WeRead Powered by ReaderPub
Waverley cover

Waverley

Chapter 50: NEGENDE HOOFDSTUK. HET BAL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young man who becomes entangled in a Highland uprising, experiencing divided loyalties as he moves between urban society and rural clan life. Military engagements and intimate domestic scenes alternate with vivid descriptions of landscapes and customs, while romantic attachments and moral dilemmas test personal honor. The work balances action and reflection, examining themes of identity, political allegiance, cultural clash, and the human costs of upheaval through a sequence of episodic scenes and richly detailed historical portraiture.

[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

HET BAL.

Vaandrig Maccombich vertrok naar het Hooglandsche kamp, werwaarts zijn plicht hem riep; de rentmeester Mackwheeble verwijderde zich, om zijn middagmaal te verteeren en als het kon ook Evan Dhu’s bedreiging [224]van toepassing der krijgswet, in een of andere afgelegen kroeg, terwijl Waverley, de Baron en het Opperhoofd zich naar Holyrood-House begaven. De beide laatsten waren in een alleropgeruimdste stemming, en de Baron, op zijn wijze, plaagde onzen held over zijn uiterlijk, hetwelk de nieuwe kleeding zoo voordeelig deed uitkomen. „Als gij een of ander plan hebt tegen het hart van een aardig Schotsch meisje, zou ik u raden, als gij aanzoek bij haar doet, aan de woorden van Virgilius te denken:

Nunc insanus amor duri me Martis in armis,

Tela inter media atque adversos detinet hostes.

welke verzen Robertson van Struan, Opperhoofd van den clan Donnochy. – tenzij de aanspraak daarop door Lude gemaakt de voorkeur moet hebben – heel sierlijk vertaald heeft.”

„Luister liever naar mijn lied,” zeide Fergus.

„Zij was niet gesteld op een Engelsch heer,

Een Engelsche dame ook en wou ze niet wezen,

Maar onder den plaid van Duncan Grame,

Dien zij er zich uit had gelezen,

Vertrok zij, en scheen niets te vreezen.”

Thans bereikten zij het paleis van Holyrood, en werden, toen ze de vertrekken binnentraden, een voor een aangediend.

Het is maar al te wel bekend, hoe vele heeren van rang, opvoeding en fortuin, deel namen aan de noodlottige en wanhopige onderneming van 1745. Desgelijks kozen ook de Schotsche dames zeer algemeen de partij van den beminnelijken en schoonen jongen Prins, die zich in de armen zijner deelnemende landslieden wierp, meer als een romanheld, dan als een wijze staatsman. Het is dus niet te verwonderen, dat Eduard, die het grootste gedeelte van zijn leven in de stille en statige afzondering van Waverley-Honour had doorgebracht, verblind werd door de levendigheid en de bevallige pracht van het tooneel, hetwelk de lang verlatene zalen van het Schotsche paleis thans opleverden. De bijzaken, het is waar, misten den noodigen luister, wegens de kortheid en de onrust van den tijd; maar dit belette niet, dat de algemeene indruk treffend was en zelfs schitterend mocht genoemd worden door den rang, dien het daar verzamelde gezelschap bekleedde.

Het duurde niet lang, of des minnaars oog ontdekte het voorwerp zijner liefde. Flora Mac-Ivor was juist bezig naar hare plaats terug te keeren, dicht aan het boveneinde van de zaal, met Rose Bradwardine aan haar zijde. In weerwil van het talrijke en luisterrijke gezelschap, hadden zij bijna de algemeene aandacht getrokken, daar ze ongetwijfeld twee van de schoonste der aanwezige vrouwen waren. De Prins maakte veel werk van beiden, bijzonder van Flora, met wie hij danste: een voorkeur, die zij waarschijnlijk aan haar buitenlandsche opvoeding en vaardigheid in de Fransche en Italiaansche talen te danken had.

