13 Januari.—Sedert twee dagen zijn wij te Dizfoel, en nog is het ons niet mogelijk geweest een uitstapje te maken naar de ruïnen van Susa, die ter nauwernood zes à zeven farsaks van de stad verwijderd zijn. Het heeft sedert onze aankomst nog geen oogenblik opgehouden met regenen.
Brug te Shoester.
Brug te Shoester.
Arabistan, eene van de belangrijkste provinciën van zuid-westelijk Perzië, wordt thans door een oom des konings, Hischmet ed-daoeleh, bestuurd. Deze prins verandert van residentie naar gelang van het jaargetijde: doorgaans resideert hij te Shoester, maar in de lente vertoeft hij tijdelijk te Dizfoel, waar de temperatuur dan aangenamer is. Gedurende zijne afwezigheid is het bestuur der stad toevertrouwd aan een stadhouder of naïeb loekoemet. Deze luitenant-gouverneur, van zijne secretarissen of mirza's vergezeld, heeft zich zeer welwillend tot onze beschikking gesteld, en ons sterk aangeraden om te Dizfoel het einde van den regentijd af te wachten. Inmiddels heeft hij Bladzijde 230ons wat op de hoogte gebracht van den stand van zaken in de provincie. Volgens hem zou Dizfoel, dat in welvaart en bevolking sterk vooruitgaat, veel meer aanspraak hebben op den rang van hoofdstad van Arabistan, dan Shoester, dat zeer in verval is. In de laatste jaren is de bevolking verdubbeld, en heeft de handel zich boven verwachting uitgebreid. De omliggende velden leveren overvloedige korenoogsten op, en de wol der kudden is om hare fijnheid beroemd; er wordt in den omtrek veel indigo verbouwd, die in talrijke zeer eenvoudige ververijen wordt gebruikt.
Bij zijn vertrek vroeg de naïeb mij, of ik zijne anderoens ook wenschte te zien; op mijn bevestigend antwoord, stelde hij voor, dat zijn zoon mij vergezellen zou. Ik kon geen beter geleider wenschen; met de meeste voorzichtigheid voerde de aardige, tien- à twaalfjarige knaap mij over de platte daken der huizen, die allen met elkander gemeenschap hebben, en verzuimde bij de voorstelling geen enkel van de vele voorschriften der etiquette.—Ons eerste bezoek gold de oudste der echtgenooten van den naïeb. Bij mijn binnentreden stond Bibi Sham Sedjoe op: zij reikte mij de hand en bracht die daarna, ten teeken van eerbied, aan haar voorhoofd, mij tevens hartelijk welkom heetende. Daarop wees zij mij een grooten houten fauteuil, die in het midden van de kamer stond. Deze stoel heeft eene geschiedenis. Hij werd gemaakt ter eere van Sir Kennett Loftus, toen hij, nu omstreeks dertig jaren geleden, hier vertoefde als president der commissie voor de turksch-perzische grensregeling. Na het vertrek van dezen diplomaat, bleef de takht (troon), zoo als de dames hem noemen, onder eene dikke stoflaag bedolven, tot de verschijning van een dier wonderlijke wezens, die op stoelen zitten als papegaaien op een kruk, hem weer voor den dag deed halen. Ik nam met alle deftigheid plaats. Sham Sedjoe en al de andere dames hurkten rondom mij op den grond, en tot driemalen toe vroegen wij elkander naar den staat onzer gezondheid. Bibi verklaarde dat zij dezen morgen met geweldige hoofdpijn was opgestaan, maar dat de vreugde over mijn aangekondigd bezoek en vooral mijne gezegende tegenwoordigheid haar geheel genezen hadden. Deze woorden werden door de andere khanoems (dames) luide toegejuicht; ik wist inderdaad niet wat te antwoorden, en bepaalde mij tot eene beleefde buiging.—Bibi Sham Sedjoe is eene Perzische; hare bekoorlijkheden zijn met de jaren vervlogen, maar zij weet zeer goed het gesprek gaande te houden en haar conversatie verheft zich wel eenigszins boven het gewone peil der gesprekken in den anderoen. Jammer dat zij zoo onwetend is en zelfs de eenvoudigste beginselen der geografie haar ten eenemale vreemd zijn. Zij heeft wel eens hooren spreken van een land, Faranguistan genoemd, bewoond door ongeloovige Engelschen en Russen, die veel varkensvleesch eten en nog meer brandewijn drinken, maar zelfs den naam van Frankrijk heeft zij nooit hooren noemen. Mijn kort afgeknipt haar bracht haar ook in de meening dat Allah aan de vrouwen der ongeloovigen het sieraad der weelderige haarlokken heeft ontzegd.—Er werd thee gepresenteerd. Het eerste kopje werd mij aangeboden, het tweede aan mijn gids, die het zonder aarzelen aannam: die hulde kwam hem toe als man. Daarop moesten alle khanoems mijn witten helmhoed opzetten, om dan te schateren van lachen, als zij, dus getooid, zich zelven aanschouwden in den kleinen spiegel met een prachtige lijst van cederhout en ivoor. Toen de pret lang genoeg geduurd had, nam ik mijn hoofddeksel terug en vertrok.
“Nu zullen wij mama gaan bezoeken,” riep mijn jonge geleider op blijden toon, nadat hij een bediende had gelast, den fauteuil voor mij uit te dragen. Zijne moeder, Matab-khanoem, is van arabische afkomst: aan haar bloed getrouw, heeft zij hare prachtige raspaarden in hare onmiddellijke nabijheid, op de binnenplaats harer woning, geïnstalleerd. Deze woning is met zekere pracht gemeubeld: in de nissen langs de wanden prijken kostbare vazen en potten van echt chineesch porselein, afkomstig uit den tijd van Shâh Abbas; tegenover een prachtig geëmailleerden beker staat evenwel eene afschuwelijke soepterrine van engelsch aardewerk. De fauteuil wordt neergezet op een tapijt, zoo fijn en glad als fluweel; ik neem plaats in de nabijheid van een ouderwetschen weefstoel. Matab-khanoem brengt haar ledigen tijd door met het vervaardigen van die groote netten van rose en gele zijde met gouden franje, welke de vrouwen van Susiane over haar hoofd en haar borst slaan.—Deze dame is klein, mager, bruin van kleur en alles behalve schoon; maar als moeder van den eenigen erfzoon des huizes, heeft zij onbetwistbaar den voorrang boven de andere vrouwen van haar echtgenoot. Zij was verrukt toen ik haar een compliment maakte over de beleefdheid en de goede manieren van mijn jongen vriend: zij kon nu niet nalaten, uit te weiden in den lof van haar zoon, haar Messaoed, over wiens vroege ontwikkeling de mollahs verbaasd stonden.
