PLAAT XIII.
UIT HET RIJK DER SCHELPDIEREN.

Het tooneel dezer plaat verplaatst ons weer in het gebied van een andere klasse der weekdieren: de plaatkieuwigen of schelpdieren, waarvan wij vroeger eenige voorbeelden uit het zoete water ontmoet hebben, terwijl wij thans met een groote verscheidenheid van zeebewoners zullen kennis maken. Verschillende soorten daarvan zijn in elk zee-aquarium, zoo ook in dat te Amsterdam, vertegenwoordigd.

De algemeene organisatie van de schelpdieren of mossels werd, reeds bij die vroegere gelegenheid, uitvoerig door ons besproken en wij kunnen dus den lezer slechts aanraden om, vóór wij verder gaan, die beschrijving op bladz. 10-15 nog eens aandachtig over te lezen, waarbij de afbeeldingen B en C op bladz. 12 en 13 weer goede diensten zullen bewijzen. Thans willen wij dus nog slechts, in het kort, een paar hoofdpunten in herinnering brengen.

Binnen de beide, uit koolzure kalk en conchyoline bestaande, schelpkleppen, die door een slot, meestal van tandjes voorzien, beweeglijk verbonden zijn en van buiten door een veerkrachtigen slotband uiteengetrokken worden, liggen vooreerst de beide bladen van den mantel, die aan zijn buitenoppervlakte de schelp heeft afgescheiden en binnen welke de mantelholte gelegen is. Het levende dier kan de beide schelpkleppen stevig aaneen doen sluiten door het samentrekken van één of twee sluitspieren, die aan de binnenzijde van de kleppen vastgehecht zijn en waarvan de aanhechtingsplaatsen of „spierindrukken” later nog steeds zijn te zien (zie fig. C op bladz. 13, bij gg). Binnen den mantel liggen verder weer de platte bladen van twee paren (zelden één paar) kieuwen, naar welke men deze klasse de plaatkieuwige weekdieren noemt.

Voorts zagen wij, dat bij geen enkel schelpdier ooit „het hoofd kan omloopen”, noch „het hoofd op hol” kan gaan, want bij allen ontbreekt de kop volkomen: het zijn koplooze weekdieren. Toch is de onmisbare mond aanwezig, die bij het ééne uiteinde der schelp gelegen is, doch die alle organen voor het fijnwrijven van het voedsel, die wij bij de slakken aantroffen, mist, daar de schelpdieren zich slechts voeden met mikroskopische diertjes of plantjes, die, met het naar de mantelholte stroomende, water meegevoerd worden. Bij het tegenovergestelde uiteinde van de schelp ligt de aarsopening en tusschen deze en den mond een vrij volledig darmkanaal, terwijl ook het hart en de bloedsomloop goed ontwikkeld zijn, evenals het zenuwstelsel, dat uit 3 paren zenuwknoopen bestaat, waarvan zenuwdraden naar de verschillende organen en zintuigen uitgaan. Onder de laatste zijn gehoororganen voorhanden en niet zelden zelfs oogen, die aan den rand van den mantel liggen.

Als bewegingsorgaan dient, zooals bij alle weekdieren, de voet, in de buurt van den mond gelegen, een stevige, dikke spier (zie fig. B op bladz. 12, bij F), die, door beurtelingsche samentrekking en uitzetting, het lichaam, met de schelp, voortbeweegt of in het zand graaft. Het is trouwens een armzalig soort van beweging, want de rivier-parelmossel, die wij vroeger, bij de zoetwater-mosselen, ontmoet hebben (zie bladz. 31), heeft niet minder dan een half uur noodig, om een weg af te leggen, zoo lang als haar eigen schelp en als zij grooten spoed maakt, komt zij, in 9 uren tijds, niet meer dan 80 centim. vooruit. Onpartijdigheidshalve moeten wij er echter bijvoegen, dat er uitzonderingen zijn; sommigen kunnen, door middel van dat primitieve bewegingsorgaan, tamelijk snel zwemmen, andere, zooals de zandschelp, zelfs zekere akrobatische sprongen doen.

Nog dient opgemerkt, dat de beide randen van den mantel geheel open kunnen zijn of voor een groot deel onderling kunnen vergroeien; in het laatste geval blijft er slechts een opening in den mantel vrij voor het doorlaten van den voet, benevens een onderste en bovenste opening voor den toevoer en afvoer van water en voedsel, wier randen dan dikwijls vergroeid en tot adembuizen of sipho’s verlengd zijn (zie bladz. 14). Vele schelpdieren groeien eenvoudig met hun schelp aan andere voorwerpen vast; velen hebben echter, onder den voet, een spinklier of byssusklier, waarmede zij een bundel „byssusdraden”, ook „baard” genoemd, spinnen, om zich aan steenen of rotsen vast te hechten. Naar gelang van de aanwezigheid van één of twee sluitspieren, verdeelt men de schelpdieren in twee orden: de éenspierigen en de tweespierigen. Wij zullen eerst kennis maken met eenige vertegenwoordigers der

