VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EENE SCHERMUTSELING.
Wij behoeven den lezer nauwelijks te herinneren, dat de Hooglanders, na een op den vijfden December te Derby gehouden krijgsraad, hun wanhopig [294]plan, om Engeland verder binnen te dringen, opgaven, en tot groot ongenoegen van hun jongen en stouten aanvoerder, stellig besloten naar het noorden terug te trekken. Dienovereenkomstig vingen zij hun terugtocht aan, en door hun uitnemende vlugheid ontsnapten zij aan den hertog van Cumberland, die hen thans met een uitgebreid corps ruiterij op de hielen zat.
Deze terugtocht was een wezenlijk opgeven van hunne hoog gespannen verwachtingen. Niemand had er zich meer van voorgesteld, dan Fergus Mac-Ivor; niemand was bijgevolg zoo bitter gekrenkt door deze verandering als hij. Hij advizeerde, of liever redetwistte, met de uiterste hevigheid, in den krijgsraad; en toen zijn gevoelen verworpen werd, stortte hij tranen van spijt en verontwaardiging. Van dat oogenblik af was geheel zijn voorkomen zoo veranderd, dat hij nauwelijks te herkennen zou geweest zijn als dienzelfde hooghartige, vurige geest, voor wien, slechts een week geleden, de aarde te eng scheen. De terugtocht was gedurende verscheidene dagen voortgezet geworden, toen Eduard, tot zijn niet geringe verbazing, des morgens vroeg van den twaalfden December, een bezoek van het Opperhoofd ontving, in zijn kwartier, op een dorpje halfweg tusschen Shap en Penrith.
Daar hij sedert het afbreken hunner vriendschap het Opperhoofd niet weder gesproken had, wachtte Eduard, niet zonder eenige beklemdheid, de verklaring der reden voor dit onverwacht bezoek, en kon zijn verbazing niet bedwingen over de verandering, die hij in het voorkomen van Fergus opmerkte. Zijn oog had veel van het vuur verloren, dat vroeger daarin schitterde, zijn wangen waren ingevallen; zijn stem was zwak; zelfs zijn gang scheen minder vast en veerkrachtig dan voorheen, en zijn kleeding, waaraan hij zoo bijzonder veel zorg placht te besteden, was hem nu onachtzaam om het lijf geworpen. Hij verzocht Eduard een wandeling met hem te doen langs het dichtbijgelegen riviertje, en glimlachte op een treurige wijze, toen hij Waverley zijn degen zag nemen en aangespen. Zoodra zij op een woest en afgelegen pad, aan de oevers van de rivier, waren, zeide hij:
„Ons schoone avontuur is nu geheel bedorven, Waverley, en ik zou gaarne weten, wat gij voornemens zijt te doen. – Ja, zie mij zoo verbaasd niet aan! Ik moet u zeggen, dat ik gisteren een pakje van mijn zuster ontving, en indien ik het vroeger had ontvangen, zou het een twist hebben voorkomen, waaraan ik niet dan met verdriet denken kan. In een brief, na ons verschil geschreven, maakte ik haar met de oorzaak er van bekend, en nu antwoordt zij mij, dat zij nooit het voornemen had, noch kon hebben, u eenige aanmoediging te geven. Het schijnt dus, dat ik als een ware dolleman gehandeld heb. – Arme Flora! zij schrijft vol moed en geestdrift; welk een verandering zal de tijding van dezen ongelukkigen terugtocht in hare stemming te weeg brengen.”
Waverley, die inderdaad zeer getroffen was door den uiterst zwaarmoedigen toon waarop Fergus sprak, verzocht hem op het hartelijkst alle gedachten aan de verwijdering, die tusschen hen bestaan had, uit zijn geheugen te verbannen, en zij drukten elkander op nieuw de hand, maar nu met ongeveinsde oprechtheid. Fergus vroeg Waverley weder, wat hij dacht te doen.
