ELFDE HOOFDSTUK.
DE MAALTIJD.
Het onthaal was overvloedig en keurig naar de Schotsche mode van dien tijd, en de gasten deden den maaltijd groote eer aan. De Baron at als een uitgehongerd soldaat; de heer van Balmawhapple als een jager; Bullsegg van Killancureit als een boer; Waverley zelf als een reiziger; en de rentmeester Mackwheeble als alle vier te zamen; maar uit eerbied, [52]of om door zijn houding te toonen, dat hij gevoelde in de tegenwoordigheid van zijn patroon te zijn, – zat hij op den rand van zijn stoel, op een afstand van drie voet van de tafel, en boog hij zich, om in gemeenschap met zijn bord te blijven, zoo sterk voorover dat degene die tegenover hem zat, alleen de top van zijne pruik kon te zien krijgen.
Deze ootmoedige houding zou misschien voor iemand anders ongemakkelijk zijn geweest, maar langdurige gewoonte maakte die, hetzij zittende of wandelende, voor den waardigen rentmeester lang niet moeielijk. In het laatste geval veroorzaakte het, ongetwijfeld, een niet zeer bevallig uitsteken van zijn persoon naar dengene, die achter hem mocht loopen; maar daar deze altijd zijn minderen waren (want de heer Mackwheeble was zeer oplettend om voor alle hoogeren plaats te maken), stoorde hij er zich weinig aan, als zijne minderen minachting of onbeleefdheid in zijn houding zochten. Vandaar dat hij, over de binnenplaats op en neer waggelende, naar zijn ouden grijzen hit, wel min of meer op een hond geleek, die op zijn achterste pooten loopt:
De onbeëedigde geestelijke was een nadenkend en belangwekkend oud man, wiens uiterlijk verried dat hij een lijder was om des gewetens wil, Hij was een diergenen,
„Die zonder dat ze zijn gedwongen,
Hun ambt en voordeel offeren.”
De rentmeester was dan ook gewoon, wanneer de Baron het niet hoorde, om met dezen gril van den heer Rubrick een weinig den spot te drijven, en hem zijn overdrevene kieschheid te verwijten. En inderdaad, men moet bekennen, dat hij zelf, ofschoon in zijn hart een vurig voorstander van het verbannen koninklijk huis, zich vrij wel geschikt had in al de verschillende gebeurtenissen van zijn tijd: zoo dat David Gellatley hem eenmaal beschreef als een bijzonder goed man, die een zeer kalm en vreedzaam geweten bezat, dat hem nooit eenig leed berokkende.
Toen de tafel afgenomen was, stelde de Baron de gezondheid van den koning in, terwijl hij het beleefdelijk aan het geweten zijner gasten overliet, op den Souverein de facto of de jure te drinken, al naar gelang van hunne staatkundige denkwijze. Thans werd het gesprek algemeen; en kort daarop verwijderde zich freule Bradwardine, die aan tafel met natuurlijke bevalligheid en eenvoudigheid de rol van gastvrouw op zich genomen had, terwijl haar voorbeeld door den geestelijke gevolgd werd. Onder het overige gezelschap ging de wijn, die de lofspraken van den gastheer ten volle rechtvaardigde, onophoudelijk rond, schoon Waverley, niet zonder eenige moeite, vrijheid verkreeg, om zijn glas soms te laten staan. Eindelijk, toen de avond meer en meer begon te vallen, gaf de Baron een bijzonder teeken aan den heer Saunders Saunderson, of, zoo als hij hem schertsende noemde, Alexander ab Alexandro, waarop deze met een beteekenisvollen knik het vertrek verliet. Kort daarop keerde hij terug, terwijl op zijn deftig gelaat een plechtige en geheimzinnige glimlach zich vertoonde en hij een klein eiken kistje met koperen sieraden van zonderlingen vorm voor zijn heer neerzette. De Baron haalde een sleutel uit zijn zak, opende het kistje, waaruit een gouden beker van een vreemd, antiek voorkomen te voorschijn kwam, welke den vorm had van een opstaanden beer, en dien de eigenaar met een gemengden blik van eerbied, trots en genoegen aanzag, waardoor Waverley onwederstaanbaar herinnerd werd aan Ben Jonson’s [53]Tom Otter, met zijn bul, paard en hond, zoo als deze spotvogel lachende de drie voornaamste bekers bij zijn tafel noemde. Maar de heer Bradwardine keerde zich beleefdelijk tot hem, en verzocht hem dit belangrijk overblijfsel uit den ouden tijd eens goed te bezichtigen. „Het stelt,” zeide hij, „het wapen onzer familie voor, een beer, gelijk gij ziet, en opstaande; omdat een goed wapenkundige gewoon is ieder dier af te beelden in zijn edelsten stand, gelijk een paard springend, een jachthond loopend, en, zoo als natuurlijk is, een roofdier in actu ferociori in eene vechtende, verscheurende en verslindende houding. Nu, mijnheer, dragen wij dit hoog achtbaar wapenschild bij open brief of patent, van Frederik Barbarossa, keizer van Duitschland, aan mijn voorzaat Godmund Bradwardine verleend, daar het de helmcier is van een reusachtigen Deen, door hem in het Heilige Land verslagen, en wel in een tweegevecht over een gerezen verschil omtrent de kuischheid van des keizers echtgenoot of dochter; de overlevering zegt niet nauwkeurig, welke; en dus gelijk Virgilius zegt –
Mutemus clypeos Danaumque insignia nobis Aptemus.1.
