WeRead Powered by ReaderPub
Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. cover

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Chapter 16: XIV. Het Britsche Museum.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A French traveler spends about two weeks in London and records a series of lively, often humorous vignettes about arrival formalities, urban life, and English customs. The account moves from ports and city streets to theaters, coffeehouses, the British Museum, markets and the Tower, touching on funerals, public entertainments, boxing, cleanliness, newspapers, caricatures, crime and social manners. Descriptive sketches alternate with anecdotal episodes concerning artists, an unexpected meeting and a Latin performance, producing a curious, satirical portrait of daily routines and institutions as observed by a foreign visitor.

XIV.

Het Britsche Museum.

Op zekeren morgen kwam mijn vriend C... mij afhalen, om mij het Britsche Museum te laten zien, hetwelk alleen des maandags, woensdags en vrijdags open staat.

„Ha! Ha! riep ik uit, toen ik het ontwaar werd, zie daar iets nieuws! zie daar dan eindelijk eens groote deuren, een fraaij voorplein, aan beiden zijden vleugels, trotsche kolommen, snij- en beeldwerk, en een prachtig gebouw met eenen schoonen tuin! Inderdaad, zoo dit alles niet bewalmd en beslagen ware, zou ik mij kunnen verbeelden, te Parijs verplaatst te zijn.”

„Dit huis—zeide hij—is door de erfgenamen van den hertog van Montaigu aan de bestuurderen van het Museum verkocht geworden voor de aanmerkelijke som van tien duizend pond, dat is 240,000 livres Fransch. Deze hertog, die omtrent het jaar 1680 gezant in Frankrijk was, nam het besluit, om in Londen een paleis te doen bouwen in eenen beteren stijl, dan tot dusverre daar gebruikelijk was. Te dien einde liet hij van Parijs eenige bouwkundigen en werklieden komen, welke dit, hetwelk gij daar voor u ziet, gesticht hebben.”

„Ha! nu verwonder ik mij niet langer!” zeide ik, terwijl wij ons nog in het voorportaal tusschen de kolommen bevonden. Doch toen wij dit doorgegaan waren, hield men ons tegen, en bragt ons in eene groote zaal gelijkvloers, waar wij in een zeer groot boek onze namen en woonplaatsen moesten opschrijven. Deze voorzorg had, zeide men ons, het doel, om te verhoeden, dat er niets kon weggenomen of gestolen worden; hetgeen buitendien zeer moeijelijk zou geweest zijn; want uitgezonderd de standbeelden, welke men zeker niet gemakkelijk in den zak zou hebben kunnen steken, is alles wel degelijk achter slot en grendel.

Tien zalen, meerendeels gelijkvloers, bevatteden Grieksche, Romeinsche en Egijptische oudheden, stand- en borstbeelden, vazen, kandelaren, mumiën en verdere zeldzaamheden, waaronder men waarlijk kostbare voorwerpen vindt. Onder anderen trok een klein marmeren vrouwenhoofd mijne aandacht bijzonder tot zich, dewijl het hoofdhaar uit een los stuk was gehouwen, hetwelk men, even als eene pruik, kon afnemen en weder opzetten; eene zeldzaamheid, welke ik nergens heb aangetroffen.

Wat der Egijptische oudheden betreft, deze waren meerendeels door de Franschen bijeenverzameld ten tijde van hunne landing en hun verblijf in Egijpte. Ten gevolge der kapitulatie van Alexandrie, in September 1801 gesloten, is deze verzameling in het bezit der Engelschen gekomen.

In twee dezer zalen vond ik verscheidene werktuigen en gereedschappen, die weleer den Romeinen tot huisraad zouden verstrekt hebben: bij voorbeeld armbanden, oor- en vingerringen, halssieraden, vazen, kandelaren, lampen, spiegels en verdere toestel.

Bovenal verdient hier genoemd te worden eene groote menigte Etrurische vazen van verschillende gedaanten en onderscheidene grootte; doch het kostbaarste stuk is, buiten tegenspraak, de prachtige vaas, welke, gedurende twee eeuwen, het paleis der Barberini’s te Rome versierd heeft, en thans in Engeland algemeen den naam van den Portlandsche Vaas voert, dewijl zij, door verloop van tijd, in het bezit van den hertog van Portland is gekomen. De grond van deze vaas, die juist geenen grooten omtrek heeft, is een schoon donkerblaauw, en de beelden, waarmede dezelve versierd is, zijn van de fraaiste zilverkleur; derzelver fijnheid en kunstbewerking kan men zich naauwelijks verbeelden. Dit gedeelte bezigtigd hebbende, kwamen wij in den gang terug, en bereikten, langs eenen breeden en gemakkelijken trap, de eerste verdieping, die de voornaamste partij van het geheele gebouw is. De plafond van deze zaal was niet minder prachtig geschilderd, dan die van eene tweede, welke wij vervolgens bezigtigden. De eerste stelde Phaëton voor, verzoekende zijnen vader, ten bewijs van zijne goddelijke afkomst, de zonnepaarden te mogen mennen, en de tweede den val van dezen vermetelen jongeling.

„Ziedaar een overheerlijk schilderwerk! zeide ik tegen mijnen vriend C..., en hetwelk, niettegenstaande deszelfs oudheid, zeer goed bewaard is gebleven.”

