WeRead Powered by ReaderPub
Waverley cover

Waverley

Chapter 19: SINT SWITHIN’S STOEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young man who becomes entangled in a Highland uprising, experiencing divided loyalties as he moves between urban society and rural clan life. Military engagements and intimate domestic scenes alternate with vivid descriptions of landscapes and customs, while romantic attachments and moral dilemmas test personal honor. The work balances action and reflection, examining themes of identity, political allegiance, cultural clash, and the human costs of upheaval through a sequence of episodic scenes and richly detailed historical portraiture.

[Inhoud]

DERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VERSTANDIGER DAG DAN DE VORIGE.

De baron van Bradwardine, op een levendig en goed gedresseerd paard gezeten, met een demi-piquè zadel en een donker schabrak, in overeenstemming met zijn liverei, was geen slecht vertegenwoordiger van de oude school. Zijn lichtkleurige, geborduurde rok en prachtig gegaloneerd vest, zijn krulpruik, waarop een punthoed met een smal gouden boordsel stond, voltooide zijn costuum; terwijl hij werd gevolgd door twee wel bereden knechts te paard, met pistolen in de holsters gewapend.

Aldus uitgedost reed hij over berg en dal zachtjes voort, terwijl hij de [64]bewondering van elke boerderij, welke zij voorbij kwamen, opwekte, totdat ze, in een groene vallei, David Gellatley vonden, die twee buitengewoon groote hazewind-honden vasthield, een half dozijn andere kleinere honden bij zich had, en omtrent even zoo vele jongens met bloote voeten en bloote hoofden, die, om de uitgelezene onderscheiding te genieten van bij de jacht tegenwoordig te zijn, niet nagelaten hadden zijn ooren te kittelen met den streelenden titel van „Mijnheer Gellatley,” ofschoon er waarschijnlijk niemand onder hen was, die niet bij vorige gelegenheden hem uitgejouwd en voor „mallen David” uitgescholden had. Maar dit is geen ongewone soort van vleijerij jegens lieden, in zekere betrekkingen geplaatst, en geenszins bepaald tot de barrevoetsche dorpelingen van Tully-Veolan; ze was zestig jaar geleden in zwang, is het thans nog, en zal het over zeshonderd jaar nog zijn, zoo dat wonderlijke mengsel van dwaasheid en schurkerij, dat men „de wereld” heet, dan nog bestaat.

Deze kleine barrevoeters waren bestemd om het kreupelhout te kloppen, hetgeen ze met zulk goed gevolg deden, dat na een half uur jagens een ree opgejaagd, vervolgd en gedood werd. De baron volgde de honden op zijn schimmel, gelijk graaf Percy in de oude ballade, doodde het dier grootmoediglijk met zijn adellijk couteau de chasse, vilde het en haalde het uit, hetgeen, zooals hij aanmerkte, de Fransche chasseurs „faire la curée” heeten. Na deze plechtigheid geleidde hij zijn gast naar huis, langs een prettigen omweg, die een zeer ruim uitzicht schonk op verscheidene dorpen en huizen, van welke de heer Bradwardine de een of andere geschied- of geslachtkundige anecdote verhaalde. Zijn mededeelingen waren in een taal, ontsierd door veroordeel en pedanterie, maar dikwijls eerbiedwekkend om het gezond verstand en de edele gevoelens, waardoor zijn verhaal zich kenmerkte, en bijna altijd wetenswaardig, zoo niet belangrijk, om het onderricht dat daarin lag opgesloten.

De waarheid is, dat de rid beide heeren vermaakte, omdat ze genoegen vonden in elkanders omgang, ofschoon hunne karakters en wijze van denken in vele opzichten geheel uit elkaâr liepen. Eduard bezat, gelijk wij den lezer hebben te kennen gegeven, een levendige verbeelding, en was vreemd en romanesk in zijn denkbeelden en in zijn smaak voor lectuur, en had een bijzonder sterke neiging voor de poëzij. De heer Bradwardine was het tegenovergestelde van dit alles, en verhief er zich op, dat hij met dezelfde strakke, stijve, stoïsche deftigheid door het leven stapte, waardoor zijn avondwandeling op het terras van Tully-Veolan zich kenmerkte, waar hij, uren achtereen, – het ware evenbeeld van den ouden Knoet –

Statig heentoog naar het oost,

Statig naar het westen.