EENSPIERIGEN,

bij welke steeds slechts de indruk van één enkele groote sluitspier in het midden der schelpkleppen te zien is, terwijl deze laatsten onregelmatig en ongelijk van vorm zijn en de mantel steeds geheel gesloten en aan den rand van franjes of papillen voorzien is. Wij beginnen met den edelsten van dit gilde, de kostelijkste gave voor de fijnproevers, waarvan wij reeds op bladz. 11 iets verteld hebben, namelijk: den gewonen oester (Ostrea edulis, d.i. eetbare oester), die in fig. 21 afgebeeld is. De schelpkleppen zijn hier rond-eivormig, aan het slot smaller toeloopend; de bovenste klep is vlak en ondiep, van buiten bladerig, de onderste dieper en dikker, van buiten met gevouwen overlangsche ribben bedekt. Het slot is puntig, zonder tanden en de kleine slotband is, aan weerszijden van het slot, in een kleine groef bevestigd. Het dier zelf is eivormig, langwerpig en zeer glad, de randen van den mantel zijn dik. De indruk van de sluitspier is onduidelijk. De voet ontbreekt, als volkomen overbodig, daar de dieren met de geheele onderste, dikkere schelpklep aan den bodem of aan andere schelpen vastgegroeid zijn. Er bestaan veel verscheidenheden in vorm, grootte, smaak en vastheid van het vleesch, zooals Zeeuwsche, Texelsche, Engelsche koroesters enz., doch deze zijn alleen aan de wijze van behandeling te danken en geenszins verschillende soorten.

De oesters komen aan de verschillende Noordzeekusten voor op een diepte van 18 tot 36 meters, liefst op steen- of kleiachtigen, niet op zandigen bodem. De voortplanting heeft in het voorjaar en den zomer plaats en in dien tijd worden de dieren niet gevangen, daar zij dan mager, schraal en taai zijn. Men neemt als regel aan, dat de oesters alleen deugdelijk zijn in de maanden, wier naam een R bevat, dus van September tot April, omgekeerd als bij den kreeft (bladz. 61). Het aantal eieren, dat gelegd wordt, is ontzaglijk groot, dikwijls voor één oester meer dan een millioen, waarvan er echter slechts enkelen tot ontwikkeling komen. Uit de eitjes komen eerst larven, het „oesterzaad”, doch de jonge oesters zijn lang niet zoo hokvast als de oudelui; zij zwemmen lustig en vrij in het water rond en zetten zich eerst later met de diepere schelpklep vast, waarna de voet, als overbodig, bijna geheel verdwijnt. De dieren beminnen de gezelligheid; zij leven altijd in grooten getale bij elkaar, op zoogenaamde oesterbanken.

Na het vangen zijn de oesters nog niet voor het gebruik geschikt; zij moeten eerst nog, zooals men dat noemt, „gespeend” worden in de oesterputten, die men bij ons vooral in Zeeland aantreft en die bestaan uit groote, met planken of gekalkte dakpannen gevulde, ruimten, waarop de dieren zich vasthechten en waardoor men, bij eb en vloed, door middel van sluizen herhaalde malen versch zeewater laat in- en uitstroomen. De dieren spuwen dan, zooals de technische term luidt, dat is: door het zeewater worden alle onzuiverheden weggespoeld en daardoor wordt het vleesch van den oester blank en smakelijk.

Bij de familie der hamerschelpen vormt de slotrand bijna een rechte lijn en heeft naar voren en naar achteren oorvormige aanhangsels, zoodat de schelp een eenigszins hamervormige gedaante verkrijgt, zooals vooral het geval is bij den Poolschen hamer uit den Indischen Oceaan, minder duidelijk, maar toch zichtbaar, bij de twee soorten van fig. 1 en 2. Fig. 1 is de paarlemoerschelp (Avicula), insgelijks uit den Indischen Oceaan, wier mantel geheel open is en slechts twee franjeachtige spleten heeft, in plaats van de adembuizen of sipho’s. De sluitspier, in het midden van de schelpkleppen gelegen, is zeer groot. De voet is klein, tongvormig en van byssusdraden voorzien (bladz. 133), die door een insnijding van de rechterklep naar buiten treden. De kleur is grijsachtig bruin.