Ik nam afscheid van Matab-khanoem en begaf mij nu langs verschillende straten, hier en daar versperd door de ruïnen van huizen, die door de winterregens gesmolten zijn, naar een derden anderoen. Ik mocht mij niet over mijne moeite beklagen, want daar ontmoette ik de schoonste vrouw, die ik sedert langen tijd gezien had, Bibi-Dordoen, de favorite van mijn gastheer en de mededingster van Matab-khanoem. Bibi-Dordoen, hoewel uit arabisch bloed gesproten, is mat blank van kleur, met prachtige zwarte oogen en gitzwarte haren; haar lippen zijn wat te dik, maar haar tanden zijn verwonderlijk schoon. Zij ontving mij met groote vriendelijkheid, en deed mij allerlei vertrouwelijke mededeelingen, ook omtrent haar vurig verlangen dat haar eerlang een zoon mocht geboren worden. Reeds vijfmaal had zij haar echtgenoot een dochter geschonken; nu hoopte zij eindelijk op een zoon en vroeg mij, in groote opgewondenheid, of ik, eene Faranguie, eene geleerde vrouw, haar daaromtrent geene zekerheid geven kon. Ik aarzelde niet en voorspelde haar Bladzijde 231een zoon. Zij wierp zich om mijn hals en omhelsde mij hartstochtelijk.—Ik heb nu genoeg van deze bezoeken en dank Messaoed, die mij ook nog naar den vierden anderoen van zijn vader brengen wilde, voor zijne moeite.
14 Januari.—Na een bezoek aan den ouden sheikh Thaer, den beheerder van het kerkelijk domein der grafmoskee van Daniël, van wien wij vergunning verkregen hebben om binnen de gewijde omwalling te overnachten, zijn wij tegen den middag op weg getogen naar Susa. Wij gingen over de brug en reden aanvankelijk door korenakkers; vervolgens kwamen wij aan een dorp, en dan aan de naakte steppe. Alle kultuur houdt op en de aarde brengt niets meer voort dan schrale struiken en armoedige heesters, die haar kwijnend leven rekken, dank zij de nabijheid van een arm van de Kerkha. De paarden doorwaden de rivier; wij bevinden ons nu in eene streek, doorsneden door vervallen en afgebrokkelde hooge dijken en bezaaid met terpen, die tot aan de kruin zijn begroeid. De zon breekt door de wolken en werpt haar stralen op een reusachtigen tell, die eene zeer groote lengte beslaat. Had de heuvel niet zulk een vlakke, effen kruin, dan zou men aan een natuurlijken berg kunnen denken. “Shoes!” roepen de tsjarvadars. Aan alle kanten strekt zich de vlakte uit, met verdroogde doornstruiken bedekt. Hoe ver mijn blik ook reikt, nergens bespeur ik een dorp, eene tent of eene kudde: het is de woestijn in den vollen zin des woords, de woestijn in al hare verlatenheid.
De gidsen geleiden ons naar den voet van den tumulus, waarvan de reusachtige afmetingen ons van nabij nog meer treffen. Het graf van Daniël ligt aan den voet, rechts van het hooge terras, in den omtrek onder den naam van Kaleh-Shoes (vesting van Shoes) bekend. Langs het heiligdom vloeit een modderig beekje, de Shaoer, dat op den afstand van omstreeks tien farsaks ontspringt en in de Ab-Dizfoel uitmondt.
“Is dat het graf?
—Ja, Çaheb.”
Het was waarlijk wel de moeite waard, zooveel omslag te maken, eer wij vergunning kregen om daar binnen te komen. Het monument beantwoordt volstrekt niet aan zijne reputatie, die jaarlijks in de lente talrijke scharen van pelgrims naar deze plek doet stroomen. Als men van de zijde van Dizfoel komt, ziet men een aarden muur en eene zware poort. Men zou wanen, een versterkt dorp voor zich te hebben, wanneer niet, midden boven de groep gebouwen, een toren in de gedaante eener pyramide oprees, die de bestemming van het monument aanwijst. De zijvleugels der voorhoven zijn van arkaden voorzien, die een verblijfplaats opleveren voor de bewakers van het graf en voor eenige herders, wier woeste honden op mesthoopen midden op het voorplein slapen. Eene soort van gordijnen, van stengels en palmenvezels gevlochten, beschermen de bewoners dezer galerijen tegen den regen. De motavelli (bewaarder van het graf) wees ons eerst een verblijf aan in eene onbewoonde nis, die dus ook niet van een gordijn was voorzien; maar op het gezicht der zwarte wolken, die met nieuwen regen dreigden, is hij van gedachten veranderd. Na nog eens den brief van den sheikh te hebben overgelezen, gaf hij last een klein vertrek te ontruimen, dat onder den peristyle van het graf uitkomt en waarheen onze bagage werd overgebracht.—Alsnu verzekerd van een droog logies, hebben wij ezels gehuurd en in gezelschap van den motavelli den tumulus beklommen, om een blik te werpen op de plek, waar eenmaal de koninklijke stad stond.—Immers, het is ons toch niet vergund, het graf van den profeet te zien, en met eerbiedige bewondering het lijk te aanschouwen van den heilige, dat niet minder dan veertig el lang is en tien el breed ter hoogte van de schouders! Geen wonder, dat de leeuwen van Darius bang waren voor zulk eene prooi!