„Zou het niet beter voor u zijn, dit ongelukkige leger te verlaten, en u vóor ons naar Schotland te begeven, en daar scheep te gaan in een [295]der oostelijke zeehavens, die nog in onze macht zijn? – Wanneer gij buiten het rijk zijt, zullen uw vrienden een amnestie voor u gemakkelijk bewerken, en, om u de waarheid te zeggen, zou ik wenschen, dat gij Rose Bradwardine als uw vrouw medevoerdet, en Flora onder uw vereenigde bescherming medenaamt.” – Eduard keek verwonderd op. – „Zij bemint u, en ik geloof, dat gij haar bemint, ofschoon gij het misschien nog niet ontdekt hebt; want gij hebt juist den naam niet, van uzelven zeer nauwkeurig te kennen.” Dit laatste zeide hij met een soort van glimlach.
„Hoe,” antwoordde Eduard, „kunt gij mij raden de expeditie op te geven, waarvoor wij ons te zamen ingescheept hebben?”
„Ingescheept?” zeide Fergus, „het vaartuig zal weldra vergaan, en het is meer dan tijd, voor ieder die kan, zich in de boot te begeven, om het te verlaten.”
„Maar wat zullen de andere heeren doen? en waarom stemden de Hooglandsche Opperhoofden tot dezen terugtocht, als die zoo verderfelijk is?”
„O,” hernam Mac-Ivor, „zij denken, dat, even als bij vroegere gelegenheden, het kop-afslaan, hangen en verbeurdverklaren van goederen den Laaglandschen adel voornamelijk overkomen zal, dat zij in hunne armoede en sterkte een veilige toevlucht zullen vinden tegen den storm, om daar, volgens hun spreekwoord, op den heuvel naar den wind te luisteren, tot het water zakt! Maar zij zullen zich bedriegen; zij zijn te vaak rustig geweest, dan dat men bij hen zoo bij herhaling alles over het hoofd zou kunnen zien, en John Bull is dit maal al te erg ongerust gemaakt, om zijn goede luim zoo spoedig terug te krijgen. De Hannoversche ministers verdienden altijd, als schurken, te worden opgehangen, maar zoo zij nu de macht in handen krijgen, – zoo als zij vroeger of later moeten, – daar er geen opstand komt in Engeland, noch hulp uit Frankrijk – zullen zij de galg verdienen als gekken, als zij een enkelen clan in de Hooglanden in staat laten, om het bewind ooit weder onrust te komen baren. Ja, zij zullen wortel noch tak sparen, daar sta ik u borg voor.”
„En, terwijl gij mij de vlucht aanbeveelt – een raad, dien ik, al zou er mijn leven mede gemoeid zijn, niet denk te volgen – welke plannen koestert gij voor u zelven?”
„O,” hernam Fergus, „mijn lot is beslist. Dood of gevangen moet ik zijn, eer de dag van morgen aanbreekt.”
„Hoe meent gij dat, vriend?” zei Eduard. „De vijand is nog een dagmarsch achter ons, en komt hij op, zoo zijn wij nog sterk genoeg, om hem in bedwang te houden. Denk aan Gladsmuir.”
„Wat ik u zeg is nogtans waar; voor zoo ver mij persoonlijk betreft.”
„Waarop grondt gij zulk een zwaarmoedige voorspelling?”
„Op iets, dat nooit een lid van mijn huis te leur stelde. – Ik heb,” zeide hij, met gedempte stem, „den Bodach Glas gezien.”
„Den Bodach Glas?”
„Ja. Zijt gij zoo lang op Glennaquoich geweest, en hebt gij nooit van het „grauwe spook” hooren spreken, al bestaat er inderdaad een zekere weerzin bij ons om het te noemen?”
„Neen, nooit!”