Maar wat den beker betreft, kapitein Waverley, deze werd vervaardigd op last van Sint Duthac, Abt van Aberbrothock, uit dankbaarheid jegens een anderen Baron van den huize van Bradwardine, die het erfgoed van dat klooster moedig tegen zekere aanmatigende edelen verdedigd had. De beker wordt niet ongepast. „de gezegende beer” van Bradwardine genoemd, schoon de oude doctor Doubleit hem schertsend de Ursa Major placht te heeten, en, in oude Katholijke tijden, schreef men hem zekere eigenschappen van een geheimzinnigen en bovennatuurlijken aard toe. En schoon ik aan zulke anilia2 niet hecht, zoo is het zeker, dat hij altijd als een plechtige standaard-beker en erfstuk van onze familie beschouwd, en nooit dan bij hooge feesten gebruikt is; en daar de komst van Sir Everards erfgenaam onder mijn dak voor mij zulk een feestdag is, wijd ik dezen dronk aan het welzijn en den voorspoed van het oude en hoog te vereeren huis van Waverley.”
Onder deze lange aanspraak, goot hij met alle voorzichtigheid een met spinrag bezette flesch rooden wijn in den beker, die ongeveer een halve flesch bevatte; en, na ten slotte de flesch aan den keldermeester te hebben gegeven, om ze zorgvuldiglijk onder dezelfde helling te houden, sloeg hij met veel plechtigheid den inhoud „des gezegenden beers van Bradwardine” naar binnen.
Eduard zag met schrik en ontsteltenis, hoe het dier rondging, en dacht met groote onrust en angst aan het gepaste motto: „wacht u voor den beer,” doch gevoelde maar al te wel, dat, daar niemand van de gasten zwarigheid maakte hem deze buitengewone eer te bewijzen, eene weigering van zijn kant, om hunne hoffelijkheid te beantwoorden, ten hoogste kwalijk zou worden opgenomen. Hij besloot zich dus aan dit staaltje van dwingelandij te onderwerpen, en daarna, zoo mogelijk, de tafel te verlaten, en op de sterkte van zijn gestel vertrouwende, deed hij het gezelschap [54]bescheid met den inhoud des bekers, en gevoelde zich minder bezwaard door den dronk, dan hij zich had kunnen voorstellen. De overigen, wier tijd beter was waargenomen, begonnen blijken van de uitwerking van het druivensap te geven: „de goede wijn deed zijne goede werking.” De eischen der etiquette en de trotschheid op geboorte, begonnen plaats te maken voor den weldadigen invloed van het sterrebeeld van den Beer, en de deftige titels, waarmede de drie heeren elkander tot hiertoe hadden aangesproken, werden nu gemeenzaam tot Tully, Bally en Killie verkort. Toen ettelijke flesschen geleegd waren, verzochten de twee laatsten, na met elkander gefluisterd te hebben, verlof om (eene vroolijke tijding voor Eduard!) en beker van dankzegging te mogen vragen. Deze werd na eenig uitstel, ten laatste uitgedronken, en Waverley begreep dat de Bacchanaliën voor dien avond ten einde waren. Nooit in zijn leven had hij zich sterker vergist.
