenteerd; en terwijl ik het talent bewonder, waarmede de perzische dames deze beide dranken weten te bereiden, houd ik mijne oogen gevestigd op het mooie meisje, die opzicht houdt over het koken van de pilau. Hare fraaie, zuiver gemodeleerde gelaatstrekken krijgen eene bijzondere uitdrukking door hare schitterende zwarte oogen, die buiten alle verhouding groot schijnen, ten gevolge van het aanbrengen van eene fijne donkere tint rondom de oogleden en aan de wenkbrauwen. Haar hoofd is half gehuld in een sluier van roode wol, waardoor de matte goudkleur van haar huid nog te meer uitkomt. Twee dikke haarlokken komen aan de slapen uit dien sluier te voorschijn, terwijl het gevlochte haar verder op den rug hangt; om den hals draagt zij eene ketting van kornalijn en gele amber. Hare kleeding bestaat uit een rose chemisette, waarvan de fijne plooien de zuivere vormen teekenen van een buste, die nooit door een keurslijf werd misvormd; haar rok van gebloemd indisch kâshmire is zeer laag onder het hemdje vastgemaakt, zoodat bij iedere beweging de buik ten deele bloot komt. Dit is het wintertoilet. Gaarne had ik ook kennis gemaakt met de zomerkleeding, maar daartoe ontbrak mij de tijd.
Behalve zijn tuinen en de bouwvallen van zijn oude muren, heeft Zendjan niets merkwaardigs; wij stemmen dan ook gaarne in met het voorstel van den hadji, om reeds nu te vertrekken, ten einde te Sultaniëh een dag langer te kunnen vertoeven dan aanvankelijk bepaald was. De weg tusschen Zendjan en Sultaniëh is op dit oogenblik volkomen veilig, want juist zijn er naar de grenzen van Kurdistan troepen gezonden, omdat men een nieuwen inval van die roofzuchtige horden vreesde.
1 Mei.—Buiten de stad gekomen, zien wij aan onze rechterhand een groot kamp, bestaande uit regelmatig geplaatste tenten van europeesch fatsoen. Vlak daarbij, binnen een afgeschoten perk, staan een aantal paarden, die tot eene legerafdeeling behooren, welke dezen nacht is aangekomen. Een oostenrijksch officier voert het kommando over die afdeeling; maar hij heeft een perzisch generaal naast zich, die zijne bevelen overbrengt, want een echte Sjîiet kan geen bevelen ontvangen van een Christenhond. De soldaten marcheeren en exerceeren vrij goed; zij zijn gewapend met uitmuntende chassepots, na den oorlog van 1870 in Pruisen gekocht.
Hun uniform, bestaande uit een korte donkerblauwe jas en een nauwsluitenden pantalon van dezelfde kleur met een scharlaken streep, heeft aan die troepen den naam doen geven van het frankische (europeesche) leger, waarop zij zeer trotsch zijn. Het hoofddeksel, de kolak, is zuiver perzisch. Buiten de exercitie is de houding en kleeding dezer keurtroepen zoo slecht mogelijk. De inlandsche officieren dragen zelfs geen kousen, en hunne uniform is boven alle beschrijving slordig en vuil. Het stelsel van voeding is een zeer wezenlijk element van wanorde in het perzische leger: daar er geen intendance bestaat, moet ieder soldaat voor zijn eigen voeding zorgen, en in den regel doet hij dit ten koste der streek waar hij vertoeft. De zeer geringe soldij wordt bovendien nog hoogst onregelmatig uitbetaald, hoewel de noodige gelden vrij geregeld door de koninklijke schatkist worden verstrekt; gewoon zonder geld te zijn, zorgt de soldaat dus zelf voor zijn onderhoud. De plicht om de legers te voeden drukt zeer ongelijk op de verschillende provinciën en is een zware last: van daar dat het doortrekken van een legerkorps als een openbare ramp wordt beschouwd. De conscriptie, even onbillijk geregeld, drukt uitsluitend op de boeren: de stedelingen zijn daarvan rechtens vrijgesteld.
Dit buitensporige voorrecht aan de groote steden toegekend, draagt niet weinig bij tot de ontvolking van het platte land, dat op die wijze van de beste en onontbeerlijkste krachten beroofd wordt; daarentegen vormt zich in de steden eene klasse van lieden zonder beroep, zonder wettig middel van bestaan, die op de ellendigste manier hun bestaan voortsleepen, tot zij den leeftijd bereikt hebben, waarop zij niet meer voor de militaire dienst in aanmerking kunnen komen.