Wat de letterkunde betreft, hij had de klassieke dichters, het Epithalamium van Georgius Buchanan, en Arthur Johnston’s Zondagspsalmen, benevens de Diliciæ Poetarum Scotorum, en sir David Lindsay’s werken en Barbours Bruce en des blinden Harry’s Wallace en De edele Schaapherder van Ramsay, zoowel als de Kersenboom en de wilde Pruimboom gelezen. Maar in weerwil van dit aan de muzen gebrachte offer, zou hij, als wij de waarheid moeten zeggen, zich veel beter vermaakt hebben, indien de [65]vrome of wijze spreuken, zoowel als de historische verhalen, welke deze onderscheidene werken bevatten, hem waren aangeboden in den vorm van eenvoudig proza. En hij kon soms niet nalaten zijne verachting uit te drukken voor de „ijdele en nuttelooze kunst van verzen maken,” waarin, zoo als hij zeide, „Allan Ramsay de pruikenmaker1 de eenige was, die in zijn tijd had uitgemunt.”

Maar hoewel Eduard en hij te dezen aanzien toto cælo verschilden, zoo als de Baron zou gezegd hebben, ontmoetten zij echter elkander op geschiedkundig gebied, als op een onzijdig terrein, waarin beide belang stelden. De Baron, het is waar, belaadde enkel zijn geheugen met feiten, de koude, drooge, harde omtrekken, die de geschiedenis schetst. Eduard, integendeel, hield er van de schets aan te vullen en te ronden met het penseel eener levendige en bezielde verbeelding, welke licht en levendige kleuren verspreidt over de handelende en sprekende personen, die op het tooneel der vervlogene eeuwen waren opgetreden. In weerwil van zulke tegenstrijdige neigingen, droegen ze van weerskanten veel bij tot elkaars genoegen. Des heeren Bradwardine’s tot in de kleinste bijzonderheden afdalende verhaaltrant en sterk geheugen boden Waverley nieuwe voorwerpen, waarop zijn verbeelding gaarne werkte, terwijl hem eene nieuwe mijn van gebeurtenissen en karakters geopend werd. En hij van zijn kant betaalde het hem aldus geschonken genot met die ernstige oplettendheid, waarop alle verhalers zulk een hoogen prijs stellen, maar de Baron nog meer in het bijzonder, daar hij zijn eigenliefde, gestreeld vond, of ook wel soms wederkeerige mededeelingen ontving die hem belang inboezemden, omdat ze zijne eigene anecdoten bevestigden of ophelderden. Bovendien sprak de heer Bradwardine gaarne over zijne jeugd, in den oorlog in vreemde landen gesleten, en wist menige belangwekkende bijzonderheid te vertellen van de generaals, onder wie hij gediend en van de veldslagen die hij had bijgewoond.

De beide heeren keerden naar Tully-Veolan terug, ten hoogste over elkander voldaan. Waverley verlangde meer nauwkeurig na te gaan, wat hem een eigenaardig en belangrijk karakter toescheen, begaafd met een geheugen dat een wetenswaardig register van oude en hedendaagsche anecdoten bevatte; terwijl Bradwardine geneigd was Eduard te beschouwen als puer (of liever juvenes) bonæ spei et magnæ indolis, een jongeling, vrij van die dartele lichtzinnigheid, welke den omgang of den raad van meer bejaarden vervelend vindt of veracht, en van wien hij groote verwachtingen in de verre toekomst koesterde. – Er was geen andere gast in huis dan de heer Rubrick, wiens kennis als geestelijke en geleerde in al zijne gesprekken doorblonk, en zeer wèl met die van den Baron en zijnen vriend strookte.

Kort na afloop van den maaltijd, als om te toonen dat zijne matigheid niet geheel en al theoretisch was, stelde de Baron een bezoek op Rose’s kamer of, zoo als hij het noemde, haar troisième étage voor. Waverley werd dus door een paar dier lange, leelijke gangen gevoerd, waarmede de oude bouwmeesters de bewoners der door hen ontworpen huizen in de war [66]poogden te brengen, en aan het einde van welke de heer Bradwardine, met twee trappen tegelijk een zeer steilen, nauwen wenteltrap begon op te klimmen, terwijl hij den heer Rubrick en Waverley meer op hun gemak liet volgen, om zijne dochter hunne komst aan te kondigen.