De echte parelschelp of parelmossel (Meleagrina margaritifera), fig. 2, heeft een afgerond vierhoekige, zeer dikke schelp, die zeer bladerig en van scherpe randen voorzien en uitwendig groenachtig grijs van kleur is, met witte stralen, terwijl de binnenzijde paarlemoerachtig glinstert. Het slot heeft noch tanden, noch lijsten. De dieren leven in den Indischen Oceaan en de Roode zee en hechten zich op groote diepten met hun baarddraden aan de klippen vast, zoodat de visschers of duikers zich, voor de vangst, aan een touw naar beneden laten zakken, om zooveel mogelijk schelpen tegelijk los te snijden. De binnenwand der schelp levert paarlemoer en daarin vormen zich de schoone en kostbare echte parelen, zooals dit op bladz. 31 voor de onechte verklaard werd.

Tot de éénspierigen zonder adembuizen behoort verder de familie der kam- of mantelschelpen, aldus genoemd naar den vorm der schelp, die porseleinachtig en niet afgebladerd is en eenigszins op een haarkam of een uitgespreiden mantel gelijkt. Daarvan zien wij in fig. 17 den Sint Jacobsmantel (Pecten Jacobaeus), met ongelijke kleppen, waarvan de bovenste plat is, 14 tot 16 kantige ribben vertoont en roodbruin van kleur is, terwijl de veel diepere onderste klep straalvormige, overlangsche groeven heeft. Slottanden ontbreken; het dier zelf is rondachtig, heeft een open mantel, met zeer dunne draadjes omzoomd en de voet is klein, gesteeld en knotsvormig. Met deze soort, die in de Middellandsche zee tehuis is, komen vier inlandsche soorten zeer veel overeen, waarvan de pelgrimsschelp of kamschelp (Pecten maximus), ten onrechte ook wel eens Jakobsmantel genoemd, vooral bekend en wegens zijn fraaiheid door verzamelaars hoog gewaardeerd is. Het is het grootste van onze inlandsche schelpdieren (tot 16 centim.). De diepe onderschelpen verschijnen bij ons als „schelpen” op tafel voor allerlei vleesch- en vischschoteltjes; in Engeland worden de dieren zelf gegeten en in het noorden van Europa wordt de vlakke bovenschelp door de Groenlandsche schoonen als kam in het haar gedragen.

De kamschelpen zijn niet vastgehecht, kunnen zich zelfs, door het openen en dichtkleppen van hun schelpen, vrij snel door het water voortbewegen, als zij vervolgd worden. En daarmede staat een hoogst merkwaardige bijzonderheid in verband: om den vijand te kunnen ontvlieden, moeten zij hem kunnen zien en hoewel oogen bij de schelpdieren wel meer voorkomen, zijn zij hier toch buitengewoon volkomen en met kwistige hand, ten getale van 60 tot 80, soms wel meer dan 100, als prachtig groenachtig glinsterende punten, langs den rand van den mantel verspreid, zoodat zij het gevaar werkelijk van alle kanten „onder de oogen zien”.

Op dergelijke wijze beweegt zich ook de klapschelp of Lazarusklep (Spondylus gaederopus) van fig. 13 voort, die ook overigens veel met de vorige overeenkomt. Hier zijn de kleppen ongelijk, ruw, straalsgewijze geribd, 7-8 centim. lang, fraai rozerood van kleur en sierlijk van vorm door een aantal groote, dorenachtige uitsteeksels van den rand, waartusschen verscheidene rijen van kleinere stekels. Het slot heeft van binnen twee groote, stompe tanden, die zoo volkomen passen in de groeven van de andere klep, dat zij alleen door het afbreken dier tanden van elkaar gescheiden kunnen worden. Daartusschen is de slotband bevestigd. Ook deze soort heeft oogen op den rand van den mantel. De dieren leven in de Middellandsche zee en de schelpen, die met de rechterklep aan rotsen zijn vastgegroeid, zijn door verzamelaars zeer gezocht.

Al de tot nog toe genoemde éénspierige schelpdieren zijn gekenmerkt door het ontbreken van eigenlijke adembuizen of sipho’s. Thans volgen een paar soorten, die als een overgang van de vorige tot de schelpdieren met volkomen sipho’s kunnen beschouwd worden, doch waartoe trouwens ook verschillende tweespierigen behooren. Zij hebben namelijk geen of een zeer korte sipho, doch de mantelranden zijn geheel vergroeid en er blijven slechts drie openingen vrij: één voor den voet, één voor den toevoer van versch water en voedsel en één voor den afvoer van water en uitwerpselen. Wij laten daarvan een viertal soorten volgen.

