PLAAT II.
HET LEVEN IN SLOOTEN EN BEEKJES.

Hier hebben wij een geheel ander tooneeltje vóór ons uit het leven der waterdieren, dat zich echter ook weer afspeelt in zoet water, deels in slooten, doch voor een deel ook in kalm voortkabbelende beekjes.

En daar treft ons oog vooreerst een zonderling klein wezentje, uiterst eenvoudig in haar maaksel en bescheiden in haar optreden, maar waarvan toch een schat van wetenswaardige en interessante bijzonderheden te vertellen valt. Aan waterplanten bevestigd, zien wij, bovenaan links, in fig. 1, schijnbaar een paar onaanzienlijke aanhangsels, maar die in werkelijkheid vastgehechte diertjes zijn, die behooren tot de

ZOETWATERPOLIEPEN.

Deze vormen zelf weer een klasse van de hoofdgroep, die den weinig aristokratischen en onwelluidenden naam draagt van: holzakdieren of darmholtedieren, maar daar die term toch juist zoo goed onze bedoeling weergeeft, willen wij er in berusten en hem op den koop toe nemen. Want de dieren van deze afdeeling, waartoe ook de, nog later te behandelen, kwallen en bloempoliepen behooren, bestaan feitelijk inderdaad uit niets meer dan een hollen zak, waarin slechts enkele eenvoudige organen liggen. Fig. F op bladz. 21, die de doorsnede van een zoetwaterpoliep, in schets, voorstelt, zal ons dit duidelijk maken.

De lezer kan trouwens ook zelf dit interessante diertje gemakkelijk in zijn doen en laten bespieden. Men schept uit een vijver of sloot wat waterplanten, eendenkroos enz. op en plaatst die in een diep bord vol water; na eenige oogenblikken van rust strekken de diertjes hun armen begeerig uit en blijven stil zitten, aan een blad of tegen den wand van het bord gehecht.

II.

Plate

Zulk een poliep is eigenlijk niets meer dan een enkele holte of zak (fig. F, H), die van onderen gesloten en aan bladeren of stelen van waterplanten vastgehecht is en waarin alleen van boven een soort van mond (M) uitkomt. Men zal begrijpen, dat het dier in onze figuur op zijn hoofd staat, of liever, daar van een kop geen sprake is: met den mond naar beneden hangt, want in fig. 1 op de plaat zien wij, dat het, als een echte wateracrobaat, allerlei standen kan innemen en tevens, dat er zich om den mond vangarmen, in den regel 6 tot 8 in aantal, bevinden, die het dier bij die zittende of hangende levenswijze, wel verplicht was zich aan te schaffen, om aan den kost te komen en zijn vereischt rantsoen aan versch water binnen te krijgen.

Fig. F.
Doorsnede van een zoetwaterpoliep. Schets (vergroot).

Die zaak is hier namelijk volgenderwijze geregeld. Ook die vangarmen zijn hol en hun holte is, zooals wij in fig. F bij A zien, één met de lichaamsholte, waarin zij ook volkomen teruggetrokken kunnen worden. Zij zijn voortdurend in levendige beweging, waardoor een strooming van het versche water naar den mond voortgebracht wordt, niet slechts ten dienste van de ademhaling—die eenvoudig binnen in den hollen zak plaats heeft—doch ook voor den aanvoer van allerlei kleine waterdiertjes: kreeftachtigen, wormen, larven enz., waarmede het dier zich voedt. Tevens zijn die vangarmen echter, ook op meer directe wijze, behulpzaam bij het bemachtigen der prooi, want hun buitenzijde—en trouwens ook die van het geheele overige lichaam—is voorzien van talrijke netelorganen, welke, bij aanraking, een prikkelend gevoel, als van een brandnetel, teweegbrengen, terwijl bovendien, uit kleine blaasjes aan de vangarmen, hengeldraden kunnen uitgezonden worden, zijnde lange, holle draden, met een scherp zuur gevuld, dat, bij het naar buiten slingeren, de prooi verlamt. Daar deze merkwaardige strijd- en verdedigingsmiddelen bij de geheele groep der darmholte-dieren aangetroffen worden, dragen dezen ook wel den naam van neteldieren.

De zoetwaterpoliepen of armpoliepen zijn, zoo klein als zij zijn, buitengewoon vraatzuchtig en haar honger is eigenlijk onverzadelijk. Geen prooi laten zij voorbijgaan, ook al hebben zij zoo juist haar maaltijd geëindigd. Onpartijdigheidshalve voegen wij er echter bij, dat zij, in geval van nood, ook zeer lang kunnen vasten.

