PLAAT III.
IN DEN STILLEN WATERPLAS.
Dit tooneeltje uit het leven der dieren verplaatst ons in het stilstaande zoete water met modderigen bodem, zooals een moerassigen vijver of poel. De vele waterplanten, die het tooneel stoffeeren, wijzen er op, dat wij met een stillen waterplas te doen hebben, waar velerlei dieren het noodige van hun gading vinden. Het zijn, zooals wij op de plaat zien, voornamelijk slakken en wormen, die zich hier huiselijk hebben ingericht, maar, om met het eenvoudigste te beginnen, willen wij eerst een oogenblik onze aandacht wijden aan het vreemdsoortige dier van fig. 12, een wezen van nog veel lageren rang dan de wormen, ja zelfs een vertegenwoordiger van die wezens, welke op den laagsten trap van de dierlijke ladder staan, namelijk van de hoofdafdeeling der
OERDIEREN.
Zij vormen het allereenvoudigste van hetgeen er op het gebied van het dierlijk leven bestaat, hun lichaam is mikroskopisch klein en is niets anders dan één enkele cel, zonder organen, bij velen zelfs zonder bepaalden vorm en zij planten zich eenvoudig voort door verdeeling in tweeën, waarna elk stuk weer een zelfstandig leven begint en tot een volledig dier uitgroeit. Zoo eenvoudig zijn nu trouwens de diertjes van fig. 12 op Plaat III niet, zij zijn, in zekeren zin, de corypheeën van hun geslacht, daar zij nog enkele bijzondere lichaamsaanhangsels vertoonen. Zij behooren tot de afgietsel- of infusiediertjes (Infusoriën), een klasse der oerdieren, die, voor het eerst in 1675, door onzen landgenoot Antonie van Leeuwenhoek te Delft in slootwater en in aftreksels (Infusies) van planten ontdekt werden, door middel van het uiterst primitieve mikroskoop, waarmede hij zijn onderzoekingen deed en waardoor hij zich beroemd heeft gemaakt, als de ontdekker van deze „wereld van het oneindig kleine”.
Het infusiediertje van fig. 12 is het zoogenaamde „klokdiertje” (Vorticella). Het doet zich voor het bloote oog voor als een klein wit wolkje aan een steel en komt in onze stilstaande wateren dikwijls in zulke groote menigten op plantenstengels en steenen voor, dat deze—en menigmaal zelfs ook vele waterinsekten, waarop zij zich vestigen—er als beschimmeld uitzien. Bekijkt men echter een weinig van die massa onder den mikroskoop, dan ziet men diertjes in den vorm van een wijnglas, dat op waterplanten bevestigd is door middel van een dunnen spiraalvormigen steel. De rand van het wijnglas is bezet met fijne wimpers of franjes, die voortdurend in beweging zijn en een strooming in het water teweegbrengen, waardoor voedsel met het versche water aangevoerd wordt.
De diertjes planten zich door knopvorming voort, dat is: er vormt zich, ergens aan het lichaam, een knopvormige uitwas, die later loslaat, doch zich weer vastzet en dan tot een nieuw dier uitgroeit. Daardoor, en dikwijls ook door het vertakken van den steel, vormen zich geheele kolonies dezer klokdiertjes bij elkaar.
Het tafreel, dat zich onder den mikroskoop aan ons gewapend oog vertoont, is werkelijk ongemeen schoon; men zou zich in een fabelachtig bosch wanen, uitsluitend bestaande uit sierlijke, aardige bloemkelkjes, maar hier is het een dierlijk woud van teedere, glasheldere klokjes, die, als bloemen uit een sprookje, vreedzaam en droomerig aan hun slanke stelen in het water op en neer schommelen en die, om uit te rusten of om zich voor gevaren te beveiligen, den steel spiraalvormig samentrekken, om bliksemsnel in de diepte te verdwijnen.