Tot de grootste van alle schelpdieren behoort de reuzenschelp (Tridacna gigas) uit de Roode zee en den Indischen Oceaan, die in fig. 15 afgebeeld is. Deze schelp kan tot 1,5 meter lang en 250 tot 300 kilogr. zwaar worden. Zij is wit van kleur, dwars-eivormig, met 8 à 10 groote, geschubde ribben; die schubben zijn kort, gewelfd en staan naar buiten uit. De mantel van het levende dier vertoont, als de schelp open is, de prachtigste kleurschakeeringen. Bij Celebes vindt men deze dieren in menigte tusschen de koralen en zij worden door de inlanders gaarne gegeten, vooral de kolossale sluitspier, die zij op een drievoet braden en dan in stukken snijden. Een dier van middelbare grootte levert een behoorlijken maaltijd voor 4 of 5 personen. De schelpen zelf worden tot allerlei vaatwerk gebezigd en bij ons wel in tuinen gebruikt, om er planten in te plaatsen. De grootere dienen ook als wijwaterbakken, de kleinere, op een voet bevestigd, als aschbakjes.

Tot die overgangsvormen behooren verder nog: de astarte (Astarta), fig. 3, in de noordelijke zeeën, eirond, bruin of zwart van kleur, 4 à 5 centim. lang, met twee tanden aan elke klep en een bruinrooden voet, en het ossenhart of de narrenkap (Isocardia), fig. 9, met eigenaardige schelp, die uit twee gelijke bol-hartvormige kleppen bestaat, wier toppen, als een kap, spiraalvormig naar binnen omgebogen zijn. De deels geopende mantel heeft twee franje-achtige ademopeningen, doch geen eigenlijke sipho’s. De kleine voet is eivormig. De kleur van de schelp is roodachtig roestkleurig, met witte kronkelingen en fijne strepen. Zij komt op rotsen en zandigen bodem in de Middellandsche zee en den Indischen oceaan voor.

Thans gaan wij over tot de schelpdieren, die twee sluitspieren bezitten: de

TWEESPIERIGEN

en ook onder dezen ontmoeten wij reeds dadelijk een goede en trouwe, zeer gewaardeerde bekende, vooral voor ons, bewoners der Noordzeestranden, waar zij zelfs het meest bekende van alle schelpdieren is, namelijk:

de gewone mossel (Mytilus edulis, d. i. eetbare mossel), fig. 10, die het naast verwant is aan de, vroeger besproken, riviermossel uit onze binnenwateren. De mossel behoort ook weer tot de, zooeven genoemde, overgangsvormen, want ook bij haar is de mantel nog bijna geheel gespleten en is de adembuis of sipho kort en weinig ontwikkeld. Daarentegen zijn deze eigenlijke mossels gekenmerkt door het bezit van een sterk ontwikkelde baard- of byssusklier (zie bladz. 15 en 133) aan de basis van den dunnen, ronden voet. Met de talrijke, daardoor afgescheiden, byssusdraden spint het dier zich aan steenen enz. vast.

De gewone mossel komt aan alle kusten van Europa voor, doch het smakelijkst is die van de Noord- en Oostzee. De dieren leven gezellig in groote massa’s bij elkaar en aan onze kusten ziet men de langwerpig ronde, blauwzwarte schelpen van 6-20 centim., bij duizenden vastgesponnen aan de steenen hoofden en aan de palen der zeeweringen. De mossel is, na den oester, het belangrijkste eetbare schelpdier; wel is de smaak minder fijn, maar daartegenover staat de veel lagere prijs, die haar, in zekere mate, tot een volksvoedsel maakt, vooral in ons land, Duitschland, Italië en Frankrijk. De smaak is het beste in den herfst en den winter. De mossel is veel beweeglijker dan de oester en het bewegingsorgaan, den voet, zien wij meestal ver buiten de schelp uitsteken. Ook ziet men daarbuiten de franjevormige aanhangsels van den mantel. Het slot heeft vier tandjes. Het dier zelf is langwerpig eirond, oranjegeel van kleur.

Met de vorige komt zeer veel overeen: de steekmossel (Pinna nobilis), fig. 11, die vooral in de Middellandsche zee voorkomt. De schelp is zeer groot, tot 30 centim., scheef driehoekig van vorm en eenigszins waaiervormig, puntig toeloopend. Met die punt wordt de schelp in den bodem gestoken en met de byssusdraden aan omringende voorwerpen vastgehecht. De schelp is roodachtig bruin van kleur, straalvormig gestreept en van buiten dicht bezet met ruwe, holle schubben. De randen van den mantel zijn volkomen vrij. De voet is kegelvormig en gegroefd en in de buurt daarvan ligt een groote byssusklier, waaruit zeer fijne, fraai goudachtig glinsterende byssusdraden gesponnen worden. Deze worden in Italië, vooral in de buurt van Tarente, reeds sedert eeuwen verzameld en, met zijde vermengd, tot handschoenen, kragen, beurzen enz. geweven.

Hierbij sluit zich aan het dier van fig. 6, de modiola (Modiola), welks schelpkleppen zeer dun, fijn en doorschijnend, langwerpig van vorm en naar boven in een bocht samengedrukt zijn. De kleur is wit, met bruine stralen, doch de schelp gelijkt uiterlijk zeer veel op die van de mossel. Het dier komt in de Europeesche zeeën voor, doch het ontbreekt op onze kusten.