Afgescheiden van talrijke golvingen en oneffenheden van den grond, trekken drie groote, van elkander afgezonderde terpen of tumuli aanstonds de aandacht. De aanzienlijkste van allen, die, naar het mij voorkomt, in hoogte alle anderen overtreft, de Kaleh-Shoes, verheft zich tot omstreeks zes-en-dertig el boven het peil van de Shaoer. De regens hebben diepe sporen en greppels uitgehold in de hellingen, die thans met doornen en distelen zijn begroeid, maar waarlangs twee smalle, schier onbegaanbare paden naar de platte kruin voeren. Een dezer paden is zeer oud en gaf weleer toegang tot de citadel. Wij volgden dit pad, en komen na veelvuldige kronkelingen aan de poort, waarnaast het oude metselwerk nog eenigszins de gedaante van torens vertoont. Daarachter ligt een kleine platform, die uitloopt op een zeer smallen weg over een hoog bolwerk aangelegd. Vermoedelijk was dit de laatste slagboom, dien de aanvallers, nadat zij de helling hadden beklommen en de eerste poort vermeesterd, uit den weg moesten ruimen. Verder op begint een uitgestrekt plateau, van waar men de vlakte en de twee naburige tumuli overziet.—Ik bevond mij dus in de onneembare vesting, die weleer de roem en trots was der koningen van Susa; in dien burcht, waarin zij hunne schatten bewaarden, en die na de macedonische verovering de zetel werd van eene sterke bezetting, bestemd om de overwonnen stammen in bedwang te houden. Van de schatten en kostbaarheden, door de geschiedschrijvers met zoo veel ophef vermeld, is geen spoor meer te vinden; misschien zouden opgravingen hier belangrijke resultaten kunnen opleveren; maar voor het oogenblik is elke herinnering aan het verleden uitgewischt.
“Gij verspilt uw tijd, zegt de motavelli: laat ons naar beneden gaan en het paleis zien, zoo gij niet door den nacht wilt overvallen worden”.—De raad is goed; ik stijg te paard en wij rijden naar den noordhoek van den tumulus, naast den weg naar Dizfoel. De gids, het kreupelhout met sterke hand uit elkander rukkende, wijst ons de voetstukken van verschillende kolommen, waarvan vier met opschriften in spijkerschrift zijn versierd. Deze voetstukken, die ongeveer een el onder de oppervlakte Bladzijde 232van den thans beganen grond bedolven lagen, werden voor ruim dertig jaar ontdekt door kolonel Williams en door sir Loftus aan het licht gebracht. De laatste stelde, met behulp dier zuilen, het plan samen van een gebouw, dat aan drie zijden door portieken was omringd en zeer veel overeenkomst had met het paleis van Xerxes te Persepolis. De overblijfselen toonen duidelijk genoeg, dat wij hier met een paleis uit den tijd der Achemeniden te doen hebben; blijkens de opschriften, die allen twijfel wegnemen, werd dit paleis gesticht door Artaxerxes Mnemon, op de plaats van een vroegere apadâna (troonzaal), door Darius gebouwd en tijdens de regeering van een zijner opvolgers door het vuur vernield.—Verder bezit Susa niets dan het prachtige panorama van het sneeuwgebergte, dat de grensscheiding vormt tusschen Elam en Perzië.
Het graf van Daniël. (Blz. 231.)
Het graf van Daniël. (Blz. 231.)
Welke onnoemelijke schatten liggen wel begraven in deze reusachtige terpen, en hoe vele menschengeslachten zijn hier wel voorbijgegaan, sedert de vloot van Sanherib de Kerkha opvoer om Susa aan te tasten, en sedert den noodlottigen dag, waarop de geduchte veroveraar Assoer-banipal de vestingwerken vermeesterde, die de koningen van Elam rondom hun paleizen hadden opgeworpen. Hoor, met hoe welbehagelijken trots de overwinnaar zijn triomf der wereld verkondigt: “Ik heb de stad Susa genomen, de groote heilige stad, de woonstede hunner goden, het heiligdom hunner godspraken. Door den wil van Assoer en van Istar, drong ik in het paleis van Oemmanaldas (den koning van Elam) door; ik legerde mij daar in mijne heerlijkheid. Ik doorzocht de schatkameren, waar het goud, het zilver en al de rijkdommen lagen opgestapeld, die sedert de oude koningen van Elam tot op dezen dag waren bijeengebracht, en waaraan nog geen vijand de hand geslagen had; ik heb er mij meester van gemaakt als van een buit.... Den god Soesinak, die in hunne verborgen heiligdommen woonde en wiens beeld niemand mocht aanschouwen; de goden Soennadoe, Lagamar, Partikira, Amman-Kasimas, Oedoeran, Sapak, die door de koningen van Elam werden aangebeden en gevreesd; de goden Ragika, Soengoenisoer, Karza, Kirsamas, Soedoenoe, Aipaksina, Biloel, Panintimri, Silagara, Napsa, Nalirtoe, Kindakoerboe, al deze goden en al deze godinnen, met hunne schatten, hunne prachtige sieraden, hunne priesters en hunne dienaren, heb ik naar het land Assoer medegevoerd, benevens twee-en-dertig standbeelden van koningen, van zilver, goud, brons en albast, afkomstig uit de steden Susa (Soesan), Madaktoe, Hoeradi; het standbeeld van Oemanigas, den broeder van Oembadara, het beeld van Istar-Nakhoenta, dat van Halloesi, dat van Tammaritoe den laatsten koning, die overeenkomstig het bevel van Assoer en van Istar zich aan mij onderworpen had. Ik heb ook de leeuwen en de stieren met menschenaangezichten doen wegnemen, die het sieraad waren der tempels; ik heb de kolossen doen wegvoeren, die de poorten der heiligdommen bewaakten; ik heb alles verwoest tot zelfs de fondamenten; ik heb de beelden der goden en godinnen tot gruis doen slaan. Daar waren heilige bosschen, waarin niemand was doorgedrongen, waarvan de bodem door geens menschen voet was betreden: mijne soldaten trokken er in en staken de heiligdommen der goden in brand. De graven van hunne koningen, de vroegere en de latere, die Assoer en Istar, mijne heeren, niet aanbaden en de koningen mijne voorvaderen verontrustten, heb ik geschonden en voor het licht der zon geopend: ik nam hunne overblijfselen mede naar Assyrië; ik liet hunne schimmen zonder slaap, ik Bladzijde 233beroofde hen van de gebeden der priesters. In den tijd van eene maand en vijf-en-twintig dagen verwoestte ik het geheele land van Elam; ik sloeg het met verderf en honger. De dochters en de zusters der koningen, de geslachten van de vorige en van de laatste koningen van het land Elam, de stadhouders en oversten van alle steden, die ik genomen had, de hoofdlieden der boogschutters, de bevelvoerders, de wagenmenners, de schildknapen, de lansdragers, de boogschutters, het geheele leger, krijgsoversten en soldaten, aanzienlijken en geringen, de muildieren, de ezels, de ossen en de schapen, grooter in menigte dan de sprinkhanen, ik bracht dit alles naar Assyrië; ik nam zelfs van het stof der steden Susa, Madaktoe en van andere heilige steden, en, een arend gelijk, droeg ik het naar het land van Assoer. Binnen eene maand werd geheel Elam als weggevaagd; er bleef geene samenwoning van menschen, geen kudde van runderen of schapen, geen huisdieren, geen bebouwde velden. Ik gaf dit land ter prooi aan de woudezels, aan de gazellen en de dieren der woestijn, die er zich vermenigvuldigden.”