Maar nu komt er een oogenblik, waarop wij plotseling de ware natuur van deze liefelijke wezentjes boven zien komen en ons blijkt, dat ook hier beneden, in de diepte der wateren, niet alles zoete poëzie is, doch dat het bittere proza insgelijks een woordje heeft mee te spreken. Daar schiet opeens één dier sierlijke, schijnbaar zoo onschuldige bloempjes op zijn spiraalsteel omhoog, want het heeft—hoe is een raadsel, bij het volkomen gemis aan zintuigen—daar beneden in zijn schuilhoek een levenden buit, een wezentje van nog nietiger afmetingen, ontdekt, dat argeloos en vroolijk kwam voorbij zwemmen. De roeiriemen, aan den rand van den champagnekelk, worden in werking gesteld, en het slachtoffer wordt door den mond van de sprookjesbloem levend opgeslokt en verteerd. Dus ook hier, onder den mikroskoop, zoo goed als bij ons in het groot: dezelfde wereld vol listen en lagen, concurrentie, en strijd op leven en dood.
Thans tot een minder romantisch en meer prozaïsch onderwerp overgaande, waarbij echter ook de bloeddorstige ader niet ontbreekt, vragen wij, voor een oogenblik, de aandacht voor een paar ringwormen, wier kenmerken, in ’t algemeen, reeds vroeger door ons geschetst werden (zie bladz. 8). Twee van deze dieren zien wij ter linkerzijde van ons wijnglazen-woud rondspartelen. Fig. 10 stelt den zwarten bloedzuiger of onechten paardenbloedzuiger (Aulacostomum gulo) voor. Den tweeden naam draagt het dier ter onderscheiding van den eigenlijken paardenbloedzuiger, die bij ons zeldzaam is, doch in Zuid-Europa en Noord-Afrika zeer lastig voor de paarden en het vee kan worden, daar hij bij drinkend vee in de neusgaten kruipt, zich daar vastzuigt en de ademhaling belemmert. Deze behoort tot de naaste familie van onzen bekenden medicinalen bloedzuiger, waarover wij bij de volgende plaat zullen spreken.
Toch komt ook de zwarte bloedzuiger van fig. 10 met beiden overeen door het bezit van 5 paar oogen en van 3 kaakplaten in den mond, die in de voorste zuignap gelegen is (zie bladz. 8), doch de tandjes der platen zijn hier stomp. De kleur van het dier is van boven zwartbruin of groenachtig zwartbruin, met donkere vlekken, en aan de onderzijde licht olijfkleurig. Hij zwemt tamelijk behendig, door middel van slangvormige kronkelingen en voedt zich met wormen, slakken, larven en kleine vischjes. De hechtschijf of achterste zuignap is kleiner dan bij den medicinalen bloedzuiger. Zooals alle bloedzuigers legt hij zijn eitjes in de vochtige aarde, boven den waterspiegel, en hij verlaat ook overigens, menigmaal voor geruimen tijd, het water, om in den vochtigen grond onder steenen weg te kruipen. Hij komt in bijna alle stilstaande of kalm vlietende wateren voor.
De dunne, rolronde worm, die zich, rechts op de Plaat (fig. 11), tusschen waterplanten voortkronkelt en dien men voor een kleinen regenworm zou kunnen houden, blijkt, bij nader inzien, daarmede niets te hebben uit te staan, behalve dat hij, evenals de laatste en de bloedzuiger, ook weer tot de ringwormen behoort, hetgeen trouwens reeds uit het duidelijk geringde lichaam te zien is. Het is de broze slibworm (Lumbriculus variegatus), „broos” genoemd, wegens zijn buitengewoon ver gedreven herstellingsvermogen, dat zelfs als een herkenningsteeken, een signalement, voor dit dier kan gelden. Hoewel deze eigenschap, gelijk wij vroeger zagen (bladz. 33), algemeen is bij de wormen, zoo hebben wij daarvan hier toch een merkwaardig en hoogst zonderling geval.
Men kan namelijk niet zelden opmerken, dat het lichaam van dezen ringworm tweeërlei kleuren vertoont: één gedeelte van het lichaam is veel lichter gekleurd dan het andere. De oorzaak daarvan is een zeer ongewone wijze van voortplanting van dit dier, namelijk zoodanig, dat er eenvoudig een stuk van afbreekt en tot een nieuwen worm uitgroeit, terwijl het verminkte gedeelte zich insgelijks weer tot een volledig dier ontwikkelt, welk nieuw uitgroeisel dan tijdelijk een andere kleur vertoont. Snijdt men den worm in verscheidene stukken, dan is elk stuk ook weer in staat, om een nieuw individu te vormen. Toch heeft de voortplanting tevens ook door eieren, langs geslachtelijken weg, plaats.