Na dezen kurketrekker te zijn opgegaan, totdat hunne hoofden bijna draaiden, kwamen ze in een klein, met matten belegd portaal, dat als een voorvertrek diende voor Rose’s sanctum sanctorum, en waardoor zij haar zitkamer binnen traden. Het was een klein, maar aangenaam vertrek, op het zuiden, en met tapijtwerk behangen, en daarenboven versierd met twee portretten, éen van haar moeder, in de kleeding eener herderin met een hoepelrok; het ander van den Baron op zijn tiende jaar, in een blauwen rok, geborduurd vest, gegaloneerden hoed en staartpruik, en met een boog in de hand. Eduard kon niet nalaten te glimlachen om het kostuum, en om de vreemde gelijkenis tusschen het ronde, gladde, roodwangige, kleine gezicht op het portret, en de magere, gebaarde, holoogige, gebronsde gelaatstrekken, die het reizen, de vermoeienissen van den oorlog en de gevorderde jaren aan den Baron hadden medegedeeld. Deze lachte met hem mede. „In den grond,” zeide hij, „was dit een vrouwengril van mijne goede moeder (eene dochter van den heer van Tulliellum, kapitein Waverley; ik wees u het huis, toen wij op den top van den heuvel waren; het werd verbrand door de Hollandsche hulptroepen, die het Gouvernement in 1715 ingeroepen had.) Ik werd sedert slechts éenmaal geportretteerd, en wel op bijzonder en herhaald verzoek van den maarschalk, hertog van Berwick.”

De brave, oude edelman maakte geene melding van hetgeen de heer Rubrick naderhand aan Waverley vertelde, dat de Hertog hem deze eer had aangedaan, omdat hij de eerste was geweest, die de bres van eene sterkte in Savoije, gedurende den merkwaardigen veldtogt van 1709, beklommen had, bij welke gelegenheid hij met zijne korte piek zich gedurende bijna tien minuten had verdedigd, eer er voor hem eenige hulp kwam opdagen. Om den Baron recht te doen, ofschoon wel geneigd om de oudheid en waardigheid zijner familie te overdrijven, was hij te zeer man van eer om ooit stil te staan bij zijn persoonlijke daden of de verdiensten, die hij zelf bezat.

Op dit oogenblik kwam freule Rose uit het binnenvertrek, om haar vader en zijn vrienden welkom te heeten. De werkzaamheden, waarmede zij zich onledig had gehouden, verrieden blijkbaar een natuurlijken smaak, die slechts beschaving vorderde. Haar vader had haar Fransch en Italiaansch geleerd; en eenige weinige schrijvers in deze talen versierden haar boekenkasten. Hij had insgelijks beproefd haar onderwijzer in de muziek te zijn; maar, daar hij met de meest afgetrokken theorie der wetenschap begon, en die misschien zelf niet meester was, was zij tot niets meer in staat dan om haar stem met de piano te begeleiden, en dit zelfs was in die dagen in Schotland niet zeer algemeen. Om dit gebrek te vergoeden, zong ze met veel smaak en gevoel, maar daarenboven met een eerbied voor den zin van hetgeen ze voordroeg, die wel ten voorbeeld mocht gesteld worden aan dames, die vrij wat meer muziekale bekwaamheid bezitten. Haar natuurlijk gezond verstand had haar geleerd, dat wanneer de muziek, zoo als een groote autoriteit zich uitdrukt, „gehuwd is aan ’t onsterfelijk vers”2, zij zeer [67]dikwijls eene schandelijke echtscheiding ondergaan door de schuld van hen, die ze uitvoert. Het was misschien een gevolg van haren smaak, dat zij de schoonheden der poëzij gevoelde, en het vermogen bezat, om de uitdrukking daarvan met die der muzijk te vereenigen, waardoor haar zang meer genoegen verschafte aan alle ongeoefenden in de toonkunst, en zelfs aan een aantal kenners, dan menige veel schoonere stem en schitterender uitvoering, doch die niet met dezelfde kieschheid van gevoel gepaard gaat, had kunnen te weeg brengen.