Toen het algemeene gewoel, dat het einde van een dans gewoonlijk vergezelt, het toeliet, volgde Eduard, bijna werktuiglijk, Fergus naar de plaats, waar Flora gezeten was. De hoop, waarmede hij zijn genegenheid gedurende de afwezigheid van het beminde voorwerp had gevoed, scheen in hare tegenwoordigheid te verdwijnen, en gelijk iemand, die zich inspant [225]om zich de bijzonderheden van een vergeten droom te herinneren, zou hij op dat oogenblik alles ter wereld gegeven hebben, om in het geheugen de gronden terug te roepen, waarop hij verwachtingen had gebouwd, die nu zoo ijdel en nietig schenen. Hij volgde Fergus met nedergeslagen oogen, gonzende ooren en het gevoel van een misdadiger, die, terwijl hij langzaam door de menigte henentreedt, welke vergaderd is om de voltrekking van zijn vonnis te zien, geen duidelijke bewustheid heeft, noch van het geraas dat zijn ooren treft, noch van het rumoer der menigte, waarover hij zijn verwilderde oogen laat rondwaren.

Flora scheen een weinigje – een klein weinigje – getroffen en ontroerd bij zijn nadering. „Ik breng u een aangenomen zoon van Ivor,” zeide Fergus.

„En ik ontvang hem als een tweeden broeder,” antwoorde Flora.

Er lag een ligte nadruk op het woord, die ieder oor zou ontgaan zijn, uitgenomen dat, hetwelk door koortsige vrees overmeesterd was. De toon was echter bepaald aangegeven en volkomen in overeenstemming met haar houding, en gaf blijkbaar te kennen: „Ik zal nooit aan den heer Waverley denken in eenige andere betrekking.” Eduard verstomde, boog en zag naar Fergus, die zich op de lippen beet, – een beweging van toorn, die bewees, dat hij insgelijks een ongunstige verklaring gaf aan de wijze, waarop zijn zuster zijn vriend had ontvangen. „Ziedaar dan het einde van mijn wakenden droom!” Dit was Waverleys eerste gedachte, en ze was zoo bij uitstek pijnlijk, dat ze hem voor een oogenblik doodsbleek maakte.

„Genadige Hemel!” riep Rose Bradwardine, „hij is nog niet hersteld!”

Deze woorden, welke ze met groote aandoening uitte, werden door den Prins zelven gehoord, die haastig vooruit trad, en, Waverley bij de hand vattende, vriendelijk naar zijn welstand vernam, en er bijvoegde dat hij hem wenschte te spreken. Door een krachtige en plotselinge inspanning die de omstandigheden noodzakelijk maakten, werd Waverley zichzelven in zoo verre meester, dat hij den Prins zwijgend kon volgen naar een afgelegen hoek van het vertrek.

Hier hield de Prins hem eenigen tijd op, terwijl hij een aantal vragen tot hem richtte over de groote Tory- en Katholieke familiën in Engeland, haar betrekkingen, haar invloed en haar gehechtheid aan het huis van Stuart. Op deze vragen had Eduard ten allen tijde niet anders dan algemeene antwoorden kunnen geven; en men kan gemakkelijk nagaan dat, in zijn tegenwoordige gemoedsgesteldheid, deze berichten tot verwardheid toe onnauwkeurig waren. De Prins glimlachte een paar malen over zijn ongerijmde antwoorden, maar zette hetzelfde onderhoud voort, ofschoon hij zich gedwongen vond zelf de voornaamste rol op zich te nemen, tot op het oogenblik waarin hij bespeurde, dat Waverley zijn tegenwoordigheid van geest had herwonnen. Het is waarschijnlijk dat deze lange audiëntie gedeeltelijk ten doel had om de meening te versterken, welke de Prins zoo vurig verlangde onder zijn aanhangers te zien bevorderd, dat Waverley iemand was van grooten staatkundigen invloed. Maar het bleek uit hetgeen hij later zeide, dat hij nog een andere beweegreden gehad had, om dit gesprek te rekken, een geheel verschillende reden, en wel een die van toegenegenheid vóor en belangstelling in onzen held getuigde. „Ik kan de verzoeking niet weêrstaan,” zeide hij, „om op mijn voorzichtigheid te roemen, als de vertrouwde van een schoone [226]dame. Gij ziet, mijnheer Waverley, dat ik alles weet, en ik verzeker u, dat ik levendig belang stel in deze zaak. Maar, mijn beste jonge vriend, ge moet uw gevoelens beter weten te beteugelen. Er zijn hier een aantal lieden, wier oogen even helder zien als de mijne, maar op wier voorzichtigheid en stilzwijgendheid men niet zoo goed vertrouwen kan.”