„Ha! het zou anders juist een historie voor de arme Flora geweest zijn, om u te vertellen. Of zoo die heuvel Benmore en dat lange blauwe [296]meer, dat juist naar gindsche bergachtige streek kronkelt, Loch Tay, of mijn eigen Loch-an-Ri ware, – zou hetgeen ik u te verhalen heb, meer in overeenstemming zijn met het tooneel. Zetten wij ons echter op deze hoogte neder; ook Saddelback en Ulswater1 zullen beter passen bij hetgeen ik te zeggen heb, dan de Engelsche heggen, heiningen en boerenwoningen. – Gij moet dan weten, dat, toen een mijner voorvaderen, Ian nan Chaistel, Northumberland verwoestte, hij voor dezen tocht verbonden was met een soort van Zuidlandsch Opperhoofd, of Kapitein eener bende Laaglanders, met name Halbert Hall. Bij hun terugkomst door de Cheviotsche bergen, kregen zij twist over de verdeeling van den grooten buit, dien zij behaald hadden, en het kwam van woorden tot daden. De Laaglanders werden tot op den laatsten man toe neergesabeld, en hun Opperhoofd viel het laatst, met wonden bedekt, door het zwaard van mijn voorzaat. Sedert dien tijd heeft zijn geest zich altijd aan den Vich Ian Vohr, die het hoofd van den clan is, vertoond, als er een of ander groot ongeluk op handen was, maar vooral wanneer zijn dood nabij was. Mijn vader heeft hem tweemaal gezien; eens den avond voor dat hij krijgsgevangen gemaakt werd bij Sheriff-Muir; den anderen keer op den morgen van den dag, toen hij stierf.”
„Hoe kunt gij, waarde Fergus, mij zulken onzin met een ernstig gelaat vertellen?”
„Ik verg van u niet mij te gelooven, maar ik zeg u de waarheid, gestaafd door ten minste drie honderd jaren ondervinding, en gisterennacht door mijn eigene oogen.”
„Verhaal mij in ’s Hemels naam de bijzonderheden,” hernam Waverley met aandrang.
„Gaarne, op voorwaarde dat gij er niet mede poogt te spotten. – Van het oogenblik af dat deze ongelukkige terugtocht begonnen is, ben ik ter nauwernood ooit in staat geweest een oog te sluiten, door de zorgen voor mijn clan, en door het denken aan den armen Prins, dien men terugvoert, als een hond aan een touw, hij moge willen of niet – en aan den val mijner familie. Heden nacht, als door de koorts geplaagd, verliet ik mijn kwartier en wandelde naar buiten, in de hoop dat de scherpe winterlucht mijn zenuwen sterken zou. – Ik kan u niet zeggen, hoe ongaarne ik voortga, want ik weet dat gij mij bezwaarlijk gelooven zult. Maar – ik ging een klein vondertje over, en bleef heen en weer wandelen, toen ik, tot mijn groote verbazing, eensklaps bij het heldere maanlicht, een ranke gestalte zag, in een grijze plaid gewikkeld, zoo als de schaapherders in het zuiden van Schotland dragen, die, òf ik langzaam, òf haastig voortliep, geregeld omtrent vier ellen vóór mij uitbleef.”
„Gij hebt waarschijnlijk een Cumberlandschen boer in zijn gewone kleeding gezien.”