Elk dorp moet een contingent leveren in verhouding tot zijne bevolking, maar de ket-khoda, die met de inschrijving belast is, stelt iedereen vrij, die hem een aardig geschenk wil geven. De manschappen staan onder het kommando van een hoofdman, kapitein, chef van de kompagnie. Alle bevelen worden aan hem gegeven; hij alleen is verantwoordelijk voor zijn troep, dien hij naar goedvinden bestuurt, zonder dat men hem, tenzij dan om zeer gewichtige redenen, kan verplaatsen of wegzenden. Tusschen den kapitein en den generaal staan wel de oversten en de kolonels, maar hun gezag bestaat slechts in naam.
De straffen, die de soldaat beloopen kan, bepalen zich niet enkel tot zijn persoon: ingeval van desertie, bij voorbeeld, worden ook zijne bloedverwanten gestraft; de ket-khoda van het dorp ontvangt last om, na verloop van zekeren tijd, de vrouw en de kinderen van den deserteur in de gevangenis te werpen, zijn vee te verkoopen, of zijn huis in brand te steken. In den regel keert de schuldige, vernemende welk lot zijne familie boven het hoofd hangt, naar zijn regiment terug, waar hij tot straf de bastonnade ontvangt. Bladzijde 128
Na het kamp bezocht te hebben, hervatten wij onzen tocht en trekken eenige uren achtereen door eene dorre vlakte, die langzamerhand omhoog rijst tot aan het plateau, onder den naam van Kogoroland (adelaarsweide) bekend. Steeds in oostelijke richting voortgaande, bespeuren wij aan den horizon eene lichtende plek en daaronder eene lange en smalle streep. Toen wij, naderbij gekomen, de vormen en omtrekken van deze verzameling van gebouwen beter konden onderscheiden, zien wij een majestueusen koepel, die door zijne indrukwekkende massa en zijne schitterende bekleeding met helder blauwe porceleinen tegels, het armoedige dorp aan zijn voet geheel in het niet doet verzinken. Dit zijn de laatste overblijfselen van de stad Sultaniëh, tegen het einde der dertiende eeuw gesticht door Arghoer-Khan, den derden souverein uit de dynastie van Dsjengis-Khan, en vergroot door Oljaïtoe Khodah Bendeh, die den zetel zijner regeering naar herwaarts overbracht, en een mausoleum bouwen liet, dat nog heden getuigt van de vervlogen grootheid der keizerlijke stad. Na den dood van Shah Khodah Bendeh, verloor Sultaniëh, ondanks zijn prachtigen titel, al spoedig zijn voorspoed en zijn kunstmatig verworven hoogen rang. In 1381 door Tamerlan of Timoer-leng met storm veroverd, werd de stad verwoest en voor goed verlaten; het monument van Oljaïtoe had zijn behoud uitsluitend aan zijn godsdienstig karakter te danken.
Vrouw uit de volksklasse in Perzië.
Het was reeds duister, toen wij, huiverende van koude, in den tsjapar-khaneh terugkeerden. Het klimaat van het plateau van Kogoroland wordt als een van de koudste in Perzië beschouwd. Gelukkig heeft de tsjaparsji ons in eene goed gesloten kamer gebracht, voorzien van vilten tapijten, over de matten gespreid. Een goed vuur verwarmt onze verkleumde voeten; eindelijk zie ik tot mijne groote vreugde, hoe eenige voortreffelijke patrijzen aan het spit worden gebraden.
Een plataan.
Den volgenden morgen gold ons eerste bezoek de koninklijke graftombe. De deur is gesloten en de sleutel in bewaring bij den mollah, die, zoo als Bladzijde 130het heet, naar den akker vertrokken is. Blijkbaar is dit niet anders dan een voorwendsel, om het heiligdom te bewaren tegen verontreiniging door de tegenwoordigheid van ongeloovigen.
Omringd door een troep kwaadwillige boeren, begeven wij ons, met een brief van den gouverneur van Tauris, naar den ket-khoda. Deze bekijkt onze papieren aan alle kanten; houdt zich eerst alsof hij het zegel niet kent, dat bij wijze van onderteekening op het stuk is gesteld; maar hij eindigt toch met blijkbaar zeer tegen zijn zin, te gelasten dat men het graf voor ons zal ontsluiten. Deze lastgeving lokte zeer hevige en luidruchtige protesten uit tegen zulk eene schending van de rechten der ware muzelmannen.
“De bevelen van den gouverneur zijn zoo stellig mogelijk,” zeide de ket-khoda bij wijze van verontschuldiging. Mij wordt gelast, hulp en bescherming te verleenen aan deze vreemdelingen en alles te doen wat in mijn vermogen is om hun van dienst te zijn.