Indigobereiding.
Indigobereiding.
Assoer-banipal verzuimt vooral ook niet, ons mede te deelen, dat hij het beeld van de godin Nana, hetwelk sedert zestienhonderd-vijf-en-dertig jaren in gevangenschap was in Elam, in “een land dat haar niet was toegewijd”, heeft teruggevoerd en weer in den tempel van Oeroek heeft geplaatst.
Deze verwoesting van Elam greep plaats in het jaar 660 vóór Christus. De oude hoofdstad Susa, waarvan de geweldige assyrische veroveraar geen steen op den anderen gelaten had, verrees toch ruim een eeuw later weer uit haar puinen en werd de winterresidentie van de perzische koningen, die hier een prachtig paleis bezaten. Maar na den ondergang der oude perzische monarchie, zonk ook Susa in vergetelheid; Shoester, Dizfoel en andere steden werden gaandeweg met haar puinen gebouwd. Sedert de achtste eeuw wordt de plek, waar de aloude koningsstad stond, geheel verlaten, een woonplaats van roofdieren en wilde zwijnen. Eéne traditie is slechts overgebleven: het zoogenoemde graf van Daniël stelt ons nog in staat de stede aan te wijzen, waar eeuwen en eeuwen geleden, in de morgenschemering der historie, die elamitische koningen regeerden, voor wier macht zelfs Babylon bukken moest.
De invallende duisternis noopt ons naar de grafmoskee terug te keeren, waarvan de binnenplaats thans geheel ingenomen is door kudden van schapen en geiten, welke overdag in de omliggende vlakte haar voedsel moeten zoeken. Tevens zijn ook de bewoners van het graf teruggekeerd: de vrouwen beladen met takkebossen en doornstruiken, de mannen met hun stok of hun slinger Bladzijde 234gewapend. Wij trekken ons in onze kamer terug, waar wij althans geen last van den regen zullen hebben.
15 Januari.—De bewakers van het graf van Daniël hebben getoond, op de hoogte van hunne taak te zijn: zij hebben den ganschen nacht gezongen, gepraat, gebeden, gerookt, koffie en thee gedronken, en zulk een leven gemaakt dat wij geen oog toe hebben kunnen doen. Toen zij eindelijk tot rust kwamen, zijn wij opgestaan en hebben ons naar den derden tumulus begeven. Deze terp, van nog grooter omvang dan de beide anderen, was vroeger ook door aarden wallen omgeven, die nu geheel zijn ingezakt. Op last van sir Kennett Loftus zijn hier opgravingen ondernomen, die niet veel hebben opgeleverd, en die door de dreigende houding van de bevolking spoedig moesten worden gestaakt.
Terwijl mijn echtgenoot de terpen nog verder onderzocht, keerde ik naar het graf terug. Er is niemand: de motavelli is met Marcel bij de terpen; de nomaden zijn met hunne kudden naar het veld; niets verhindert mij dus om de eigenlijke grafkapel te bezoeken. De gewaagde onderneming bleek ten slotte niet de moeite waard. De zaal, van betrekkelijk kleine afmetingen, is eenvoudig gewit en met een gewelf overdekt. In het midden ziet men een groot blok metselwerk in den vorm van een sarkophaag; dit monument is omringd door traliewerk, waarlangs de geloovigen met hunne handen strijken. Aan de vier hoeken bevinden zich vier groote glimmende ballen of kogels, die de pelgrims met hunne voorhoofden aanraken. Dit is alles; aan het graf van den grooten profeet is zeker niet veel ten koste gelegd. Maar sedert den dood van Daniël is het gebouw zeker herhaaldelijk vernieuwd moeten worden: misschien is de mildheid der geloovigen gaandeweg afgenomen, zoodat de profeet, die den toorn der koningen van Babylon en van Perzië durfde trotseeren, nu met een zoo simpel graf tevreden moet zijn.
17 Januari.—Regen, altijd regen! Onophoudelijke stortbuien hebben ons, nu twee dagen geleden, genoodzaakt van Susa naar Dizfoel terug te keeren; de vrees, dat de aanhoudende regens ons den overtocht over de rivier de Konah, die de vlakte tusschen Dizfoel en Shoester doorstroomt, onmogelijk zouden maken, heeft ons doen besluiten, onze reis te vervolgen. Op het oogenblik van ons vertrek scheen de lucht te zullen ophelderen, maar die verwachting werd niet vervuld, en nog steeds daalt de regen neer, den weg in een modderpoel herscheppende. Eene wonderlijke vertooning maken langs den weg de gebogen, verwrongen palen van ongelijke hoogte, waarlangs de telegraafdraad loopt, die nu eens tusschen de struiken verdwijnt en dan weer over den grond sleept. Somwijlen zijn de palen over eene aanzienlijke lengte door den wind omgeworpen: ik kan mij niet voorstellen, dat de daardoor ontstane gaping bevorderlijk is aan den goeden gang der berichten.
