WeRead Powered by ReaderPub
Studiën in Nederlandsche Namenkunde cover

Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Chapter 5: II
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A series of onomastic essays examines the origins, forms, and meanings of Dutch names, addressing topics such as satirical nicknames for towns and villages, place-names beyond national borders, urban and family names from specific regions, medieval name records, Frisian name-forms, a historical register of inhabitants, and aspects of regional toponymic folklore. Each study combines linguistic etymology with historical and dialectal evidence, provides annotated name lists and registers, and highlights patterns of regional variation and social usage. Together the pieces illustrate methods for tracing name history and invite further investigation into local naming practices and their cultural significance.

[Inhoud]

II

Sommige volkseigene karaktertrekken bij Friezen, Sassen en Franken, de drie oorspronkelijke Germaansche stammen, waaruit het Nederlandsche volk hoofdzakelijk is samengesteld, sommige uitingen van de volksziel bij den eenen of den anderen van deze volksstammen, blijven nog steeds bemerkbaar voor den nauwkeurigen waarnemer van het leven onzes volks in de Friesche gewesten, in de Sassische gouwen, en in de Frankische streken. Tot de bijzondere kenteekenen van den Sassischen stam behoort zekere stijfheid en stemmigheid, zekere nuchterheid en dorheid van geest, behoort een gemis aan bewegelijkheid en losheid, aan geestigheid en vroolijkheid, aan humor vooral. Bij de Drenten, en bij de Overijsselaars in het midden en in het oosten van hun gewest van ouds her gezeten, bij de oude landzaten in den Gelderschen Achterhoek (al ’t land beoosten Zutfen), in mindere mate bij de Friso-Sassen in Groningerland, in ’t noorden en westen van Drente en in noordelijk Overijssel, is deze kenmerkende eigenschap nog steeds aanwezig. Zij vindt onder anderen ook hierin hare uiting, dat de lieden uit de verschillende steden en dorpen van deze gouwen elkanderen in veel mindere mate spotnamen geven, dan de Friezen en Franken in Friesland, Holland en Vlaanderen doen.

Dit blijkt reeds terstond bij de Groningerlanders. Terwijl de spotnamen der Friezen tusschen Flie en Lauwers bij vele tientallen zijn te tellen, zijn er in het anders zoo na verwante en zoo na gelegene Groningerland slechts weinigen van die namen bekend. Dat zijn de Molboonen of Booneters en de Kluunkoppen van de stad Groningen, de Klokkedieven en de Krabben van Delfzijl, de Aardappeldoggen van Wagenborgen, [56]de Koedieven van Ter Munten, de Witmakers van Zuidlaren, de Ketelschijters van Meeden, de Smalruggen van Grijpskerk, de Gortvreters van Garnwerd, de Koarschoevers (Kaarschuivers) van Bafloo, de Bloklichters van Warfum, de Metworsten van Uskwerd, de Gladhakken van Winsum, de Geutslikkers van Bedum, de Doofpotten van Holwierde, de Koevreters van Ezinge en Sauwert, de Poepen van Onderdendam en van Niehove, en de Turken van den Andel.

Molboonen of Booneters en Kluunkoppen van de stad Groningen. Een bijzonder soort van Groninger volks- en kindersnoeperij (trouwens ook in Friesland, althans te Leeuwarden, en in Oost-Friesland niet onbekend) bestaat uit duiveboonen, en ook wel uit paardeboonen, die op gloeiende kolen, of anders ook wel in den koffieboon-brander worden geroosterd—„gepiipt” zoo als ’t volk dat noemt. Die geroosterde boonen noemt men Molboonen, Molt- of Möltboonen, en ze maken eene harde, droge, weinig smakelijke en moeielijk verteerbare snoeperij uit, die evenwel van ouds her, bepaaldelijk bij de Groningers in de stad, altijd zeer in trek was, en nog is. De Groningers dragen daar hunnen spotnaam van. Hun andere spotnaam dragen de Groningers naar het bijzondere en eigenaardige bier, dat in hunne stad van ouds gebrouwen en veel gedronken werd, en dat ook buiten die stad in alle Friesche gewesten vermaard was—naar het zoogenoemde Kluun of Kluunbier. Die veel kluun drinkt wordt dikbloedig, zwaar van lichaam, opgezet en rood van hoofd—met andere woorden: hij krijgt een kluunkop. Dit is de oorsprong van den Groninger spotnaam. Die meer van kluunbier, van ’t kluunskip, en van een kluunskonk weten wil, leze mijn opstel Bier en Bierdrinkers in Friesland, voorkomende in Oud Nederland (’s-Gravenhage, 1888.)


Gaan wij uit Groningerland nog even oostwaarts over de grenzen, over Eems en Dollart naar Oost-Friesland, een gewest dat in schier alle opzichten, maar vooral in de uitingen van het volksleven zoo ten nauwsten aan de Friesche gewesten van Nederland is verwant, ja, daarmede oorspronkelijk geheel eenzelvig is—dan treffen we ook hier, wat de spotnamen aangaat, [57]de zelfde verhouding aan als in Groningerland. Ook in Oost-Friesland zijn betrekkelijk weinig spotnamen in gebruik. Die ik er van ken, wil ik hier, volledigheidshalve, mededeelen. Ik noem ze in de Friso-sassische spreektaal van deze gouw, juist zóó als het ingezetene volk ze noemt—en niet in verhoogduitschten boekevorm. Naderen uitleg, wat hunnen oorsprong aangaat, weet ik er niet van te geven. Een paar toelichtingen, gedeeltelijk ook voor den niet-Frieschen lezer tot beter verstand van de namen, wil ik echter niet achterwege houden.

Potschijters van Emden; Klockendefe (dieven) van Carolinensyl; Puutfangers (Puut, puit, kikvorsch—dit woord is ook in Zeeland en Vlaanderen in gebruik) van Sillenstede; Buttstekers (botstekers, botvisschers) van Oldorf; Ziefersöker van Waddewarden; Hundedragers van Schortens; Tunsingers (Tun, tuin, omheining) van Cleverns; Schaapdefe (Schapedieven) van Sengwarden; Fahlfangers (fahl, fole, veulen) van Hooksyl; Poggen van Aurich; Bockhexen van Thunum; Fleuters van Nägenbargen; Diekedeuters (rijkaards, die dik duiten hebben) van Dunum; Junkers van Warnsath en Prunkers van Burhafe.

Reeds in de laatste helft der jaren 1500 was bovengenoemde leelijke spotnaam van de ingezetenen der stad Emden bekend. De vermaarde blijspeldichter Gerbrand Adriaense Brederoo, die de Amsterdamsche volksspreektaal van zijnen tijd zoo uit der mate wel kende, noemt dezen naam in zijn spel De Spaensche Brabander. Daarin komt het volgende gesprek voor tusschen Jerolimo en Robbeknol. Eerstgenoemde vraagt dan:

„Van waer syde ghy?”

Robbeknol: „Van waer? Van Embden, God bettert.”

Jerolimo: „Ho, ho, een Embder potschijter. Wel zemers, dat komt snel.”

Robbeknol: „Ja, ja, praet jy wat, d’Amsterdammers en Brabanders kennen ’t oock wel.”

Dr. G. Nauta zegt onder anderen van dezen spotnaam (in zijne uitgave van den Spaenschen Brabander, Nederlandsche Klassieken, no VII, bladzijde 229): „Wel nu, toen in 1578 de Emder predikanten ijverig in de weer waren om door te preeken de zaak der hervorming te bevorderen en ’t Roomsche [58]geloof te bezweren, en een pakhuis of schuur, genaamd de Pot—zoo als Wagenaar, Amsterdam, IV, 4 meldt—de plaats was waar de Gereformeerden, meer in ’t bijzonder de Lutherschen, hunne godsdienstige samenkomsten hielden, kan, op welke wijze dan ook, de scheldnaam „potschijter” voor de leiders dier kettersche samenkomsten niet in de wereld gekomen zijn?”

En T. Terwey zegt (Bibliotheek van Nederlandsche Letterkunde, no 5, bladzijde 18): „Het woordt schijnt bedrieger te beteekenen. Vgl. Koolman, Ostfr. Wörterbuch, i. v. schiten en schîtkerel.”

Geen van deze beide verklaringen van den Emder spotnaam komt mij aannemelijk voor. Ik houd mij aan Jerolimo, die den naam opvat in zijne eigenlijke, voor de hand liggende beteekenis, zoo als blijkt uit zijne woorden: „dat komt snel”, waar zeker eene aardigheid in schuilt. Dit snapt Robbeknol ook; van daar zijn wederwoord: „Ja, ja, de Amsterdammers en de Brabanders kunnen (dat) ook wel. Te weten.….…

De Auriker Poggen zijn padden. Men hoont in Oost-Friesland de Auriker burgers nog bijzonderlijk met dit rijmke:

Auriker Pogge! moak mi ’n poar Schoh.

Ik heb geen leer, ik heb geen smeer,

Ik heb geen pik

Aurik-kik-kik-kik.

Met deze laatste woorden wordt het rikkikken der padden aangeduid.

In W. G. Kern en W. Willms, Ostfriesland wie es denkt und spricht (Norden, 1869) kan men nader bescheid vinden aangaande de Oost-Friesche spotnamen.

Dat men verder oostwaarts in Duitschland, onder anderen in Mecklenburg, de spotnamen ook kent, leert het Korrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung, deel VIII, bladzijde 47.


Van Groningerland zuidwaarts gaande, vinden we in Drente, waar het Sassische bloed (de eigenaardige levensuitingen van den Sassischen volksstam) bij de landzaten zich sterker doet gelden dan het Friesche, de spotnamen weêr weinig bekend en weinig in gebruik. Geheel het zelfde is het geval in Overijssel [59]en in Gelderland. Met uitzondering van de Steurvangers van Kampen en de Blauwvingers van Zwolle, die over geheel Noord-Nederland bekend zijn, komen de weinige Drentsche, Overijsselsche en Geldersche spotnamen schier niet in aanmerking bij de overtalrijke spotnamen in de Friesche en Frankische gewesten.