Als nu het een of ander waterdiertje gevangen en door één of meer vangarmen naar den mond getransporteerd en opgeslokt is, dan komt het onmiddellijk in de lichaamsholte (H), die hier de rol van maag vervult en wier binnenwand het voedsel op dezelfde wijze verwerkt en verteert, als onze maagwanden dit met een biefstuk of kippeboutje zouden doen. De wand van den lichaamszak bestaat namelijk uit twee lagen van cellen, zooals wij in fig. F kunnen zien: de buitenste laag (aS) is zeer dun en dient als huidlaag en zij bevat de netelorganen, de binnenste (iS), van de buitenste door een tusschenruimte (St) gescheiden, noemt men de „darmlaag”, omdat zij het voedsel verteert. En deze laatste laag werkt ook krachtdadig mede tot de water-ademhaling, want haar cellen zijn met tallooze trilhaartjes bezet, die in voortdurende beweging zijn, waardoor het voedings- en ademhalingsvocht voortdurend door de geheele lichaamsholte heen bewogen wordt.

Is nu het voedsel verteerd, dan moeten de onverteerde resten ook weer uit het lichaam verwijderd worden; dit zou een lastig vraagstuk kunnen zijn, daar er zich aan de tegenovergestelde lichaamspool van den mond geen uitweg bevindt en er dus geen aars-opening is. Doch de poliep heeft dit vraagstuk, langs radikalen weg, opgelost, door den mond zoowel voor in- als voor uitgang, dus ook als aarsopening, te gebruiken en langs dezen minder gebruikelijken weg worden dus ook de uitwerpselen naar den grooten vergaarbak: het water, weggevoerd. Dit moge, voor onze begrippen, een minder smakelijke uitweg zijn, maar.... nood breekt wet, en een poliep is gelukkig minder kieskeurig dan een mensch, want noch van een zenuwstelsel, noch van zintuigen zijn bij deze wezens de geringste sporen aanwezig.

De bruine armpoliep (Hydra fusca), fig. 1, op de plaat, is één van de vele soorten dezer familie, die in onze zoete wateren voorkomen. Zeer algemeen is ook de groene armpoliep (H. viridis), in wier huidcellen bladgroenkorrels voorkomen. Vroeger werden al deze dieren—zelfs nog anderhalve eeuw geleden—, en met hen ook de bloem- en koraalpoliepen, nog algemeen tot de planten gerekend, of liever: als een overgangsvorm beschouwd, want men noemde ze „plantdieren”. Niet alleen gaf de plantachtige vorm en de overeenkomst van de zee-anemonen en koraaldieren met bloemen, daartoe wel eenige aanleiding, doch bovendien herinnert de merkwaardige wijze van voortplanting der armpoliepen zeer veel aan die der planten en, evenals bij velen van deze, heeft zij op tweeërlei wijze plaats. Evenals men een geraniumplant niet alleen door bloemzaad (de eitjes) kan vermenigvuldigen, doch ook door stekken, waaraan zich knoppen bevinden, zoo brengt ook de kleine Hydra vooreerst eitjes voort, die in het water komen en daar bevrucht worden door de voortplantingsstoffen van een ander individu, doch in de tweede plaats kunnen er ook nieuwe wezens door knopvorming ontstaan. Heeft men eenige armpoliepen, met eendenkroos of waterplanten en voldoend voedsel, in water gebracht, dan ziet men, na eenige dagen, ergens aan het lichaam van zulk een diertje een kleine uitwas ontstaan (zie fig. F op bladz. 21, bij K), wier holte met die van het lichaam samenhangt en aan het uiteinde eerst armen en dan een mond krijgt. Zulk een knop laat later los en leeft dan zelfstandig verder.

