EERSTE DEEL.
WAVERLEY,
of
ZESTIG JAAR GELEDEN.
Het plan van deze uitgave legt mij de verplichting op, een paar woorden te spreken over de gebeurtenissen, die den roman van Waverley ten grondslag liggen. Zij zijn reeds aan het publiek medegedeeld door een diepbetreurden vriend, wijlen den heer William Erskine1 (later Lord Kinnedder) in zijn overzicht in de „Quarterly Review van 1807” van de „Verhalen van mijn waard.” De daarin voorkomende bijzonderheden had de verslaggever van den schrijver zelven vernomen. Later werden ze in de voorrede van de „Kronieken van de Kanunnikspoort” medegedeeld; hier vinden ze thans hare eigenaardige plaats.
De bescherming, door Waverley en Talbot elkander wederkeerig verleend, en waarop de geheele intrigue van den roman berust, is gegrond op een dier anecdoten, die zelfs het wreede karakter van den burgeroorlog verzachten; en daar het feit even vereerend is voor beide partijen, aarzelen wij geen oogenblik de namen te noemen. Toen de Hooglanders, op den morgen van den slag van Preston in 1745, hun beroemden aanval deden op het leger van Sir John Cope, werd eene batterij van vier veldstukken aangetast en vermeesterd door de Camerons en de Stewarts van Appine. Wijlen Alexander Stewart van Invernahyle was in de voorste gelederen der aanvallers en ontwaarde een officier van het leger des Konings, die, daar hij niet in de algemeene vlucht deelen wilde, met den degen in de hand bleef staan, alsof hij besloten had zijn post tot zijn laatsten ademtocht te verdedigen. De Hooglandsche edelman riep hem toe, dat hij zich zou overgeven, en ontving tot antwoord een degenstoot, dien hij met zijn schild afweerde. De officier was nu geheel weerloos, en toen de strijdbijl van een reusachtigen Hooglander (de molenaar van Invernahyle) reeds opgeheven was om hem de hersenen te verbrijzelen, had de heer [2]Stewart nog moeite, om hem over te halen zich over te geven. Hij droeg vervolgens zorg voor hetgeen de gevangene bezat, beschermde hem persoonlijk en verkreeg eindelijk, dat hij op zijn woord van eer in vrijheid gesteld werd. De officier bleek te zijn de kolonel Whitefoord, een hooggeacht en invloedrijk edelman uit Ayrshire, innig gehecht aan het huis van Hannover. Evenwel ontstond er, in weerwil hunner verschillende staatkundige richting, tusschen deze beide eeremannen zulk eene vertrouwelijkheid, dat, terwijl de burgeroorlog in al zijne verschrikkelijkheid woedde, en de uit het leger der Hooglanders verdwaalde officieren dagelijks, zonder de minste genade, ter dood gebracht werden. Invernahyle, die in de Hooglanden was om nieuwe recruten aan te werven, niet aarzelde, om onderweg een bezoek af te leggen bij zijn vroegeren gevangene, en een paar dagen in Ayrshire, in het gezelschap van de Whigsche vrienden van kolonel Whitefoord sleet, even aangenaam en even opgeruimd, alsof alles in het rond niets dan vrede geademd had.
Toen de slag van Culloden een einde had gemaakt aan de verwachtingen van Karel Eduard, en zijne vogelvrij verklaarde aanhangers verstrooid had, was het kolonel Whitefoord’s beurt, alle pogingen in het werk te stellen, om genade voor den heer Stewart te verwerven. Hij bezocht daartoe den opperrechter Clark en den Advocaat-Generaal, alsmede alle mogelijke autoriteiten, en bij al die bezoeken werd hem eene lijst voorgelegd, waarop achter Invernahyles naam, (zoo als de goede oude heer gewoon was zich uit te drukken) „het teeken van het beest” gezet was, als iemand die onwaardig was gunst of vergiffenis te erlangen.
Eindelijk wendde kolonel Whitefoord zich in persoon tot den hertog van Cumberland. Ook van dezen ontving hij een stellig weigerend antwoord. Hij beperkte daarop voor het oogenblik zijn verzoek tot eene bede om bescherming voor Stewarts huis, echtgenoote en kinderen. Daar ook dit door den Hertog geweigerd werd, haalde hij zijne aanstelling als officier uit den zak, en legde die met diepe aandoening op de tafel voor Zijne Koninklijke Hoogheid, terwijl hij verlof vroeg, om de dienst te verlaten van een souverein, die een overwonnen vijand niet te sparen wist. De Hertog werd getroffen en zelfs geroerd. Hij verzocht den Kolonel zijne aanstelling terug te nemen, en zeide hem de gevraagde bescherming toe. Deze vergunning kwam juist bij tijds, om het huis, het koorn en het vee te Invernahyle te redden van de soldaten, die bezig waren met wat door hen „het vijandelijke land” genoemd, werd, te verwoesten. Er werd eene kleine afdeeling troepen op de heerlijkheid van Invernahyle gelegd, die zij bleven sparen, terwijl ze in den omtrek alles uitplunderden, en overal de hoofden van den opstand, en in de eerste plaats Stewart zelven, trachtten op te sporen. Hij was echter veel dichterbij dan ze wel vermoedden, want (even als de Baron van Bradwardine) in een kelder verborgen, was hij verscheidene dagen lang zoo nabij de Engelsche soldaten, dat hij hunne namen bij het appèl kon hooren afroepen. Zijn voedsel werd hem door een zijner dochtertjes, ter nauwernood acht jaar oud, gebracht, aan wie mevrouw Stewart verplicht was geworden deze zorg op te dragen, daar al hare gangen zoowel als die der oudere leden van haar gezin, van nabij bespied werden. Met een beleid ver boven hare jaren, maakte dit kind er eene gewoonte van, zich onder de soldaten, die haar zeer lief hadden, te mengen, en nam dan het oogenblik waar, dat zij onopgemerkt het bosch kon binnendringen om haren [3]geringen voorraad mondbehoeften op eene bepaalde plaats neder te zetten, waar haar vader dien zou kunnen vinden. Door middel van deze, op ongeregelde tijden aangebrachte hulp, werd Invernahyle gedurende verscheidene weken in ’t leven gehouden en daar hij in den slag van Culloden gewond was, werd zijne zielesmart niet weinig door lichamelijk lijden vermeerderd. Nadat de soldaten verlegd waren, ontstapte hij nogmaals op eene wonderbaarlijke wijze aan een niet minder dreigend gevaar.