Mij zijn bekend de Muggespuiters (of bij verkorting de Muggen) en de Kloeten van Meppel, de Knollen van Grolloo, de Moeshappers van Anderen, de Koekoeken van Elp.—Een groote dichte muggezwerm omzweefde de spits van den toren te Meppel; de burgers dachten dat het rook was, en, gedachtig aan het spreekwoord „waar rook is, daar is vuur”, liepen ze te hoop, haalden de brandspuit, en begonnen den vermeenden torenbrand te blusschen. Die Meppelsche Muggespuiters vinden hun weêrga in de Maneblusschers van Mechelen. De andere spotnaam van de Meppelders, Kloeten, hebben ze te danken aan de groote kluiten boter, die in hunne stad door de boeren uit den omtrek, nog tot in de tweede helft dezer eeuw, ter markt werden gebracht, en die hoofdzakelijk hunnen weg naar Amsterdam vonden, waar ze, in den tijd vóór de hedendaagsche boter- en kunstboter-fabrieken, onder den naam van „Meppelder Kluiten” veelvuldig aan de kleine burgerij gesleten werden, wijl de Drentsche boter goedkooper was dan de Friesche en Hollandsche. Kloete is de Drentsche uitspraak van het woord kluit.

In Overijssel ken ik de Blauwvingers van Zwolle, de Kamper Steuren, de Brijhappers van Blankenham, de Katten van Blokzijl, de Rudekikkers en de Ruusvorens van Genemuiden, de Kroggen van de Kuinder, de Bleien of Bleisteerten van Zwartsluis, de Windmakers van Hengeloo, de Kwekkeschudders van Delden, de Gruppendrieters van Oldenzaal, de Meelvreters van Borne, de Stokvisschen, Poepen of Geutendrieters van Deventer.

Te Zwolle viel ten jare 1682 de toren van Sint-Michiel’s kerk in, en werd niet weêr opgebouwd. Het klokkenspel dat in dien toren hing, werd aan Amsterdammers verkocht, die den aanmerkelijken prijs daarvan in louter dubbeltjes betaalden. De Zwollenaars hadden dagen lang werk (zoo luidt de overlevering) om al die dubbeltjes uit te tellen, om te zien of ze den vollen [60]koopprijs wel ontvangen hadden. Ze vergisten en vertelden zich telkens, en dan moesten ze weêr van voren af aan beginnen. Van al dit dubbeltjes tellen kregen ze blauwe vingers. Die nu nog eenen Zwollenaar wil plagen, neemt diens hand en beziet nauwkeurig de vingers. In den regel krijgt hij dan onmiddellijk met de andere hand van den Zwollenaar een peuter om de ooren.

De Kampenaars vingen oudtijds in hunne rivier eens eenen bijzonder grooten steur. Wijl ze toch eenigen tijd later een gastmaal wilden aanrichten, en alsdan dien visch zoo goed gebruiken konden, werden ze te rade hem voorloopig nog wat te laten zwemmen, tot tijd en wijle ze hem van noode zouden hebben. Maar om den steur dan te beter weêrom te kunnen vinden en vangen, bonden ze hem een bandje met een belletje om den hals, en zóó ging de visch weêr den IJssel in. Men zegt dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug gaat, nog heden altijd in ’t water tuurt, of de steur er soms ook nog is. „Je kunt toch maar nooit weten!”—De inwoners van het stadje Lünen bij Dortmund in Westfalen deelen met de Kampenaars de eer Stören (Steuren) genoemd te worden. Waarom, weet ik niet.—De spotnaam der ingezetenen van Oldenzaal is hier boven op bladz. 8 reeds verklaard geworden. En die nu den Oldenzaalschen spotnaam verstaat, begrijpt ook al gemakkelijk wat die van Deventer (de derde van de drie vermelde namen) beteekent.


De Geldersche spotnamen, weinig in getal, zijn de volgenden: Knotsendragers van Nijmegen, Metworsten van Zutfen, Koolhazen van Lochem, Mosterdpotten van Doesburg, Vleescheters van Driel, Pepernoten van Elburg, Bokkingkoppen van Harderwijk, Haneknippers van Enspijk, Knutten en Huibasten van Nunspeet, Heugters van Uddel, Kraaien van Haaften en Kladden van Ek en van Ingen.

De ingezetenen van Harderwijk hebben hunnen spotnaam te danken aan de bokkingnering (haringvisscherij, bokkinghangen en handel) die er veelvuldig wordt uitgeoefend, en die aan de stad zekere vermaardheid gegeven heeft. Oudtijds toen Harderwijk ook nog eene hoogeschool rijk wan, werd er wel gefluisterd [61]dat men daar voor geld kon verkrijgen, wat slechts door ingespannen studie verkrijgbaar moest wezen. Hierdoor kwam het rijmke in zwang, dat de kenmerkende bijzonderheden van Harderwijk weêrgaf in deze woorden:

Harderwijk is een stad van negotie,

Men verkoopt er bokking en bullen van promotie.

Wat men onder de Huibasten van Nunspeet te verstaan hebbe, zal wel niet iedereen terstond vatten. Huibasten zijn lieden die (om het eens in de onbeschaafdste volksspreektaal te zeggen) veel hui in hun bast (lichaam) zuipen; met andere woorden: die veel wei drinken.

Zijn de spotnamen in het algemeen van oude dagteekening, sommigen reeds uit de middeleeuwen afkomstig, en al komt het zelden of nooit meer voor, dat nog hedendaags zulke namen ontstaan en in gebruik genomen worden, toch is mij een voorbeeld hiervan bekend. Haneknippers, de spotnaam der Enspijkers, is eerst eene kwart-eeuw oud. In De Navorscher, jaargang XXVI, bladzijde 264 schrijft J. Anspach dienaangaande: „Toen de nieuwsbladen in ons vaderland gewaagden van de toebereidselen, welke in de steden en ten platten lande gemaakt werden om, ieder in zijnen trant, het kroningsfeest van onzen geëerbiedigden koning, 12 Mei 1874, waardig te vieren, werden in een artikel der Tielsche Courant de inwoners van Enspijk als Enspiksche Hanenknippers begroet, dewijl uit dit dorp in den Tielerwaard een stem was opgegaan, die, tot opluistering der feestelijkheid, hanen tegen elkander in ’t strijdperk wenschte te doen treden, nadat men dit fiere pluimgedierte van zijn vederbos zou hebben ontdaan. Uit dit voorbeeld ziet men, hoe toevallig en op wat kinderachtige manier dergelijke spotnamen soms ontstaan.”

Tegenover den nieuwen naam van de Enspijkers staat de oude spotnaam die aan de ingezetenen van Driel eigen is. Immers deze naam, Vleescheters, dankt zijnen oorsprong aan de omstandigheid dat de inwoners van Driel in de middeleeuwen eenen zoogenoemden vleesch- en boterbrief hadden, eene kerkelijke vergunning, waarbij hen werd toegestaan om ook in den vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te mogen gebruiken. Zie [62]hierover Kist, Kerkelijk Archief, I, 176 en III, 469, en Buddingh, Het dorp Driel, in den Gelderschen Volks-Almanak voor 1869.


De provincie Utrecht, tusschen Gelderland en Holland ingesloten, maakt door haar tweeslachtig wezen op volkenkundig- en taalkundig gebied den overgang uit van de oostelijke tot de westelijke gouwen van ons land. En zoo mogen dan ook hier ter plaatse de spotnamen van Utrecht genoemd worden, tusschen die van Gelderland en Holland in. Naar mijn beste weten zijn het maar drie; te weten de Keislepers of Keitrekkers van Amersfoort, de Apeluiders van IJsselstein en de Berenschieters van Benschop. Immers „Sint-Maartens-mannen”, zoo als men oudtijds de inwoners van Utrecht, en ook de landzaten van het Sticht wel noemde, maakt geen spot- of bijnaam uit; veeleer een eerenaam.

De burgers van Amersfoort vonden eens op een heideveld, nabij hunne stad, eenen zeer grooten keisteen, als een rotsblok. Zij ontgroeven dien steen, en sleepten en trokken hem met veel ophef en met groote moeite triomfantelijk naar hunne stad, waar zij hem, als eene groote zeldzaamheid, op de Varkenmarkt ten toon stelden en voor ’t vervolg eene vaste plaats gaven. Dit is waar gebeurd, ten jare 1661.—En die van IJsselstein luidden eens, bij vergissing, de doodsklok voor eenen dooden aap. Men vindt beide deze voorvallen vermeld en uitvoerig beschreven met naam en toenaam; het eerste in een opstel Dool om Berg in het tijdschrift Eigen Haard, jaargang 1896, bladzijde 618; het laatste in het Bijblad van De Navorscher, jaargang IV, bladzijde XXXVIII.


Thans van ons punt van uitgang, Friesland, ons westwaarts wendende over het Flie, naar ’t aloude Friesland bewesten Flie, tegenwoordig Noord-Holland genoemd, vinden we ook in die gouw, waar de bevolking in hoofdzaak zuiver Friesch, ten deele ook Friso-frankisch van oorsprong is, de spotnamen weêr talrijk vertegenwoordigd. Bijzonder in oudheid- of geschiedkundig opzicht, of bijzonder uit het oogpunt der beschavingsgeschiedenis zijn de West-Friesche spotnamen echter weinig of niet. Integendeel, het grootste deel dier namen is nuchteren, alledaagsch, plat. [63]

Mij zijn de volgenden bekend: Kwallen van Texel, Traanbokken van de Helder, Kraaien van het Nieuwe-Diep, Roodjes van Schagen, Tulen, Schapen (Skepen) en Biggen van Wieringen, Spreeuwen van Winkel, Ratten van Kolhorn, Zandpissers en Stroobossen van de Zijp, Dodden of Dotten (jonge spreeuwen) van Niedorp, Blauwe Reigers van Heer-Hugo-waard, Moppen van Medemblik, Vijgen van Enkhuizen, Krentebollen, Krentekoppen, Wortelen en Duiveldragers van Hoorn, Turken van Opperdoes, Gladooren van Twisk; Speelmakkers van Benningbroek, Blootebeenen en Duivelshoopen van Aartswoud, Boonen van Blokker, Theekisten van Binnewijzend, Uilen van Lutjebroek, Aardappels van Nieuw-Bokswoud, Schokken van Hauwert, Bleien van Oostwoud, Gortzakken en Gortbuiken, ook Ketelkruipers en Steenekwakkers van Alkmaar, Koolstruiken van Langedijk, Wroeters of Mollen van Schermerhorn, Knoort, Snirt en Snoeken van de Rijp, Waterrotten van Akersloot, Lomperts van Barsingerhorn, Moppen van de Beemster, Vischteven van Egmond aan Zee, Kraaien van de Graft, Gortbuiken van Graftdijk, Wildjes van Groot-Schermer, Rapenplukkers van Heiloo, Koeketers van Uitgeest, Langslapers van Ursem, Musschen van Edam, Monnikentroeters van Monnikendam, Beren van Warder, Platpooten van Purmerland, Boonpeulen van den Ilp, Koeketers en Galgezagers van Zaandam, Krentekakkers van Zaandijk, Kroosduikers van Westzaan en Landsmeer, Eendepullen, Kooleters, Koolhanen en Koolpikkers (ook Volk van Klaas Kompaan) van Oostzaan, Moppen, Oorebijters en Uilen van Jisp, Koeketers en Zeurooren van Koog aan de Zaan, Koeketers en Guiten van Krommenie, Boonpeulen, Steenegooiers en Uilen van Wormer, Gladooren van Wormerveer, Vinken van Broek in Waterland, Kiplanders, Gortlanders en Spanjaarden van Assendelft, Klapbessen van de Beverwijk, Muggen van Haarlem, Koeketers van Amsterdam, en Kalven van Naarden.