Daar de gasten hunne paarden in de kleine herberg, of uitspanning, zoo als het genoemd werd, van het dorp hadden gelaten, kon de Baron, zonder aan de beleefdheid te kort te doen, niet nalaten de laan met hen op te wandelen; en Waverley voegde zich uit hetzelfde beginsel en om, na den verhittenden maaltijd, den koelen zomeravond te genieten, bij het gezelschap. Maar toen zij bij Luckie Macleary aankwamen, gaven de heeren van Balmawhapple en Killancureit te kennen, dat zij hunne dankbaarheid voor de genotene gastvrijheid op Tully-Veolan wenschten te betuigen, door met hun gastheer en zijn vriend, kapitein Waverley, wat ze met een technieken term „deoch an doruis” noemden, een glaasje op de valreep3 ter eere van des Barons gastvrijheid te gebruiken.
Ik mag niet nalaten op te merken, dat de rentmeester, die bij ondervinding wist, dat het feest van den dag, hetwelk tot hiertoe op kosten van zijn patroon had plaats gegrepen, voor een gedeelte op zijn zak zou kunnen neerkomen, zijn kreupelen grijzen hit beklommen, en half in de vroolijkheid van zijn hart, half uit vrees van in de rekening betrokken te worden, het in een harden galop gezet had – aan een draf viel niet te denken – en alreeds het dorp was uitgereden. De overigen traden de herberg binnen, terwijl Eduard zich in weerlooze onderwerping liet medeslepen; want zijn gastheer fluisterde hem toe, dat een aarzeling bij zulk een voorslag zou beschouwd worden als een zwaar vergrijp tegen de leges conviviales, de regels van een vroolijk samenzijn. De weduwe Macleary scheen dit bezoek verwacht te hebben, wat gemakkelijk kon, want gewoonlijk werden alle vroolijke partijen, niet alleen op Tully-Veolan, maar ook op de andere heerenhuizen in Schotland, zestig jaar geleden op deze wijze besloten. De gasten kweten zich daarbij tevens van hun plicht van dankbaarheid jegens den gastheer, moedigden het vertier van zijn uitspanning aan, deden eer aan de plaats, die hun paarden een onderkomen verschafte, en stelden zich schadeloos voor den door deftige, huiselijke gastvrijheid opgelegden dwang, door, hetgeen Falstaff het zoetste gedeelte van den nacht noemt door te brengen, in den ongedwongen omgang, alleen in een kroeg te vinden.
Dientengevolge had Luckie Macleary, in het blijde vooruitzicht op het bezoek der aanzienlijke gasten, voor het eerst in veertien dagen [55]haar huis geveegd, haar turfvuur tot zulk eene warmte gestookt, als het saizoen, in haar vochtige hut, zelfs midden in den zomer vorderde; hare houten tafel pas geschuurd, gedekt, den lammen poot er van met een stuk turf onderschraagd, vier of vijf even lompe, zware stoelen, gerangschikt zoo als de oneffenheid van haar leemen vloer dit het best toeliet; en na zich verder met haar wit kapsel, mantelkraag en scharlaken doek, te hebben getooid, wachtte zij, in de hoop op goede winst, deftig het gezelschap af. Toen de gasten onder de berookte daksparren van Luckie Macleary’s dicht met spinraggen prijkend vertrek gezeten waren, verscheen de waardin, die reeds een wenk van den heer van Balmawhapple ontvangen had, met een grooten tinnen kan, die ten minste drie kan bevatte, in de wandeling „de gekuifde kip” genaamd, en welke, in de taal der waardin, „overliep,” dat is, tot den rand gevuld was met uitstekenden zoo even getapten rooden wijn.
Het bleek spoedig dat het weinigje verstand, hetwelk de beer niet verslonden had, door de kip zou worden opgepikt; maar de verwarring die meer en meer de overhand nam, begunstigde Eduards besluit, om den vroolijk rondgaanden beker te vermijden. De overigen begonnen druk en allen te gelijk, te babbelen, terwijl ieder zijn deel in het gesprek nam, zonder in het minst acht te slaan op zijn buurman. De baron van Bradwardine zong Fransche chansons-à-boire, en declameerde Latijnsche versjes; Killancureit sprak over boomsnoeien en ploegen en het scheren van eenjarige lammeren, en tweejarige schapen, over kalven en koeien en bunsings en een ingediende wet op de tolhekken, terwijl Balmawhapple, op hooger nooten dan beiden, pochte op zijn paard, zijn valken en een jachthond, „de Fluiter” genaamd. Te midden van al dit geraas riep de Baron bij herhaling om stilte; en toen ten laatste het instinct van beleefde tucht zoo ver de overhand kreeg, dat hij voor een oogenblik werd aangehoord, haastte hij zich om hunne oplettendheid te verzoeken „voor een soldatenlied, en lievelingsstuk van den maarschalk hertog van Berwick;” en daarop, zoo goed hij kon, de manier en toon van een Franschen musketier nabootsende, begon hij terstond:
Mon coeur volage, dit elle,
N’est pas pour vous, garçon;
Est pour un homme de guerre,
Qui a barbe au menton,
Lon, Lon, Laridon.
