WeRead Powered by ReaderPub
Uit de dierenwereld van het water / Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten cover

Uit de dierenwereld van het water / Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten

Chapter 31: PLAAT XV. DE STERRENWERELD VAN DEN ZEEBODEM.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The book presents richly illustrated natural-history sketches of small aquatic animals, progressing from freshwater ponds, ditches and streams to coastal and oceanic habitats. Chapters examine major groups—crustaceans, mollusks, cnidarians, echinoderms, sponges and microscopic forms—outlining anatomy, behavior, feeding and reproductive habits, coloration and ecological roles. Descriptions emphasize the variety of forms and life strategies found in different water bodies and provide accessible, grouped accounts of notable species, supported by an alphabetical index for further reference.

PLAAT XV.
DE STERRENWERELD VAN DEN ZEEBODEM.

Wij gaan nu kennis maken met een wereld van schitterend gekleurde sterren op den bodem der zee, waarvan wij ook aan onze kusten dikwijls voorbeelden zien: de zeesterren, de vierde klasse van de groote afdeeling der stekelhuidigen.

Stekelig zijn ook deze wezens weer in de hoogste mate, zelfs in tweeërlei zin: ditmaal niet slechts van uiterlijk, doch ook van inborst, want de zeesterren behooren tot de vraatzuchtigste en roofgierigste bewoners van het ondiepe water, waar zij, langzaam en voorzichtig kruipend tusschen allerlei voorwerpen, door heenglijden. In zoover zou men ze dus tot de „dwaalsterren” kunnen rekenen, hoewel ze ook wel iets van „vallende sterren” hebben, want werpt men ze, na het opvangen, weer in zee, dan laten ze zich, zonder eenige poging om te zwemmen of om drijvende te blijven, eenvoudig naar beneden vallen. En terwijl de, uit de eieren komende, jongen of larven, door middel van talrijke trilharen, vrij in zee rondzwemmen, zijn de ouden daarvoor volstrekt niet in staat, en door hun dik, stevig lichaam, met 5 vingervormige aanhangsels, de dikke huid, die vol van vaste kalkplaatjes en dus niet zeer buigzaam is, zijn zij als aangewezen om over den zeebodem te kruipen, hetgeen ook weer met den mond naar beneden geschiedt. En deze sterrenwereld vertoont ons een afwisselend beeld van verschillende vormen, met meestal levendige en fraaie kleuren.

XV.

De organisatie der zeesterren komt overeen met de schets, die wij daarvan op bladz. 149 voor de stekelhuidigen in ’t algemeen gegeven hebben. Alleen hebben zij een geheel anderen lichaamsvorm dan de drie vorige klassen, namelijk dien van een platte, vijfstralige ster, die in het midden uit een soort van schijf ontspringt, aan wier onderzijde steeds de mond en aan wier bovenkant de aarsopening ligt. De huid is wel leerachtig zacht, maar omvat toch een soort van skelet, dat uit rijen van kalklichaampjes bestaat, doch die beweeglijk met elkaar verbonden zijn en alzoo de beweging der armen mogelijk maken, terwijl zij naar buiten ook weer stekels vormen. Tusschen die stekels staan weer talrijke pedicillariën, de vroeger genoemde vertakte, tangvormige kleporganen (zie bladz. 151), waarmede alle vreemde voorwerpen en de uitwerpselen verwijderd worden, ten einde de huid te reinigen. De beweging geschiedt weer door de zuigpootjes van het ambulacraalstelsel (zie bladz. 150), welke in rijen, doch alleen aan de onderzijde, geplaatst zijn, van den mond te beginnen tot aan de punten der armen.