Toen de engelsche regeering, voor eenige jaren, vergunning verkreeg om een telegraaflijn door Perzië aan te leggen, nam zij de verplichting op zich, ook een draad te spannen, die bepaaldelijk voor de dienst van den Shâh zou worden gereserveerd. Inlandsche kantoren verrezen naast de engelsche; en de perzische telegraaf, steeds door de vreemde deskundigen in orde gehouden, beantwoordde aanvankelijk aan alle verwachtingen. Zeer ingenomen met deze merkwaardige nieuwigheid, waardoor hij zich voortdurend in betrekking kon stellen met zijne stadhouders in de provinciën, gaf Nasr-ed-Din bevel, ook een telegraaflijn aan te leggen tusschen zijn paleis en het afgelegen Arabistan. Dat ging nu weer den gewonen gang. In plaats van stevige palen van gegoten ijzer, gebruikte men slechte houten palen; in plaats van de uitmuntende engelsche toestellen, behielp men zich met voddige machines: en de nationale lijn werd geopend. Natuurlijk werden voorkomende gebreken of beschadigingen niet hersteld; na verloop van een paar jaren lagen de palen tegen den grond, waren de draden gebroken, de toestellen onbruikbaar, zoodat het goedkooper en vooral uit het oogpunt van spoed raadzamer was, de depêches per koerier te verzenden. Van de geheele inrichting is thans niets meer over dan de geëmploieerden, die zoo ver het gaat vrije woning hebben en ook wel traktement ontvangen, en wier eenige vrees is, dat de telegraaf weer op een mooien dag in orde zal worden gebracht. Overigens zijn zij de eenigen niet, die zich verheugen over een ongeval, dat hun een gemakkelijk leventje bezorgt. Gedurende de weinige maanden, dat de telegraaf in werking was, had de gouverneur van Arabistan het hard te verantwoorden: de Shâh liet hem geen oogenblik rust. Telkens kwam er een depêche: nu eens was het eene aanvraag om geld, dan moesten er manschappen voor het leger worden gezonden; en steeds moest de souverein onmiddellijk antwoord hebben, en moest aan zijne eischen worden voldaan. Tegenwoordig is het in Arabistan weer rustig. In het gunstige jaargetijde heeft een koerier ruim eene maand noodig om van Teheran naar Shoester te gaan; en wanneer hij dan ter plaatse zijner bestemming is aangekomen, heeft de Hakem (gouverneur) al den tijd om een antwoord in gereedheid te brengen. Bovendien mag men nog op den winter rekenen. Daar de koerier te voet de hoogste toppen van het Bakhtiaris-gebergte moet oversteken, bestaat er alle kans dat hij in de sneeuw verongelukt of ten minste onbepaalden tijd wegblijft. Dat zijn altemaal redenen, die eene spoedige herstelling van de telegraaflijn niet waarschijnlijk maken.
Ruim vijf uren na ons vertrek van Dizfoel, kwamen wij aan de omwalling van eene voormalige stad, als zoo vele anderen verdwenen, maar nog altijd aangeduid onder den naam Shahabâd. Vermoedelijk is dit het oude Djundi-Shapoer, door den beroemden Shapoer gesticht na zijne overwinning op Valerianus behaald, en belangrijk Bladzijde 235vergroot door zijn zevenden opvolger, Shapoer Dhoe-l-Aktaf. Deze stad werd later eene van de belangrijkste steden der provincie: haar verval dagteekent van de dertiende eeuw, toen Shoester het toppunt van voorspoed had bereikt. De oude stad strekte zich vermoedelijk uit tot aan den oever eener rivier, die wij moeten doorwaden om Konah te bereiken. Er gaat een snelle stroom, maar de voorde kan zonder bezwaar worden gebruikt. Tegen den avond komen wij aan den rechter oever en nemen onzen intrek in eene karavanserai, waarvan het dak verdwenen is; een donker gat onder eene trap is de eenige plaats, waar men voor den regen veilig is, en waar wij dan ook eene toevlucht zoeken.
18 Januari.—Het heeft van nacht gedonderd en hard gewaaid; bij het aanbreken van den dag was de hemel helder, en lag het dorp Konah voor ons, in een krans van tuinen, te midden van eene bloeiende vlakte, en bestraald door het tooverachtige licht der zon. Het mooie weer werkt allergunstigst op de gemoedsstemming onzer muilezeldrijvers en onzer zaptiëhs, welke laatsten uit louter pret eene aardige fantasia uitvoeren.
Omstreeks vier uren in den middag bespeuren wij aan den horizon de stad Shoester, evenals Dizfoel aan den oever eener rivier, de Karoen, gebouwd en mede in het bezit eener brug uit den tijd der Sassaniden. Weldra kan ik de geëmailleerde koepels, de spitse daken van grafmonumenten onderscheiden, alsmede de stompe minaret van de masdjed Djoema, en eindelijk, links, aan den zoom der rivier, het antieke kasteel Selasil. Volgens de overlevering, die bij het volk nog niet vergeten is, zou de gevangene van Shapoer, de ongelukkige keizer Valerianus, tien jaren lang achter deze muren hebben doorgebracht. Als zijn overwinnaar te paard steeg, moest hij zich ter aarde buigen en als voetbank dienen.
De brug van Shoester dient tevens als stuw. Zij volgt niet de rechte lijn, maar beschrijft allerlei krommingen, om voor haar pijlers gebruik te kunnen maken van rotsbeddingen op den bodem der rivier. In de oogen van Marcel is zulk eene brug een gruwel: mij behaagt deze afwijking van den regel wel. Mogen wij de overlevering gelooven, dan zou de brug door een romeinsch ingenieur, mede een krijgsgevangene van Shapoer, zijn gebouwd. Deze beroemde koning zou ook de stad zelve hebben gesticht, of althans vergroot en verfraaid. Met behulp van romeinsche gevangenen verbeterde en regulariseerde hij den loop van de Karoen, liet stuwen en kanalen aanleggen en de omliggende landen in vruchtbare velden herscheppen. De grond van Khoesistan (zoo heette destijds het tegenwoordige Arabistan) was buitengewoon vruchtbaar en loonde met honderdvoudigen oogst de vlijt van den landbouwer. Dit vruchtbare land wekte dan ook de begeerlijkheid op der Arabieren; maar de inwoners van Shoester boden den vijand een hardnekkigen tegenstand. In een bloedig gevecht drongen de soldaten van Bassorah en Koefah tot bij de poorten der stad door; en de perzische bevelhebber, gedwongen terug te trekken, verloor op een dag meer dan elfhonderd zijner manschappen. Ondanks den moed der Arabieren dreigde het beleg toch zeer lang te zullen duren, toen zich een Pers in het kamp der belegeraars aanmeldde en aanbood, den vijand den toegang tot de stad te openen. Hem werd lijfsbehoud toegezegd, mits zij zich tot den Islam bekeerde. De verrader, van een arabisch soldaat vergezeld, doorwaadde de Karoen en bereikte eene uitstekende rotspunt, die de geheele stad en het kamp van den perzischen generaal bestreek. Nadat hij was teruggekeerd, zond Aboe Moessa, de arabische opperbevelhebber, veertig man uit, op korten afstand gevolgd door eene afdeeling van tweehonderd soldaten, met last om, begunstigd door de duisternis, den renegaat te volgen. De Arabieren drongen in de stad door, doodden de schildwachten en beklommen de wallen. De perzische generaal, door dezen onverwachten aanval verrast, trok in de citadel terug, waar al zijne schatten waren geborgen. Vroeg in den volgenden morgen trok Aboe Moessa met zijn gansche leger over de rivier en bezette de stad. De perzische generaal vroeg om lijfsbehoud, maar dit werd hem geweigerd, zoolang de Khalief daaromtrent geene uitspraak had gedaan. De bezetting van de citadel, die de wapenen niet wilde overgeven, werd gedood; vele inwoners der stad doodden met eigen hand hunne vrouwen en kinderen en wierpen zich zelven in de rivier, ten einde aan de woede des vijands te ontkomen.