—Is de gouverneur dan zelf ook een ongeloovige?” vroeg met luid gemor de ontevreden menigte; maar tot verzet kwam het niet.
De mollah wordt nu opgespoord en de deur wordt eindelijk geopend, tot groote smart en ergernis van alle vromen.
Het gebouw is nog vrij goed onderhouden, en heeft eigenlijk alleen geleden door eene onhandige restauratie in het begin der zeventiende eeuw, toen men de oorspronkelijke decoratie onder eene dikke laag stuc heeft verborgen en de harmonie van het geheel verbroken door toevoeging van een nutteloos bijgebouw, dat sedert weer half in puin is gevallen. De uitwendige aanblik van het monument is daarom niet voordeelig; om de eenvoudige en majestueuse ordonnantie van het mausoleum te waardeeren, moet men binnentreden en zich onder den koepel plaatsen. De indruk is dan inderdaad aangrijpend: men gevoelt dat men hier een edel en verheven kunstwerk voor zich heeft.
De koepel verheft zich tot eene hoogte van een-en-vijftig el boven den vloer; de wijdte van den koepel aan den benedenrand is vijf-en-twintig en een halve el. Ik vermeld deze cijfers, om eenig denkbeeld te geven van de beteekenis van het gebouw, dat eene zeer gunstige getuigenis aflegt van het constructieve talent van den bouwmeester.
Daar was nog geen uur verloopen, toen de moskee, waar wij tot dusver bijna alleen waren geweest, zich eensklaps met menschen vulde. Een uit den hoop trad naar voren.
“Wij hebben,” zoo sprak hij, “het bevel van den gouverneur laten uitvoeren; gij zijt, ondanks de voorschriften onzer godsdienst, binnengetreden in een hoog eerwaardig heiligdom, en zijt daar reeds te lang gebleven; verwijdert u onmiddellijk, of betaalt tien tomans voor ieder uur, dat gij hier vertoeft.”
Mijn echtgenoot, bleek van toorn, antwoordde dat hij niet zou heengaan; dat hij geen geld bij zich had, en geen shaï (stuiver) zou geven.
“Is dat uw laatste woord?” vroeg de spreker.
“Zeer zeker.”
Aanstonds sluit de menigte een dichten kring om ons, en onder luid geschater, pakken vijf of zes kerels ons bij de armen en de schouders en dringen en trekken ons buiten het mausoleum, waarvan zij aanstonds de deur sluiten.
De ket-khoda is ook nu onze eenige toevlucht. Gevolgd door een troep tierende en scheldende vrouwen, wier taal wij wel niet verstaan, maar omtrent de beteekenis van wier woorden wij niet in twijfel kunnen zijn, en door kinderen, die ons met steentjes werpen, komen wij eindelijk aan de woning van den magistraatspersoon. Op het ongewone gerucht treedt hij naar buiten; en in tegenwoordigheid van de menigte stellen wij, overtuigd dat alleen een stoutmoedig optreden ons baten kan, hem het volgende ultimatum: “Indien de poort van het graf van Shah Khodah Bendeh niet onverwijld voor ons geopend wordt, keeren wij naar Zendjan terug, om van den gouverneur soldaten te vragen, die ons zullen beschermen. Gij, ket-khoda, zult uwe betrekking verliezen, omdat gij Faranguis hebt laten mishandelen; en uwe onderhoorigen zullen hebben te zorgen voor logies en onderhoud der soldaten, wier eischen, zooals allen weten, niet gering zijn.”
Dit argument maakte blijkbaar indruk: het geschreeuw hield eensklaps op. De ket-khoda, al zijn moed bijeen rapende, liet den aanstoker van dit opstandje in de gevangenis werpen, en gaf bevel dat men ons ongemoeid zou laten, op straffe van de bastonnade.
Einde goed, alles goed: wij kunnen nu op ons gemak de details van het gebouw bestudeeren. Het mausoleum is geheel opgetrokken van vierkante gebakken steenen, die van binnen in het gebouw roomkleurig zijn. De bewoners der streek, getroffen door de zeldzame fijnheid on de schoone kleur dier steenen, beweren dat het leem met gazellemelk is gekneed. De lambrizeeringen der kapellen en de buitenzijde der pilaren zijn versierd met mozaïeken, gouden sterren op een blauw geëmailleerden grond, die heerlijk uitkomen tegen de melkwitte steenen. Aan de buitenzijde is de koepel geheel bedekt met blauw porseleinen tegels. Soortgelijke tegels, afgewisseld met wit en donker blauw email, versieren de galerijen der minarets, de zuilen en de kroonlijst.—Bijzonder rijk is de versiering van de gewelven der bovengalerijen. De in reliëf bewerkte figuren zijn gekleurd: de tinten wisselen tusschen grijs en wijnrood. Niets kan een denkbeeld geven van de pracht van deze polychromie, die u denken doet aan de wonderschoone kleurenmengeling der oude indische shawls.