„Neem er uwen hoed voor af! hernam hij; het is een kunstgewrocht van onzen landgenoot Lafosse, wiens meesterachtige penseel het Invalidenhuis te Parijs zoo uitmuntend versierd heeft.”

Ik beken, dat ik een heimelijk genoegen ontwaarde, toen ik zag, dat men het schoonste, hetwelk ik tot dusverre in Londen had aangetroffen, aan eenen Franschen kunstenaar verpligt was.

Ook waren de vloeren dezer zalen heerlijk ingelegd. Twee Engelschen, die zich hier tegelijk met ons bevonden, beschouwden dit werk zeer naauwkeurig, en schenen er ongemeen door getroffen; hoogstwaarschijnlijk, wijl zij nooit iets dergelijks gezien hadden; want al de vloeren in Londen bestaan slechts uit regte en in de lengte aan een gevoegde planken.

Er zijn slechts vijf kamers met voorwerpen uit de natuurlijke historie, en nog zijn dezelve niet zeer groot. De kamer, waar de zeldzaamheden tot het rijk der delfstoffen bewaard worden, verdient opmerking, wijl zij, boven de andere, in volledigheid uitmunt; hoewel zij volstrekt niets betekent, in vergelijking met het overheerlijke kunstkabinet, hetwelk de kenner met zoo veel verrukking in de munt te Parijs beschouwt. Toen ik de verzamelingen uit het dieren- en vogelenrijk, met die in den kruidtuin te Parijs vergeleek, dacht ik onwillekeurig aan kleine kinderen, welke men afzonderlijk aan een tafeltje plaatst, terwijl het overige gezelschap eenen wel voorzienen disch bezet.

In eene zesde zaal werden de wapenen, werktuigen, gereedschappen en kleedingen der Zuidzee-eilanders, der Amerikaansche Wilden, Hottentotten, Kaffers en andere volken bewaard.

Nu was de bezigtiging der boekverzameling, die bovenal mijne nieuwsgierigheid opwekte, aan de beurt. Maar hoe zeer verwonderde ik mij, dat ik slechts vijf vertrekjes aantrof, welke de geheele boekerij bevatteden. Ook ontging mijne verwondering een’ der boekbewaarders niet, die mij deed opmerken, dat in deze vijf vertrekken slechts de handschriften bewaard werden, doch dat de gedrukte werken in zestien andere kamers geplaatst waren, maar dat men ze aan het publiek niet liet zien; omdat het gezigt van een aantal boeken, in kassen en op planken geschaard, noch leering, noch vermaak aan den beschouwer kan opleveren.

Om dezelfde reden zouden de Engelschen, naar het mij voorkomt, insgelijks de moeite wel kunnen sparen, om hunne vijf kamers met handschriften te laten zien. Met het gezigt toch van deze zamengebondene papieren kan men even min den bezigtiger, leering of vermaak verschaffen.

Ook verhaalde hij mij, dat er nog een kabinet van gedenkpenningen was, alsmede eene teeken- en graveerzaal; maar dat men een bijzonder verlof moest hebben, om er toegelaten te worden, uit vreeze, dat men iets zou wegkapen.

Voorts verzocht ik hem, mij te zeggen, of er onder die handschriften ook iets van de Grieksche Anthologie, en van de werken van Aristophanes gevonden werd? waarop hij de vriendelijkheid had, de lijst der boeken na te slaan, en mij te berigten, dat er verscheiden op stonden.

Ik verzocht, om ze te mogen zien.

„Hartelijk gaarne wenschte ik aan uw verzoek te kunnen voldoen, hernam hij; doch om een gedrukt werk of handschrift te mogen inzien, moet men zich, bij geschrift, tot den opperboekbewaarder vervoegen, en aan hem door een’ der bestuurderen van het Museum worden voorgedragen: en zoo er dan geene redenen van weigering bestaan, kan een der boekbewaarders u het gevraagde boek of handschrift ter lezing overgeven.

Het Britsche Museum, dacht ik bij mij zelven, heeft veel overeenkomt met den schat van eenen gierigaard, of met de verzen van Lefranc de Pompignan, waarover Voltaire zich dus uitdrukt:

Sacrés ils sont, car personne n’y touche.

In een woord, al deze omstandigheden benemen iemand den lust, om naar deze zoo hoog hangende druiven te trachten. Daar ik nogtans eens wilde zien, hoe ver dit verbod, om de schatten der wijsheid en geleerdheid in Engeland te naderen, zich zou uitstrekken, deed ik eene schriftelijke vraag aan den heer opperboekbewaarder, doch verzelde dezelve niet met eene aanbeveling van een der bestuurderen, en zulks om de eenvoudige reden, dat ik de eer niet had van een’ dezer heeren te kennen. Evenwel ontwikkelde ik hem de oorzaak, waarom ik de door mij opgegevene handschriften wenschte in te zien. Deze bestonden hier in, dat ik eenige duistere plaatsen, welke mij in al de gedrukte uitgaven van eenen zekeren auctor niet wel gesteld schenen, met het handschrift wilde vergelijken.

Ik ontving echter geen antwoord, iets, hetwelk ik, om de eer en wellevendheid der Engelsche natie op te houden, liefst wil toeschrijven aan den korten tijd, dien ik mij nog in Londen ophield. Mogelijk vind ik, bij een volgend overtogtje, daartoe eene betere gelegenheid.