VOORREDE.
Het publiek heeft aan deze vluchtige schets der oude zeden en gewoonten van Schotland een gunstiger onthaal geschonken, dan de schrijver had durven hopen of verwachten. Met eene mengeling van dankbaarheid en bescheiden voldoening heeft hij vernomen dat zijn werk aan meer dan één vermaarden schrijver is toegeschreven. Overwegingen, die hem in zijn bijzondere positie gewichtig schenen, vergunden hem niet zijn naam op het titelblad van dit boek te doen drukken, om een einde te maken aan alle valsche veronderstellingen; zoo dat het, immers voor het tegenwoordige, nog in het onzekere blijven moet, of Waverley het werk van een dichter of een recensent, van een rechtsgeleerde of een geestelijke is, dan wel of de schrijver, om mij van de woorden van mevrouw Malaprop1 te bedienen, „evenals Cerberus – drie personen te gelijk is.” Daar er in het werk zelf niets gevonden wordt, behalve zijne geringe waarde, dat beletten kan, dat iemand het vaderschap er van op zich zou willen nemen, laat de schrijver het aan de eerlijkheid van het publiek over, om uit de vele omstandigheden van het maatschappelijk leven, er eene te kiezen, welke er hem toe geleid heeft zijn naam ook bij deze gelegenheid te verzwijgen. Hij is wellicht een voor het eerst optredend acteur en weinig begeerig zich een titel, waaraan hij niet gewoon is, te laten aanleunen, of hij is misschien een uit de mode geraakt auteur, die zich schaamt dat hij zich te vaak heeft vertoond, en die zijne toevlucht tot deze geheimzinnigheid neemt, zooals de heldin van het oude blijspel gewoon was zich van haar masker te bedienen, om de aandacht van diegenen te trekken, aan wie haar gelaat te gemeenzaam bekend was geworden. Hij kan een deftig ambt bekleeden, waaraan de naam van romanschrijver niet dan nadeelig zou kunnen zijn, of een man uit de groote wereld, wien men het schrijven van wat ook als pedanterie zou [5]kunnen aanwrijven. Of, in één woord, hij kan te jong zijn, om den titel van schrijver aan te nemen, of zoo oud, dat het raadzaam is daarvan af te zien.
De schrijver van Waverley heeft de opmerking omtrent zijn roman hooren maken, dat, in het karakter van Callum Beg en in het door den Baron van Bradwardine gegeven verhaal, met betrekking tot de kleine vergrijpen tegen den eigendom, waarvan hij de Hooglanders beschuldigt, hij hun nationaal karakter te hard gevallen is, en dat hij hun onrecht gedaan heeft. Niets lag meer buiten zijn wensch en bedoelingen. Het karakter van Callum Beg is dat van iemand, die van nature tot het kwade geneigd is, en die door de omstandigheden tot eene bijzondere soort van boosdoen verlokt wordt. Zij, die de belangrijke brieven over de Hooglanden2, omstreeks 1726 uitgegeven, gelezen hebben, zullen er voorbeelden van zulke verfoeielijke karakters in hebben aangetroffen, als die welke de schrijver zelf in de gelegenheid was te leeren kennen; ofschoon het volstrekt onrechtvaardig zou zijn, dergelijke ellendige wezens te beschouwen als de vertegenwoordigers van al de Hooglanders uit dat tijdperk, even als de moordenaars van Marr en van Williamson3 geenszins de typen zijn der Engelschen van den tegenwoordigen tijd. Wat betreft het plunderen, hetwelk voorondersteld wordt door eenige opstandelingen in 1745 gepleegd te zijn, is het noodig te herinneren, dat, hoewel de door dit ongelukkige leger afgelegde weg door verwoesting noch bloed geteekend was, maar zijn geheele marsch zich integendeel door orde en tucht kenmerkte, er evenwel geen leger wordt gevonden, dat op den weg door een vijandelijk land zich niet aan eenigen roof schuldig maakt; en een aantal vergrijpen, als die welke de Baron spottenderwijs aan de Hooglandsche opstandelingen verwijt, werd hun in die dagen werkelijk ten laste gelegd. Het bewijs vindt men in een aantal overleveringen, en vooral in die, welke van den Ridder des Spiegels tot ons gekomen zijn4.
DE SCHRIJVER AAN EEN IEDER IN HET ALGEMEEN.
Thans, lezer, weet ge uit hart en pen
Wat meening ik ben toegedaan;
’t Is noodloos dat kritiek hier schen’,
Of gij aan ’t klagen wenscht te gaan;
Hoor dus, daar ’k niets verandren kan,
’t Verhaal maar ân.