Toen hij het eens waagde zich des avonds naar zijn huis te begeven, dat hij bij het krieken van den dag verliet, werd hij door een vijandelijk detachement verrast, dat hem achtervolgde en op hem vuurde. Daar hij gelukkig genoeg was aan de soldaten te ontsnappen, keerden zij naar het huis terug, en brachten eene beschuldiging tegen zijne familie in, dat zij een der vogelvrijverklaarde bannelingen een schuilplaats verleende. Eene oude vrouw bezat tegenwoordigheid van geest genoeg om tegen hen vol te houden dat het de schaapherder was geweest, dien ze gezien hadden. „Waarom bleef hij niet staan toen wij hem riepen?” zei de krijgsman. „De arme man is doof als een kwartel,” hernam de gevatte dienstbode. „Laat hem terstond hier komen.” En de schaapherder werd dien ten gevolge van den heuvel gehaald, en daar er gelegenheid was hem onderweg zijn les te geven, was hij, toen hij binnenkwam, zoo doof als noodig was om het beweerde te staven. Invernahyle werd later begrepen in de uitgevaardigde amnestie.
Schrijver dezer heeft hem zeer goed gekend en de bijzonderheden vaak uit zijn eigen mond gehoord. Hij was een edele type van den echten Hooglander, de afstammeling eener oude familie, beminnenswaardig, hoffelijk, dapper en ridderlijk. Hij had, geloof ik, deelgenomen aan den opstand van 1715 en 1745 en was gewikkeld geworden in al de woelingen, die tusschen deze beide merkwaardige tijdperken in de Hooglanden plaats hadden. Ook heb ik, onder meer andere zijner heldendaden, hooren gewagen van een tweegevecht op den sabel met den beroemden Rob Roy Mac Gregor, te Balquidder.
Invernahyle bevond zich te Edinburgh, toen de zeerover Paul Jones in de golf van Forth verscheen, en ofschoon hij een oud man was, zag ik hem onder de wapenen, terwijl ik hem hoorde juichen (om zijn eigen woorden te bezigen) in het blijde vooruitzicht van nog eens voor zijn dood den sabel te zullen trekken. Inderdaad was Invernahyle bij die merkwaardige gelegenheid, toen Schotlands hoofdstad door drie kleine sloepen of brikken, ter nauwernood in staat om een visschersdorp aan te vallen, bedreigd werd, de eenige die in staat scheen een plan tot verdediging te beramen.
Hij bood de regeering der stad aan, indien ze hem de noodige sabels en dolken wilde leveren, genoeg dappere Hooglanders uit de lagere klassen bijeen te brengen om elke bootsbemanning, die de stad binnendrong en die zich denkelijk in de nauwe, kronkelende straten zou verspreiden in de hoop op roof, in de pan te hakken. Ik weet niet, of zijn voorstel ingang vond, maar ben geneigd te gelooven, dat het aan de overheid te gevaarlijk moest toeschijnen, die zelfs toen niet verlangen kon de Hooglanders te wapenen. Een hevige westewind maakte een einde aan de zaak, door Paul Jones met zijn schepen uit de golf te verjagen.
Zoo er in deze herinnering iets vernederends ligt, is het aan den anderen [4]kant aangenaam ze te vergelijken met die van den laatsten oorlog toen Edinburgh, behalve de gewone krijgsmacht, en de militie, een corps vrijwilligers, cavalerie, infanterie en artillerie, bijeenbracht, van ongeveer zes duizend man, geheel en al gereed om een vrij wat aanzienlijker macht, dan die van den avontuurlijken Amerikaan, het hoofd te bieden. De tijden en de omstandigheden brengen in het karakter der volken en het lot der steden een omkeer te weeg; en de Schot moge zich met welgevallen herinneren, dat de aloude roem van het voorgeslacht, sedert een halve eeuw verduisterd, herleefde, toen zijn vaderland weder aan zijn eigen zonen de verdediging van hun geboortegrond mocht opdragen.
De overige ophelderingen omtrent Waverley zal men vinden in de onmisbare noten onder aan de bladzijden. Die welke in ons oog te uitvoerig waren, om op die wijze te worden geplaatst, zal men aan het einde van het geheele werk aantreffen.