Deze dieren zijn overigens zeer zelfgenoegzame en weinig veeleischende wezens, en volstrekt niet teergevoelig, want zij laten zich, schijnbaar zonder er zich iets van aan te trekken, op alle mogelijke manieren be- en mishandelen. Bepaald verbazingwekkend is hun onbegrijpelijk herstellingsvermogen; het is bijna onmogelijk, een poliep zoo te kwetsen, dat de toegebrachte wond niet in korten tijd geneest. Doch bijna ongelooflijk is het feit, dat afgesneden stukken van het dier, ja, zelfs afgesneden vangarmen, weer tot zelfstandige en volledige dieren kunnen uitgroeien. Juist daarom heeft men aan dit nietige, onschadelijke diertje den naam van één der afzichtelijkste monsters uit de Grieksche fabelleer gegeven en het genoemd naar de Lernaeïsche Hydra, een kolossale, vergiftige veelkoppige waterslang, die in het moeras Lerna, bij Argos, leefde en die voor elken kop, dien men haar afsloeg, er twee terugkreeg, totdat zij eindelijk door Hercules gedood werd.

Fig. G.
Herstellingsvermogen van de zoetwaterpoliep. 5 malen vergroot.

Dit alles is echter nog niets bij het verbazende herstellingsvermogen van de zoetwaterpoliepen. Het was een Zwitsersch onderwijzer, Trembley, die, in het jaar 1740, dit wonderbare feit ontdekt heeft en wel: op vaderlandschen bodem, in de vijvers van het bekende buitengoed „Sorgvliet” bij den Haag. Het uiterst taaie leven van de Hydra bewees hij niet slechts daardoor, dat hij haar, zonder dat het haar deerde, als een vinger van een handschoen het binnenste buiten kon keeren, doch dat hij het zelfs in een aantal stukken kon snijden, zonder dat het leven verloren ging, ja zelfs, dat die dieren weer tot nieuwe levende dieren uitgroeiden.

Bepaald verbluffend echter is een proefneming van den jongsten tijd, die in fig. G op bladz. 24, bij 5-malige vergrooting voorgesteld is en die genomen werd met de groene armpoliep. Uit het lichaam A van de Hydra werd bij a een stuk overdwars uitgesneden en ook uit dat, op een willekeurige plaats afgesneden, stuk ontwikkelde zich weer een volledig dier. Eerst rondde het zich af, zooals bij a, a₁ en a₂, vervolgens rekte het zich in de lengte uit (a₃ en a₄), begon daarna vangarmen te vormen (a₄ en a₅) en was eindelijk tot een nieuwe poliep (a₆) uitgegroeid.

Nog veel eenvoudiger van maaksel dan de poliepen, ja zelfs, na de mikroskopische oerdieren, de primitiefste van de geheele dierenwereld, zijn de

SPONSEN.

Daarvan geeft fig. 3 een voorbeeld uit het zoetwater, doch men ziet, dat het iets geheel anders is dan onze gewone waschspons, die wij later, in woord en beeld, aan onze lezers zullen voorstellen, zoodat wij de nadere bespreking dezer dieren tot zoolang zullen uitstellen.

Hier dus slechts een enkel woord over de gewone zoetwaterspons (Spongilla lacustris), die onregelmatige, meer of minder boomachtig vertakte korsten vormt over steenen, boomwortels, balken van bruggen of badinrichtingen enz. in rivieren, slooten of vijvers. Uiterlijk gelijken deze sponsen wel eenigszins op waterplanten, door haar geweiachtig vertakte lichamen. De takvorming is het duidelijkst in rustig water; bij sterke strooming vermindert zij en vormen de dieren—want wij hebben hier steeds met een talrijke kolonie te doen—meer onregelmatige klompen. Zulk een spons is dus eigenlijk ook een dierstok, op dergelijke wijze als een poliepenstok, en de vermenigvuldiging geschiedt ook hier door knoppen, die met elkaar verbonden blijven en uitgroeien. De kleur is grijsachtig-wit tot geel, hier en daar ook met groene stukken.

In het inwendige van deze kolonie bevinden zich talrijke holten, zoogenaamde trilkamers, waarin, door de beweging van trilharen, het water van buiten, door kleine poriën en kanalen aan de oppervlakte, toegevoerd wordt en daarmede ook het voedsel, uit kleine waterdiertjes en rottende plantenstoffen bestaande. De onverteerde spijsresten en het verbruikte water verlaten, met den waterstroom, door groote uitstroomingsopeningen, het gemeenschappelijke lichaam weer. De eigenlijke lichaamsmassa is week, doch deze verkrijgt een zekere vastheid door de afscheiding van harde deelen, hier door talrijke kiezelnaalden. Bij de waschspons is dit een hoornachtige stof en wat wij gebruiken, is dus eigenlijk het skelet van de geheele kolonie. Behalve door knopvorming geschiedt de voortplanting ook door eieren of kiemen, dus langs geslachtelijken weg. Deze zinken ’s winters, als de diertjes zelf van de spons sterven, op den bodem en overwinteren in den modder.