Men zegt dat er onder de ingezetenen van Schagen steeds velen zijn met hoogblond, naar ’t rosse zweemend hoofdhaar, [64]en dat zij daarvan hunnen spotnaam Roodjes hebben verkregen. Zoo dit eerste waar is, dan zoude deze schoone Oud-Germaansche hoofdtooi tot een bewijs te meer verstrekken, dat de Schagers echte Friezen zijn—’t welk trouwens ook zonder tegenspraak is.

Waarom die van Schermerhorn Mollen en Wroeters heeten, en die van Alkmaar Gortzakken en Gortbuiken, is op bladzijde 6 reeds medegedeeld.

De naam Koolstruiken van den Langendijk vindt zijne gereede verklaring hierin, dat in de vier dorpen die deze landstreek Langendijk samenstellen, de teelt van allerlei soorten van kool de hoofdbron van bestaan voor de ingezetenen is.

De naam van de Vischteven van Egmond aan Zee is, even als die van de Tsjoensters van Molkwerum, uit den aard der zaak en uit den aard van het woord, slechts toepasselijk op de vrouwen van dat dorp (tot voor korten tijd nog een visschersdorp in de rechte beteekenis des woords—thans echter niet meer.) De Egmonder mannen, even als de Molkwerumer mannen, blijven in deze buiten schot.

De naam van de Wildjes van Groot Schermer is reeds zeer oud, en is ook zeer eigenaardig, in zoo verre dat de Groot-Schermers zelven dezen hunnen bijnaam volstrekt niet beleedigend achten te zijn. Zij winden zich namelijk licht op met kermishouden en andere feestelijke gelegenheden, en dan komt het wel voor, dat ze zich inderdaad als wilden gedragen. Reeds Leeghwater, in zijn Cleyn Cronykxken (eerste helft der jaren 1600), zegt van hen: „De huys-luyden van Schermer waren in mijn jonckheydt, doen ik daer eerst ghetrouwd was, wat rouw van manieren en seden: dewelcke nu mede al seer betemt ende manierigh zijn.” Volkomen „betemt” zijn ze echter ook thans nog niet. Immers voor en na heeten ze Wildjes.

Ook de naam der Kooleters van Oostzaan dagteekent reeds van den ouden tijd. De Zaansche geschiedschrijver Soeteboom zegt er van in zijn werk De Nederlandsche Beroerten (Amsterdam, 1679): „’t Oostzaner Wapen plagt eertijds (so men segt) een Buyssekool te wesen, so ’t schijnt ontsprongen uyt de menigvuldigheyt der Kolen, die men aldaer plagt te telen en te eten, so dat se de name voerden van Kool-hanen en Kool-eters.Soeteboom spreekt hier in den verleden tijd („so dat se de name [65]voerden”); ondertusschen voeren de Oostzaners dien naam nog heden, ruim twee eeuwen later. Zulk een taai leven hebben die spotnamen; ze gaan eeuwen lang, van geslacht op geslacht over. De andere spotnaam der Oostzaners, Volk van Klaas Kompaan, hebben ze volgens Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden, 1897) te danken aan hunnen ouden dorpsgenoot „den beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen (geboren 1587, gestorven na 1655), die, na jaren lang de zee onveilig te hebben gemaakt, door den Stadhouder werd begenadigd, en in zijne geboorteplaats zijn leven eindigde.”

De Galgezagers van Zaandam ontleenen dezen hunnen naam almede aan een geschiedkundig voorval. Volgens Boekenoogen (in zijn bovengenoemd werk) „ligt de oorsprong van dezen naam in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen. Dit feit geschiedde in den nacht van 18 op 19 Augustus, 1678.”

De naam Koeketers van de Amsterdammers is al zeer oud. De bekende, in der daad ook bestaande voorliefde der Friezen voor alles wat zoet van smaak is (zie bl. 20) in aanmerking genomen, zoo is deze Amsterdamsche spotnaam al mede een bewijs dat de oude burgerij van Amsterdam, in de 16de eeuw, wier voorouders in de middeleeuwen reeds als visschers bij den Dam in den Amstel gezeten waren, tot den Frieschen volksstam behoorde. Trouwens, ook uit de spreektaal der Oud-Amsterdammers, gelijk die ons door Gerbrand Adriaensen Brederode is overgeleverd, en zelfs nog uit de spreektaal der hedendaagsche oud-ingezetenen der Noord-Nederlandsche hoofdstad—vooral in sommige bijzondere buurten en wijken—blijkt dit ruimschoots.

Dat de smaak in zoetigheid, dat het koek-eten, als een teeken van den Frieschen oorsprong der bevolking, niet enkel tot Amsterdam beperkt is, maar zich over het geheele Westfriesche Noord-Holland uitstrekt, blijkt uit den spotnaam Koeketers, dien evenzeer de Zaandammers, die van de Koog, van Krommenie en die van Uitgeest dragen. Ook de Moppen van Medemblik, van Hoorn, van de Kreil, van de Beemster en van Jisp geven getuigenis in deze zaak. [66]

In Zuid-Holland, waar het Frankische bloed, bij de oude landzaten weêr langzamerhand, hoe verder zuidwaarts hoe meer, de overhand verkrijgt over het Friesche—in Zuid-Holland zijn de spotnamen ook weêr minder vertegenwoordigd. Men zoude anders wel meenen dat, waar de bevolking van menige plaats, van Noordwijk, Katwijk en Scheveningen, van Vlaardingen en Maassluis, van Dordrecht, enz. zoo opmerkelijk bijzondere eigenaardigheden bezit op volk- en taalkundig gebied, dat daar de spotlust van anders geaarde buren zich wel zoude moeten laten gelden.

Mij zijn de volgende Zuid-Hollandsche spotnamen bekend: Hangkousen van Hillegom, Puieraars, Blauwmutsen, Hondedooders en Sleuteldragers van Leiden, Ooievaars, Waterkijkers en Bluffers van ’s-Gravenhage, Kalfschieters van Delft, Gapers van Gouda, Rakkers van Gouderak, Klokkedieven van Oudewater, Toovenaars van Schiedam, Vleet van Vlaardingen, Kielschieters van Rotterdam, Schapedieven van Dordrecht, Zeelepers en Puiers van den Briel, en Blieken van Gorinchem.

Den naderen en volledigen uitleg van deze spotnamen aan anderen overlatende, wil ik er slechts als ter loops op wijzen, dat de eerstvermelde spotnaam der Leidenaars (tevens de meest bekende der vier vermelde), zijnen oorsprong vindt in hunne liefhebberij om in de talrijke wateren die hunne stad omringen, op aal te peuren of te puieren, dat is: op eene bijzondere wijze te visschen. En de laatstvermelde spotnaam der Leidenaars oogt op de sleutels van Sint-Pieter, die der stede wapenschild sieren. Ook de Hagenaars hebben hunnen spotnaam aan hun wapenschild te danken (of te wijten), ’t welk eenen ooievaar (dat is immers een „waterkijker”) vertoont. Van den naamsoorsprong der Kalfschieters van Delft leest men in De Navorscher, jaargang III, bladzijde 373, als volgt: „Zoo was het ook in ’t jaar 1574, toen eenige Spanjaards een aanslag op Delft hadden willen beproeven, maar tijdig ontdekt zijnde, van onder de muren waren geweken, waarop hun, reeds lang buiten schot gekomen, een hagelbui van kogels achterna gezonden werd. Slechts een kalf dat in de wei liep, werd hierdoor getroffen, en men maakte toen dit schimpdichtje: [67]

De vrome Delvenaren

Die schoten een vet kalf.

Als zij verdrukket waren

Ten tijde van Duc d’Alf.”

De ingezetenen van Gouderak danken hunnen spotnaam aan eene woordspeling met den naam van hun dorp: het Rak in de Gouwe. De Toovenaars van Schiedam, die zich nog het oude gezegde: „Twintig van Schiedam, negentien kunnen tooveren”, moeten laten welgevallen, maken de Hollandsche weêrga uit van de Friesche Tsjoensters van Molkwerum; evenals de Hollandsche Blieken van Gorinchem hunne tegenhangers vinden in de Friesche Bleien van de Gaastmeer. Een bootje, dat omgekeerd, met de kiel naar boven, midden in de Maas dreef, werd door de Rotterdammers voor een’ walvisch gehouden, waar zij hunne geweren op afvuurden. Van daar hun spot naam. De spotnamen der ingezetenen van de aloude stedekens Brielle en Vlaardingen schijnen mij toe ook oud van oorsprong en oud van vorm te zijn. Ik kan ze niet verklaren. Misschien zijn de Brielsche Puiers ook puieraars op aal, en waarschijnlijk hangt de naam der Vlaardingers wel op de eene of andere wijze samen met hun visschersbedrijf.