In later eeuw moest de oude hoofdstad van Shapoer bukken voor de macht der Mongolen. Nadat Hoelagoe-Khan Bagdad had ingenomen, zond hij een zijner krijgsoversten, Timoer-Beg, naar Shoester om dat te veroveren. De burgers der stad, wetende met wien zij te doen hadden, trokken den mongoolschen generaal te gemoet met levensmiddelen en geschenken, en boden hem hunne onderwerping aan. Timoer-Beg bleek beter te zijn dan zijne reputatie: ondanks de aansporingen van enkelen zijner officieren, die met Shoester wilden handelen als met zoo menig andere stad, verbood hij zijn soldaten, eenig geweld te plegen.
In het begin van de negende eeuw van de Hedsjra verscheen de emir Nedjm ed-din Mahmoed el-Amali, uit het geslacht van Ali, in de oude hoofdstad van Khoesistan, en nam er de dochter van den overste der sherifs tot vrouw. Hij vestigde zich nu voor goed in Shoester, en wijdde zich geheel aan de prediking en verspreiding van de leer der Sjîiten, waarvoor het hem gelukte, een deel der inwoners te winnen. Onder de eerste koningen uit de dynastie der Sofis werd het door Nedjm ed-din Mahmoed begonnen werk door Seïd Noer Allah Mirashi, het hoofd van de aristokratie der Aliden, voltooid; en van nu af was Shoester een der brandpunten van het sjîitisch fanatisme. Aan dien vurigen geloofsijver dankt men het groot aantal moskeeën en grafteekenen in alle wijken der stad.
Wij overschrijden de monumentale brug over de Karoen en trekken Shoester binnen. Wij bevinden ons in eene groote straat, door winkels Bladzijde 236omzoomd, waar citroenen en dadels worden verkocht. Het is hier zeer druk, en weldra verdringt zich om onze kleine karavaan eene nieuwsgierige menigte, aan wier bewijzen van belangstelling wij ons zoo spoedig mogelijk onttrekken. Wij rijden nu door een doolhof van nauwe straten en stegen, waarvan de huizen voor het meerendeel niets dan ruïnen zijn, en komen eindelijk op een plein, waarop het paleis staat van den gouverneur der stad, den seyed Assadoellah-Khan. Wij betreden een ruime vestibule, waarin geketende roovers en moordenaars rustig zijn neergezeten, in vriendschappelijk gesprek met de bedienden van den Khan. Vervolgens komen wij op eene binnenplaats, waar eene wacht van soldaten is opgesteld; ik beklim eenige treden en kom in een met palmen beplanten tuin, aan de andere zijde door een ruimen talâr (overwelfde zaal) begrensd, die op een breed terras uitkomt. Een verrukkelijk schoon panorama ontvouwt zich hier voor onzen blik. Tegenover mij, op omstreeks tweehonderd el afstand, verrijst een hooge muur van roodachtige rotsen, die de bloeiende vlakte schijnen te dragen, terwijl haar voeten door de wateren van de Karoen worden bespoeld. Ik buig mij over de borstwering om de kronkelingen van de rivier te kunnen volgen, en nu blijkt het mij, dat het paleis van Assadoellah-Khan door een dergelijken rotsmuur gedragen wordt. De ruimte tusschen de beide rotswanden wordt evenwel niet geheel door de rivier ingenomen: aan de linkerzijde bevindt zich een aangespoeld terrein, dat met prachtige palmen is bedekt. Ondanks hunne afmetingen, zouden de boomen in de diepe kloof bijna verdwijnen en zou hun groen gebladerte samensmelten met de donkere kleur der wateren, zoo niet hier en daar de rijk met gouden vruchten beladen oranjeboomen schakeering in de massa brachten en het oog trokken.
19 Januari.—Volgens eene muzelmansche traditie moet hij die zich gedurende zijn leven langs oneerlijke wegen, ten koste van zijn naaste, verrijkt heeft, voor den eeuwigen Rechter verschijnen, gebukt onder den last van het onrechtvaardig verkregen goed. Is dat zoo, dan zullen ten dage waarop de gouverneur van Arabistan voor den goddelijken rechterstoel moet verschijnen, de goede of kwade engelen hem moeten helpen om eene vracht te dragen, die voor menschelijke schouders niet te torsen is. Sedert onze komst vernemen wij niets dan klachten en gemor. De provincie wordt verdrukt en uitgezogen; de kooplieden en kleine pachters zijn aan de uiterste ellende ten prooi. De belastingen zijn verdubbeld; de huizen vallen in puin, en de eigenaars zijn buiten machte om ze te herbouwen; de boeren verlaten het land, dat hun geen droog brood oplevert; de vermogende grondeigenaars planten geen palmen of suikerriet meer; de stammen vluchten met hunne kudden naar het gebergte; de kanalen raken verstopt; de dorpen worden ontvolkt, en de Shâh Zaddeh legt elken dag nieuwe lasten op, die door het uitgemergelde volk niet kunnen worden opgebracht. Hoe is in dien toestand verandering te brengen? Zelfs de stoutmoedigsten wagen het niet, zich rechtstreeks tot Zijne Majesteit te wenden; de meer vreesachtigen durven zelfs hunne oogen niet opslaan tot Hishmet ed-daoeleh, een prins van den bloede, oom des Konings, een machtig en hardvochtig heer. Maar allen wenden zich tot ons, en smeeken ons de tolken te willen zijn hunner klachten en smeekingen, nadat wij Arabistan verlaten zullen hebben.