[6]
Soms was ’t aan weêrszij lang niet goed;
Men sloeg in koelen bloede dood;
Dat dêen geen liên uit aadlijk bloed,
Maar wat uit lager klassen sproot,
Wier dolk zelfs geen gewonde ontzag,
Waar hij ook lag.
Te Preston en Falkirk was pas
De nacht gezonken, toen reeds ’t zwaard
Op menige’ arme aan ’t woeden was;
De kreet steeg dan ook hemelwaart:
Bij Wilde en Turk heerscht menschelijkheid;
Ons is ze ontzeid.
Wee over zulk een moordlust, wee!
Gewonden slachten op het veld!
Wat loon brengt niet hun schanddaad meê,
Die perk en paal te buiten snelt!
Ze roepen voor hun eigen kop
Het wraakstaal op.
’k Zag wat men Hooglands schoeljes heet,
Met schelmen van het Hoogland, soep
En kool wegkapen, steeds gereed
Hun bord te smijten op de stoep;
Haan, kip, schaap, zwijn – ’t werd alles prijs
Naar roovers wijs.
Ik zag een Hooglandsch man; hij droeg
Een krans van puddings aan een staak;
Al schold hem Maggie, die hem joeg;
Hij hinnikte van puur vermaak
Gelijk een veulen, en hij vloog
Snel uit haar oog.
Als men dit alles hun verwijt,
Dan is ’t: „mijn buik is plat en leêg;
Als gij verkoopt noch geeft, is ’t tijd
Dat ik maar neem – en wel ter deeg.
Zeg George en Georges Willem5 goed
Dat ’k eten moet.”
Soldaten zag ’k te Linton-brig;6
Ze plunderden een man, omdat
Hij daar bekend stond als een Whig;
Men liet hem thuis geen droog of nat.
Zijn hoed en pruik verbranden zij,
En ransel toe kreeg hij.
[7]
Het woeste in ’t Hoogland had ruim baan,
Zoodat het kleed noch voedsel liet
Aan iemand, en de roode haan
Gestoken werd in ’t dak van riet:
Wie bleef er bij zoo’n ruwheid teer?
’t Ging leer om leer.
En na dat al, o schaamte en schand!
Nog wreeder dan een moordnaarsstoet
Werd zelfs hun hoofdman aangerand,
Al plasten ze eerst in minder bloed.
Die wreedheid evenaart naar ’k gis,
De Paapsche wis.
En wat er in het openbaar
Te Carlisle plaats had op dien dag
Van woede, als menig werd gewaar,
Toen deernis vast gekluisterd lag –
’k Hield bij die toegejuichte ellend
Het hoofd gewend.
Wat al gevloek bij schaars gebed!
Al riepen enkelen ook: „hoezee!”
Men deed dien ruwen morgen met
Den Schotschen muitling als met vee,
Dat men, niet met meedoogendheid,
Ter slachtbank leidt.
Daarom, mijn medeburgers doet
Dat zelfde, ik bid u ’t, nimmermeer;
Geen zucht naar wraak, geen dorst naar bloed,
Geen vreeslijk slagveld als weleer:
Leent d’ Engelschman uw geld, en laat
Geen plaats aan haat.
Hun tartend bluffen is niets waard;
Beminnen we onzen Koning! Laat
Ons needrig zijn en zacht van aard;
Want ’k zie: de mensch ervaart steeds kwaad
Die uit een laag en ruw gemoed
Het booze doet.
[8]
1 Een personage uit de „Medeminnaars” van Sheridan. Haar naam duidt aan, dat zij gewoon is mal à propos allerlei woorden en toespelingen te gebruiken. ↑
2 Letters from the Highlands. Er is hier sprake van de „Brieven van Kapitein Burt,” waarin hij van den beruchten hoofdman Barasdale gewaagt, dien men algemeen houdt voor den type van Fergus Mac-Ivor. ↑
3 Al de leden der familiën van Marr en van Williamson werden, kort voor het verschijnen van deze voorrede, te Londen ter dood gebracht. ↑
4 Een verhaal van de gebeurtenissen dier dagen, in eenvoudige rijmen vervat, maar waarin een aantal treffende bijzonderheden voorkomen, en hetwelk nog tegenwoordig door het volk wordt gezongen, geeft een nauwkeurig verslag, zoowel van de krijgsbedrijven der Hooglanders als van hunne uitspattingen, en daar de verzen weinig bekend en lang niet kwaad zijn, wagen wij het ze hierin te vlechten. ↑