De inwoners van onze drie zuidelijke gewesten, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, zijn almede niet rijkelijk bedeeld met spotnamen. Ik ken slechts de Schavotbranders en Maanblusschers van Middelburg, de Flesschedieven van Vlissingen, de Ganzekoppen van ter Goes, de Koedieven, Steenkoopers en Torenkruiers van Zierikzee, de Aardappelkappers van Axel, de Strooplikkers van Zaamslag, de Peren van Cadzand, de Windmakers van Sluis. Dan de Wieldraaiers van Heusden, de Dubbeltjessnijders van Os, de Brijbroeken van Werkendam, de Mosterdpotten van Woudrichem, de Hopbellen van Schijndel, de Kaaieschijters van Uden, en de Papbuiken van Sint-Oeden-Rode. Eindelijk nog in Limburg de Rogstekers van Weert en de Wannevliegers van Venloo, Kuusj (Varkens) van Helden, en Laammeèker (Lammakers) van Sittard. Aangaande de spotnamen der Venlooërs en der Sittarders meldt het Limburgsche tijdschrift ’t Daghet in den Oosten, [68](Jaargang IV, bladzijde 104) het volgende: „Een snaak uit Venloo had doen uitroepen, dat hij met behulp van twee wannen, aan zijne schouders bevestigd, zoude van den walmuur vliegen. Toen het volk in menigte was verzameld, vroeg hij, of ze al ooit eenen mensch hadden zien vliegen? Neen, riep het volk. Nu, dan zult ge het heden ook niet zien, zei de snaak, en maakte zich uit de voeten, met de voorop ingehaalde gelden. Van daar is de spotnaam aan de burgers van Venloo gebleven.—Het is een Lammaker, zegt men van die van Sittard. Door lammaken verstaan de Sittarder burgers (en in ’t algemeen alle Limburgers), zich op hunne manier ten koste van anderen vermaken.”

De Maneblusschers van Middelburg heeten zoo uit de zelfde bekende oorzaak die ook den Mechelaars hunnen gelijken spotnaam heeft gegeven; namelijk het schijnen van de maan op den torentop, ’t welk door de burgerij voor brand werd aangezien, en getracht werd te blusschen. Even als te Franeker, te Leiden en elders het geval is, zoo zijn ook uit de wapenschilden van Vlissingen, Goes en Heusden, die met eene flesch, met eene gans, en met een wiel beladen zijn, de spotnamen van de ingezetenen dier steden ontstaan.

Zonderling is de oorsprong van den spotnaam (Peren) der Cadzanders. Met de bekende boomvrucht heeft die naam niets te maken. Te Cadzand spreekt men elkanderen veelvuldig aan (tijdgenooten of evenouders namelijk, en die op vertrouwelijken, vriendschappelijken voet met elkanderen omgaan) met de woorden „Pere! m’n ouwen!” (Pere is hier het Fransche woord père, vader.) Juist zoo spreken de Friezen, in de zelfde omstandigheden, elkanderen onderling wel aan met ’t woord Heite. Dit is het Friesche woord heit, vader. Zelfs knapen en jongelingen noemen elkanderen wel Heite, b.v. Kom Heite! giest’ mei? Kom, mijn vriend! gaat gij mede? Ook onder het volk aan de zeekust in Holland spreekt men op die wijze; onder anderen te Zandvoort. Als jongeling te Haarlem studeerende, liep ik daar menig maal over de Vischmarkt, zoowel om de verschillende mooie visschen te zien, die daar uitgestald waren, als om het ongekunstelde volksleven gade te slaan, en de volkstaal te hooren spreken uit den mond der Zandvoorder visscherliên en der Haarlemsche [69]burgerluidjes. Dan gebeurde het wel, dat deze of gene Zandvoorder vischvrouw („Dirkie, Maintje of Mæærtje”—ik kende ze al bij namen) mij toeriep: „Vædertje! mot je gien moaie pooanen kooape?” of „Kaik’ris vædertje! watte grooate pooanen!” Poonen toch, die schoone visschen, met hunne fraaie, roode vinnen en groote als gepantserde koppen, trokken steeds bijzonder mijne aandacht. Als ik dan glimlachte, omdat ik, de achttien-jarige, als vædertje werd toegesproken, riep zoo’n vrouw wel: „Kaik! de borst13 lacht!” Opmerkelijk is het toch, dat het Friesche heite, het Hollandsche vædertje en het Vlaamsche (eigenlijk Fransche) père, zoo geheel in den zelfden zin bij drie verschillende stammen van ons Nederlandsche volk in gebruik is.

Ook de vertrouwelijk vriendelijke aanspraak der Cadzanders onderling, „m’n ouwen!” vindt in Friesland hare weêrga. Immers de Friezen, en onder dezen de Dokkumers nog het meest, spreken elkanderen wel toe met „âlde!” als ze hunne eigene taal, of met „oude!” als ze de basterdtaal der stedelingen gebruiken—al zijn dan spreker en toegesprokene ook jonge lieden, in ’t algemeen zonder dat er op den leeftijd van den toegesprokene gelet wordt.

Heite! of Vædertje! of Pere, m’n ouwen! hoe vertrouwelijk en vriendelijk, hoe echt volkseigen en volksaardig klinkt dat!

De ingezetenen van het Limburgsche stedeke Weert heeten Rogstekers, en dit om nagenoeg de zelfde reden die den Dokkumers hunnen spotnaam Garnaten heeft bezorgd. Men verhaalt namelijk dat er oudtijds eens eene vrachtkar, die onder anderen ook met eene mand rog (zeevisch) beladen was, van Antwerpen, over de heide bij Weert, naar Roermond reed. Bij ongeluk gleed er een van die glibberige visschen uit de mand en van de kar, en bleef, door den voerman onbemerkt, in het breede wagenspoor op de zandige heide liggen. Korten tijd daarna kwam een Weertenaar langs dien weg, en zag den rog. Nog nooit had hij zulk een vervaarlijk schijnend schepsel gezien. Hij schrikte er van: „wat is dat?” De zaak scheen hem lang niet pluis. Hij ijlde naar ’t stadje terug, riep alle buren en vrienden [70]bij elkanderen, en na kort beraad trok men met man en maag er op uit, onder zijn geleide, heidewaarts, om het vreeselijke monster te zien. Naderbij gekomen werden allen met ontzetting aangegrepen. Maar een paar van de dapperste mannen schepten moed. Zij hadden in de gauwigheid ieder eene spiets meêgenomen van het raadhuis, waar op den zolder nog zulk middeleeuwsch wapentuig werd bewaard, en staken nu, vol doodsverachting, hun verroest wapen in het lichaam van den visch, dien ze, nadat ze zich van zijnen dood goed en wel overtuigd hadden, als een oorlogsbuit in zegepraal mee terug namen naar hun stadje. Sedert heeten die van Weert Rogstekers, en ze moeten het zich te Eindhoven, te Roermond, te Hasselt, op straat of in de herberg, of waar ze zich maar vertoonen, laten welgevallen dat de lieden hun naroepen, uitjouwen, zingen:

De burgerij van Weert

Was van een dooden rog verveerd!

In Zuid-Nederland, waar we enkel de Vlaamsche, de Dietsche gewesten in aanmerking nemen, zijn de spotnamen weer rijk vertegenwoordigd. De levendige, opgewekte, luidruchtige gemoedsaard, die den Vlaming en den Brabander bijzonder onderscheidt van den Hollander en den Fries, heeft zekerlijk wel aandeel aan den oorsprong en aan het voortbestaan dezer talrijke spotnamen, die immers wel aanleiding geven tot scherts en vroolijkheid, maar ook evenzeer wel tot twist en tweedracht, en bij de onbeschaafden tot schelden, kijven, vechten.

Reeds vroeg hebben de Zuid-Nederlandsche spotnamen de opmerkzaamheid getrokken. Omstreeks het midden der jaren 1500, en zekerlijk veel vroeger ook, waren ze daar reeds algemeen bekend en in gebruik; immers ten jare 1560 werden ze daar reeds door eenen volksaardigen Vlaming verzameld en in verzen te zamen gesteld. En nog in dezen onzen tijd werden de Zuid-Nederlandsche spotnamen in de verschillende jaargangen van Ons Volksleven, een Zuid-Nederlandsch tijdschrift, opgesomd, en in hunnen oorsprong en hunne beteekenis nagespoord. Daarheen, en naar andere bronnen, allen achter dit opstel vermeld, verwijs ik dan ook den lezer die er meer van weten wil.

Over ’t algemeen genomen stemmen de Zuid-Nederlandsche [71]spotnamen in al hunne bijzondere kenmerkende eigenschappen geheel overeen met de Noord-Nederlandsche. Sommigen van deze namen zijn aan beide landsdeelen gemeen—’t is te zeggen: ze zijn zoowel eigen aan eene Noord- als aan eene Zuid-Nederlandsche plaats. Dat zijn bij voorbeeld: de Muggeblusschers van Turnhout en van Peer, die overeenstemmen met de Muggespuiters van Meppel, ook wat aangaat het verhaaltje, dat den oorsprong van dezen naam vermeldt. Verder de Maneblusschers van Mechelen en die van Middelburg; de Wortels van Ninove en die van Hoorn; de Toovenaars van Schiedam, met de Tsjoensters van Molkwerum en de Tooverheksen van Onkerzeele; de Turken van Glabbeek en die van Opperdoes, enz.

In beide landsdeelen komen de spotnamen ook veelvuldig, ja zelfs in den regel voor in de gewestelijke of plaatselijke volkseigene spreektaal, en kunnen soms moeilijk in de algemeene boeketaal worden omgezet. In al te platte, soms zelfs onkiesche namen staan de zuidelijke gewesten ook niet boven de noordelijke: Azijnzeekers van Temseke, Oliezeekers van Sint-Nicolaas, Schijters van Gierle en Mosterdschijters van Diest. Het bedrijf dat hoofdzaak is of van ouds was in de eene of andere plaats heeft ook in ’t Zuiden menigvuldige aanleiding gegeven tot het ontstaan van spotnamen: Wolspinners van Desschel, Bessembinders van Maxenzeele, Tegelbakkers van Stekene, Pelsmakers van Meenen, Potatenboeren van Esschene, Plattekèèsboeren van Opdorp, Saaiwevers van Hondschoten, Visschers van Mariakerke. En niet minder in ’t Zuiden als in ’t Noorden de bijzondere liefhebberij in de eene of andere spijze of lekkernij, aan de ingezetenen van deze of gene plaats eigen. In deze zaak staan boven aan de Kiekenvreters van Brussel. Inderdaad is een Brusselsch feestmaal niet volledig, als er geen gebraden „kieken” op tafel is, nog heden ten dage als van ouds; geen Nederlandsche stad waar zoo vele kippen het leven moeten laten, als Brussel. De Brusselaars worden in hunne liefhebberij ter zijde gestaan door de Kapoeneters van Meessen. Verder de Pastei-eters van Kortrijk, de Smeerkoeketers van Moerbeke, de Papeters van Denterghem, de Scheewei-eters [72]van Winkel-Sint-Kruis, de Gorteters van Arendonk, en nog vele anderen. Ten slotte nog in ’t algemeen de Eters van Hingene, en de zeer bijzondere en zonderlinge Zandeters van Grimbergen. Dan komen ook nog in ’t algemeen de Drinkers van St-Winoks-Bergen en de Roodbierdrinkers van Harelbeke.


