WeRead Powered by ReaderPub
Waverley cover

Waverley

Chapter 41: TWEEDE DEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young man who becomes entangled in a Highland uprising, experiencing divided loyalties as he moves between urban society and rural clan life. Military engagements and intimate domestic scenes alternate with vivid descriptions of landscapes and customs, while romantic attachments and moral dilemmas test personal honor. The work balances action and reflection, examining themes of identity, political allegiance, cultural clash, and the human costs of upheaval through a sequence of episodic scenes and richly detailed historical portraiture.

TWEEDE DEEL.

[Inhoud]

WAVERLEY,
of
ZESTIG JAREN GELEDEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN VRIJWILLIGER VAN VOOR ZESTIG JAAR.

Toen majoor Melville het ongewenschte tromgeroffel hoorde, opende hij haastig een schuifdeur, en trad op een soort van terras, dat zijn huis scheidde van den weg, van waar de krijgsmuziek zijn ooren getroffen had. Waverley en zijn nieuwe vriend volgden hem, ofschoon hij misschien hun bijzijn wel kon missen. Spoedig ontwaarden zij een plechtigen optocht, eerst den trommelslager, vervolgens eene groote vlag, in vier afdeelingen gescheiden, waarop de woorden, verbond, kerk, koning, koningrijken met groote letters te lezen stonden. De persoon, die de eer had het vaandel te dragen, werd gevolgd door den bevelhebber der afdeeling, een schraal, somber man met een streng uitzigt, en omstreeks zestig jaar oud. De geestelijke hoogmoed, welke in den kastelein uit de Kandelaar in een soort van verwaande schijnheiligheid was overgegaan, werd, op het gelaat van dezen man, verhoogd en overschaduwd door oprechte en ontwijfelbare dweepzucht. Het was onmogelijk hem te zien, zonder dat de verbeelding hem te midden van een of andere vreemde crisis verplaatste, waarin godsdienstijver de hoofdrol speelde. Een martelaar aan de paal, een soldaat in het veld, een eenzaam en verbannen zwerveling, door de kracht en veronderstelde zuiverheid van zijn geloof getroost over ieder aardsch gemis; misschien een wreedaardige inquisiteur, even verschrikkelijk in de uitoefening zijner macht, als onbuigzaam in den tegenspoed; voor al deze rollen scheen dit personaadje bijzonder geschikt. In weerwil van deze sterke trekken, had hij een gemaakte afgepastheid en deftigheid van uitdrukking en [188]manieren, die aan het belachelijke grensde; zoodat, naarmate van de stemming waarin men hem ontmoette, en het licht waarin zich Gilfillan vertoonde, men voor hem gesidderd, hem bewonderd of om hem gelachen zou hebben. Zijne kleeding was die van een boer uit de Westelijke graafschappen, wel is waar, van betere stof dan die der laagste standen, maar in geen opzicht noch naar de mode van den tijd, noch naar die der Schotsche fatsoenlijke wereld, van welke eeuw ook. Zijne wapenen bestonden in een sabel en pistolen, welke, wegens hun ouderwetsch maaksel, de nederlaag hadden kunnen bijwonen van Pentland-hill of van Bothwell-Brigg.

Hij deed eenige schreden voorwaarts, om majoor Melville te gemoet te treden, en toen hij plechtig, maar slechts eventjes, zijne geweldige groote en over de oogen hangende blauwe muts aanraakte, ter beantwoording van den groet des Majoors, die beleefdelijk zijn kleinen driekanten hoed met gouden zoom had opgeligt, kon Waverley het denkbeeld niet weêrstaan, dat hij een aanvoerder der Rondhoofden van eertijds aanschouwde, in gesprek met een van Marlboroughs kapiteins.

De troep van omstreeks dertig gewapende mannen, die dezen bezielden aanvoerder volgde, was van tamelijk gemengde soort. Zij droegen de gewone Laaglandsche kleeding van verschillende kleuren, welke, in tegenstelling met hunne wapens, hun een ongeregeld voorkomen, als van een oproerigen hoop, gaven: zoo zeer is het oog gewend om eenvormigheid van kleeding bij een militairen stoet te wachten. In het front bevonden zich eenige mannen, die blijkbaar de geestdrijverij van hun leidsman deelden, voorzeker vreeselijk in een strijd, waarbij hun aangeboren moed door godsdienstijver verhoogd werd. Andere liepen met het hoofd in den nek en stapten als hanen, trotsch op het gewigtige voorrecht om de wapens te mogen dragen en op de nieuwheid van de positie, terwijl de overigen, oogenschijnlijk vermoeid door den marsch, hunne ledematen traag voortsleepten, of van hunne kameraden afdwaalden, om de verfrisschingen te zoeken, die de naburige woningen en kroegen opleverden. „Zes grenadiers van Ligonier’s,” dacht de majoor bij zichzelven, terwijl hij een terugblik wierp op zijn eigene militaire loopbaan, „zouden deze knapen heel spoedig het hazenpad doen kiezen.”

Terwijl hij den heer Gilfillan echter beleefd groette, verzocht hij te mogen weten, of hij den brief had ontvangen, dien hij hem op zijn marsch had toegezonden, en of hij de zorg voor den staatsgevangene, daarin vermeld, tot aan het kasteel van Stirling kon op zich nemen. „Ja,” luidde het beknopte antwoord van den Cameronischen aanvoerder, met eene stem die uit de penetralia van zijn persoon scheen voort te komen.