Tot de familie der mossels behooren ook de arkschelpen, naar den vorm aldus genoemd, en waarvan in fig. 5 de gebaarde arkschelp (Arca barbata), afgebeeld is. De schelpen zijn lang en vlak, eenigszins uitgebogen en kruiswijs gestreept. De overlangsche strepen zijn korrelig en de oppervlakte gebaard. De kleur is in het midden wit, aan de kanten roodbruin. Het rechte slot bestaat uit talrijke, in een rij geplaatste tandjes, de slotband is uitwendig. De randen van den mantel zijn geheel vrij, de voet is zeer kort, dik en stomp. Het dier komt in de Europeesche zeeën voor, waar het zich, onder het slib, aan rotsen vasthecht.

Nog twee andere soorten moeten tot deze groep gebracht worden: het nootje of de paarlemoerneut (Nucula rostrata) fig. 18, die in de Noord- en Oostzee voorkomt en een langwerpig bolle, fijn en dwarsgestreepte schelp heeft, waarvan de langere en smallere voorzijde snavelachtig toeloopt, terwijl het slot uit vele tandjes bestaat, die een hoek vormen—en de gemarmerde kamschelp (Pectunculus glycymeris), fig. 19, niet te verwarren met de eigenlijke kamschelpen (blad. 136), doch die bijna rond, gelijkzijdig en tamelijk bol is, met stevige dikke kleppen, wier spitsen duidelijk uitsteken. De kleur is lichtgeel of bleekrood, met donkerroode zigzagstrepen en fijne stralen. Het bochtig gekromde slot heeft aan elke zijde 6-12 scheeve tanden en een uitwendigen slotband. Men vindt het dier in de Middellandsche en Noordzee, ook aan onze kusten.

Bij de mossels sluit zich verder nog aan: de steendadel (Lithodomus dactylus), fig. 8, welks schelp wel iets op een gedroogde dadel gelijkt, lang uitgerekt, vingervormig en glimmend bruin van kleur en aan de beide uiteinden stomp en overlangs en dwars gestreept is. De byssus is zeer klein en gaat later verloren en daar het dier dan geen houvast meer heeft, boort het zich—waarschijnlijk met behulp van zuren, die het afscheidt—in kalksteenen en zelfs in hard marmer, soms ook wel in de schalen van andere schelpdieren. Zij leeft in de Middellandsche zee.

Bekend is de merkwaardige wijze, waarop de steendadels geboord hebben in de zuilen van den Serapistempel van Puzzuoli bij Napels. Deze zuilen zijn, over een hoogte van 3 tot en met 5 meters boven den zeespiegel, geheel en al door deze schelpen doorboord, hetgeen een gewichtig bewijs is voor de geologische theorie van een afwisselende rijzing en daling van den bodem, op dezelfde plaats. Want eerst moet de bodem, met den tempel, natuurlijk tot eenige meters onder de oppervlakte van den zeespiegel gedaald zijn, in welken tijd de steendadels zich in de zuilen vastboorden en daarna moet de kust zich weer, tot een aanzienlijk bedrag, opgeheven hebben.

Een, ook in ons land, algemeen bekende familie van tweespierigen zijn de hart- of zandschelpen, waarvan aan onze kusten het meest bekend is de eetbare zandschelp (Cardium edule) van fig. 4. Bij deze familie zijn de twee gelijke schelpkleppen dik en sterk gewelfd, hartvormig, met 24 tot 26 dwarsgerimpelde, weinig verheven, straalvormig loopende ribben, waartusschen zich op het midden der schelp smalle voren, aan de randen diepe en breede groeven bevinden. De mantel is van voren gespleten, van achteren met franjes bezet en loopt in twee zeer korte sipho’s uit. Merkwaardig voor deze familie is de aanzienlijke grootte en kracht van den voet, die bovendien knievormig gebogen is, zoodat de dieren daarop vrij handig vooruit kunnen springen. Elke klep der schelp heeft twee slottanden onder de scherpe en sterk gebogen spitsen. De kleur van deze soort is vuilwit, soms met roestbruine tint.

Van deze, en nog eenige andere soorten van zandschelpen, worden er door onze visschers aanzienlijke massa’s gevangen, dikwijls tot 100000 kilogram per jaar en zij zouden, ook hier te lande, wegens den smaak en de voedingswaarde, een uitnemend volksvoedsel kunnen zijn, doch worden bij ons, helaas, nog veel te weinig genuttigd. Bijna alles wordt, onder den naam van „kokkels, kokhanen of hartschelpen”, op groote schaal naar België en Engeland verzonden. Verder worden de schelpen, evenals die van de, straks te bespreken, strandschelpen, op onze badplaatsen door de visschers of hun vrouwen voor het versieren van allerlei snuisterijen: speldekussens, doozen enz. gebezigd, om die aan de bezoekers te verkoopen. Van beide schelpsoorten worden verder millioenen aan onze kusten opgevischt voor de kalkovens en het verharden van wegen en paden.