In fig. 2 zien wij nog een andere soort van zoetwaterspons: de rivier-zoetwaterspons (Ephydatia fluviatilis). Zij is zeer algemeen en vormt vlakke, groenachtige korsten, die als een kussen over haar onderlaag uitgebreid zijn. Alle sponsen behooren, evenals de poliepen, tot de minst ontwikkelden onder de dieren; zij zijn zeer eenvoudig van maaksel, missen zelfs zenuwen en spieren, en ook de netelorganen van de poliepen.

Doch wij treffen op onze plaat ook nog hooger en edeler gezelschap aan en op den bodem van het water zien wij, in fig. 4 en 5, een goeden bekende: den rivierkreeft (Astacus fluviatilis). Het mag trouwens een wonder heeten, dat wij hem werkelijk nog kennen en nog wel op onze tafel ontmoeten, want dit patriciërsgeslacht onder de dieren is, evenals er reeds zoovele onder de menschen verdwenen zijn, het uitsterven nabij. Vroeger kwam de rivierkreeft, zelfs in ons land, in beekjes in Limburg en in de rivier de Berkel, tamelijk veel voor, maar nu is hij, ook in Duitschland, zoo goed als uitgeroeid, deels als gevolg eener vreeselijke ziekte: de kreeftenpest, doch vooral ook door de onverstandige roofvangst van den mensch. Toch zijn er in Duitschland nog enkele beken en rivieren, waar die ziekte nog niet is doorgedrongen en dit is de reden, dat wij hem nog wel eens te zien—en te eten—krijgen. Over de kreeften, in ’t algemeen, hebben wij reeds vroeger, bij de vlookreeften (bladz. 3) het een en ander verteld, zoodat wij ons nu tot eenige bijzonderheden van den rivierkreeft kunnen bepalen.

De rivierkreeft is in elk geval van veel hoogere afkomst dan de nietige vlookreeftjes. Hij, en zijn welgedane neef uit de zee, de zeekreeft, zijn de edellieden van hun geslacht, ook in uiterlijk voorkomen. In hun hard uitwendig pantser, uit chitine en koolzure kalk bestaande, bezitten zij een uitstekend verweermiddel tegen vijanden en, naar het bezit daarvan, worden de kreeftachtige dieren, in ’t algemeen, ook wel schaaldieren genoemd. Daarom leeft de rivierkreeft ook gaarne in kalkhoudend water, dat ondiep en zwak stroomend is, en welks bodem hem, onder steenen en in holten, gelegenheid aanbiedt, om zich te verschuilen. Bij het levende dier heeft die schaal een groenachtig bruine, hier en daar zwarte, kleur en het is voor menigeen een raadsel, hoe zij, na het koken, zulk een prachtige roode kleur vertoont, die het dier tot een waar sieraad van onze schotels maakt. Toch is de verklaring daarvan zeer eenvoudig: de kleurstof van de schaal is een mengsel van groen, bruin, blauw en rood, waarvan alleen het laatste onoplosbaar is in water; bij het koken lossen dus al de andere kleurstoffen in het water op en slechts het rood blijft in de schaal achter.

Aan het groote voorste pantser, dat het vergroeide kop-borststuk bedekt, ziet men vooraan twee paren sprieten, een kenmerk van alle kreeftachtigen en daarvan zijn de twee binnenste kleiner en nog van 2 of 3 aanhangsels voorzien, terwijl de twee buitenste bestaan uit een breedere basis, waarop een zeer lange en dunne, buigzame draad ingeplant is. Deze laatsten vooral zijn uiterst gevoelig en daardoor van groot nut, om onophoudelijk en naar alle richtingen, te tasten en te speuren. Doch bovendien zetelt daarin ook de reuk, en hoewel dit zeker een ongewone plaats is, valt het doelmatige daarvan toch niet te ontkennen, want de dieren zijn daardoor in staat, om, reeds op een afstand, overal „den neus in te steken”. In de basis van het binnenste paar sprieten liggen de gehoororganen. De oogen zijn zeer scherp en bovendien op beweeglijke steekjes geplaatst, zoodat zij, naar alle richtingen, terdege kunnen speuren en spieden.