Op eenigen afstand van de stad staat nog een tweede mausoleum, op kleiner schaal gebouwd dan dat van Shah Khodah Bendeh, maar evenzeer met smaak versierd. Het gebouw is achtkantig en met een koepel gedekt; elke der acht zijden is versierd met een fraaie mozaïek; het midden der tympans wordt aangewezen door prachtige steenen in de gedaante van twaalfpuntige sterren, zoo fijn van bewerking als kant. Nevens dit mausoleum ziet men de bouwvallen van eene moskee.
6 Mei.—Op twee dagreizen van Sultaniëh ligt het mooiste dorp, dat wij sedert ons vertrek van Tauris nog gezien hebben. De vlakte rondom het Bladzijde 131dorp wordt door talrijke waterleidingen besproeid; korenvelden wisselen af met katoenplantages en populieren. De weelderige flora der tuinen en de met wilde kamperfoelie begroeide muren en schuttingen onttrekken de lage woningen van het dorp aan het oog: het eenige huis, dat onze aandacht trekt, is dat van den barbier van het dorp.
Het beroep van barbier (dallak) is hier geene sinecure: niet alleen moet hij de baarden scheren van alle jonge lieden, maar ook de hoofden van alle mannen, onverschillig van welken leeftijd, met uitzondering van slechts twee hairlokken achter de ooren. Maar zijne kunst reikt nog verder: een barbier die zijn vak verstaat is tegelijk tandmeester, besnijdt de kinderen en dient aan de kranken eene purgatie en lating toe.
De barbier van Khoremdereh—zoo heet het dorp—is door geheel den omtrek beroemd: de hadji, die op reis onzen geneeskundigen raad heeft ingeroepen en zich daarbij wel heeft bevonden, heeft dan ook niet verzuimd hem te verwittigen van de komst van twee beroemde collega's. De tijding heeft zich snel door het dorp verspreid; en als wij van eene wandeling door de tuinen terugkomen, vinden wij onze kamer opgevuld met patiënten van allerlei soort. Sommigen hebben hunne kinderen of hunne bejaarde ouders medegebracht; anderen komen om genezing te zoeken voor hunne eigene kwalen. Tering, rhumatiek en oogziekten zijn de heerschende kwalen. Voegt daarbij de verregaande onzindelijkheid, vooral van de vrouwen en kinderen. Wij geven zooveel mogelijk goeden raad: wij bevelen den teringlijders wollen kleederen aan; den lijders aan rhumatiek, wrijvingen en beweging; allen zonder onderscheid het gebruik van zeep en water. Bovendien deelen wij ook nog medicijnen uit, en dat alles kosteloos. Wij hadden dan ook een volledig succès. Na aldus ongeveer een twintigtal patiënten behandeld te hebben, zijn wij verplicht het daarbij te laten; want wij moeten eenige rust nemen, eer wij naar Kazbin vertrekken.
8 Mei.—De rit van Khoremdereh naar Azimabad duurt niet lang. Na een tocht van omstreeks zeven uren bespeur ik een fraai dorp, langs den zoom eener rivier gebouwd; de karavaan trekt dwars door dat riviertje, tot groote ontsteltenis van een zwerm visschen, en dringt in de straten van Azimabad door, voorafgegaan door boeren, die ons zijn komen verwelkomen en uitnoodigen, in hunne woning in te keeren.
“Dit huis behoort aan u en ik ben uw knecht,” zegt onze gastheer, eene lage en smalle deur in een leemen muur openende.