Het voedsel bestaat voornamelijk uit zeeslakken en schelpdieren, dus uit dieren, die zich zelf ook niet of zeer langzaam bewegen. In het aquarium kan men dikwijls zien, op welke wreedaardige wijze een zeester zelfs de schelpdieren, in hun schijnbaar onwrikbaar gesloten schelp, weet meester te worden. Eerst sluit het dier een oester of mossel, met een valschaardige omhelzing, zoo innig in zijn armen, dat de schelp, langzaam maar zeker, open gewrongen wordt en dan wordt de lange, buisvormige maag, door den mond naar buiten omgestulpt en door de gemaakte opening van de schelp gestoken, om de weeke deelen van de prooi uit te zuigen en verteren. Zelfs de zoo ongenaakbare kreeften worden op die wijze overmand.

Op de plaat treffen wij nog van twee verschillende orden der zeesterren voorbeelden aan. Bij de eigenlijke zeesterren (fig. 1, 4 en 6) zet het darmkanaal zich nog voor een deel voort in de zeer breede armen en hier staan de zuigpootjes in een diepe, onbedekte groeve in het midden van de onderzijde der armen, terwijl de zeefplaat, waardoor het water voor het ambulacraalstelsel binnentreedt, op de rugzijde ligt en er steeds pedicillariën voorhanden zijn. Daarentegen zijn de armen bij de tweede orde (fig. 3 en 5) zeer lang en slangvormig en scherp van de ronde lichaamsschijf gescheiden en daarom worden dezen slangensterren genoemd. Hier zet het darmkanaal zich niet in de armen voort, terwijl de ambulacraalpootjes, in een bedekte groeve, langs de zijkanten der armen staan. De zeefplaat ligt aan de buikzijde, onder een kalkplaat bij den mond: de mondplaat.

Verschillende soorten van de eerste orde, de eigenlijke zeesterren, zijn in het aquarium te Amsterdam te zien en op de plaat treffen wij de drie volgende soorten aan.

In fig. 1 zien wij de ijszee-zeester (Asterias glacialis), die echter ook in den geheelen Atlantischen oceaan, de Noordzee en zelfs in de Middellandsche zee voorkomt. Het is een fraai dier, roodachtig van kleur, met groote armen, die ongeveer 8 maal zoolang zijn als de lichaamsschijf breed is, n.l. ongeveer 40 centimeters. Elke arm heeft 4 rijen zuigvoetjes en de ambulacraalplaten dragen verscheidene rijen van stekels, aan wier voet zich gesteelde rijen van pedicillariën (grijptangen) bevinden. Van hetzelfde geslacht komen ook een paar soorten veel aan onze kusten voor en spoelen dikwijls aan het strand aan, waarvan het meest bekend is de gewone vijfvoet (Asterias rubens), die kleiner is dan de vorige en rood of oranje van kleur is.

De breedvoetige zeester (Palmipes pentagonaster) van fig. 4 vertoont volkomen den eigenaardigen stervorm. Het rugskelet bestaat uit platen, die elkaar dakpansgewijs bedekken en met stekels bezet zijn. De armen zijn hier ook niet zoo volkomen van elkaar gescheiden, doch hangen, door groote uitbreidingen van de schijf, met elkaar samen. Het levende dier is wit, met roode bundeltjes stekels op den rug, vooral langs de armen; de buikzijde is wit, met rooden rand.

De oranjekleurige kamster (Astropecten aurantiacus), fig. 6, is een bijzonder groote soort van 45 centim. lang en op den rug hoog oranjekleurig. De armen zijn langs de randen met eigenaardige stekels of borstels bezet, die veel lichter van kleur zijn en de ruwe bovenzijde is gelijkmatig en dicht met kleine zuiltjes bedekt. Elke arm heeft, aan weerszijden, 40 tot 50 bovenste randplaten, die grof gekorreld en van twee korte stekels voorzien zijn. De onderste randplaten zijn dicht geschubd, met 3 of 4 platte stekeltjes en een grooten randstekel. Een aarsopening ontbreekt. Deze soort komt ook aan onze kusten voor en spoelt somtijds aan het strand aan.