Een vooruitspringende galerij vóor de ramen van haar spreekvertrek diende om eene andere van Rose’s liefhebberijen te doen uitkomen; want ze was bezet met bloemen van onderscheiden soort, door haar zelve gekweekt. Een uitgebouwd torentje gaf toegang tot dit Gothische balkon, dat een verrukkelijk uitzicht opleverde. De eigenlijke tuin, met zijn hooge grensmuren, lag beneden, naar het scheen, tot éen enkel bloemperk ingekrompen; terwijl het gezicht daar buiten zich uitstrekte over een boschachtig dal, waar de rivier nu eens zichtbaar was, en dan zich weder tusschen het kreupelhout verschool. Met genoegen rustte het oog op de rotsen, die zich hier en daar in breede of stoute vormen boven het dichte woud verhieven, of verwijlde gaarne bij den trotschen, ofschoon vervallen toren, die hier in al zijn pracht zichtbaar was, terwijl hij van een vooruitspringende rots op de rivier nederblikte. Aan de linker hand zag men eenige boerenwoningen, die een deel van het dorp uitmaakten; de top van een heuvel verborg de overigen. Het dal werd begrensd door een water, Loch-Veolan genoemd, waarin zich de stroom ontlastte, en die thans in de stralen der ondergaande zon glinsterde. Het verder gelegen land scheen open en afwisselend, schoon niet boschachtig, en er was niets dat het gezicht belemmerde, tot het beperkt werd door een reeks van verre, blauwe heuvels, die de zuidelijke grens van de vallei uitmaakten. Op deze aangename plek had Freule Bradwardine de koffij laten brengen.

Het zien van den ouden toren, of sterkte, bracht eenige familie-anecdoten en vertellingen uit de Schotsche riddertijden op het tapijt, die de Baron met veel vuur verhaalde. De vooruitstekende punt van een overhangende rots had den naam van St. Swithin’s Stoel verkregen. Deze was het voorwerp van een bijzonder bijgeloof, waarvan de heer Rubrick eenige wetenswaardige bijzonderheden mededeelde, die Waverley een fragment van een ballade voor den geest riepen, door Edgar in Koning Lear aangehaald; terwijl Rose verzocht werd een kleine romance te zingen, waarin het door een of ander dorpspoëet was ingekleed;

Die, onbekend als zij, waaruit hij was gesproten,

De onsterflijkheid aan andre namen schonk,

Schoon van geen lip de zijne klonk.

Haar aangename stem, en de eenvoudige schoonheid harer muziek zetten aan dien zang al het verrukkelijke bij dat de minnezanger had kunnen verlangen, en zijn poëzij zoo zeer behoefde. Ik zou het bijna in twijfel trekken, of zij met geduld kan gelezen worden, nu hij van dit voordeel beroofd is; al gis ik, dat het volgende afschrift door Waverley eenigszins verbeterd is, om zich naar den smaak van diegenen te schikken; die weinig hart hebben voor een zuiver antiquarisch overblijfsel. [68]

SINT SWITHIN’S STOEL.

O, wijd toch uw spond op den avond voor ’t feest

Waarop ge alle Heilgen gedenkt in den geest.

Sla ’t kruis, bid uw krans, eer ge u strekt op uw koets,

Zeg ’t Ave en ’t Credo uit ’t diepst des gemoeds.

Want dan rijdt de nachtkol de lucht in het rond,

Omstuwd door de heksen, met haar in verbond,

’t Zij ’t koeltjen er lispelt, of, buldrend, de orkaan

De wolken er jaagt langs de drijvende maan.

De jonkvrouw zat neêr in Sint Swithin’s gestoelt.

Haar had er de nachtdauw het voorhoofd verkoeld;

Een doodelijk bleek overdekte haar koon,

Maar stout was haar hart en haar blik en haar toon.

Zij spreekt er kloekmoedig de tooverspreuk uit,

Waarmede Sint Swithin de kol had gestuit,

Haar fier had bevolen: daal haastiglijk neêr,

Leg af uw gelofte, Gods grootheid ter eer.

Al wie in Sint Swithin’s gestoelte zich vlijt,

Als ’s nachts door het luchtruim de tooverkol rijdt,

En moedig de spreuk zegt – hem is het vergond

Drie vragen te doen, en zij antwoordt terstond.

De baanderheer trok met vorst Robbert te veld.

Drie jaren sinds ’t afscheid zijn henen gesneld;

Niets wist ze van ’t lot van den vriend van haar hart;

Toch smachtte naar tijding de jonkvrouw met smart!

Zij siddert, en stamelt bij ’t uiten van ’t woord.

Zeg, is het de nachtuil, welks knappen zij hoort?

Of is dat geluid tusschen lach en gegil

De stem van den Demon, die spookt langs de kil?

De stroom staakt zijn klotsen, de wind legt zich neêr:

De stilte was banger dan ’t stormen weleer:

Uit aschgrauwen nevel, die golvende waart,

Rijst, aaklig, een spooksel, dat opdaagt met vaart.

.….….….….….….….….….…..

.….….….….….….….….….…..