Het kop-borststuk bestaat uit 13 leden, waarvan de 5 voorste de 5 paar, zeer ingewikkelde mondledematen dragen, dat wil zeggen: ledematen, die vervormd zijn tot kaken, dienende om het voedsel te betasten en verder te verdeelen, vóór het in den mond verhuist. Daarop volgen 3 leden, voorzien van zoogenaamde „kaakpooten”, die het midden houden tusschen kaken en pooten en dienen, om het voedsel van de scharen over te nemen en naar den mond te brengen. De 5 laatste leden van het kop-borststuk dragen de 5 paar stevige en krachtige borstpooten, die, behalve voor de verdediging en het grijpen der prooi, voor het loopen dienen. Op deze zonderlinge beenen stapt het dier, langzaam en deftig, gelijk een edelman betaamt, over den bodem voorwaarts, in een waren „kreeftengang”, doch niet achterwaarts, zooals de legende het veel miskende dier heeft aangewreven. Alleen als er plotseling gevaar dreigt, zwemt hij snel achterwaarts weg, want dan wordt het smallere, uit 7 leden bestaande achterlijf, dat, wegens de weekere deelen tusschen de leden, zeer buigzaam en beweeglijk en van breede, platte aanhangsels voor het zwemmen voorzien is, met kracht naar onderen, dus naar voren geslagen, waardoor zich het lichaam dan, stootsgewijs, naar achteren beweegt, hetgeen tot die verkeerde gevolgtrekking aanleiding gegeven heeft. Die beweging wordt nog bevorderd door de breede, in vijf stukken gespleten staartvin, waarin het laatste lid van het achterlijf eindigt.

Het voorste paar borstpooten draagt de geweldige scharen, die niet slechts dienen om den buit te grijpen en in stukjes te knippen, doch ook als geduchte wapens ter verdediging. Aan het 2e en 3e paar borstpooten bevinden zich nog kleinere schaartjes, waarmede de stukjes voedsel aan de kaakpooten overgereikt worden, die ze, op hun beurt, weer aan de monddeelen overhandigen. Zooals men ziet, is het een tamelijk ingewikkelde bewerking, vóór de mondvoorraad te bestemder plaatse en in goede orde bezorgd is. De ademhaling geschiedt natuurlijk bij alle kreeftachtigen door kieuwen. Deze liggen hier, als fijne vertakte plaatjes, aan de beide zijden van het kopborststuk, in de zoogenaamde „kieuwholte”. Toch kan het dier ook, zonder nadeel, geruimen tijd op het droge vertoeven. Het kleurlooze of groenachtige bloed stroomt van het hart, dat in den rug ligt, bij de kreeften door gesloten bloedvaten naar de kieuwen; dit is een uitzondering op den algemeenen regel bij de gelede dieren, waar het bloed anders eenvoudig door de lichaamsholte stroomt. Ook in dit opzicht hebben de kreeften dus reeds een hoogeren trap van ontwikkeling bereikt.

De kreeft is een nachtdier; vandaar dat hij ’s nachts, bij het licht van een lantaren, gevangen wordt. Want over dag houdt hij zich schuil onder steenen, kribben, boomwortels enz. of ook wel in zelf gegraven holen, aan wier ingang hij, verdekt opgesteld, voortdurend zit te loeren op een voorbijtrekkende prooi, met de scharen tot den aanval of de verdediging gereed, terwijl de lange sprieten er buiten uitsteken en onophoudelijk bezig zijn, met de omgeving, in alle richtingen, te verkennen (zie fig. 4 op de Plaat). Eerst tegen het duister verlaat hij zijn schuilplaats, om een wandeling over den bodem te maken, ten einde meer doortastend naar buit uit te zien. En daarbij betoont hij zich een ware roover, want bijna alles is hem lief: levende en doode waterdieren van allerlei aard, wormen, visschen, larven, waterslakken, kikvorschen, keukenafval, ja zelfs waterratten valt hij aan en houdt deze, met zijn venijnige knijpende scharen, zoolang onder water, tot zij gestikt zijn. Zooals men ziet, is deze edelman niet bepaald kieskeurig in zijn middelen en, hoewel hij ons de heerlijkste tafelgeneugten bereidt, evenmin zwaartillend in de keuze van zijn eigen menu.