Die twee klokken hoort luiden, hoort tweeërlei geluid. De koorts verhinderde mij, mijn echtgenoot te vergezellen toen hij zijne opwachting ging maken bij den Shâh Zaddeh; bij zijne terugkomst, deelde Marcel mij zijn wedervaren mede. De gouverneur van Arabistan gaf hem te kennen dat zijne onderhoorigen blinde, hartstochtelijke dwepers waren, zeer trotsch op hun godsdienstigen adeldom, gierig, leugenachtig, dom en in geen enkel opzicht te vertrouwen. Wien moeten we nu gelooven? Men zou zich langen tijd in het land moeten ophouden, om te weten, wie het hardst liegt, de gouverneur of zijne onderhoorigen. Dit is zeker, dat Shoester er alles behalve welvarend uitziet: overal uitgestorven buurten, verlaten huizen, die in puin storten. Hier en daar ziet men nog, in sombere armoedige kamers, een hoogst eenvoudig weefgetouw, waarop tapijten vervaardigd worden, of ook wel die wit en blauw geruite stoffen, waarmede de vrouwen van de kleine burgerij zich omhullen, als zij op straat verschijnen; maar over het algemeen is het in de stad doodsch en stil. Eene enkele wijk maakt daarop eene uitzondering: de buurt langs de rivier, beneden de brug, die tevens tot stuw dient. De wateren van de Karoen, door een dam opgehouden, brengen eene lange reeks van molens in beweging, waarin tegen zeer geringen prijs het meel van de geheele landstreek wordt gemalen. Deze kleine industrie daargelaten, is zoowel de landbouw als de handel der provincie dood. En toch zou het niet zoo moeilijk zijn, aan dit van nature zoo vruchtbare land zijne vroegere welvaart en aan de hoofdstad van Arabistan haar vroegeren bloei te hergeven. Op een aantal plaatsen ziet men nog de ruïnen van waterwerken, onder de Sassaniden aangelegd, om voor eene behoorlijke besproeiing der velden te zorgen. Maar die werken zijn bijna allen verwoest; de irrigatiekanalen, op enkele uitzonderingen na, uitgedroogd en verzand. Eene provincie, door een der schoonste rivieren van het Oosten besproeid, heeft geen water om haar velden te drenken en is slechts voor een klein gedeelte ter bebouwing geschikt. Dit alles zou moeten veranderen; de waterleidingen zouden hersteld, de velden in kultuur gebracht moeten worden; daar zouden communicatiewegen geopend moeten worden naar Ispahan en naar de Perzische-golf.... Maar het in doffen slaap verzonken volk zal dat niet doen, en de regeering, die zich om niets bekommert, nog minder.
Landbouwers uit Arabistan.
Landbouwers uit Arabistan.
20 Januari.—De gouverneur had den wensch te kennen gegeven, zich aan het hoofd zijner troepen te laten photografeeren; er was bepaald Bladzijde 238dat ik daartoe heden morgen naar het paleis zou gaan, maar de aanhoudende, uitputtende aanval van koorts maakte dat onmogelijk. Marcel heeft den toestel genomen en zich naar de citadel begeven, vergezeld van Mirza Bozorg, den vertrouwden secretaris van Zijne Excellentie. Deze secretaris draagt een tulband van blauw gaas met gouden strepen, zooals alle rijke burgers der stad, die niet het recht hebben om den rouwtulband te dragen, waarmede de sjîitische afstammelingen van Mohammed zich het hoofd bedekken, ter herinnering aan den gewelddadigen dood van Hassan en Hosein.
De Kaleh Selasil, de officieele residentie van den gouverneur van Arabistan, is op een reusachtig plateau gebouwd, langs welks voet het afleidingskanaal van de Karoen vloeit, onder den naam van Shetet bekend. De citadel wordt aan de stadzijde verdedigd door vestingwerken uit den tijd der Sassaniden. Alleen het onderste gedeelte der muren is van steen; het bovenste en de bolwerken zijn van hedendaagschen oorsprong en dus slechts van aarde saamgesteld. Te oordeelen naar de gemakkelijkheid, waarmede in deze vestingwerken een bres kan worden gemaakt, zouden deze muren, in geval van nood, den verdedigers der citadel van luttel dienst zijn. Daar zich voor het paleis een vuile poel uitstrekt, waartoe de paarden, voor de poort gekampeerd, mede het hunne bijdragen, en het voetgangers nagenoeg onmogelijk is, de poort te bereiken, gaf de mirza aan vier soldaten last, een gat in den muur te breken: door deze opening hielden Marcel en zijn geleider hun intocht in het kasteel van Shapoer.
De eerste binnenplaats levert een tooneel van onbeschrijfelijke wanorde. Zij is door kazernen omringd, die tegen den buitenmuur zijn aangebouwd en waarin de soldaten van het garnizoen zijn gehuisvest. Daarachter loopt een kanaal, dat in de rots is uitgehouwen en door de Karoen wordt gevoed; bij eene belegering konden de verdedigers der citadel zich dus steeds van water voorzien. Het gebouw, dat thans het plateau kroont, herinnert in geen enkel opzicht aan den ouden burcht der Sassaniden: het is een eenvoudig paviljoen, door open terreinen omgeven, die vroeger als tuinen waren aangelegd, maar thans zonder boomen, gras of bloemen. De zalen en vertrekken hebben gewitte muren; de naakte bodem is belegd met strooien matten en tapijten; de deuren van ongeverfd hout hebben geene andere sluiting dan die kettingjes, die door een kram in den bovendorpel worden gestoken. Daarentegen heeft men van de balkons een prachtig gezicht op de rivier, het kanaal van Shetet, de bergen en drie of vier grafmonumenten met blauwe koepels.
De Hakem wachtte mijn man met ongeduld. Niet zoodra was hij verschenen, of de binnenplaats en de tuin vulden zich met vijf- of zeshonderd manschappen, voor het meerendeel in lompen gehuld, de zorgvuldigst uitgedosten gekleed in die versleten afgedragen lakensche uniformen, die, naar men haast zou meenen, de oude kleerenhandelaars in Europa zich beijveren in Perzië te verkoopen. De zwarte bonte muts, met een koperen plaat versierd, waarop de leeuw en de zon zijn gegraveerd, en de min of meer gelijke bewapening moeten aan dit samenraapsel althans een zeker militair voorkomen geven. Met het scharen dezer manschappen in twee gelederen en het plaatsen van de vuilsten en de wonderlijkst toegetakelden in het tweede gelid, gaat een uur verloren. Daarop kommandeeren de officieren eenige moeielijke manoeuvres: “Presenteert het geweer!—Op schouder!—Plaats rust!”—En terwijl deze ingewikkelde manoeuvres, op hun uiterste gemak en met de meest mogelijke persoonlijke onafhankelijkheid, door de manschappen worden uitgevoerd, ontvangt iedere officier, uit handen van een achter hem geplaatsten oppasser, eene brandende pijp; steekt zijn degen op; en doet met wellust eenige trekken, kijkt de blauwe rookwolkjes na, en geeft dan de pijp aan zijn oppasser terug. Nadat de groote manoeuvres waren afgeloopen, plaatste de Hakem zich aan het hoofd zijner troepen, en nu begon de gewichtige operatie van het photografeeren. De plechtigheid eindigde met een défilé, waarbij alles op de beminnelijkste wijze door elkander liep. De Keizer van Rusland mag wel zorg dragen, dat hij nooit met het perzische leger te doen krijgt!