„Maar uw escorte, mijnheer Gilfillan, is niet zoo sterk, als ik verwacht had.”

„Een deel van het volk,” hernam Gilfillan, hongerde en dorstte op, den weg, en toefde tot hunne arme zielen verkwikt waren door het Woord.”

„Het spijt mij, mijnheer,” antwoordde de Majoor, „dat gij met het verkwikken uwer lieden niet tot Cairnvreckan gewacht hebt; alles wat mijn huis bevat, is ter beschikking van mannen, die zich in ’s Konings dienst bevinden.”

„Ik sprak niet van de verkwikkingen van den uitwendigen mensch,” [189]hernam de andere, terwijl hij majoor Melville aanzag, met iets dat naar een minachtenden glimlach zweemde, „intusschen dank ik u; maar het volk bleef wachten op den dierbaren heer Jabesh Rentowel, en het uitspreken van de namiddagspreek.”

„En hebt gij, mijnheer,” zeide de Majoor, „terwijl de rebellen op het punt staan om zich over dit landschap te verspreiden, wezenlijk een groot deel van uwe manschappen bij eene veldpredikatie gelaten?”

Gilfillan grijnsde op nieuw met minachting, terwijl hij dit dubbelzinnig antwoord gaf, – „Alzoo zijn de kinderen dezer wereld wijzer dan de kinderen des lichts in hun geslacht.”

„Intusschen, mijnheer,” zei de Majoor, „daar gij dezen heer naar Stirling hebt te brengen, en hem, met deze papieren, in handen van den gouverneur Blakeney te leveren, verzoek ik u eenige regelen van krijgstucht in acht te nemen op uw marsch. Bij voorbeeld, ik zou u raden uwe manschappen meer aaneen gesloten te houden, zoo dat elk zijn nevenman dekken kan, in plaats van door elkander te loopen als ganzen op een gemeentewei; en, om niet overvallen te worden, beveel ik u verder aan, een kleine voorhoede van uw beste manschappen te vormen, met een enkele vidette in het front, zoo dat, als gij een dorp of bosch nadert,” – hier viel de Majoor zichzelf in de rede – „maar daar ik niet zie, dat gij naar mij luistert, mijnheer Gilfillan, zoo kan ik mij de moeite besparen, om meer over deze zaak te zeggen. Gij zijt, zonder twijfel, een beter beoordeelaar van de noodige maatregelen dan ik; maar éen ding hoop ik, dat gij wel in acht zult nemen, dat gij dezen heer, uw gevangene, met geen gestrengheid of onbeleefdheid behandelt, en hem aan geen anderen dwang onderwerpt, dan noodig is om hem te bewaren.”

„Ik heb mijn lastbrief ingezien,” hernam de heer Gilfillan, „onderteekend door een waardig en vroom edelman, Willem graaf van Glencairn, en ik zie daarin niet vermeld, dat ik eenige lasten of bevelen, betreffende mijn handelingen, te ontvangen heb van majoor William Melville van Cairnvreckan.”

Majoor Melville werd rood tot achter zijn welgepoederde ooren, die onder zijn nette militaire pruik voor den dag kwamen, en dit te meer, daar hij bespeurde dat de heer Morton op hetzelfde oogenblik glimlachte. „Mijnheer Gilfillan,” antwoordde hij met eenige scherpheid, „ik verzoek tienduizendmaal verschooning, dat ik mij met de zaken van zulk een gewichtig persoon, als gij zijt, bemoeid heb. Ik dacht evenwel, dat, daar gij grootgebracht zijt als vetweider, zoo ik het niet mis heb, er gelegenheid zou kunnen zijn, om u het onderscheid tusschen Hooglanders en Hooglandsch vee te herinneren, en zoo het gebeuren mocht dat gij een of ander fatsoenlijk man ontmoettet, die den dienst kende, zou ik mij nog al verbeelden dat, als gij naar hem luisterdet, het u in het geheel geen kwaad zou doen. Maar ik heb het mijne gezegd, en behoef nog slechts dezen heer zoo wel aan uwe beleefdheid, als aan uwe hoede aan te bevelen. – Mijnheer Waverley,” voegde de Majoor er bij, „het smart mij inderdaad, dat wij op deze wijze moeten scheiden: maar ik vertrouw, dat, zoo gij eens weder in deze streken komt, ik in staat zal zijn, om Cairnvreckan aangenamer voor u te maken, dan de omstandigheden bij deze gelegenheid hebben veroorloofd.”

Dit zeggende, drukte hij onzen held de hand. Morton nam insgelijks [190]een hartelijk afscheid, en nadat Waverley zijn paard bestegen had, met een soldaat die het aan den toom leidde, en een rij aan weerszijde om zijn ontsnapping te beletten, begon hij zijn tocht met Gilfillan en zijn troep. Zoolang ze in het dorpje waren werd hun uitgeleide gedaan door het gejouw der kinderen, en het geschreeuw: „He! kijkt den Zuidlandschen heer, die men gaat ophangen omdat hij langen Jan Mucklewrath, den smid, heeft doodgeschoten!”