Dit zeggende, keerde hij zich zonder gemaaktheid naar elders, terwijl hij Waverley achterliet om over zijn laatste woorden na te denken. Zoo deze woorden voor hem niet geheel verstaanbaar waren, waren ze toch voldoende om hem het noodzakelijke der hem aanbevolen voorzichtigheid te doen inzien, en terwijl hij dus een poging deed, om zich de belangstelling waardig te toonen, welke zijn nieuwe meester voor hem aan den dag had gelegd, door oogenblikkelijk diens wenk te gehoorzamen, wandelde hij op naar de plaats, waar Flora en Freule Bradwardine nog gezeten waren, en na de laatste gegroet te hebben, slaagde hij boven zijn verwachting er in om over onverschillige zaken met beide in gesprek te komen.

Zoo gij, waarde lezer, ooit in het geval geweest zijt om postpaarden te nemen te ***, of te ****, (een van welke blancos, of waarschijnlijk alle twee, ge wel in staat zult zijn met een of ander poststation in uwe nabuurschap in te vullen) dan moet gij, en waarschijnlijk met deelnemende smart, den pijnlijken angst hebben opgemerkt, waarmede de arme dieren hunne geschaafde halsen in de hamen van het tuig steken. Maar, wanneer de onweêrstaanbare aandrang van den postiljon hen gedwongen heeft een halfuurtje af te leggen, zullen ze verhard worden tegen dat gevoel, en „warm in het tuig geworden”, gelijk genoemde postiljon zich zal uitdrukken, zullen ze voortdraven, als of hunne schoften gaaf en onbezeerd waren. Deze vergelijking past zoo volkomen op den toestand van Waverleys gewaarwordingen, in den loop van dezen merkwaardigen avond, dat ik haar de voorkeur geef (en dat te meer, dewijl zij, naar ik vertrouw, geheel oorspronkelijk is) boven iedere schitterende opheldering, die Byshe’sKunst der Poëzy” mij zou kunnen opleveren.

Inspanning vindt, even als de deugd, hare belooning in zichzelve; en onze held had bovendien nog andere beweegredenen, om een gemaakte bedaardheid en onverschilligheid omtrent Flora’s onvriendelijk gedrag aan den dag te blijven leggen. De hoogmoed kwam hem spoedig te hulp, door op de wonden van zijn hart zijn bijtend maar heilzaam geneesmiddel aan te wenden. Kon of mocht hij, onderscheiden door de gunst van een Prins; bestemd, gelijk hij reden had te hopen, om een aanzienlijke rol te spelen in de omwenteling, welke een machtig koningrijk wachtte; waarschijnlijk uitmuntende in kundigheden boven, en ten minste gelijk staande in persoonlijke hoedanigheden met de meeste edele en aanzienlijke personen, waaronder hij zich thans bevond, jong, rijk en hoog geboren; kon, of mocht hij (zeggen wij) kwijnen onder de minachtende blikken eener grillige schoone?

„O nimf, zoo onbuigzaam en koud als graniet;

Mijn hart is zoo trotsch als het uwe.”

De in deze regels uitgedrukte gewaarwordingen die toenmaals echter [227]nog niet geschreven waren1 brachten Waverley er toe om al zijne pogingen aan te wenden, ten einde Flora te doen gevoelen, dat hij er de man niet naar was zich door een afwijzing te laten ter nederslaan, waarbij zijn ijdelheid hem influisterde, dat hare uitzichten er niet minder onder leden, dan de zijne. En om deze verandering in zijn gevoelens te versterken, kwam hem de stille en door hemzelven niet erkende hoop te hulp, dat zij er toe mocht komen om zijn genegenheid op hooger prijs te stellen, wanneer zij niet meer van meening was dat het altijd in hare macht stond die aan te moedigen, of af te wijzen. Er was ook een geheimzinnige soort van bemoediging in des Prinsen woorden, ofschoon hij vreesde dat ze alleen betrekking hadden op Fergus’ wenschen, wat eene vereeniging tusschen hem en zijn zuster betrof. Maar de omstandigheden, de tijd, de plaats, alles liep samen om tegelijk zijn verbeelding op te wekken, en een manhaftige en standvastige houding van hem te vorderen, terwijl hij het aan het noodlot overliet om de uitkomst te regelen. Daarenboven, als hij alléén droevig en ontmoedigd scheen op den avond voor een veldslag, welke wapenen zou hij dan niet verschaffen aan den laster, die zich reeds maar al te zeer met zijn goeden naam had bemoeid! „Neen, neen,” zeide hij tot zichzelven, „ik zal hier mijn vijanden, wier haat door mij nooit is uitgelokt, geen gelegenheid geven, om zulk een voordeel boven mij te verkrijgen.”