Zie hier eene lijst van de Zuid-Nederlandsche spotnamen, mij bekend, en die allen in den tegenwoordigen tijd nog in zwang zijn.

Sinjoren van Antwerpen. In dezen naam schuilt nog eene herinnering aan den Spaanschen tijd (16e eeuw), toen Antwerpen in grooten bloei, in macht en rijkdom was—toen Spaansche zeden daar „in de mode” waren (als ook elders in de zuidelijke Nederlanden—men denke aan den bekenden Spaenschen Brabander) en de aanzienlijke, voorname en rijke Antwerpenaren den Spaanschen titel Senor droegen. De Antwerpsche Sinjoren zijn in aardige tegenstelling met de Heeren van Gent, die, zoo als deze benaming schijnt aan te duiden, volkseigener in hunne taal en zeden gebleven waren dan de Antwerpsche heeren.

Kiekenvreters van Brussel, op blz. 71 reeds besproken. Maneblusschers van Mechelen, ook reeds nader aangeduid op bladz. 71. Heeren, en ook Stroppedragers van Gent, Zotten van Brugge, Petermannen en Koeischieters van Leuven. Dit zijn de bekendsten. Verder nog de Schapekoppen van Lier, de Brekken van Beersel, de Kortooren van Rethy, de Karleespoorders van West-Meerbeek, de Poteerddabbers van Ramsel, de Eters van Hingene, de Katten en Knikkers van Meerhout, de Soepweikers van Mol, de Gorteters, Tjokkers en Pinnekenmakers van Arendonk, de Wolspinners van Desschel, de Janhagelmannen van Poppel, de Muggeblusschers van Turnhout, de Pieren van Liezele, de Koutermollen van Kieldrecht, de Meutes (dat zijn nuchteren kalven) van Breendonk, de Strontboeren en Mestblusschers van Hoboken, de Kraaien van Tisselt, de Geitekoppen van Wilrijk, de Kruiers van Balen, de Boschkrabbers van Bornhem, de Schijters van Gierle, de Kèèskoppen (Kaaskoppen) van Hove, de Pezerikken en Moeszakken van Loenhout, de [73]Kneuters van Meir, de Joden van Oost-Malle, de Kaballen van Ruisbroek, de Gipsheeren van St. Amands, de Rakkers van St. Anthonius, de Slijkneuzen van Weert in Klein-Brabant, de Smousen van West-Malle, de Vaartkapoenen van Willebroek, de Speelzakken van Hoogstraten, de Struiven, Halfhouten en Mastendoppen van Brecht, de Pieren van Halle, de Drijvers en Kluppelaars van Zoersel.

In Belgisch Limburg vinden we de Torenblusschers van Neerpelt, en de Muggeblusschers van Peer.

In Zuid-Brabant nog: de Ezels van Schaarbeek, de Turken van Glabbeek, de Kwèkers van Tienen, de Mosterdschijters van Diest, de Barbaren en Stroobranders van Sint-Quintens-Lennik, de Waterheeren van Zout-Leeuw, de Pootenvreters van Haasrode, de Soepzakken van Hever, de Heeren van Malderen, de Klotboeren van Steenuffel, de Boschuilen van Dworp, de Telloorlekkers van Goyck, de Hondeknagers van Elsene, de Botermelkzakken van Etterbeek, de Kolenkappers van Sint-Gilles bij Brussel, de Heeren van Huisingen, de Potatenboeren van Esschene, de Zotten van Hekelghem, de Heeren van Meldert, de Bessembinders van Maxenzeele, de Koeien van Molhem, de Zandeters van Grimbergen.

Uit Oost-Vlaanderen zijn de Heeren van Gent, de Makeleters en Knaptanden van Dendermonde, de Kalefaters van Baasrode, de Boschuilen van Buggenhout, de Visschers van Mariakerke, de Plattekèèsboeren van Opdorp, de Varinkdorschers van Baardeghem, de Kloklappers van Belcele, de Wuitens van Hamme, de Kloddemannen en Sergiewevers van Zele, de Wortels van Ninove, de Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers van Ronse, de Boonenknoopers van Oudenaarde, de Bergkruipers van Geeraartsbergen, de Tooverheksen van Onkerzeele, de Scheewei-eters van Winkel-Sint-Kruis, de Palingstroopers van Mendonk, de Trotters van Desteldonk, de Zotten van Wachtebeke, de Smeerkoeketers van Moerbeke, de Schinketers van Sinaai, de Blauwbuiken van Exaarde, de Peerdenprossers en Oliezeekers van Sint-Nicolaas, de Hottentotten van Daknam, de Azijnzeekers van Temseke, de Sikken [74]van Moerzeke, de Witvoeten, Draaiers en Ajuinen van Aalst, de Koolkappers van Akkergem.

En dezen zijn van West-Vlaanderen: De Zotten van Brugge, de Pastei-eters van Kortrijk, de Boterkoppen van Diksmuiden, de Taartebakkers en Wagenwielvangers van Meenen, de Keikoppen van Poperingen, de Kinders van Yperen, de Keuns (Konijnen) van Heist-op-Zee, de Geernaarts van Blankenberge (zie bladz. 21 en 27), de Schapen van Nieuwkerke, de Ezels en Langooren van Kuren (Curen, Cuern, Cuerne), enz.

Zie hier eene lange reeks van spotnamen, waaronder er zeker velen zijn, merkwaardig in een geschied- en taalkundig opzicht of uit het oogpunt der beschavings-geschiedenis. Mogen al deze namen nog eens uitvoerig beschreven en verklaard worden in hunnen oorsprong en beteekenis, op de wijze als ik het, in het begin van dit opstel, met de Friesche namen heb trachten te doen.

Van den eersten van alle in deze opsomming genoemde Zuid-Nederlandsche spotnamen, van dien der Antwerpsche Sinjoren heb ik (op bladzijde 72) den oorsprong vermeld. De oorsprong van den laatstgenoemden dezer spotnamen, die van de Ezels of Langooren van Kuren, moge als tegenhanger hier ook vermeld worden. In de Gazette van Kortrijk, en daaruit overgenomen in het Brugsche weekblad Rond den Heerd, in het nummer van 12 April, 1888, staat dienaangaande het volgende te lezen:

„’t Was over jaren en jaren, ’k en wete niet hoevele. De pastor van Cuerne was een allerbraafste oude man. De koster was ook allerbraafst, maar eenvoudig en oud. En zoo doof derbij, dat hadt gij hem eenen schip onder.…. onder zijne sleppen gegeven, hij het nog niet en zou.…. gehoord hebben.

Asschen-oensdag was gekomen en de menschen moesten om een asschenkruisken gaan. Ja maar, als de pastor te wege was te beginnen, wierd hij onpasselijk.

„Wat nu gedaan?

„Een bitje gewacht! Maar ’t en beterde niet met Mijnheer Pastor, en de menschen wierden ongeduldig!

„De pastor kreeg een gedacht. Koster! riep hij, ’k en kan [75]ik volstrekt in de kerke niet gaan, ge zult gij moeten de kruiskes geven.

„De koster, die zijnen pastor gewend was, verstond dat nog al wel.

„Zegt de pastor toen:

„Ge weet wat ge moet zeggen, binst dat ge de kruiskes geeft: Memento, homo! quia pulvis es et in pulverum reverteris (Herinner, mensch! dat gij stof zijt en in stof zult wederkeeren).

„Wat belieft er u? zei de koster.

„De pastor herhaalde ’t latijn, maar de koster en verstond het nog niet.

„Na drie of vier keeren wierd de pastor ongeduldig:

„Ge zijt ezel geboren, schreeuwde de pastor, en ge zult ezel sterven!

„Ja, Mijnheer Pastor, zei de koster, en hij trok de kerke binnen, peinzende in zijn eigen dat ze toch aardige dingen zeggen aan de menschen in ’t latijn.

„En hij begon maar kruiskes te geven en te herhalen dat hij schuimde:

„Ge zijt ezel geboren, en ge zult ezel sterven!

„De menschen keken wat aardig en dat wierd beklapt en besproken als zij buiten de kerke kwamen.

„En de historie en bleef in de prochie niet; ze wierd wijd en breed verspreid in ’t omliggende en verder, en zoo kwam het dat de lieden van Cuerne den name van ezels kregen.

„Onverdiend!”

Hier voren (op bladzijde 70) heb ik reeds met een enkel woord vermeld de verzen van eenen Vlaming uit den ouden tijd, waarin al de spotnamen van Vlaamsche steden en dorpen zijn opgenoemd. Op dat hoogst merkwaardige stuk wil ik hier nader terug komen.

In het midden der zestiende eeuw leefde te Brugge een procureur, namens Eduwaert de Dene, Lymans zone; die „Factor” was van de rederijkerskamer „De drie Sanctinnen” aldaar. Deze man bracht de Vlaamsche spotnamen in rijm te zamen, en smeedde daar lange verzen van, die hij den naam gaf van Den langhen Adieu (het lange Vaarwel). Eduwaert de Dene stelt [76]het voor alsof hij allen Vlamingen, de inwoners van allerlei Vlaamsche steden en dorpen, die hij allen afzonderlijk bij hunne spotnamen noemt, vaarwel zegt, eer hij sterven gaat. Immers zóó moet men den telkens herhaalden slotregel der verzen verstaan: „Adieu, eer ick reyse naer Adams moer.” Adam, de eerste mensch, was uit de aarde voortgekomen; „Ende de HEERE Godt hadde den mensche geformeert uyt het stof der aerden”, zoo lezen we in den Bijbel. Dus, in overdrachtelijken zin genomen, was de aarde de moeder van Adam. Zoo iemand gestorven is, wordt zijn doode lichaam in de aarde begraven. Men kan hiervan zeggen: hij reist naar (of in) de aarde; met andere woorden: hij reist maar de moeder van Adam, naar „Adams moer.”

De bedoelde verzen nu luiden als volgt:

Den langhen Adieu

Niet oudgestich

In tjaer ghemaect nieu

1500 ende tzestich.

Adieu, Poorters van Brugge, adieu Heeren van Ghendt,

Adieu, Kindren van Ipre, wijdt verre bekent,

Adieu, Daryncbarners van den Vryen mede,

Adieu, Schotters van Douay, ende daer omtrent,

Adieu, Speerebrekers der Rysselsche stede,

Notecraeckers van Orchies, naer doude zede,

Ledichghanghers van Oudenaerde ghepresen.

