WeRead Powered by ReaderPub
Slechte Tijden cover

Slechte Tijden

Chapter 2: I. HET ÉÉNE NOODIGE.
Open in WeRead

About This Book

De roman schetst een industriestad die wordt beheerst door een op feiten en nuttigheid gerichte levenshouding waarin gevoel weinig waarde heeft. Een strenge onderwijzer legt een op feiten gebaseerde opvoeding op aan kinderen, terwijl de dochter van een circusartiest en andere personages zich een weg banen door fabrieksleven, gespannen huwelijken en sociale ambities. Door verweven episodes — klaslokalen, juridische en financiële crises en arbeidsellende — toont het verhaal de menselijke kosten van starre rationaliteit, en plaatst mechanische berekening tegenover verbeelding, mededogen en morele verantwoordelijkheid. Satirische typering en maatschappijkritische observatie laten zien hoe onderwijsleerstellingen en economische verhoudingen persoonlijke levens en het publieke geweten vormen.

I.

HET ÉÉNE NOODIGE.

„Al wat ik vraag, zijn feiten. Leer die jongens en meisjes niets anders dan feiten. Dat is alles wat men in de wereld noodig heeft. Plant niet anders, en roei alle andere dingen uit. Door feiten alleen kunt gij den geest van met rede begaafde dieren ontwikkelen; niets anders zal hun ooit van eenig nut wezen. Dit is de stelregel, waarnaar ik mijne eigene kinderen grootbreng, en het is ook de stelregel, waarnaar ik deze kinderen opvoed. Houd u aan feiten en blijf daarbij, mijnheer!”

Het tooneel was een hol, eentonig schoolvertrek, met vier kale witte muren, en des sprekers recht uitgestoken voorvinger gaf nadruk aan zijne woorden, door elk gezegde met eene lijnrechte beweging over des schoolmeesters mouw te onderstrepen. Die nadruk werd nog versterkt door des sprekers voorhoofd, dat naar een vierkant opgebouwden muur geleek, die zijne wenkbrauwen tot grondslag had, terwijl zijne oogen in twee naar keldergaten zweemende donkere holen, door dien muur overschaduwd, verscholen lagen; en verder door des sprekers mond, die breed en recht ingesneden was, met dunne, strakke lippen—en verder door des sprekers stem, die stroef, eentonig en gebiedend was—en verder door des sprekers haar, dat borstelig om den rand van zijn kaal hoofd oprees, als ware het een dennenplantsoen, bestemd om den wind van de blinkende oppervlakte af te weren, die overal met knobbels was bedekt, alsof het hoofd nauwelijks ruimte had voor al de dorre feiten, die daarin lagen opgestapeld. Des sprekers geheele onverbiddelijke houding, zijn rechthoekig gesneden rok, zijn rechthoekige beenen, zijne rechthoekige schouders—ja zelfs zijne das, gewend om hem met een onverbiddelijken greep, als een hardnekkig feit, bij de keel te pakken—alles versterkte nog dien nadruk.

„In deze wereld hebben wij niets anders dan feiten noodig, mijnheer; niets anders dan feiten.”

De spreker, de schoolmeester en de derde aanwezige volwassene persoon, stapten een weinig achteruit en lieten toen hunne oogen gaan over het hellende vlak van kleine kruikjes, daar in orde geschikt, en gereed om zich emmers vol feiten te laten ingieten tot zij ten boorde toe vol waren.