Nog een bekende groep van tweespierigen zijn de platschelpen, met langwerpige of ronde, vlakke, gelijkschalige schelpen, wier bewoners vier kieuwplaten bezitten, en twee kortere of langere sipho’s. Van het geslacht platschelp komen in het zand van alle zeeën, ook in ons land, verschillende soorten voor, van welke een bekende op de plaat afgebeeld is, n.l. de dunschaal (Tellina virgata), fig. 20. Deze schelp is dwars-eivormig, naar achteren kantig en gestreept, in de jeugd fraai lichtrood van kleur, later rood met witte of geel met roode stralen. De mantel is half open en aan zijn breeden rand komt de lancetvormige voet te voorschijn; de sipho’s zijn gescheiden en zeer lang. Hierbij sluit zich aan: de peperschelp (Scrobicularia piperata) van fig. 22, van de kusten der Adriatische en Middellandsche zee, die aldaar, wegens den gepeperden smaak, veel gegeten wordt. De schelp is 4 tot 6 centim. lang, plat eivormig, wit van kleur en dwarsgestreept, met kleine slottandjes en zeer lange, wormvormige witte sipho’s.

Tot de platschelpen behoort ook de bekende strandschelp (Mactra solida), fig. 16, die aan alle Europeesche kusten zeer algemeen is en ook bij ons, met nog andere soorten van dit geslacht en met de zandschelpen, voor het vroeger genoemde doel opgevischt worden (zie bladz. 141). De schelp is afgerond driehoekig, dik, geelachtig of grijsachtig van kleur en met blauwe of grijze banden geteekend. Elke klep heeft een platten, gevouwen slottand, die in een groef van de andere past. De zoom van den mantel is franjeachtig, de sipho’s zijn matig van lengte, afgeplat en de voet is smal.

Nog drie andere platschelpen zijn op de plaat afgebeeld. In fig. 25 zien wij de maagdelijke Venusschelp (Venus virginea), die, met een paar andere soorten, ook aan onze kusten voorkomt. De schelp is eivormig, naar achteren stomphoekig, roodachtig van kleur. Het dier is eetbaar, houdt zich meestal in het slib op en heeft twee sipho’s en een afgeplatten voet, die tot kruipen dient. Verder: de lucinaschelp (Lucina jamaicensis), fig. 26, uit den Atlantischen oceaan, met rondachtige, ongelijkzijdige kleppen, die vuilgroen, van binnen gestippeld en diep gestreept, van buiten bladerig gegroefd zijn, met concentrische lagen. Aan onze kusten leven een paar andere soorten. En als derde verwante soort zien wij in fig. 14 de echte Venusschelp (Cytherea Dione), die in Oost- en West-Indië voorkomt. De schelp is 3 tot 5 centim. lang, scheef hartvormig, met concentrische lagen, fraai licht vleeschkleurig, bij het slot rood. Aan den rand staan, bij het slot, eenige kranswijs geplaatste stekels. De mantel is aan den rand van franjes voorzien. De sipho’s zijn lang, min of meer vergroeid en afgeplat.

Thans is de eigenaardige familie der „gapers” of „gaperschelpen” aan de beurt, aldus genoemd, omdat de schelp aan de beide uiteinden steeds een weinig open blijft, „gaapt”. De oorzaak daarvan is, dat deze dieren steeds blijvend in het zand of slib ingegraven zijn en zich weinig bewegen; daarom komt, door een insnijding van den mantel, aan het ééne open uiteinde der schelp de voet naar buiten, waarmede zij zich loodrecht in het zand graven en aan den anderen kant komt de vergroeide, zeer lange, slurfvormige adembuis er uit, die boven het zand of slib uitsteekt (fig. 23), met een vuilbruine huid bedekt is en niet binnen de schelp teruggetrokken kan worden; bij dreigend gevaar graaft het dier zich geheel in het zand.

Op onze kusten, en in alle zeeën van midden- en Noord-Europa, tot in de IJszee, komen twee soorten zeer algemeen voor, waarvan er één, de stompe gaper (Mya truncata) in fig. 23 afgebeeld is, het zoogenaamde „kussentje” van de Zuid-Hollandsche strandbewoners. De vuilwitte schelp is eivormig of elliptisch, zeer bol, dwars gestreept en van achteren stomp afgerond. De voet is klein en lancetvormig. De tweede soort, die te zamen met de vorige voorkomt, de strandgaper (Mya arenaria) is iets grooter (9 centim.) en kan haar slurfvormige adembuis tot het dubbele van die afmeting verlengen. De dieren leven in massa’s gezellig bij elkaar en vormen in het noorden een hoofdvoedsel van de walrussen.