In den winter vertoeft de rivierkreeft diep onder het water in een hol, doch zonder een eigenlijken winterslaap te houden. Integendeel: dan wordt van die rustperiode juist voor de paring gebruik gemaakt. Tegen dien tijd heeft het wijfje de eieren, door middel van een soort slijm, aan de aanhangsels van haar achterlijf bevestigd, en daaraan draagt zij die tot aan het voorjaar mee. Dan komen de jongen uit, die 1 à 1,5 centim. lang zijn en reeds grootendeels den vorm van het moederdier hebben, daar de rivierkreeft, bij uitzondering, geen gedaanteverwisseling ondergaat, zooals de overige kreeften. Zij voeden zich met zeer kleine waterdiertjes. De moederlijke bescherming kunnen zij echter nog in langen tijd niet ontberen en daarom hechten zij zich, met hun scharen, aan de borstels van de achterlijfsleden der moeder vast en verlaten die eerst na het eerste vervellen of „ruien”. Zij groeien zeer langzaam; een kreeft van 10 centimeters is zeker 10 jaren oud.

Het genoemde „ruien” moet ook later nog herhaaldelijk plaats hebben en, hoewel dit voor het dier een alles behalve aangename bezigheid mag heeten, zoo is het toch een noodzakelijk kwaad, dat te danken is aan het harde, onbuigzame keurslijf, waarin de kreeft gekneld zit. Terwijl de groei van het dier zelf voortgaat, kan het pantser dien natuurlijk niet meemaken; het wordt te nauw en de eenige uitweg is, om dezen te engen rok, waar het dier uitgegroeid is, af te werpen en zich een nieuwen, wijderen te laten aanmeten. En zoo verkeert deze edelman dus in de harde noodzakelijkheid, om, gedurende zijn geheele leven, herhaalde malen „uit zijn vel te springen.”

Gedurende dit proces is het dier tijdelijk volslagen hulpeloos en weerloos en het wekt ons medelijden op, als een werkelijk beklagenswaardig schepsel. Want de, thans naakte en nog zeer dunne, huid is nu zeer gevoelig en week en kan licht beschadigd worden, de zoo gevreesde scharen zijn insgelijks week en dus totaal onbruikbaar. Hij doet dus, wat in zijn geval ongetwijfeld de verstandigste partij is, en, alsof hij zich voor zijn naaktheid schaamde, kruipt hij weg en verbergt zich zorgvuldig, totdat de verharding der huid, door het afzetten van kalkdeelen, weer tot stand gekomen is. Dit heeft betrekkelijk spoedig, binnen 6 tot 8 dagen, plaats, want reeds vóór het vervellen heeft zich in den maagwand een kalkvoorraad verzameld, in den vorm van twee platte, ronde korrels, de zoogenaamde „kreeftsoogen,” die vroeger wel in de geneeskunde gebruikt werden. De inhoud van die korrels wordt nu door den bloedstroom naar de huid gevoerd en, na het verharden daarvan, vormen zich, uit de kalkdeelen van het water, in de maag weer nieuwe kreeftsoogen voor een volgende verwisseling van kostuum. Het merkwaardigste is echter, dat het vervellen zich ook uitstrekt over de voelers, de oogen, de kieuwen, ja zelfs over het darmkanaal.

Van het gezelschap op plaat II vragen ook weer eenige schelpdieren en slakken onze aandacht. Beneden, rechts in den hoek, ligt de rivier-parelmossel (Unio margaritifera), fig. 9, die in snelvlietende rivieren en beken van Duitschland, België, Schotland, Zweden en Lapland, doch ook wel in ons land, aangetroffen wordt. De schelp heeft een slot met groote tanden, waarvan één op de eene klep en twee op de andere; zij is langwerpig ovaal en effen bruin of zwartbruin van kleur. Op de plaat is de schelp van het kleinste der beide exemplaren een weinig geopend en kan men, aan de binnenzijde van de onderste schelpklep, dicht bij den rand, een parel zien liggen, die uit koolzure kalk bestaat, welke door den mantel om het een of andere, toevallig binnen gedrongen, korreltje afgescheiden wordt.

Dit zijn echter niet de echte parels; zij zijn klein en hebben niet veel waarde, hoewel er, nog in den aanvang der 19e eeuw, in bovengenoemde landen een vrij levendige handel in gedreven werd. De echte parels zijn afkomstig van den „pareloester”, die in de tropische zeeën leeft en waarover wij later zullen spreken.