Qui porte chapeau à plume,
Soulier à rouge talon,
Qui joue de la flûte,
Aussi du violon,
Lon, Lon, Laridon.
Balmawhapple kon het niet langer uithouden, maar viel in, met hetgeen hij een v.…..d mooi lied noemde, door Gibby Gaethroughwi’t, den speelman van Cupar opgesteld, en zonder meer, hief hij aan:
Ik trok langs de heide van Glenbarchans heen,
En over het moerige Killibraid veen, [56]
En menigmaal poogde ik, soms uren aaneen,
Het dartele korhoen te vinden4.
De Baron, wiens stem onder het luidere en meer geruchtmakende geschreeuw van Balmawhapple verloren ging, gaf den wedstrijd op, maar ging voort Lon, Lon, Laridon, te neuriën terwijl hij zijn gelukkiger mededinger, die met de oplettendheid van het gezelschap vereerd was, met een oog van verachting beschouwde, en Balmawhapple voortging:
En als het dan schichtig zich hief in de lucht,
Dan snapte ik het vaak in zijn rijzende vlucht;
’k Droeg zelden mijn weitasch in ’t veld zonder vrucht:
Niets kon waar ik aanleî me ontsnellen.
Na te vergeefs gepoogd te hebben zich het tweede vers te herinneren, zong hij het eerste weder over, en verklaarde, onder het voortzetten van zijn triomf, dat er meer gezond verstand in stak dan in al den onzin van Frankrijk, en van het graafschap Fife op den koop toe. De Baron antwoordde alleen met het langzaam nemen van een snuifje en met een blik van onuitsprekelijke verachting. Maar die edele bondgenooten, de Beer en de Hen, hadden den landjonker den gewonen eerbied uit het oog doen verliezen dien hij Bradwardine anders toedroeg. Hij noemde den wijn bogt, en riep met groot geschreeuw om brandewijn. Deze werd gebracht, en nu benijdde de duivel der staatkunde zelfs de harmonie, uit een Poolschen landdag ontstaan, alleen omdat er geen enkele toornachtige wanklank in de vreemde ineensmelting van geluiden gehoord werd. Door dezen drank aangehitst vroeg de heer van Balmawhapple, nu boven alle mogelijke knikken en wenken verheven, waarmede de Baron van Bradwardine, uit kieschheid jegens Eduard, hem tot hiertoe belet had zich in staatkundige beschouwingen te verdiepen, met luide stemme een gevulden beker, terwijl hij den volgenden toast instelde: „aan den kleinen heer in zwart fluweel, die zoo veel dienst deed in 1702, en moge de schimmel den nek breken over een molshoop!”
Eduard had op dit oogenblik zijn zinnen niet genoeg bijeen om zich te herinneren, dat koning Willems val, welke zijn dood veroorzaakte, naar men zeide veroorzaakt werd door het struikelen van zijn paard over een molshoop; maar hij voelde zich echter geneigd zich over een dronk te ergeren, die, naar den blik uit Balmawhapple’s oog te oordeelen, een bijzonder vijandelijke toespeling scheen te bevatten op het bewind waaronder hij diende. Maar, eer hij spreken kon, had de baron van Bradwardine den twist al opgevat. „Mijnheer! welke ook mijn gevoelens, tanquam privatus, in zulke zaken wezen mogen, ik zal niet dulden, dat gij iets zegt, dat in staat is een onder mijn dak gehuisvesten edelman te kwetsen. Mijnheer, zoo gij geen eerbied hebt voor de wetten der wellevendheid, ontzie dan ten minste den krijgsmanseed, het sacrumentum militare, waardoor ieder officier verbonden is aan den standaard, waarop [57]hij den eed heeft afgelegd. Zie bij Titus Livius, wat hij zegt van die Romeinsche soldaten, welke ongelukkig genoeg waren om exeure sacramentum, hun legereed te schenden; maar ge zijt onkundig, mijnheer, zoowel in de oude geschiedenis als in de moderne hoffelijkheid.”