Eigenaardige gaperschelpen zijn de mesheften, met lange, smalle en platte, mesvormige schelpen, die aan de beide uiteinden weer sterk gapen en met korte sipho’s, die binnen de schelp teruggetrokken kunnen worden. Zij boren met den bijlvormigen voet loodrechte gaten van meer dan een voet diep in het zand of slib, waarin zij zich, bij het minste gevaar, bliksemsnel zoo afdoende terugtrekken, dat men ze meestal niet meer uit kan graven. In ons land komen drie soorten van mesheften voor, waarvan in fig. 24 de messcheede (Solen vagina) voorgesteld is, die een zeer lange en smalle, bijna rechte schelp heeft, in den vorm van een zeer platgedrukten cylinder van 12 centim. lang, die aan de beide uiteinden—doch aan het ééne schuin—afgesneden schijnt. De schelpen, die men in menigte aan het strand vindt, hebben een groenachtig bruine opperhuid, met roode strepen daaronder. De mantel is van voren gesloten. De beide andere inlandsche soorten zijn: de zwaardscheede (Solen ensis), met een zeer gebogen, plat cylindrische schelp en het tafelmes (S. siloqua), de grootste van onze mesheften, met platte rechte schelp.

Wij komen thans nog tot een paar tweespierige schelpdieren, die, in tegenstelling van de meeste der vorige, den mensch niet van nut zijn, doch daarentegen groot onheil stichten. Het zijn de boorschelpen of pholaden, die de verderfelijke gave bezitten, om in hout, steen enz. van de zeeweringen te boren en deze te vernielen.

De gewone pholade of steenboorder (Pholas dactylus), fig. 12, naar den vorm ook wel vingerschelp genoemd, heeft zelf een zeer kort en dik lichaam, dat geheel omsloten kan worden door de geelachtig witte, wigvormige, concentrisch gegroefde, 8 centim. lange schelp, die van voren schuin afgestompt en snavelvormig verlengd is. De mantel komt buiten de kleppen uit en slaat zich met zijn rand daar omheen, de voet is dik van voren afgeplat en komt aan den kant van den mond te voorschijn, terwijl aan de tegengestelde zijde twee zeer groote sipho’s te voorschijn komen. De schelp gaapt aan de uiteinden en mist de slottanden en den slotband. De randen der schelpkleppen zijn met zeer scherpe en harde tandjes bezet, die, bij het openen en sluiten der kleppen, tegen het hout, den steen of de rotsen, waarin de dieren leven, wrijven en die stoffen tot een fijn poeder afraspen en zoo de woonruimte voor het dier vergrooten. Daar het boren echter reeds begint, als de dieren nog zeer klein zijn, is het begin van het boorgat veel nauwer en zijn zij gedoemd, gedurende hun gansche leven, te blijven, waar zij zijn. Tot hun geluk kunnen zij echter de zeer lange, gedeeltelijk vergroeide sipho’s tot buiten de woning in het water uitstrekken en zoo voor de ademhaling en voeding zorgen.

Men vindt de pholaden in alle Europeesche zeeën en ook veel aan onze kusten. Eigenaardig is, dat men in Zuid-Holland de schelpen der ruwe pholade (Ph. crispata), die echter meer in hout en klei boren, naar den vorm „wiegjes” en op Walcheren „boerinnehoedjes” noemt, alsmede dat deze dieren, wegens den peperachtigen smaak, wel gegeten worden en van den paalworm, dien wij nu gaan bespreken, wordt wel beweerd, dat hij zelfs de fijnste oesters in smaak en bouquet overtreft.

Deze paalworm of boorworm (Teredo navalis), fig. 7, is nog oneindig veel schadelijker dan de pholaden. Onnoodig te zeggen, dat dit dier volstrekt geen worm is, doch slechts zoo genoemd wordt naar het buitengewoon lang uitgerekte, wormvormige lichaam, dat geheel naakt en alleen aan het voorste uiteinde van een uiterst klein schelpje voorzien is, een orgaan echter, dat, hoe nietig en klein ook, de grootste onheilen aan onze kostbare zeeweringen aanricht.

De paalworm is reeds lang bekend, hoewel het dier eigenlijk in den Indischen oceaan inheemsch is en vandaar in het hout der schepen naar Europa overgebracht werd. Aanvankelijk meende men dan ook, dat het alleen in schepen voorkwam en Linnaeus, de beroemde Zweedsche natuuronderzoeker uit de 18e eeuw, noemde het destijds: calamitas navium, dat is: het verderf der schepen, waarop ook de Latijnsche naam navalis wijst. Doch reeds spoedig moest men ondervinden, dat de schade zich niet tot de schepen bepaalde, doch dat deze booswicht ook de grootste gevaren opleverde voor de houten zeeweringen, palen, bruggehoofden, sluisdeuren enz., waardoor aan de kusten der Noordzee reeds herhaaldelijk dijkbreuken hadden plaats gehad.