Boven de parelmossel op de plaat liggen op den bodem nog twee exemplaren van een ander schelpdier: de rivier-horenschaal (Cyclas rivicola), fig. 6, met een tamelijk gezwollen schelp, 2 centim. lang, rond van vorm en zacht bruinachtig-groen van kleur, met donkerder banden geteekend. Van andere schelpdieren onderscheidt zich deze soort daardoor, dat zij niet voortdurend ongeveer op dezelfde plaats blijft, doch zich tamelijk levendig beweegt. Ook graaft zij zich niet in, doch houdt zich tusschen stengels van waterplanten op.

Ook een paar slakken bevinden zich nog in dit gezelschap en genieten, op den kiezelachtigen bodem, met volle teugen van de geneugten der waterwereld. Het zijn een paar exemplaren van een schijfhorenslak (Planorbis vortex), fig. 8, wier huisje zeer plat en niet spits is, doch als een horen opgerold, met windingen, die in één plat vlak liggen. Daarom worden deze slakjes ook wel „posthorentjes” genoemd. Zij hebben slechts één paar, voor terugtrekken vatbare, puntige, aan de basis eenigszins verbreede, voelhorens, aan wier voet de oogen geplaatst zijn. De kleur van het huisje is licht hoornbruin.

Deze soort behoort tot de tweeslachtige slakken, die zoowel in de lucht als in het water kunnen leven, daar de adem-opening in een holte voert, wier wanden van talrijke bloedvaten voorzien zijn voor de ademhaling in de lucht, doch waarin zich tevens kieuwplaten bevinden voor de ademhaling in het water. Het dier houdt dan ook veel van stilstaand water, waarin veel waterplanten groeien, vooral eendenkroos, en het kruipt dikwijls tegen die planten op, tot boven de oppervlakte van het water, om naar voedsel te zoeken.

Fig. H.
Een trilworm met 4 koppen.

En nu nog het laatste lid van de verzameling op deze plaat, dat ons echter, hoe onaanzienlijk ook op het oog, in bijzondere mate interesseert, wegens zijn zonderlinge levensgewoonten. Het is de, tot de klasse der platwormen (bladz. 8) behoorende, trilworm (Planaria gonocephala), fig. 7, waarvan in ons land de bruine trilworm (Pl. torva) voorkomt, die slechts 1 centim. lang is.

De trilwormen worden zoo genoemd, omdat zij met de trilharen, waarmede het geheele lichaam bezet is, een draaiende beweging in het water doen ontstaan. De lichaamsbeweging heeft echter meer door golvingen van het platte, ongelede lichaam plaats en bestaat slechts in een bedaard, regelmatig voortkruipen tusschen steenen enz., zooals wij bij de grootere soort van fig. 7 zien. Deze is 3 tot 4 centim. lang en olijfgroen of roodachtig geel van kleur. Het darmkanaal is vertakt en eigenaardig is, dat de mondopening nog iets achter het midden van het lichaam gelegen is. Deze dieren voeden zich met zeer kleine waterdiertjes, doch zijn zulke ontaarde schepselen, dat zij zich niet ontzien om, in geval van nood, zich, als ware kannibalen, zelfs aan hun naaste familieleden te vergrijpen. Men vindt ze in vijvers en poelen, onder steenen op den bodem of tusschen eendenkroos.

Overigens munten deze dieren uit door een buitengewone en hoogst merkwaardige levenstaaiheid. Dat stukken, die men van een trilworm afsnijdt, blijven voortleven en weer tot nieuwe volledige dieren uitgroeien, op dergelijke wijze als bij de zoetwaterpoliep (zie bladz. 22), is op zich zelf eigenlijk niets bijzonders, want dit is bij de wormen, om zoo te zeggen, een familiekwaal, het is daar schering en inslag. Maar bij de lagere wormen gaat dit herstellingsvermogen nog veel verder en de Planaria overtreft op dit gebied alles, wat er ooit in de geheele familie vertoond werd. In fig. H is daarvan één der avontuurlijkste gevallen afgebeeld, die het natuuronderzoek ooit heeft doen kennen. Wij zien daar een trilworm met 4 koppen, maar wij moeten er dadelijk aan toevoegen, dat dit geen speling der natuur is, doch een kunstproduct. Als men bij zulk een trilworm, op verschillende plaatsen van het lichaam: ter zijde, van achteren, van onderen enz. met een mes insnijdingen maakt, dan vormt zich op de plaats van elke wond een nieuwe kop en een nieuwe staart!

III.

Plate