Toegevende aan den invloed dezer gemengde aandoeningen, en nu en dan aangemoedigd door een lachje van verstandhouding en goedkeuring, zoo vaak de Prins de groep voorbijkwam, riep Waverley al zijn luim, levendigheid en welsprekendheid te hulp, en verwierf zich de algemeene bewondering van het gezelschap. Het onderhoud nam langzamerhand den toon aan, die het meest geschikt, was voor de ontwikkeling zijner talenten en kundigheden. De vroolijkheid van den avond werd eer verhoogd dan gestoord door de naderende gevaren van den volgenden dag. Alle zenuwen waren gespannen over de toekomst, en voorbereid om het tegenwoordige te genieten. Deze zielsgesteldheid is ten hoogste gunstig tot het oefenen der vermogens van de verbeelding, voor de poëzij, en voor die welsprekendheid, welke zoo nauw aan de poëzij verwant is. Waverley bezat, gelijk wij elders opmerkten, bij tijden een ongemeene welbespraaktheid; en bij deze gelegenheid deed hij meer dan eens de hoogere toonen des gevoels trillen, terwijl hij dan weder tot een wild spel van geestige aardigheden afdaalde. Hij werd ondersteund en opgewekt door bevriende geesten, die denzelfden prikkel van den tijd en de gemoedsstemming ondervonden, en zelfs zij, wier aard voor koud en berekenend gehouden werd, werden medegesleept door den stroom. Verscheidene dames weigerden deel te nemen aan den dans, al duurde deze nog steeds voort, en voegden zich, onder verschillende voorwendsels, bij het gezelschap, waaraan „de knappe jonge Engelschman” zich scheen verbonden te hebben. Hij werd aan een aantal lieden van den hoogsten rang voorgesteld, en zijn manieren, welke voor het oogenblik geheel vrij waren van de beschroomde stijfheid, [228]waaronder ze bij mindere opwekking, leden, verwierven de algemeene goedkeuring.

Flora Mac-Ivor scheen het eenige daar tegenwoordige vrouwelijk wezen te zijn, dat hem met een zekere mate van koelheid en terughouding beschouwde; doch ook zij kon een soort van bewondering niet onderdrukken bij het ontdekken van talenten, welke zij hem, in den loop hunner kennismaking, nooit zoo luisterrijk en gelukkig had zien ontwikkelen. Ik weet niet, of ze niet misschien een oogenblik spijt gevoelde een besluit genomen te hebben omtrent het aanzoek van een minnaar, die zoo uitstekend geschikt scheen een eerste plaats in de hoogste rangen der maatschappij te bekleeden. Zeker had ze tot hiertoe onder Eduards ongeneeselijke gebreken die mauvaise honte gerekend, waaraan ze, daar zij in de hoogste kringen aan een vreemd hof opgevoed, en weinig met de stijfheid der Engelsche zeden bekend was, het denkbeeld hechtte van een beschroomdheid, die zelfs in zwakheid ontaardde. Maar, zoo er een vluchtige wensch bij haar opkwam, dat Waverley zich altijd zoo beminnelijk en aantrekkelijk mocht hebben voorgedaan, was dit toch slechts de opwelling van een oogenblik; want er hadden zich, sedert ze elkander hadden gezien, omstandigheden opgedaan, welke, in haar oog, het besluit, dat ze omtrent zijn aanzoek genomen had, beslissend en onherroepelijk maakten.