Adieu insghelijcx, oock zoo ick dandere dede,

Pasteyeters van Curtrijcke mits desen;

Adieu, Cupers van Damme: adieu, moet wesen,

Witvoeten van Aelst, Beenhauwers van Male,

Hudevetters van Gheerdsberghe hooghe geresen,

Voorvechters van Cassele int speciale,

Vachtpluckers van Poperynghe tprincipale:

Slaepers van Vuerne, hebt oock huwen toer.

Raepeters van Waes, elck end int generale,

Adieu, eer ick reyse naer Adams moer.

Adieu, van Dermonde Mackeleters daer,

Pelsnaeyers van Nieneven openbaar,

Drynckers van Winnoxberghe, Zoutzieders van Biervliedt,

Rocheters van Muenickeree der naer.

Adieu, Mostaerteters die men t’ Oosthende ziet,

Buetereters van Dixmude en vergheet ick niet;

Adieu, metten Conijneters van Dunkercke goet; [77]

Adieu, Drapeniers van Comene, mijn jonste biedt;

Adieu, oock an de Vulders van Caprijcke vroedt,

En den Schipgaernemaeckers van Oudenburgh, tmoet

Oock adieu gheseyt sijn, ken cans my bedwynghen,

Cabeljaueters van Nieupoort, zijt oock ghegroet!

Saeywevers van Hondscote, Ghistelsche Hovelynghen,

Drooghaerts van Werveke int ommerynghen,

Caerdemaeckers van Deynse op heurlieder vloer;

Ghy, Saudeniers van Grevelynghe, laet hu niet besprynghen

Adieu, eer ick reyse naar Adams moer.

Adieu oock, Grootsprekers van Thorout, ghy

Lueghenaers van Ardenburch, den Wiltjaghers by

Van Maldeghem, Candeeleters van Meenen voort,

Ketelboeters van Middelburch; adieu van my

Crudeniers van Oostburch; insghelijcx adieu (hoort!)

Lijnwadiers van Thielt, twelck menich oorboort;

Oock mede Rootbierdrynckers van Haerlebeke:

Ghy Peperloocketers van Eecloo verstoort;

Keermeshouders van Ruusselare meniche weke,

Cappoeneters van Meessene, waert nood ’tbleke

Met menich smetsere ende goet gheselle:

An de Wynzupers van Hulst ick adieu spreke,

Snoucketers van Acxele, Caesemaeckers van Belle,

De Teghelbackers van Stekene oock mede telle;

Roometers van Moerbeke, ghy sonder poer,

Ende Waermoeseters van Coolkercke snelle,

Adieu, eer ick reyse naer Adams moer.

Adieu, Hoppewinders van Okeghem sterck,

Adieu, Overmoedighe van Ronsse int werck,

Papeters van Denterghem, daer in onverzaet,

Ganssedrijvers van Laerne, scherp int bemerck;

Te Zele daer vyndt men de Vlasbooters, jaet;

Adieu, Stiermans van Wendune, elck met zijn maet.

Ende ghy, Musseleters van Bouchoute reyn,

Visschers van Blanckeberghe oock adieu ontfaet;

Adieu, Putooreters van Waestene int pleyn,

Adieu, Dienaers van Sint Anna ter Mude certeyn,

Verzeylders van Heyst ten Zeeusschen gronde.

Cokermaeckers van Ruurle, van Vlaeters tgreyn;

Die van Sint Jans Steene oock adieu tallen stonde,

Compoosteters van Loo, Thoolnaers van Reppelmonde,

Adieu, Eillynghen tsaemen met den Ackerboer,

Adieu, dus namelicke Vlaandren int ronde,

Adieu, eer ick reyse naer Adams moer. [78]

Adieu, voorts noch, ende wederom oorlof, adieu,

Al dat oud was, en zichtens14 gheworden nieu!

Ook al deze oude Vlaamsche spotnamen vertoonen weêr ten duidelijksten de bijzondere kenmerken van zulke Nederlandsche namen in ’t algemeen. Ook dezen zijn grootendeels meer bijnamen in schertsenden zin, dan smaad- of hoonnamen en scheldnamen van krenkenden aard. Zoo treffen we hier weêr de namen aan die ontleend zijn aan allerlei nering en bedrijf in ’t bijzonder eigen aan deze of gene plaats; b.v. Hudevetters van Geeraartsberge en de Pelsnaaiers van Ninove, de Saeywevers van Hondschoten en de Crudeniers van Oostburg, de Kaasmakers van Belle en de Stuurlieden van Wenduine. Verder ook de namen ontleend aan de eene of andere spijze of lekkernij, die hier of daar bijzonder gaarne of bijzonder menigvuldig door de lieden werd gegeten; b.v. de Pastei-eters van Kortrijk en de Raap-eters van Waas, de Rog-eters van Munnikereede en de Konijn-eters van Duinkerke, de Kabeljauw-eters van Nieuwpoort en de Snoek-eters van Aksel. Als rechtstreeksche spotnamen merken we op de Lediggangers van Oudenaarden, de Witvoeten van Aalst, de Voorvechters van Kassel en de Slapers van Veurne; de Grootsprekers van Thorhout en de Kermishouders van Rousselare. Onder deze laatste soort van namen zijn er zeker velen, die aan het een of ander geschiedkundig voorval hunnen oorsprong te danken hebben.

Toen deze verzen berijmd werden was Vlaanderen nog in zijn geheel, nog één en onverdeeld. Sedert is de westelijkste gouw van Vlaanderen bij Frankrijk gevoegd, en de noordelijkste bij Noord-Nederland. Maar Eduwaert de Dene noemt, zeer te recht zoo wel de spotnamen op van de inwoners van Biervliet, Aardenburg, Oostburg, Hulst, Aksel, Sint-Anna-ter-Muiden en Sint-Jans-Steen (allen thans tot Noord-Nederland behoorende—Zeeuwsch Vlaanderen), als die van Douay, Rijssel, Orchies, Kassei, Sint-Winoks-Bergen, Duinkerke, Hondschoten, Grevelingen, Belle, tegenwoordig deel uitmakende van Frankrijk—Fransch-Vlaanderen. Ja, in één versregel vinden we de Snoeketers van [79]Aksel vermeld naast de Kaasmakers van Belle; die van Aksel zoo wel als die van Belle zijn oorspronkelijk goede Vlamingen, maar thans, en reeds sedert twee of drie eeuwen als Noord-Nederlanders en als Franschen geheel van elkanderen vervreemd.

Sommigen van deze oude namen leven nog heden in den mond des volks. De Heeren van Gent, de Kinderen van Yperen, de Pastei-eters van Kortrijk, de Makel-eters van Dendermonde, de Witvoeten van Aalst, en anderen zijn nog heden ten dage zoo goed bekend als tijdens Eduwaert den Dene. Daarentegen zijn de rijke en machtige Poorters van Brugge uit de zestiende eeuw in onze negentiende eeuw tot Zotten vernederd, zijn de oude Lediggangers van Oudenaarde thans Boonenknoopers, de Huidevetters van Geeraartsbergen thans Bergkruipers, de Kandeeleters van Meenen thans Taartebakkers, de Roometers van Moerbeke thans Smeerkoeketers (de hedendaagsche lieden van Meenen en van Moerbeke zijn toch liefhebbers van lekkernij gebleven, zoo als hunne oud-eeuwsche voorvaders reeds waren); de Vachtplukkers van Poperinge heeten thans Keikoppen, de Overmoedigen van Ronse zijn tot Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers geworden, en de zestiende-eeuwsche Bueter-eters van Diksmude thans, min hoffelijk, tot Boter-koppen.

Uit een taalkundig oogpunt zijn eenigen van deze namen zeer merkwaardig; b.v. de Daryncbarners van ’t Land van den Vrijen van Brugge (eene gouw in ’t Noorden van West-Vlaanderen), die in ’t hedendaagsche Hollandsche Nederduitsch Turfbranders zouden moeten genoemd worden. Darync, Darink, Daring, hedendaags in West-Vlaanderen als dèring of derring uitgesproken, is de oorspronkelijke vorm van ons hedendaagsch Noord-Nederlandsche woord derrie.—Verder de Hudevetters (Lederbereiders) van Geeraartsbergen, de Drooghaerts (Droogscheerders) van Werveke, de Thoolnaers (Tollenaars of, zoo als de verbasterde Hollanders zeggen, „Douanen”) van Rupelmonde, enz.

Merkwaardig is het ook dat Eduwaert de Dene in zijne verzen almede de „Roch-eters van Muenickeree” noemt. Muenickeree, [80]Munnikeree (Monnikereede in hedendaagschen taalvorm) was in de middeleeuwen een bloeiend stedeke aan het Zwin, tusschen Sluis, Damme en Brugge in Vlaanderland. In de zestiende eeuw verviel het plaatsje, in vervolg van tijd verviel het al meer en meer, eindelijk ook geheel en al, en in deze negentiende eeuw verdween het geheel van den aardbodem, om ter nauwer nood de heugenis van zijn bestaan achter te laten. Door het verloopen, het verslijken en verzanden, en door het inpolderen van den zeearm het Zwin is zelfs de plaats waar Munnikereede lag niet meer nauwkeurig aan te wijzen. Maar al is het stadje te niet gegaan, er zijn toch nog Munnikereeders over gebleven, lieden wier voorouders te Munnikereede woonden, lieden die dus van daar oorspronkelijk herkomstig zijn. Een man uit Munnikereede (misschien ook wel een geheel gezin) heeft oudtijds, om de eene of andere reden, zijne woonplaats verlaten, en zich in Holland gevestigd, evenals in de zestiende eeuw zoo vele andere Vlamingen met hem. Die man noemde zich in zijne nieuwe woonplaats, ter onderscheiding van anderen, met den als voor de hand liggenden toenaam „Van Muenickeree” of „Van Munnikeree” of „Van Munnikreede” (de spelling van den naam doet er niet toe). En eene maagschap van dien naam, te weten: „van Munnekrede”, ’s mans nakomelingschap, bestaat nog heden, en komt of kwam nog in de laatste helft dezer eeuw voor te Delft, Rotterdam, Haarlem, Heemskerk. De geslachtsnaam heeft dus in dit geval den plaatsnaam, de oud-ingezetene van Munnikereede heeft, in zijne nakomelingen, het stedeke zelf overleefd. En zelfs de spotnaam waarmede de oude Munnikereeders in de middeleeuwen door andere Vlamingen werden genoemd, is ons nog overgeleverd geworden en bewaard gebleven.