21 Januari.—Ik zou bijna geneigd zijn te gelooven dat Hishmet ed-daoeleh gelijk had, toen hij zijne onderhoorigen afschilderde als onverdraagzame en onhandelbare dwepers. Ondanks alle moeite en de meest beleefde verzoeken, is het ons niet mogen gelukken, toegang te verkrijgen, hetzij tot de masdjed Djoema, een antiek gebouw, dat in grooten reuk van heiligheid staat, hetzij tot het grafmonument van Abdoella Banoe. Op allerlei wijze laat men ons gevoelen, dat wij hier eigenlijk te veel zijn en dat men niets liever wenscht dan ons te zien vertrekken. Het wordt dan ook hoog tijd om aan de terugreis te denken: de regen houdt nog steeds aan en maakt tochten door de schaars bewoonde streken onmogelijk; wij lijden beiden aan koorts, en ik ben zoo uitgeput, dat ik ter nauwernood op mijne beenen staan kan. Mijne handen beven onophoudelijk; ik ben onverschillig geworden voor al wat mij omgeeft, en koester nog: slechts eene gedachte: naar huis ...!
25 Februari. Weken lang heeft mijn dagboek gerust. Toen ik het dek van de Escombrera, de boot waarmede wij thans de wateren der Roode-zee doorklieven, had beklommen, waren mijne laatste krachten uitgeput en zonk ik machteloos neder. Volstrekte rust en ongestoorde slaap hebben mij althans weer in zoo verre hersteld, dat ik weer deel kan nemen aan het leven in mijne omgeving, en ook weer mijne aanteekeningen op het papier kan brengen. En dan—wij zijn op weg naar het vaderland: die gedachte alleen is voldoende om mij met nieuw leven te bezielen.
Mij rest nu nog alleen, in korte woorden, verslag Bladzijde 239te geven van het laatste gedeelte onzer reis na ons vertrek uit Shoester.
Wij verlieten die onherbergzame stad den 22 Januari, en bereikten des avonds, na den geheelen dag door eene groene vlakte te zijn getrokken, een kamp van nomaden, waar wij gastvrij ontvangen werden. Het was wel wat vol in de ruime tent van den sheikh, want met het oog op den dreigenden regen heeft men ook de paarden, de koeien, de lammeren en het gevogelte in de tent opgenomen; maar toch ruimt men ons een plaatsje in. De stam is arm en wij moeten ons vergenoegen met een souper van gestremde melk.
Den volgenden dag voerde onze weg door eene lage overstroomde vlakte, die in een moeras was herschapen. Omstreeks vijf uren begon de duisternis te vallen. Alleen het plassen der paarden en muilezels door het water verbrak de doodsche stilte. Op tenten viel niet te rekenen. Ik was koud, ik was dood moede; en de gedachte dat ik op nieuw een nacht in het water zou moeten doorbrengen, vervulde mij met schrik.
“Ik hoor geblaf!” riep Marcel eensklaps uit.
Die lieve honden, zij zijn al te gader kwaadaardig, woest, schurftig, maar toen zou ik ze toen hebben kunnen omhelzen en aan mijn hart drukken. Om tien uren kwamen wij aan een kamp van nomaden, waar wij ten minste in eene tent konden overnachten.
Van dit kamp tot aan Veïs is de weg bezaaid met ruïnen van verschillende gebouwen uit den tijd der Sassaniden. Veïs is het eenige dorp van eenig belang, dat wij sedert ons vertrek van Shoester hebben ontmoet; het drijft een vrij levendigen handel met Mohammerah. De huizen zien er vrij netjes uit, en de talrijke kudden van schapen en runderen getuigen voor de welvaart der bewoners.
Onze vierde en laatste étappe bracht ons te Awas, thans een armzalig gehucht, maar vroeger, in den tijd der Sassaniden, eene groote bloeiende stad lag. Wij kunnen onzen tocht naar het zuiden niet verder voortzetten: de geheele vlakte staat onder water. Wij moeten dus hier afscheid nemen van onze paarden en onze tsjarvadars, en onze reis te water vervolgen. Na veel moeite en haspelen, bezorgt de sheihk van Awas ons een vaartuig, waarmede wij de Karoen zullen afzakken tot Mohammerah. De boot is wel erg smal, en wij moeten niet veel beweging maken, willen wij haar niet doen kantelen, maar wij naderen toch gaandeweg de plaats onzer bestemming. Te Mohammerah huurden wij een ander vaartuig en zetten koers naar Bassorah. Die tocht duurde niet lang: toen het vaartuig de monding van de Karoen naderde, bespeurde ik op den Tigris eene fraaie boot, van wier mast de driekleurige vlag waait. Dat was de Escombrera, de boot, waarop ik voor onze terugreis had gerekend. Onze roeiers spannen al hunne krachten in, om de boot te bereiken, die op het punt staat haar vaart te vervolgen. Missen wij haar, dan moeten wij ruim eene maand wachten of naar Indië gaan, om daar eene andere gelegenheid te zoeken. Gelukkig komen wij nog bij tijds: wij stijgen aan boord en groeten met verrukking het het einde van al onze beproevingen.
1 Eene godsdienstige sekte.
2 Het zal wel niet noodig zijn, er op te wijzen dat de beminnelijke schrijfster hier, op echt franschen trant, aan het fantazeeren is. Dat het beeld op bladz. 272 inderdaad het portret van Cyrus zou zijn, is om meer dan een reden in hooge mate onwaarschijnlijk. In geen geval echter kan de verklaring opgaan, in den tekst gegeven: reeds om deze eenvoudige reden niet, dat Egypte tijdens het leven van Cyrus nog niet tot het perzische rijk behoorde en het dezen monarch dus wel nooit in den zin kon komen, zich met de attributen van een egyptische god te laten afbeelden, om zich in de oogen der Egyptenaars een schijn van legitimiteit te geven. Dat het beeld onder egyptische invloeden vervaardigd is, blijkt uit het hoofddeksel; wie of wat het voorstelt blijve in het midden gelaten. Trouwens, de historische en archeologische beschouwingen en fantaziën van Mad. Dieulafoy laten wij liefst geheel voor hare rekening.
(Vert.)