Door geheel tegenovergestelde gevoelens overmeesterd, luisterde Rose Bradwardine met geheel haar ziel naar hem. Zij gevoelde een heimelijke zegepraal, bij de algemeene schatting aan iemand betaald, wiens verdiensten ze maar al te vroeg en te hoog had leeren schatten. Zonder den minsten zweem van ijverzucht, zonder eenig gevoel van vrees, smart of twijfel, niet verontrust door een enkele baatzuchtige gedachte, gaf ze zich over aan het genot van de algemeene toejuiching waar te nemen. Als Waverley sprak, hoorde ze niet anders dan zijn stem; wanneer anderen antwoordden, vestigde haar oog zich nog op hem, om geen enkel zijner antwoorden te missen. Misschien was het geluk, dat ze in den loop van dien avond smaakte, hoewel voorbijgaand, en door veel gevolgd, in zijn aard het zuiverste en onbaatzuchtigste, dat de mensch in staat is te genieten.

„Baron,” zeide de Prins, „ik zou mijne beminde in het gezelschap van uw jongen vriend niet vertrouwen. Hij is inderdaad, ofschoon wat romanesk, een der betooverendste jonge lieden, die ik ooit gezien heb.”

„En op mijne eer, Prins,” zei de Baron, „onze vriend kan soms zoo dof zijn, als een zestiger, gelijk ik; indien Uwe Koninklijke Hoogheid hem had zien droomen en druilooren langs de heuvelen van Tully-Veolan, als een hypochonder, of, gelijk het in Burtons Anatomie heet, een Phreneticus of Lethargicus, zoudt gij u gewis verwonderen, van waar hij al deze fraaie praat en vroolijkheid en scherts zoo spoedig gehaald heeft.”

„Het is waar,” zeide Fergus Mac-Ivor, „mij dunkt, het kan alleen de ingeving van de „tartans” zijn; want ofschoon Waverley altijd een man van eer is, heb ik hem tot nu toe meestal zeer verstrooid en onoplettend in gezelschap gevonden.”

„Wij hebben dus nog te meer verplichting aan hem,” zei de Prins, „dat hij tot voor dezen avond hoedanigheden heeft verborgen gehouden, welke zelfs zijn gemeenzame vrienden niet in hem hebben kunnen ontdekken. – [229]Maar, komt, heeren, de avond gaat voorbij en wij moeten bij tijds op de bezigheden van morgen bedacht zijn. Ieder zorge voor zijn gezelschap, en doe eer aan een klein feestmaal dat ik u aanbied.”

Hij ging hen voor naar een andere reeks van vertrekken, en zette zich in den leuningstoel, onder een verhemelte, aan het hoofd eener lange rij van tafels, met een waardigheid en hoffelijkheid tevens, welke aan zijn hooge geboorte en grootsche bedoelingen volkomen betaamden. Nauwelijks was er een uur verloopen, of de muzikanten lieten het in Schotland zoo wel bekende sein tot vertrek hooren.2

„Goeden nacht dan,” zeide de Prins, opstaande; „goeden nacht dan, en zij de vreugde met u allen! – Goeden nacht, schoone dames, die ten verjaagden en gebannen Prins zoo hoogelijk hebt vereerd. – Goeden nacht, mijn dappere vrienden. – Moge het geluk, dat wij heden avond genoten hebben, een voorteeken zijn van onze spoedige en zegevierende terugkomst in dit ons voorvaderlijk verblijf, en van vele, zeer vele vroolijke bijeenkomsten in het paleis van Holyrood!”

Als de baron van Bradwardine later dit afscheidswoord van den Prins vermeldde, liet hij nooit na, op droefgeestigen toon, te herhalen:

„Audiit, et voti Phœbus succedere partem

Mente dedit; partem volucres dispersit in auras;”

hetwelk, zoo als hij er bijvoegde, vrij goed is weêrgegeven:

Phœbus verhoorde goedgunstig de helft van dees bede, maar hevig

Floot hij in de andere helft en gaf ze den winden ten prijs.


1 Deze regels komen voor in het roerende vers van mejufvrouw Steward, hetwelk aldus aanvangt:

O stormige rotsen van Lanow, vaartwel! W. S.

2 Het is, of was eertijds, het oude liedje: „Good night, and joy be wi’ you a’!” (Goeden nacht en zij de vreugde met u allen!) W. S.