„Neen! eerst dacht ik dat ook, en verwonderde mij over de stoutheid van den man die het wagen durfde zoo voor mij uit te loopen. Ik riep hem toe, maar kreeg geen antwoord. Ik gevoelde een angstig hartkloppen, en om mij te vergewissen van hetgeen ik duchtte, stond ik stil en keerde mij, op dezelfde plek, naar de vier windstreken. – Bij den Hemel. [297]Eduard, ik mocht mij wenden, waarheen en hoe ik wilde, de gedaante was terstond, op juist denzelfden afstand, voor mijn oogen! Ik hield mij dus overtuigd, dat het de Bodach Glas was. De haren rezen mij te berge, en mijn knieën knikten. Ik vermande mij echter, en besloot naar mijn kwartier terug te keeren. De geest zweefde voor mij heen (want ik kan niet zeggen dat hij ging) totdat hij het vondertje bereikte: daar bleef hij staan, en keerde zich om. Ik moest óf de rivier doorwaden, óf zoo dicht langs hem heen gaan, als ik thans bij u ben. De moed der vertwijfeling, gegrond op het geloof dat mijn dood nabij was, deed mij besluiten, in spijt van hem, mijn weg te vervolgen. Ik maakte het teeken des kruises, trok mijn zwaard, en zeide: „In den naam van God, booze geest, maak plaats!” – „Vich Ian Vohr,” antwoordde hij, met een stem die mijn bloed deed stollen, „wacht u voor morgen!” De geest scheen op dat oogenblik geen half el van de punt van mijn degen; maar de woorden waren nauwelijks gesproken, of hij verdween, en er was niets meer, om mij den weg over de beek te beletten. Ik kwam te huis, en wierp mij op mijn bed, waar ik eenige pijnlijke uren doorbracht; en hedenmorgen, nu er geen bericht gekomen was, dat de een of ander vijand ons nabij is, nam ik mijn paard, en reed hierheen, om den vrede tusschen ons te herstellen. Ik zou niet gaarne vallen, zonder verzoend te zijn met een vriend, dien ik onrecht deed.”
Eduard twijfelde volstrekt niet, of deze verschijning had haar ontstaan te danken aan Fergus’ afgemat lichaam en neergedrukten geest, die den invloed verhoogden van de bijgeloovige denkbeelden, welke hij met bijna al de Hooglanders deelde. Hij was evenwel niet te minder met medelijden jegens Fergus bezield, voor wien hij, in zijn tegenwoordigen tegenspoed, alle vroegere achting voelde herleven. Met het doel om hem van deze sombere denkbeelden af te leiden, bood hij hem aan, om, met verlof van den Baron, van wien hij wist het dadelijk te kunnen verkrijgen, in zijn kwartier te blijven totdat het corps van Fergus zou komen en dan, als vroeger, met hem te marcheeren. Het Opperhoofd scheen zeer gevoelig voor het aanbod, maar aarzelde het aan te nemen.
„Wij zijn, zoo als gij weet, in de achterhoede – den gevaarlijksten post bij een terugtocht.”
„En dus de eerepost!”
„Wel,” hernam het Opperhoofd, „laat Alick uw paard gezadeld houden, tegen dat wij overvleugeld worden, en het zal mij aangenaam zijn, nogmaals uw gezelschap te genieten.”
Het was laat eer de achterhoede op kwam dagen, daar zij door verscheidene toevallen en door den slechten toestand der wegen opgehouden werd. Eindelijk trokken zij het dorpje binnen. Toen Waverley zich, arm in arm met hun Opperhoofd, bij den clan Mac-Ivor voegde, scheen alle gevoeligheid, die men tegen hem gekoesterd had, op eens verdwenen. Evan Dhu ontving hem met een grijns van gelukwensching; en zelfs Callum, die even wakker rondliep als vroeger, schoon bleek en met een groote pleister op het hoofd, scheen verheugd hem te zien.
„De schedel van dien galgebrok,” zei Fergus, „moet harder dan marmer zijn: het slot van het pistool was waarachtig aan stukken.”
„Hoe kondt gij zulk een jongen knaap zoo hard slaan?” vroeg Waverley belangstellend.