„Niet zoo onkundig als gij wel gelieft te zeggen,” brulde Balmawhapple. „Ik weet wel, dat gij spreekt van het plechtige Verbond en de Overeenkomst; maar zoo al de Whigs in de hel dat hadden wat …”
Hier spraken de Baron en Waverley beide te gelijk, terwijl de eerste uitriep: „zwijg, mijnheer! Gij legt niet alleen uwe onwetendheid aan den dag, maar onteert uw vaderland in het bijzijn van een vreemdeling en een Engelschman.” Waverley van zijn kant verzocht op hetzelfde oogenblik den heer Bradwardine verlof, om zelf eene beleediging te wreken, die hem persoonlijk gold. Maar de Baron was door wijn, toorn en minachting boven alle ondermaansche bedenkingen verheven.
„Kapitein Waverley, ik bid u, houd u toch stil; gij zijt elders, misschien, sui juris, – uw eigen meester, wil ik zeggen en bevoegd, naar ik vooronderstel, voor u zelven te denken en te spreken; maar op mijn grondgebied, in deze geringe baronie van Bradwardine, en onder dit dak, dat quasi het mijne is, daar het van mij afhangt wie daaronder gehuisvest zal zijn, sta ik bij u in loco parentis en ben verplicht te zorgen, dat u geen onheil overkome. En wat u betreft, mijnheer Falconer van Balmawhapple, ik waarschuw u, laat mij niet meer merken dat gij de wegen der wellevendheid overtreedt.”
„En ik zeg u, mijnheer Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine en Tully-Veolan,” hernam de jager, met innige verontwaardiging, „dat ik iedereen dood zal schieten, die mijn toast weigert, laat hem een Engelsche Whig zijn, met een zwart lintje om den hals, of een overlooper die zijn eigene vrienden verlaat, om gunst te zoeken bij de ratten van Hannover.”
In een oogenblik waren de beide degens ontbloot, en eenige wanhopige stooten gewisseld. Balmawhapple was jong, stout en vlug; maar de Baron, zijn wapen oneindig meer meester, zou weldra den genadestoot hebben gegeven, als hij niet te veel onder den invloed van den Grooten Beer had gestaan.
Eduard sprong vooruit om de beide strijders te scheiden, maar struikelde en viel over het lichaam van den heer van Killancureit, die lang uit op den grond lag. Hoe Killancureit, op zulk een kritiek oogenblik, in deze liggende houding kwam, is nooit juist bekend geworden. Sommigen dachten dat bij bezig was met zich onder de tafel te verschuilen; hij zelf beweerde dat hij struikelde, terwijl hij een dicht bijstaande stoel greep, om een ongeluk te voorkomen, door Balmawhapple daarmede neêr te vellen. Hoe dit ook zij, indien geen vlugger hulp dan de zijne, of die van Waverley, tusschenbeide gekomen was, zou er zeker bloed zijn gestort. Maar het welbekende zwaardengekletter, dat niets vreemds was in hare woning, joeg Luckie Macleary op, die gerust buiten den aarden muur der stulp gezeten was, verdiept in het opmaken van de rekening, ofschoon haar oogen voortdurend op een vroom tractaat op haar schoot, gevestigd waren. Zij stortte moedig binnen, onder het uitgillen van: „Waarom moeten toch de heeren elkaâr hier doodslaan, en het huis van een eerlijke weduw schande aandoen? Is er dan in het open veld geen gelegenheid om te vechten?” een vertoog, dat ze ondersteunde door haar doek [58]met groote behendigheid over de degens der vechtenden te werpen. Middelerwijl stormden de bedienden binnen, en daar deze toevallig tamelijk nuchter waren, gelukte het hun, met behulp van Eduard en Killancureit, de verwoede strijders te scheiden. Laatstgenoemde voerde Balmawhapple weg, wraak zwerende tegen iederen Whig, Presbyteriaan en dweeper in Engeland en Schotland, van John o’Groat’s af tot aan Kaap Lands Einde5 toe, en het was slechts met vele moeite dat hij eindelijk op zijn paard gezet werd.
Met den bijstand van Saunder Saunderson, geleidde onze held den baron van Bradwardine naar zijn woning, maar kon niet van hem verkrijgen naar bed te gaan, voor en aleer hij een lange en geleerde redevoering had gehouden over hetgeen dien avond was voorgevallen, waarvan echter niets verstaanbaar was, behalve iets over de Centauren en de Lapithen.
3 Zie Aanteekening K. De afscheidsdronk. ↑