Daar zijn nog oudere Vlaamsche spotnamen bekend, dan dezen van 1560. In de Anzeiger für Kunde der Teutschen Vorzeit, jaargang 1835, bladzijde 299 vindt men een lijstje van die namen medegedeeld, ’t welk volgens de meening van sommige geleerden tusschen de jaren 1347 en 1414 moet zijn opgesteld. Deze middeleeuwsche spotnamen zijn in hoofdzaak de zelfden als die men in „den langhen Adieu” vindt opgesomd. Sommigen echter wijken in meerdere of mindere mate af van de namen in dat [81]rijm voorkomende. Zoo heeten in dit middeleeuwsche lijstje de ingezetenen van Poperingen Vachtploters, terwijl Eduwaert de Dene ze Vachtpluckers noemt; die van Meenen Pelsmakers, tegenover de Candeeleters van de Dene; die van Werveke Verwaten lieden, tegenover de Drooghaerts van de Dene; die van Deinse Garencoepers tegenover de Caerdemaeckers van de Dene. En er worden in het oude lijstje ook eenigen genoemd, die de Dene niet heeft; bij voorbeeld de Wafeleters van Bethune, de Utrechtsche Vlamingen van de Vier-Ambachten, de Platte Gesellen van Sleedingen (hedendaags Sleidinge), de Dansers van Everghem, de Scipheeren van der Sluus, de Tuuschers van Theemsche (hedendaags Temseke), en anderen.

Ook in dit lijstje vinden de taalgeleerde en de geschiedkundige veel van hunne gading, ter verklaring; zoo als de Tuuschers (Ruilers, in ’t hedendaagsche Friesch nog túskers, tyskers) van Temseke en de Scipheeren van der Sluus. Deze laatste naam dagteekent uit den middeleeuwschen tijd, toen het hedendaagsche stille en vervallene stedeke Sluis, thans tot het Zeeuwsche deel van Vlaanderen, dus tot Noord-Nederland behoorende, eene bloeiende Vlaamsche handelsstad was, de mededingster van het naburige Brugge. Vele rijke reeders (Scipheeren) woonden toen daar.

En dan de Utrechtse Vlamingen van de Vier-Ambachten, die nog herinneren aan den overouden tijd toen de noordelijkste gouw van Vlaanderland, in de middeleeuwen de Vier-Ambachten genoemd, en thans Zeeuwsch-Vlaanderen, soms ook nog Staatsch-Vlaanderen geheeten, in het kerkelijke niet tot een Vlaamsch bisdom (Gent of Brugge) behoorden, maar tot het aartsbisdom van Utrecht. In deze gouw toch was de bevolking in de vroege middeleeuwen hoofdzakelijk van Frieschen bloede, en de Friezen bewesten Lauwers en bewesten Flie behoorden, sedert ze Christenen waren, tot dat aartsbisdom. Van daar dat de Vlamingen van Hulst en Aksel, van Biervliet en Aardenburg hier Utrechtsche Vlamingen worden geheeten. Men zie over deze zaak mijn werk Oud Nederland, de aanteekeningen op bladzijden 109 en 110.

De ingezetenen van Duinkerke worden in den Langhen Adieu [82]en eveneens in dit oude lijstje Conyneters genoemd, en deze naam is voor lieden die midden in het duin, midden in die meest geliefde verblijfplaats der konijnen wonen, en die aan die ligging in de duinen zelfs den naam hunner stad ontleend hebben, zeker zeer eigenaardig en gepast. Ik zelf echter, eenige jaren geleden een en ander maal te Duinkerke vertoevende, en daar den luiden vragende naar hunnen spotnaam, en naar die van andere Fransch-Vlamingen, kreeg telkens ten antwoord: Keuneters van Duunkerke.15 Hieruit blijkt dat keun de Vlaamsche benaming is van konijn; en in der daad vinden we ook in De Bo’s Westvlaamsch Idioticon het woord keun voor konijn aangegeven. De ingezetenen van het dorp Heist op Zee, bij Brugge, en dat ook midden in het duin aan zee gelegen is (als Zandvoort), dragen heden ten dage almede den spotnaam van Keuns (Konijnen). Door onze taalgeleerden wordt ons hedendaagsch algemeen Nederlandsch woord konijn voorgesteld als afgeleid of herkomstig van het Latijnsche woord cuniculus. Het is toch opmerkelijk, ja, het komt mij zonderling voor, zelfs ongelooflijk, dat zulk een algemeen bekend inlandsch dier als het konijn is, dat bij duizendtallen in onze zeeduinen, en ook binnen ’s lands op heidevelden en in woeste, zandige streken leeft, niet eenen oorspronkelijk Nederlandschen, oorspronkelijk Dietschen, niet eenen echt Germaanschen naam zoude hebben. Is misschien dit Westvlaamsche keun de eigenlijke, de oorspronkelijk Dietsche naam van het konijn? En moet men ons hedendaagsch woord konijn dan als een oude verkleinvorm van keun (koon, kone) beschouwen? Heeft ons woord konijn dan misschien niets met het Latijnsche woord cuniculus te maken? En hebben dan, juist andersom, de Romeinen hun woord cuniculus misschien afgeleid van ons woord keun? Allemaal vragen, die ik niet beantwoorden kan, maar die den taalvorscher zeker belangstelling zullen inboezemen. [83]

De ingezetenen van sommige gewesten, landstreken en eilanden in hun geheel, ja sommige volken hebben ook wel hunne spotnamen. Ook hierop wil ik nog kortelijk wijzen. Zoo heeten de Friezen Stijfkoppen, Noord-Bevelanders bij de andere Zeeuwen Peevreters, en de Zuid-Bevelanders Paddelanders. (Peeën, dat is Zeeuwsch voor wortelen—de gewone als spijs gebruikte wortelen van Daucus carota, en beetwortelen). De opgezetenen van ’t eiland Walcheren in ’t bijzonder, op welk eiland, naar men zegt, geen kikvorschen en geen padden voorkomen, noemen dus het eiland Zuid-Beveland, waar deze amphibiën wel gevonden worden, smadelijk ’t Paddeland. Die van Texel heeten Kwallen, en die van Wieringen Skepen (Schapen), ’t is op bl. 62 en 63 reeds vermeld.

De Engelschman John Bull, de Franschman Jean Potageen zijn wijf Marianne, Jantje-Kaas de Hollander (door Vlamingen en Brabanders zoo genoemd) en de Duitsche Michel of Hans-Michel zijn overbekend. Overbekend is ook in onze dagen de spotnaam Rooinek en Rooibaaitjie, dien onze Zuid-Afrikaansche stamgenooten den Engelschman geven. De Hollanders in ’t bijzonder hebben ook nog eenen bijzonderen spotnaam voor den Duitscher, dien ze Mof noemen. Naar den oorsprong van dezen naam is door velen vruchteloos gezocht. Opmerkelijk is het dat de Duitschers, die langs onze oostelijke grenzen wonen, dien spotnaam Mof (zij zeggen Muf) wederkeerig op de Nederlanders toepassen, en ons Hollander-Muf noemen; zie Ten Doornkaat Koolman, Wörterbuch der Ostfriesischen Sprache, waar almede eene verklaring van dit woord Muf of Mof te vinden is. De Nederlanders noemen geheel Duitschland wel Moffrika, maar de Duitschers zelven geven dien naam Muffrika in ’t bijzonder aan eene kleine gouw, langs onze grenzen zich uitstrekkende, aan het zoogenoemde Nedersticht van Munster, tusschen Oost-Friesland en Bentheim gelegen, en de stadjes Meppen en Lingen met omstreken omvattende.

De Friezen hebben nog eenen bijzonderen spotnaam voor de Duitschers in ’t algemeen; zij noemen dezen Poepen. Dit woord poep is een bijzonder, een raadselachtig woord. Dat het niet het woord poep is, in de gewone algemeen Nederlandsche volks- vooral kinderspreektaal van bekende beteekenis, blijkt hieruit dat de Friezen beide woorden nauwkeurig in uitspraak onderscheiden. [84]Zij, met hun fijn en nauwkeurig onderscheidend taalgehoor, spreken in den spotnaam Poep dit woord uit met den zeer duidelijk hoorbaren tweeklank oe; terwijl ze, waar dit woord de andere beteekenis heeft, slechts eenen enkelvoudigen klank laten hooren, de u der Duitschers, de ou der Franschen. Uit nauwkeurige, en steeds strikt volgehoudene onderscheid in uitspraak tusschen den enkelvoudigen en den twee-klank oe, dat zoowel den Friezen als den West- en Zee-Vlamingen thans nog bijzonder eigen is, maar oudtijds algemeen Dietsch moet geweest zijn, verbiedt om aan te nemen dat dit woord poep in beide beteekenissen van een en den zelfden oorsprong zoude zijn. Maar wat het woord poep als spotnaam dan wel zijn mag, van oorsprongswegen, het is mij niet gelukt dit uit te vorschen.

De Friezen geven den naam Poep wel aan de Duitschers in het algemeen, maar in ’t bijzonder aan den Westfaalschen grasmaaier en aan den Westfaalschen koopman in kleedingstoffen en kleedingstukken, die met een groot pak van zijn koopwaar op den rug, het Friesche platteland afreist, en die, ter onderscheiding van zijnen landsman den grasmaaier, door de Friezen Fyndoekspoep genoemd wordt.

Overdrachtelijk noemt men in de Friesche gewesten (immers Groningerland doet hierin mede, volgens Molema’s Woordenboek der Groningsche volkstaal) een paard of eene koe van Duitsch, gewoonlijk Oldenburgsch, zoogenoemd Bovenlandsch ras, ook poep; en zelfs eene bijzondere soort van aardappelen, ook van Duitsche herkomst, en die anders wel „Munsterlanders” heeten, noemt de Friesche boer poepen. Ja, onze Friesche zeeman geeft zelfs aan een schip (kof of tjalk), dat in Oost-Friesche en Weser-Friesche havens thuis behoort, en dit door geringe afwijkingen in bouw en tuig bemerkbaar doet zijn, den naam van poep.

Ook in noordelijk Noord-Holland, almede oorspronkelijk eene Friesche gouw, is de spotnaam Poep, Graspoep, Groene Poep voor den Duitschen Grasmaaier in gebruik, volgens Dr. G. J. Boekenoogen’s werk De Zaansche Volkstaal, en volgens J. Bouman’s werk De Volkstaal in Noord-Holland.