De talrijke ringen, die men uitwendig aan het lichaam ziet, komen overeen met de inwendige afdeelingen of „segmenten”, waarin de lichaamsholte verdeeld is. Aan die segmenten zijn van buiten, tot bundels vereenigde, borstels, die tot steun bij de voortbeweging dienen, in twee rijen bevestigd. Daarom noemt men deze orde der ringwormen, waartoe ook de gewone aard- of regenworm behoort, „borstelwormen” (zie ook bladz. 8). De broze slibworm, die zich in het slib of tusschen waterplanten ophoudt, is 4 tot 8 centim. lang, geelachtig bruin van kleur en heeft een dunne huid, die zoo doorschijnend is, dat de inwendige organen, vooral het zwarte darmkanaal en de hoogroode bloedvaten, er duidelijk doorheen te zien zijn.
Nog een geheel andere worm, van veel lageren rang, ligt, onderaan in het midden, op den bodem van het water (fig. 9). Het is de zwarte veeloog (Polycelis nigra), een zonderling teer schepseltje, aldus genoemd naar het groot aantal oogen, 30 tot 50 stuks, die langs den geheelen breederen, afgeronden voorrand van het diertje geplaatst zijn. Het is zwart van kleur, 1 centim. lang, plat en langwerpig van vorm en het behoort tot de groep der platwormen, afdeeling trilwormen (zie bladz. 33). Het komt veel in zoet water voor onder steenen, of ook tusschen bladeren van riet of aan de onderzijde der bladeren van de waterlelie.
Verder zien wij tusschen de waterplanten, in het midden van onzen waterplas, nog een hoogst merkwaardig diertje rondsluipen. Het is één der kleinere kreeftachtige schaaldieren: de kieuwpoot (Apus productus), fig. 2, een dier, dat 3-7 centim. lang is, tot de „bladpootigen” behoort en bruin van kleur is. Van boven is het met een breede, schildvormige schaal bedekt, waaronder een aanzienlijk getal: 30-60 paren bladvormige ledematen gelegen zijn, waaraan de kieuwen vastzitten; daarom verkeeren zij aanhoudend in een trillende beweging, om versch water voor de ademhaling aan te voeren. Bij het wijfje is het 11e paar pooten in twee borsttaschjes overgegaan, waarin de eitjes bewaard worden. Mannetjes komen zelden voor en werden eerst later ontdekt.
Deze dieren kunnen verbazend snel en onstuimig zwemmen en wel op den rug. Men vindt ze in poelen en moerassen, wel is waar, tamelijk zelden, doch dan ook in ongelooflijke menigte. Bij ons komen zij in sommige jaren, vooral in Gelderland en Noord-Brabant, in aanzienlijke massa’s voor; vooral na hevige regens vindt men ze dan zelfs op de rijwegen en in de plassen op de straten. De oorzaak is, dat door het vocht de schijndoode diertjes, die uit de eitjes ontstaan zijn, weer ontwaken. Bij het uitdrogen der poelen verdwijnen de dieren weer plotseling en laten alleen de eitjes achter, die zich juist alleen op het droge ontwikkelen en daar jarenlang levensvatbaar blijven, totdat zij, door nieuwen watertoevoer, weer tot het leven gewekt worden.
De overige bevolking van het watertooneeltje op Plaat III wordt verder nog slechts uitsluitend gevormd door eenige soorten van slakken, die zich hier blijkbaar volkomen op haar plaats en uiterst behaaglijk gevoelen. Daaronder is slechts één longslak (zie bladz. 16) en wel: de barnsteenslak of amber-horenslak (Succinea), fig. 1, die dan ook, zooals wij zien, terecht een plaatsje op het droge, op de bladeren van een plant boven de oppervlakte van het water, heeft uitgekozen. Zij is dan ook geen eigenlijke waterslak, behoort zelfs, als longslak, in de lucht tehuis, doch houdt zich toch bij voorkeur in de nabijheid van het water op, maakt daarin zelfs dikwijls een uitstapje, om zich op waterplanten, vooral op de bladeren van het pijlkruid, neer te zetten. De naam is afgeleid van het doorschijnende, barnsteen- of ambergele huisje. Er is een soort van dit geslacht (Succinea oblonga) die ook wel in ons land voorkomt en tot de echte aardslakken behoort, elders zelfs tot hoog in het gebergte trekt, in de buurt van bergbeekjes.