„Het doet mij leed, dat ik het gezelschap teleurstel, inzonderheid kapitein Waverley, die met zooveel prijzenswaardigen ernst toeluistert; het is maar een fragment, ofschoon ik geloof dat er nog meer regels zijn, die de terugkomst van den ridder uit den langdurigen krijg beschrijven, en hoe hij de dame, koud als ijs, op den drempel vindt liggen.” [69]

„Het is een dier verdichtselen„’’ merkte de heer Bradwardine aan, „waardoor de vroegere geschiedenis van aanzienlijke oude familiën in de tijden van het bijgeloof, ontsierd werd. Rome heeft even als verscheidene andere volken der oudheid hare wonderverschijnselen gehad, mijnheer, gelijk gij lezen kunt in de oude geschiedboeken, of in het werkje door Julius Obsequens bijeen gebracht, en door den geleerden Scheffer, den uitgever, opgedragen aan zijn beschermheer Benedictus Skytte, baron van Dudershoff.”

„Mijn vader stelt in het wonderbare al bitter weinig vertrouwen, kapitein Waverley,” zei Rose, „en stond eenmaal pal, toen een geheele synode van Presbyteriaansche geestelijken door eene onverwachte verschijning van den Booze op de vlucht werd gedreven.”

Waverley keek op alsof hij verlangde er meer van te hooren.

„Moet ik zoo wel mijn verhaal vertellen, als mijn lied zingen? – Wel aan. – Eens leefde er een oude vrouw, met name Janet Gellatley, die algemeen voor een tooverheks werd gehouden, op de onfeilbare gronden, dat ze zeer oud, zeer leelijk, en zeer arm was, en daarbij twee zoons had, van wie de een een dichter en de ander onnoozel was, welke bezoeking, volgens het eenparig gevoelen van de geheele nabuurschap, over haar gekomen was, wegens het plegen van tooverij. Een week lang werd ze opgesloten in den dorps-kerktoren en karig van voedsel voorzien, terwijl men haar niet veroorloofde te slapen, tot ze zelve, even als hare beschuldigers, overtuigd werd dat ze eene tooverkol was; en in deze heldere en gelukkige geestgesteldheid werd ze voor den dag gehaald om haar geweten te ontlasten, dat is, om eene openbare belijdenis te doen van hare tooverijen, ten aanhoore van al de Whigsche heeren en geestelijken in den omtrek, die zelven geene heksenmeesters waren. Mijn vader kwam om te zorgen dat het eerlijk toeging tusschen de tooverheks en de geestelijkheid; want de heks was op zijn grondgebied geboren. En terwijl zij bekende, dat de Booze haar verschenen was in de gedaante van een knappen zwarten man, en om haar gevrijd had, – hetgeen, zoo gij de arme, leepoogige Janet gezien had, niet zeer voor Apollion’s smaak pleitte, – en terwijl de toehoorders met verbaasde ooren luisterden, en de klerk met eene bevende hand aanteekeningen hield, veranderde op eens de doffe, mompelende toon, waarop ze sprak, in een gillenden kreet, en riep ze uit: „Zorgt voor u eigen! Zorgt voor u eigen! Ik zie den Booze midden onder u zitten!” De verbazing was algemeen, terwijl de geheele vergadering, door schrik overmeesterd, heil zocht in de vlucht. Gelukkig waren zij die zich het dichtst bij de deur bevonden! Talloos waren de rampen, die hoeden, beffen, mantels en pruiken overkwamen, alvorens zij uit de kerk konden geraken, waar zij den onverzettelijken Prelatist alléen achterlieten, om de zaken van de tooverheks en haar bewonderaar, op zijn eigen gevaar af en naar zijn eigen genoegen, in orde te brengen.”

Risu solvuntur tabulæ,” zei de baron; „toen zij van hun belachelijken schrik bekomen waren, schaamden zij zich te zeer om het rechtsgeding tegen Janet Gellatley te hervatten.”3

Deze anecdote leidde tot een lang gesprek over [70]

Die dwaze ideeën, droomen, fantazijen,

En tooverspreuken, en histories nooit gehoord,

Vertooningen, gezichten, profecijen,

Vizioenen, sprookjes, leugens, in éen woord.

In zoodanig gesprek, en met de daarbij behoorende romantische legenden, werd de tweede avond, dien onze held op het kasteel Tully-Veolan doorbracht, besloten.


1 De Baron had hier in herinnering moeten brengen, dat de vroolijke Allan in regte lijn afstamde uit het huis van den edelen graaf, dien hij aldus beschrijft:

Dalhousie van een oud geslacht,

Mijn trots, mijn lust, mijn grootste pracht. W. S.

2 Dryden. 

3 Zie aanteekeening L. Tooverij.