De echte Friezen in ’t land tusschen Flie en Lauwers beperken hunnen spotnaam Poep niet enkel tot de Duitschers. Ook de Groningerlanders en de Drenten noemen ze Poepen, en [85]zelfs de ingezetenen van de Friesche dorpen Kollum en Burum (in uitspraak Boerum), die, ofschoon nog bewesten Lauwers wonende, toch niet de zuivere Friesche taal spreken, maar eenen gemengden tongval, een overgang van het Stad-Friesch tot het Groningerlandsch—zelfs dezen moeten zich den spotnaam Poepen laten welgevallen, alsof ze, door hunnen afwijkenden tongval, reeds halve Groningerlanders, en alsof de Groningerlanders, met hun Friso-Sassisch bloed en met hunne Friso-Sassische gouwspraak reeds halve Duitschers waren.

Opmerkelijk is het, dat men dit woord Poep als spotnaam ook hier en daar elders in de Nederlanden terug vindt. De ingezetenen van Deventer toch dragen bij de andere Overijsselaars en bij de Gelderschen in hunne nabuurschap ook dezen naam. En ook de Zeeuwen noemen hunne Vlaamsche en Brabantsche naburen Poepen. Zoo hoorde ik in 1869 door een paar burgers van Goes zeggen, van een gezelschap boeren en boerinnen uit de polders van Zandvliet bij Antwerpen, die door ’t stadje Goes ronddwaalden: „’t zijn maar Poepen,” eenigszins minachtender wijze, juist zoo als de Friezen spreken van de Duitschers. Volgens van Dale (zelf een Zeeuwsche Vlaming), Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal, is poep een scheldnaam dien de bewoners van Zuid-Beveland aan de bewoners van Zeeuwsch-Vlaanderen geven. En volgens De Bo’s Westvlaamsch Idioticon noemt men in West-Vlaanderen „iemand die weinig verstand of weinig moed heeft,” een „dwazerik” dus, of een „lafaard”, een „poepgaai.”

De oorsprong en de verspreiding van dezen raadselachtigen spotnaam Poep uit te vorschen, zal zeker wel de moeite loonen.


Als eene bijzondere uiting van volkseigenaard en van speelsch volksvernuft, dienen ten slotte nog vermeld te worden eenige rijmkes, die van sommige gouwen en eilanden, van sommige steden en dorpen, ook van groepen van nabij elkanderen gelegene plaatsen, bij het volk bekend zijn, en die als ter kenschetsing dienen van sommige bijzonderheden, aan die gouwen en plaatsen eigen. Deze rijmkes zijn uit de zelfde bron gevloeid, waaruit ook de spotnamen ontstaan zijn; zij komen er in aard en strekking, veelvuldig ook in oorsprong en in eigenaardig wezen mede overeen, ja, zijn eigenlijk slechts als eene uitbreiding [86]daarvan te beschouwen. Ik wil slechts enkele van die rijmkes hier mededeelen, om de aandacht daarop te vestigen van navorschers, van allen die belang stellen in volkseigene zaken, en die zulke zaken nog in tijds behouden willen, eer de nieuwe tijd ze uit het geheugen der menschen zal hebben doen verdwijnen.

Over al de Nederlanden zijn deze rijmkes verspreid, en, even als de spotnamen, ook over Oost-Friesland en andere nabij gelegene gouwen van naburige landen, waar de bevolking met die van onze eigene gewesten zoo menig punt van overeenkomst heeft, of daarmede oorspronkelijk eenzelvig is. Een enkel van die Oostfriesche rijmkes, de stad Aurik betreffende, is reeds op bladzijde 58 hiervoren medegedeeld. Anderen uit de Friesche gewesten beoosten Eems kan men vinden in Kern en Willms, Ostfriesland wie es denkt und spricht (Norden, 1869). Een paar rijmkes van ’t Ameland vindt men op bladzijden 27 en 28 hiervoren vermeld. Een paar andere uit Friesland zijn nog:

Oostergoo het land,

Westergoo het geld.

De Wouden het verstand,

De Steden het geweld.

Hier wordt op geestige wijze het kenmerkende van de drie gouwen, Oostergoo, Westergoo en de Zevenwouden, waarin Friesland tusschen Flie en Lauwers van ouds her verdeeld is, met de elf steden, uiteengezet.

Dokkum is een oude stad,

Een oude stad boven maten;

Daar verkoopt men anders niet

Als taai en ook garnaten.

In der daad, de stad Dokkum dagteekent reeds uit zeer ouden tijd; reeds ten jare 754 verkondigde Sint-Bonifacius daar het Evangelie. Het Dokkumer taai, eene soort van grof Sint-Nicolaasgebak, is in geheel Friesland vermaard. En wat de Dokkumer garnaten (garnalen) aangaat, daar moet men maar niet te luide van spreken, als er Dokkumers bij zijn (zie bladzijde 21 en vervolgens). [87]

Zeer aardig kenschetsend zijn deze twee rijmkes, van een Utrechtsch en van een Noordbrabantsch dorp:

Neêr-Langbroek,

Die schrale hoek!

Daar wonen niets dan edellui

En bedellui,

Ridders

En broodbidders;

Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,

Sterkenburg is het beste.

Loon-op-Zand,

Licht volk, licht land;

Ze schooien den kost.

En ze stelen den brand.16

Tamelijk onbeduidend daarentegen is het volgende rijmke van drie Zeeuwsch-Vlaamsche dorpen Breskens, Schoondijke en de Groede:

De Bressianen

Zijn hanen,

Maar voor Schoondijke

Moeten ze wijken,

En komen die van de Groe,

Dan houden ze beter hun deuren maar toe!

Veelal heerscht in deze rijmkes een schimpende, smalende toon tegenover andere naburige plaatsen, afgewisseld met lof voor de eigene woonplaats. Bij voorbeeld uit Drente:

Koevorden is een fraaie stad,

Dalen is een moddergat,

Wachtum is een eendepoel,

Hesselen is een koningsstoel.

Of uit Overijssel en Gelderland:

Deventer is een koopstad,

Zutfen is een loopstad,

Lochem is nog wat,

Maar Borkeloo is een hondegat.

[88]

Van groote ingenomenheid met zich zelven getuigt het volgende rijm van sommige Noordhollandsche steden, dat bij de Monnikendammers in zwang is:

Amsterdam ligt aan het IJ,

Monnikendam daar wonen wij;

Edam is een nest,

Hoorn doet zijn best,

Enkhuizen staat op tonnen.

Medemblik heeft het gewonnen.

Aardig is het rijmke van Kootwijk, een zeer nederig dorpke op de Veluwe:

Kootwijk is een zoetendal,

En die er is die blijft er al.

Zoetendal, ten Sueten dale—dat klinkt zoo middeleeuwsch liefelijk! Wie weet hoe oud dit rijm al is!

Ten slotte kan ik nog een zeer bijzonder rijm hier mede deelen, dat betrekking heeft op de Friesche eilandenreeks die zich uitstrekt tusschen de Weser en het Marsdiep, en dat door mij is opgeschreven uit den mond van eenen Frieschen schipperszoon, die met de tjalk van zijnen vader wel oostwaarts naar Emden, Bremen en Hamburg, en wel zuidwaarts naar Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Antwerpen voer. Het rijm is niet in de eigenlijke Friesche taal opgesteld, maar in het zoogenoemde Stad-Friesch of „Stêdsk”, dat is Oud-Dietsch met Friesche woorden en woordvormen vermengd, en met eenen Frieschen mond uitgesproken.

Wrangero de skoone,

Spikeroog de krone,

Langeroog is ’n butterfat

En Baltrum is ’n sangat.

En de Norderneyers frete har mar half sat

Juust dat is ’n rooverland;

En Borkum is ’n tooverland;

Rottumeroog is ’n klein land,

Mar Skiermonnikoog is sterk bemand:

De Amelander skalken

Hewwe stolen drie balken,

Avons in ’e maneskijn,

Daarom sal ’t har wapen sijn. [89]

Skilingen het ’n hooge toren,

Flielan het siin naam ferloren,

Tessel is mar ’n seegat,

De Helderse Traanbokken segge dat.

Eenige opmerkingen mogen dit rijm nader toelichten.

Wrangero (ook de visscherlieden van Urk, die ter uitoefening van hun bedrijf op de Noordzee wel tot bij dit eiland komen, spreken dezen naam nog op deze Oud-Friesche wijze uit)—Wrangero is een oude en zeer goede, oorspronkelijk Friesche naamsvorm, ouder en beter dan Wangeroog of Wangerooge, zoo als dit eiland thans in ’t geijkte Nederlandsch en Hoogduitsch heet. Oudtijds woonde aan den vasten wal, aan de Noordzeekust waar dit eiland tegenover ligt, westelijk van den Wesermond, een Friesche volksstam, Wranger-Friezen genoemd. (Hunne rechtstreeksche nakomelingen wonen daar nog heden in het thans zoo genoemde Jeverland en Butjadingerland). Toenmaals noemde men het land dier Wranger-Friezen Wrangerland, en het eiland daarnevens in de Noordzee: Wrangero, Wranger-o. De woordvormen o, oe (eu) ei (in ons woord eiland nog bestaande en in den eilandsnaam Nordernei eveneens) zijn oorspronkelijk eenzelvig met het hedendaagsche oog, in Süderoog (Noord-Friesland), Wangeroog, (Weser-Friesland), Langeroog (Oost-Friesland), Schiermonnikoog (Friesland tusschen Flie en Lauwers), Valkoog (West-Friesland of Noord-Holland), enz.

Skilingen is de Friesche naamsvorm voor ’t eiland ter Schelling, beter Schellingerland, dat in het dorp Wester-Schelling in der daad eenen zeer hoogen toren heeft, de vuurtoren of Brandaris, die het geheele zeegat van ’t Flie verlicht.

Flieland heeft althans voor de helft zijnen naam verloren. De westelijke helft van dit eiland, met het aldaar gelegene dorp West-Flieland is in de 17de eeuw ten deele, maar in de vorige eeuw volkomen door de zee vernield en weggeslagen. Er is daar nog maar eene zandplaat van over, die nu de Hors heet. Inderdaad, „Flieland heeft zijn naam verloren.”


Dit is het einde van mijn opstel over spotnamen, spotrijmen, enz. Mogen anderen hierin aanleiding vinden dit belangrijke onderwerp nog eens beter en uitvoeriger te behandelen. [90]