De oorzaak van al dat onheil is het onnoozele wormvormige diertje van fig. 7, welks schelpje niet slechts uiterst klein is, doch bovendien geheel en al naar het voorste uiteinde van het lichaam verhuisd is en de beide schelpkleppen vormen hier datgene, wat men gewoonlijk voor den „kop” van het dier houdt. Ook de mantel, die het wormvormige lichaam insluit en de mantelholte, waarin de kieuwen gelegen zijn, heeft zulk een uitgerekte, buisvormige gedaante. Hij is aan de beide uiteinden open en van voren heeft hij een spleet voor het doorlaten van den voet, terwijl hij van achteren eindigt in twee zeer dunne buisjes, de sipho’s, die steeds buiten den boorgang in het water uitkomen, voor het in- en uitstroomen daarvan. Door den mantel en door de geheele buitenvlakte van het lichaam wordt een kalkachtige stof afgescheiden, waarmede de boorgang van binnen bekleed wordt, doch waarin het dier zich, als in een koker, vrij kan bewegen.

Evenals de pholaden, begint ook de paalworm zijn heilloozen arbeid reeds als jeugdige boosdoener en is de ingang van het boorgat dus zeer dun, terwijl de gang, naarmate het dier groeit en verder in het hout doorboort, ook wijder wordt, zoodat de worm niet weer terug kan. Eerst in volwassen staat gaat hij te gronde, doch eerst nadat hij terdege voor een buitengewoon groot nageslacht gezorgd heeft. Daarin is juist het groote gevaar gelegen, want reeds de nakomelingschap van één enkel dier maakt in het hout een ontelbaar aantal gangen, die het in alle richtingen doorkruisen, zoodat het er ongeveer gaat uitzien als een honingraat en dus niet den minsten weerstand meer biedt. En zelfs de hardste houtsoorten worden niet gespaard, behalve eenige bijzonder harde, oliehoudende Australische soorten, zooals dat van den Eucalyptusboom.

Fig. L.
Rechter schelpklep van den paalworm (vergroot).

Waarmee boort de paalworm nu eigenlijk? Vroeger heeft men wel gemeend, dat hier een chemische invloed in het spel was en dat het dier, evenals de steendadel (zie bladz. 140), een scherp zuur vocht zou afscheiden, waarin de houtstof oploste. Doch onze landgenoot, profr. Harting, heeft later aangetoond, dat het proces louter van mechanischen aard is en dat het zagen uitsluitend geschiedt met de beide, uiterst kleine schelpklepjes, waarvan in fig. L de rechterklep, op vergroote schaal, afgebeeld is.

Hier is S de eigenlijke schelpklep, waaraan, onder een rechten hoek, een aanhangsel of tand A bevestigd is. F is de voet, waarmede het dier zich aan het hout vastzuigt. Het voornaamste onderdeel vormen echter de wrijfvlakken Z, die, onder den mikroskoop gezien, bezet blijken te zijn met een groot aantal zeer ingewikkelde rijen van uiterst fijne en scherpe tandjes; dergelijke rijen van tandjes vindt men ook op het aanhangsel A, doch deze zijn loodrecht op die van de wrijfvlakte Z geplaatst. Door het openen en sluiten van de kleppen worden de tandjes tegen het hout gewreven, waarbij zij door den voet F daartegen aangedrukt worden en alzoo de gangen uitgraven. Dit geschiedt buitengewoon snel en somtijds wordt in één zomer al het paalwerk van een zeewering totaal verwoest.

Tot vóór korten tijd stond men volkomen machteloos tegenover dit kwaad, hoewel men alles beproefde: drenken met teer, omwikkelen met zeildoek, beslaan met koper, doch geen middel mocht baten, er scheen geen kruid gewassen tegen deze kwaal. Aan onze kusten is men toen, reeds lang geleden, overgegaan tot het beslaan der palen met groote, breedkoppige ijzeren spijkers, hetgeen alleen behoefde te geschieden in de ruimte tusschen eb en vloed, omdat de dieren daar alleen leven. Dit middel heeft nog het best aan de verwachtingen beantwoord. In den nieuweren tijd brengt men, rondom het gedeelte der palen, waar de dieren kunnen boren, buizen of een vast omhulsel van beton aan, dat de oppervlakte der palen volkomen van het water afsluit en de dieren doodt. In ons land heeft men verder, vooral voor sluisdeuren, zeer bevredigende uitkomsten verkregen met het Demarara-greenhearthout.

XIV.

Plate