Ons nieuwe logies ziet er goed uit. In het midden der woning bevindt zich een soort van overdekt portaal, dat men bereikt langs een dier trappen, waarvan de hooge treden voor europeesche beenen zoo vermoeiend zijn. Ter wederzijde van het voorhuis is een groote zaal; de eene zal ons tot huiskamer en salon dienen; de andere, die tevens tot keuken is ingericht, is bestemd voor ons personeel. Onze gastheer zal zich met zijn gezin zoo lang in den stal terugtrekken; indien zij willen beloven zich rustig te houden, willen, wij hun de bala-khaneh, de opperzaal, boven de vestibule, afstaan. De kamers ontvangen haar licht door zeer groote breede vensters, van houten traliewerk voorzien, dat met geolied papier is beplakt. Glas zou hier zeer moeilijk te krijgen zijn. De zoldering bestaat uit over elkander gelegde rondhouten; de wit gepleisterde muren zijn voorzien van twee rijen breede nissen; ook is er een miniatuur schoorsteen. Koffers met koperen of stalen ornamenten; strooien matten, hier en daar bedekt met fraaie, maar versleten tapijten; twee of drie kalyans; een Korân en eenige bundels perzische poëzie, met onbeholpen, leelijk gekleurde plaatjes:—ziedaar het ameublement van onze kamer. Voor het huis staan eenige vruchtboomen in een soort van tuin, die door een hoogen leemen muur omgeven is. Naar dit model zijn de woningen van alle vermogende landlieden dezer streek gebouwd.
VII
9 Mei.—Omstreeks drie uren in den morgen zette de karavaan zich in beweging om naar Kazbin te gaan, waar zij twee dagen zal vertoeven: eene welverdiende rust na een traject van zeshonderd-drie-en-veertig kilometers, met slecht weer en langs ellendige wegen.
Voorbij Azimabad daalt de vallei zeer sterk; de lucht, door de stralen der heldere zon verhit, wordt weldra drukkend. Achter den dichten nevelsluier, die den horizon omhult, schemeren fraaie blauwe koepels en slanke minarets, oprijzende boven eene groote stad, uitgestrekt aan den voet der laatste uitloopers van de bergen van Ghilan. Beneden die sierlijke koepels zie ik er anderen, plat en laag en zonder de bekleeding met porseleinen tegels, die de moskeeën opluistert. Deze gebouwen schijnen in alle wijken van de stad verspreid en geven haar een zeker monumentaal karakter. Een breede gordel van tuinen omringt de stad, waar wij niet ver van verwijderd zouden zijn, indien niet een groot meer ons scheen te dwingen een wijden omweg te maken, om de voorsteden te bereiken.
“Welk een zonderlinge verrassing,” zeide ik tot mijn echtgenoot. “Ik had nooit van andere meren in Perzië hooren spreken dan van de zoutmeren van Oermiah en Shiraz! Wat is dit dan voor een meer?”
De kaart wordt voor den dag gehaald, maar zij geeft geene opheldering. Hoe verder wij intusschen voortgaan, des te meer schijnen de wateren zich ter rechterhand uit te breiden. Een bosch, dat wij eerst niet gezien hadden, verrijst aan de overzijde der watervlakte; wij drijven onze paarden voort, maar het water schijnt voor onze voeten te verdwijnen; de boomen nemen telkens andere en steeds grilliger gestalten aan; gedurende meer dan een kwartier houdt deze zinsbegoocheling aan, en worden onze oogen verblind door de weerspiegeling der brandende zonnestralen op de kalme watervlakte;—dan verdwijnen meer en bosch eensklaps, als door den slag eener tooverroede.
Het was eene luchtverheveling.
In plaats van het water en het groen, zien wij voor ons een breeden stoffigen weg, ingesloten tusschen Bladzijde 132de leemen muren van tuinen, met wijngaarden en andere fijne vruchtboomen beplant. Het water der talrijke waterleidingen van Kazbin wordt gebruikt voor de besproeiing van deze kostbare boomgaarden; en daar dit water in den zomer onvoldoende is om in de behoeften der stad te voorzien, hebben de inwoners een aantal overwelfde reservoirs aangelegd, waarin zij des winters het overtollige water bewaren.
Sommigen van deze reservoirs, ab ambar genoemd, kunnen meer dan zesduizend kubiek el water bevatten. Zij zijn vierkant en met halfronde koepels gedekt; deze koepels alleen steken hoog boven den grond uit en geven aan de stad dat zonderling voorkomen, dat zoo zeer onze aandacht trok. Het water wordt dus bewaard in diepe kuipen, waarin het zelfs gedurende den zomer koel en frisch blijft. Een breede trap, voorafgegaan door een poort met mozaïek-tegels versierd, voert naar de kranen beneden in het reservoir aangebracht, vijftien of twintig el beneden den beganen grond. Steenen banken onder de portiek en nissen in de wanden bieden den voorbijgangers de gelegenheid aan om zich neer te zetten, en den waterdragers om even te rusten en de zware aarden kruiken te ledigen, die zij met moeite naar boven hebben gedragen. Dikwijls vermeldt een opschrift den datum der stichting van den ab ambar en den naam van den edelmoedigen weldoener, die het reservoir heeft doen maken.