Van de orde der slangensterren (bladz. 162) zien wij op de plaat twee soorten. Fig. 3 stelt de witte slangenster (Ophiura albida) voor, die in alle Noord-Europeesche zeeën en de Oostzee, ook aan onze kusten, voorkomt, doch alleen op zeer aanzienlijke diepte. De mondschilden zijn kort, ongeveer even breed als lang; de insnijdingen der schijf, boven de armen, dragen aan weerszijden 10-12 papillen. De kleur van het levende dier is steenrood, na den dood wordt zij wit. De lichaamsschijf meet 15 centim. in doorsnede, de armen worden tot 5 centim. lang. Deze dieren sluipen en klauteren, met zekere behendigheid, in rotsspleten, koraalriffen of wormbuizen rond, waarbij zij slechts weinig van hun zuigpootjes gebruik maken, doch des te meer van hun armen, die zij om allerlei voorwerpen in het water heenwikkelen. In de warme zeeën leven zij van de zachte deelen der koralen, in onze zeeën van andere weeke zeedieren.

Een andere, zeer fraaie slangster is de broze stekelslangster (Ophistrix fragilis) van fig. 5, die een groote dikke schijf bezit, met eenigszins ingezonken straalschilden en bezet met verschillend gevormde korte en krachtige uitsteeksels, waartusschen dikwijls eenige slanke, lange stekels staan. De armen zijn dun, ongeveer 5 maal zoo lang als de middellijn van de lichaamsschijf. De buikschilden der armen vertoonen aan den buitenkant een bocht. De stekels op de armen staan ten getale van 8-10 bij elkaar, zij zijn stomp en loopen in een kleinen doren uit. De kleur is zeer verschillend. De dieren komen ’s winters veel aan onze stranden en vooral na een storm vindt men, dikwijls bij duizenden, de aangespoelde kalkplaatjes. De armen zijn zeer bros (vandaar de naam), doch zij groeien, na het afbreken, weer spoedig aan.

Op de plaat komt nog een ander dier voor, dat niet tot de zeesterren behoort en hier eigenlijk eenigermate verdwaald is, daar het behoort tot het gebied van plaat XIV en wel: tot de gesteelde zeeleliën (zie bladz. 158), namelijk:

Het Medusahoofd (Pentacrinus caput Medusae), fig. 2, een prachtige, in het water wiegelende dierlijke bloem, als ’t ware een gesteelde waterlelie, wier steel, die na den dood in de leedjes uit elkaar valt, nog bezet is met talrijke kransen van gelede ranken. Bovenaan bevindt zich een krans van vangarmen, in wier midden zich de, naar boven gerichte, mond bevindt en die naar het grondtal 5 gerangschikt zijn, doch zich zoo vertakken, dat er 20 armvertakkingen zijn; aan hun rugzijde worden zij door kalkplaten gesteund. De dunne armen dragen bovendien nog vele gelede, veervormige zijtakjes. Als nu deze armen zich straalsgewijs ontplooien, dan vormen zij te zamen een vangtrechter, waarin het toestroomende voedsel blijft hangen en, als ’t ware, uit het water bijeengezift wordt. De groeven der armen zijn met trilharen bezet en deze voeren, door hun beweging, de deeltjes van het voedsel naar den mond. Hoewel de zeeleliën aan den zeebodem vastgegroeid zijn, zoo ontbreekt haar toch niet een zekere beweeglijkheid; evenals een bloem op langen steel in den wind, zoo wiegelt zij in het water heen en weer, zoodat zij haar arbeid van het bijeenziften van voedsel over een vrij groot gebied kan uitbreiden.

In toestand van rust worden de armen boven den mond samengevouwen en dan heeft het dier veel overeenkomst met een verdroogde Jerichoroos. De voortplanting geschiedt door eieren, die dikwijls in groote menigte aan de veertjes der armen hangen. Daaruit ontwikkelen zich eerst vrij zwemmende larven, die een gedaanteverwisseling ondergaan en zich later vastzetten. De dieren leven in den West-Indischen Oceaan, bij de Antillen, en zijn licht geelachtig bruin van kleur.

XVI.