„Wel, als ik soms niet hard sloeg, zouden de rekels zichzelve vergeten.” [298]
Men begaf zich nu op marsch, na de noodige voorzorgen genomen te hebben, om iedere mogelijke verrassing te voorkomen. De soldaten van Fergus, en een schoon regiment van Badenoch, door Cluny Mac-Pherson aangevoerd, maakten de achterhoede uit. Zij waren een uitgestrekt, open heideveld overgetrokken, en stonden op het punt om de beschuttingen, die een klein dorp, Clifton genaamd, omringden, binnen te rukken. De winterzon was ondergegaan, en Eduard begon Fergus uit te lachen, om de valsche voorspellingen van het grauwe spook. „De Iden van Maart zijn nog niet voorbij,” zeide Mac-Ivor met een glimlach, zijn blikken eensklaps achterwaarts naar de heide wendende, op wier bruine en donkere oppervlakte in de verte een aanzienlijk corps ruiterij zich vertoonde. Zich achter de beschuttingen te scharen, die naar de heide en den weg waren gekeerd, welke den vijand den toegang tot het dorp moest verleenen, was het werk van zeer weinigen tijd. Terwijl deze maatregelen genomen werden, daalde de nacht zwart en treurig neder, ofschoon het volle maan was. Soms echter liet zij een twijfelachtig licht op het tooneel van den strijd vallen.
De Hooglanders bleven niet lang ongemoeid in de verdedigende stelling, die zij ingenomen hadden. Door den nacht begunstigd, poogde een groot corps afgestegen dragonders de beschuttingen te doorbreken, terwijl een andere, niet minder sterke afdeeling, haar best deed, om er langs den grooten weg binnen te rukken. Beide werden met zulk een hevig vuur ontvangen, dat het hunne gelederen in verwarring bracht en hun vooruitgang krachtdadig stuitte. Niet tevreden met het dus behaalde voordeel, trok Fergus, wiens vurige geest bij het naderende gevaar al zijn veerkracht scheen herkregen te hebben, zijn zwaard, terwijl hij uitriep: „De sabel!” en moedigde zijn clan met woord en daad aan, om op den vijand in te houwen. Daarop, handgemeen geworden met de afgestegen dragonders, dwongen zij deze naar de open vlakte te wijken, waar een groot deel van hen in de pan gehakt werd. Maar de maan, die op eens te voorschijn kwam, toonde den Engelschen het kleine getal der aanvallers, die door het behaalde voordeel zelf in wanorde geraakt waren, waarop de beide escadrons te paard zich in beweging zetten, om hunne makkers te ondersteunen, terwijl de Hooglanders de beschuttingen weder poogden te bereiken. Maar verscheidene hunner, onder anderen hun dapper Opperhoofd, werden afgesneden en omsingeld, eer zij hun voornemen konden ten uitvoer brengen. Waverley, die Fergus met het oog zocht, van wien hij, zoo wel als van het terugtrekkende corps, was afgescheiden geraakt in de duisternis en verwarring, zag hem, met Evan Dhu en Callum, zich wanhopig verdedigen tegen een dozijn dragonders, die hen met hunne lange sabels aanvielen. De maan werd op dit oogenblik weder geheel bewolkt, en Eduard kon, in de duisternis, noch hulp toebrengen aan zijn vrienden, noch ontdekken, waarheen zijn eigen weg leidde, om zich weder bij de achterhoede te voegen. Na een paar malen ter nauwernood ontsnapt te zijn aan verslagen of gevangen gemaakt te worden door de benden ruiterij, die hij in het duister ontmoette, bereikte hij ten laatste een schutting, en na deze te zijn overgeklommen, achtte hij zich buiten gevaar en op den weg naar de Hooglandsche troepen, wier doedelzakken hij op eenigen afstand hoorde. Voor Fergus bleef er bijna geen hoop, dan die van krijgsgevangen gemaakt te worden. Terwijl hij diens lot met smart en angst overdacht, kwam het bijgeloof van den Bodach [299]Glas Eduard weder voor den geest, en hij sprak, net innerlijke verbazing, tot zichzelven: „Hoe! kan de Duivel dan waarheid spreken?”2
2 Zie Aanteekening OO. Schermutseling te Clifton. W. S. ↑