Overigens vinden wij op de Plaat nog slechts tweeslachtige slakken (zie bladz. 16). Op den voorgrond liggen, op den modderigen bodem, drie fraaie exemplaren van de gewone schijfhoren (Planorbis corneum), fig. 8, waarvan wij een familielid reeds vroeger op Plaat II ontmoet hebben. De hier afgebeelde is de grootste en fraaiste—en tevens de meest voorkomende—van onze schijfhorens of „posthorentjes” en zij bereikt niet zelden een middellijn van 3 centim. Zij houdt zich bijna in alle stilstaande wateren in groote menigte op en klimt ook gaarne tegen waterplanten omhoog. De horen bestaat uit 5 of 6 zeer gezwollen windingen, waarvan de laatste een weinig wijder uitloopt en in een vrij grooten schelpmond eindigt. Het huisje is tamelijk dik en stevig, met duidelijke dwarsstrepen; de kleur is olijfgroenachtig bruin van boven en van onderen geel of rossig, soms bijna wit.
Nog grooter, ja zelfs de grootste van al onze, in het water levende, slakken en een reus onder zijn familieleden, is de algemeen in onze slooten voorkomende en zeker aan weinigen onzer lezers onbekende, gewone poelslak (Limnaea stagnalis), waarvan in fig. 4 en 6 een paar exemplaren afgebeeld zijn. De voelers, slechts twee in getal, zijn hier zeer dik, niet rond en voor intrekking vatbaar, doch driehoekig van vorm; aan hun basis liggen, boven op den kop, dicht bij elkaar, twee groote oogen. De horen is rechts gewonden, langwerpig eivormig, met 5 tot 8 omgangen of windingen, waarvan de laatste zeer groot is en wel ²⁄₃ van den geheelen horen beslaat; deze is 6-7 centim. lang, loopt puntig uit en heeft een grooten mond. De wand van het huisje is dun, eenigszins doorschijnend, hoornkleurig of vaalbruin, met duidelijke strepen.
De dieren kruipen zoowel over den bodem, als tegen waterplanten naar boven en dikwijls hangen zij ook, op een eigenaardige wijze, met de kruipzool van den voet, onmiddellijk aan de oppervlakte van het water, terwijl het huisje naar beneden hangt en zoo ziet men ze ook wel langs den waterspiegel voortglijden. Waarschijnlijk kan de slak lucht van hare ademholte uitpersen, waardoor zij specifiek zwaarder wordt en naar beneden zinkt, en omgekeerd door de lucht in de ademholte te doen uitzetten, deze opblazen en daardoor omhoog stijgen. Daar zij ook in de lucht kan ademen, verlaat zij gaarne van tijd tot tijd het water, om op vochtige weilanden een poos rond te dolen en te zien, wat daar van haar gading is. De eitjes worden, als een soort van kuit, in samenhangende, wormvormige snoeren op de bladeren van planten of andere voorwerpen in het water gelegd (zie fig. 5). Uit de eitjes ontsnappen larven, die zich, met behulp van trilharen, vrij snel in het water ronddraaien.
De twee kleine slakjes, die wij, in de buurt van de groote poelslakken, op waterplanten zien zitten, zijn een paar blaashorenslakken (Physa fontinalis), fig. 3 en 7, die een dun, eirond, glad en gezwollen huisje hebben, met slechts vier windingen, waarvan de laatste zeer groot is en wel ³⁄₄ van de geheele hoogte van den horen inneemt. De kleur is licht hoorngeel en het huisje is links gewonden. De rand van den mantel is hier franje-achtig uitgetakt en kan over den rand van den horen omgeslagen worden. Deze soort van blaasslak leeft ook wel in bronnen of beekjes en wordt daarom ook wel bron-blaashoren genoemd.
Ten slotte ligt onderaan, rechts in den hoek van de plaat, nog een leeg huisje van een moerashoren (Paludina), fig. 13, waarover wij reeds op bladz. 18 gesproken hebben.
IV.